- Arrest van 24 mei 2011

24/05/2011 - 2008AR3006

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

1. Overeenkomstig artikel 159 van de G.W. passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Voornoemde bepaling is van toepassing op ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan. Een administratieve overheid zonder rechtsprekende functie, zoals de Kansspelcommissie, kan niet zo maar een onwettige beslissing negeren op grond van artikel 159 G.W. behalve wanneer die beslissing zo grof onwettig is dat het feitelijk bestaan ervan genegeerd mag worden.

2. Artikel 34, derde lid van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen bepaalt: "De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant af te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente...." De bedoeling van deze bepaling bestaat erin aan de gemeenten een zekere beleidsvrijheid toe te staan m.b.t. o.a. de vestiging van de bedoelde kansspelinrichtingen. De gemeente beschikt over een discretionaire bevoegdheid bij het al dan niet afsluiten van een convenant.

3. Het verlies van een kans is vergoedbare schade te onderscheiden van de uiteindelijke schade of de onderliggende schade. Een vergoeding kan toegekend worden voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout. Wanneer een schadelijdende partij zich hierop beroept, moet hij bijgevolg evenzeer het oorzakelijk verband aantonen tussen de fout en het verlies van die kans. Tussen de fout en het verlies van een kans dient een conditio sine qua non bestaan.


Arrest - Integrale tekst

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/3006

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

DE PIJL N.V., met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Statiestraat 17, ingeschreven met KBO-nummer 0432.417.981,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. MOORS Willy, advocaat te 2500 LIER, Kruisbogenhofstraat 15 ;

TEGEN:

De STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met zetel op het Stadhuis aan de Grote Markt te 2000 ANTWERPEN, Grote Markt 1,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. EMMERECHTS F. loco Mr. POCKELE-DILLES Roland, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 bus 13 en vertegenwoordigd door Mr. BROUWERS S. loco Mr. LUYPAERS Peter, advocaat te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4 bus 1 ;

SAMENVATTING

1. Overeenkomstig artikel 159 van de G.W. passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Voornoemde bepaling is van toepassing op ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan. Een administratieve overheid zonder rechtsprekende functie, zoals de Kansspelcommissie, kan niet zo maar een onwettige beslissing negeren op grond van artikel 159 G.W. behalve wanneer die beslissing zo grof onwettig is dat het feitelijk bestaan ervan genegeerd mag worden.

2. Artikel 34, derde lid van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen bepaalt: "De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant af te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente...." De bedoeling van deze bepaling bestaat erin aan de gemeenten een zekere beleidsvrijheid toe te staan m.b.t. o.a. de vestiging van de bedoelde kansspelinrichtingen. De gemeente beschikt over een discretionaire bevoegdheid bij het al dan niet afsluiten van een convenant.

3. Het verlies van een kans is vergoedbare schade te onderscheiden van de uiteindelijke schade of de onderliggende schade. Een vergoeding kan toegekend worden voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout. Wanneer een schadelijdende partij zich hierop beroept, moet hij bijgevolg evenzeer het oorzakelijk verband aantonen tussen de fout en het verlies van die kans. Tussen de fout en het verlies van een kans dient een conditio sine qua non bestaan.

*****************************

Gelet op de procedurestukken:

 het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 16 november 2004, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

 de akte van hoger beroep betekend op 27 april 2005;

 het arrest van het hof van beroep te Antwerpen uitgesproken op 20 februari 2007;

 het arrest van het Hof van Cassatie uitgesproken op 26 juni 2008;

 de tweede syntheseconclusie van appellante neergelegd ter griffie op 15 september 2010;

 de laatste syntheseconclusie na cassatie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 14 oktober 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 21 maart 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 1.728.236,30 euro plus de vergoedende intresten vanaf 20 november 2002 en de gerechtelijke intresten.

Appellante vroeg in ondergeschikte orde de aanstelling van een deskundige.

1.2. De eerste rechter heeft appellante veroordeeld tot betaling van een provisie van 100.000 euro en heeft, vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, de heer Dirk Van Cleemput aangesteld als deskundige met een welomschreven opdracht.

1.3. Het hoger beroep van appellante beoogde de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren.

1.4. Bij arrest uitgesproken door het hof van beroep te Antwerpen op 20 februari 2007 werd het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd het bestreden vonnis bevestigd.

1.5. Het Hof van Cassatie heeft op 26 juni 2008 voornoemd arrest vernietigd behalve in zoverre het beslist heeft dat de gemeenteraad van de Stad ANTWERPEN bij het nemen van de beslissing van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 een fout heeft begaan en de aldus beperkte zaak verwezen naar het hof van beroep te Brussel.

1.6. Appellante vraagt thans (1) in hoofdorde, het bestreden vonnis te niet te doen, behalve in zoverre hierin de vordering ontvankelijk werd verklaard en beslist werd dat zij een fout had begaan bij het nemen van de beslissing van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 en de vordering voor het overige ongegrond te verklaren en (2) in ondergeschikte orde, een deskundige aan te stellen, de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter en de Stad niet te veroordelen tot het betalen van enige provisie.

1.7. Geïntimeerde vraagt in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis en de verwijzing van de zaak naar de eerste rechter.

In ondergeschikte orde stelt zij een beperkt incidenteel beroep in en vraagt zij de deskundige te gelasten met een bijkomende opdracht.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde in de Stad Antwerpen drie lunaparken uitbaatte, met name "Monte Carlo" in Klapdorp, "Circus" in de Abdijstraat en "Reno" in de Breydelstraat.

2.3. Ingevolge de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, is de uitbating van kansspelinrichtingen van klasse II of speelautomatenhallen onderworpen aan een nieuwe reglementering.

De uitbating van dergelijke inrichtingen is met name onderworpen aan een voorafgaand afgesloten convenant tussen de gemeente/stad en de uitbater.

De uitbater moet beschikken over dat convenant alvorens een vergunning klasse II te kunnen verkrijgen van de Kansspelcommissie.

2.4. Eind van het jaar 2000 diende geïntimeerde een verzoek in tot het bekomen van een dergelijk convenant voor haar drie speelautomatenhallen en op 25 januari 2001 diende zij voor deze vestigingen een vergunningsaanvraag in bij de Kansspelcommissie.

Op 23 maart 2001 deelde de Stad mede dat zij op 7 februari 2001- deze beslissing werd door de gemeenteraad goedgekeurd op 21 mei 2001 - de criteria heeft vastgelegd die zullen gehanteerd worden bij het afsluiten van convenanten en dat zij op 14 maart 2001 beslist heeft dat een convenant kon worden afgesloten voor de vestiging RENO, maar niet voor de vestigingen MONTE CARLO en CIRCUS .

Op 18 juni 2001 besliste de gemeenteraad van de Stad ANTWERPEN geen convenant af te sluiten voor de vestigingen MONTE CARLO en CIRCUS.

Op 27 juni 2001 besliste de Kansspelcommissie om geen vergunning klasse B uit te reiken voor de vestigingen MONTE CARLO en CIRCUS gezien het gemeentebestuur had laten weten geen convenant te zullen afsluiten m.b.t. die vestigingen.

Deze beslissing werd op 9 juli 2001 bij aangetekend schrijven aan geïntimeerde mede gedeeld. In dit schrijven werd geïntimeerde tevens aangemaand beide vestigingen te sluiten binnen de drie maanden na ontvangst van voormelde kennisgeving overeenkomstig artikel 19 van het K.B. van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II.

Geïntimeerde heeft in uitvoering van dat schrijven haar beide vestigingen MONTE CARLO en CIRCUS gesloten op 10 oktober 2001.

2.5. Bij arresten van 5 maart 2002 en van 16 juli 2002 werd respectievelijk de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gemeenteraadsbeslissing van 21 mei 2001 bevolen en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gemeenteraadsbeslissing van 18 juni 2001 .

Op 3 april 2002 besliste de Kansspelcommissie haar weigeringsbeslissing van 27 juni 2001 in te trekken.

Bij arrest van 15 juli 2003 vernietigde de Raad van State voornoemde beslissing van 18 juni 2001.

Bij arrest van 12 juli 2004 vernietigde de Raad van State voornoemde beslissing van 21 mei 2001.

2.6. Op 13 oktober 2003 weigerde de gemeenteraad van de Stad ANTWERPEN andermaal om een convenant af te sluiten voor de vestigingen MONTE CARLO en CIRCUS.

Geïntimeerde beweert geen kennis te hebben gekregen van deze beslissing en om deze reden geen annulatieberoep te hebben kunnen indienen bij de Raad van State.

Op 3 december 2003 weigerde de Kansspelcommissie andermaal een vergunning klasse B uit te reiken wegens het gebrek aan een vooraf bestaand afgesloten convenant.

III. Discussie.

3.1. Er staat definitief vast dat de Stad een fout heeft begaan bij het nemen van haar beslissingen van 21 mei 2001 en 18 juni 2001.

Deze fout staat niet alleen erga omnes vast ingevolge de hier voren geciteerde arresten van de Raad van State die beide beslissingen vernietigd heeft maar volgt tevens uit het arrest van het Hof van Cassatie van 26 juni 2008 dat desbetreffend duidelijk stelt:

"Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het beslist dat de gemeenteraad van de Stad ANTWERPEN bij het nemen van de beslissing van 21 mei 2001 en 18 juni 2001 een fout heeft begaan (onderstreping toegevoegd)".

3.2. Het debat beperkt zich in deze dan ook hoofdzakelijk tot het al dan niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen de fout en de schade.

Het Hof van Cassatie vernietigde het arrest van het hof van beroep te Antwerpen op grond van de volgende motieven:

"De appelrechters oordelen dat het niet zeker is dat verweerster (= huidige geïntimeerde) een convenant zou hebben verkregen, maar dat wel is aangetoond dat ze door de fout van de eiseres (= huidige appellante) minstens een kans heeft verloren om een convenant, respectievelijk een vergunning klasse B te bekomen en dat derhalve het bewijs is geleverd dat zonder deze fout de schade zich niet op deze wijze zou hebben voorgedaan.

Na aldus te hebben geoordeeld dat er alleen zekerheid is over het oorzakelijk verband tussen de fout van eiseres en het verlies van de kans om een convenant, respectievelijk een vergunning te bekomen, hebben de appelrechters niet wettig kunnen beslissen dat de aan de verweerster berokkende schade bestaat uit de sluiting van haar inrichtingen vanaf 10 oktober 2001."

3.3. Appellante is vooreerst de mening toegedaan dat het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade doorbroken is door een eigen fout begaan door de Kansspelcommissie.

Zij meent dat de fout hierin gelegen is dat voornoemde commissie nagelaten heeft, bij toepassing van artikel 159 van de G.W., de beslissing van de gemeenteraad tot weigering van het sluiten van een avenant buiten toepassing te laten.

Overeenkomstig artikel 159 van de G.W. passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen.

Voornoemde bepaling is van toepassing op ieder met eigenlijke rechtspraak belast orgaan.

Een administratieve overheid zonder rechtsprekende functie, zoals de Kansspelcommissie, kan niet zo maar een onwettige beslissing negeren op grond van artikel 159 G.W. behalve wanneer die beslissing zo grof onwettig is dat het feitelijk bestaan ervan genegeerd mag worden.

De beslissing van 18 juni 2001 waarin de gemeenteraad van de Stad ANTWERPEN besloot om geen convenant af te sluiten voor de vestigingen MONTE CARLO en CIRCUS was niet in die mate onregelmatig dat de Kansspelcommissie mocht beslissen om een dergelijke rechtshandeling te negeren.

In de gegeven omstandigheden heeft de Kansspelcommissie dan ook terecht rekening gehouden met voornoemde administratieve handeling.

Gezien het afsluiten van een convenant een essentiële voorwaarde uitmaakte om een vergunning klasse B te bekomen, heeft de Kansspelcommissie terecht, bij gebreke aan een dergelijk voorafgaand avenant, geweigerd om een vergunning te verlenen.

Er kan bijgevolg aan deze commissie geen enkele fout verweten worden.

3.4. De N.V. DE PIJL houdt verder voor dat zonder de fout van appellante (= het ten onrechte weigeren van het afsluiten van een avenant) zij haar twee vestigingen MONTE CARLO en CIRCUS niet had moeten sluiten en zodoende appellante moet instaan voor de schade die uit die sluiting voortvloeit.

Appellante verwijst ten onrechte naar de beslissing van de gemeenteraad van 13 oktober 2003 waarbij na de vernietigingsarresten van de Raad van State andermaal - na individueel onderzoek ditmaal en op gemotiveerde wijze - geweigerd werd om een avenant af te sluiten voor voornoemde vestigingen.

Zij kan zich niet beroepen op een eigen administratieve handeling om de schade en het oorzakelijk verband te betwisten ingevolge een fout die zijzelf beging.

Het feit dat de N.V. DE PIJL tegen deze beslissing geen annulatieberoep indiende bij de Raad van State is niet relevant voor de beoordeling van de schade en het oorzakelijk verband ontstaan ingevolge de foutieve beslissing van 18 juni 2001.

3.5. Het bewijs van een causaal verband tussen de fout en de schade (= sluiting van 2 vestigingen) veronderstelt dat aangetoond wordt door de eisende partij dat de schade niet zou zijn ontstaan zonder de fout.

Nagegaan moet worden of het schadegeval zich zou hebben voorgedaan zonder de fout van appellante.

Diegene die een fout heeft begaan, kan niet veroordeeld worden om de schade te vergoeden zoals ze zich heeft voorgedaan, wanneer vastgesteld wordt dat er onzekerheid blijft bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade . Er mag derhalve geen ernstige twijfel bestaan over het causaal verband.

Artikel 34, derde lid van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen bepaalt het volgende:

"De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant af te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente.

..."

De bedoeling van deze bepaling bestaat erin aan de gemeenten een zekere beleidsvrijheid toe te staan m.b.t. o.a. de vestiging van de bedoelde kansspelinrichtingen.

Gezien de discretionaire bevoegdheid waarover een gemeente beschikt bij het al dan niet afsluiten van een convenant bestaat er in deze geen voldoende zekerheid dat zonder de fout van appellante de schade niet zou zijn ontstaan.

Bij gebreke aan een zeker oorzakelijk verband tussen de vaststaande fout en de schade voortvloeiende uit de sluiting van desbetreffende vestigingen kan appellante niet aansprakelijk gesteld worden voor deze schade.

3.6. Geïntimeerde werpt verder op dat zij minstens een kans heeft verloren.

Het verlies van een kans is vergoedbare schade te onderscheiden van de uiteindelijke schade of de onderliggende schade. Een vergoeding kan toegekend worden voor het verlies van een kans op het verwerven van een voordeel of het vermijden van een nadeel indien het verlies van deze kans te wijten is aan een fout.

Wanneer een schadelijdende partij zich hierop beroept, moet hij bijgevolg evenzeer het oorzakelijk verband aantonen tussen de fout en het verlies van die kans. Tussen de fout en het verlies van een kans dient een conditio sine qua non bestaan.

Dit verband veronderstelt dat de schade (= verlies van een kans) zich zonder de fout niet had kunnen voordoen zoals ze zich heeft voorgedaan. Zou de schade niet ontstaan zijn zonder de fout, dan staat het causaal verband vast. Er is echter geen causaal verband indien de schade zich ook zonder de fout zou hebben voorgedaan.

Het moet wel om een reële kans gaan en een vordering kan op deze grond slechts afgewezen worden omdat zij onbestaande was en niet omdat de kans die verloren ging klein was.

3.7. De Raad van State stelt in de diverse arresten die m.b.t. huidig geschil werden uitgesproken dat appellante wel degelijk een beleid mag voeren bij het verlenen van convenanten wat overigens voortvloeit uit het reeds hier voren geciteerde artikel 34, derde lid, doch dat zij "geval per geval" moet beoordelen, rekening houdende met de concrete omstandigheden van elke aanvraag en elke vestiging afzonderlijk en dus niet op basis van vooraf vastgestelde strikte criteria, die nadien zonder verder motivering worden toegepast en die in deze vastgelegd waren in de beslissing van de gemeenteraad van 21 mei 2001.

Hierbij is volgende overweging uit het schorsingsarrest van 16 juli 2002 van belang:

"Overwegende dat aan de voorwaarden voor een schorsing is voldaan; dat verwerende partij (= de Stad ANTWERPEN) tevergeefs vraagt de vordering toch te verwerpen, na een belangenafweging, omdat bij een schorsing de lunaparken zich "opnieuw kriskras door elkaar én overal in de Stad kunnen vestigen" en daardoor "onmiddellijk zeer zware nadelen" worden toegebracht aan de burgers en de verwerende partij; dat immers ook na de schorsing van de bestreden beslissing de uitbating van een kansspelinrichting klasse II Antwerpen, door verzoekster of wie dan ook, moet blijven gebeuren krachtens een convenant met de verwerende partij, die aldus een doorslaggevende rol m.b.t. de lokalisatie van deze kansspelinrichtingen behoudt."

Hieruit volgt ontegensprekelijk dat de Stad een eigen beleid mag voeren wat betreft de lokalisatie van kansspelinrichtingen en in functie daarvan het afsluiten van een convenant met een uitbater al dan niet kan weigeren.

Uit de feitelijke gegevens blijkt dat de inrichtingen CIRCUS en MONTE CARLO gelegen zijn in de nabijheid van andere kansspelinrichtingen, in de nabijheid van diverse onderwijsinstellingen en in een sociaal kwetsbaar gebied. Deze feitelijke gegevens op zich worden niet betwist door geïntimeerde. De inrichting MONTE CARLO is gelegen in het centrum van de Stad Antwerpen en de inrichting CIRCUS in de zuidrand van de Stad waar vele jonge gezinnen zich komen vestigen.

Eén van de doelstellingen van de wet op de kansspelen is gokverslaving en de hiermee gepaard gaande financiële verwikkelingen zo veel als mogelijk aan banden te leggen.

Het getuigt van een goed bestuur indien steden en gemeenten bij het bepalen van haar beleid betreffende het afsluiten van convenanten rekening houdt met o.a. de lokalisatie van een kansspelinrichting teneinde bovenstaande doelstellingen op optimale wijze te kunnen realiseren.

In de gegeven omstandigheden is de kans dus bijzonder klein dat zonder de fout begaan door appellante deze zou beslist hebben een convenant af te sluiten met de uitbater voor wat de twee reeds genoemde vestigingen betreft. Zonder een voorafgaande convenant kan de Kansspelencommissie het dossier niet eens onderzoeken met het oog op het al dan niet toekennen van een vergunning.

Het feit dat die kans bijzonder klein is, betekent niet dat die kans onbestaande is en derhalve geen aanleiding geeft tot het bekomen van enige schadevergoeding.

3.8. De schade die geïntimeerde geleden heeft ingevolge het verlies van voornoemde kans beperkt zich tot de periode van 10 oktober 2001 tot 13 oktober 2003, datum waarop de Stad voor een tweede maal weigerde - op rechtsgeldige wijze - een convenant af te sluiten voor de beide reeds geciteerde kansspelinrichtingen.

Gelet op het feit dat de kans als bijzonder klein wordt ingeschat en dit voor de periode van 10 oktober 2001 tot 13 oktober 2003 wordt deze schade dan ook in alle billijkheid ex aequo et bono geraamd op 6.000 euro .

3.9. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg hervormd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.10. Beide partijen vragen een bedrag van 15.000 euro ten titel van rechtsplegingsvergoeding. D.i. het basisbedrag voor vorderingen gelegen in de schaal boven 1.000.000,01 euro .

Geïntimeerde (= oorspronkelijke eiseres) vraagt in hoger beroep en in hoofdorde enkel het bestreden vonnis te willen bevestigen. In dit vonnis werd aan geïntimeerde een provisie toegekend van 100.000 euro en werd vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde een deskundige aangesteld.

De huidige door geïntimeerde gestelde vordering bevindt zich dus in de schaal van 60.000,01 euro tot 100.000 euro en het basisbedrag voor een dergelijke vordering bedraagt 3.000 euro . Na indexatie van kracht sedert 1 maart 2011 wordt dit 3.300 euro .

Dit bedrag komt ten beloop van 2/3 toe aan appellante als de (overwegend) in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre hierin de oorspronkelijke vordering ontvankelijk werd verklaard en deels gegrond.

En hervormend voor het overige,

Veroordeelt appellante om aan geïntimeerde een bedrag te betalen van 6.000 euro plus de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet sedert 2 februari 2004 tot de datum van huidig arrest waarna vermeerderd met de gerechtelijke intresten aan dezelfde intrestvoet.

Veroordeelt geïntimeerde tot 2/3 van de gerechtskosten in beide aanleggen, begroot

- in hoofde van appellante op 251 euro dagvaarding en rolstelling + 364,40 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 3.300 euro rechtsplegingsvergoeding beroep Antwerpen + 163,10 euro kosten hof van Cassatie, vereffend in arrest dd. 26/06/2008 + 72,45 euro uitgiftekosten cassatiearrest + 442,99 euro exploot dd. 25/11/2008, houdende betekening cassatiearrest en beroepsakte + 3.300 euro rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel,

- in hoofde van geïntimeerde op 364,40 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 356,55 euro kosten dagvaarding beroep + 3.300 euro rechtsplegingsvergoeding beroep Antwerpen + 3.300 euro rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 24 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans A. De Preester

Vrije woorden

  • Wet van 7 mei 199 op de kansspelen. Convenant. Convenant tussen uitbaten en de gemeente. Vergunning. Kansspelcommissie. II. Schade. Verlies van een kans. Oorzakelijk verbod.