- Arrest van 9 juni 2011

09/06/2011 - 2008AR1632

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

administratie voornemens verjaringstermijn art. 81bis, § 1, lid 2 WBTW toe te passen - correctieopgave maakt melding van het feit dat met toepassing van artikel 61§1 WBTW werd verzocht om inzage te verlenen van stukken - onderzoekingen die administratie verplichten voorafgaandelijk artikel 84ter WBTW toe te passen


Arrest - Integrale tekst

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2008/AR/1632

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Tienen, met kantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester Luc Van Helshoecht, advocaat te 1070 Brussel, G. Stassartlaan 1, bus 48-53,

TEGEN :

De NV RECYCLAGE EN COMPOSTERING, met maatschappelijke zetel te 3300 Tienen, Industriepark 33/II, met KBO-nummer 0471.704.446,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester Henri Vandebergh, advocaat te 3550 Heusden-Zolder, Pater Beckersstraat 10,

*****

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. EINDARREST - ongegrond

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 14 maart 2008 (A.R. nr. 2006/2009/A), vonnis dat werd betekend op 21 mei 2008 en op 2 juni 2008 en waartegen door appellant een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 16 juni 2008.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond.

Deze vordering strekte ertoe de terugbetaling te bevelen van het bedrag van 8.764,76 EUR, verhoogd met de wettelijke interesten vanaf het verzoekschrift.

I. De feiten

Geïntimeerde is wegens de uitgeoefende activiteit van grond- en slopingswerken en verkoop van bouwmaterialen geregistreerd als BTW-plichtige.

Op 8 juni 2006 vond bij geïntimeerde een controle plaats betreffende de toepassing en de reglementering inzake de BTW. Geïntimeerde werd verzocht om inzage te verlenen van de volledige boekhouding en alle boeken, stukken en bescheiden, waarvan het houden, opmaken, ontvangen, uitreiken, bewaren en voorleggen is voorgeschreven door de wetgeving en de reglementering inzake de BTW, en die betrekking hadden op de beroepswerkzaamheden van de belastingplichtige, uitgeoefend tijdens de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2004.

Aan de hand van de voorgelegde bescheiden werd geïntimeerde in overtreding bevonden omdat 3 facturen van respectievelijk 30 januari 2002, 28 mei 2002 en 29 oktober 2002, telkens met als leverancier de VZW Standard Diest, voor een bedrag aan aftrekbare BTW van 4.725,00 EUR niet aan de wettelijke voorwaarden voldeden om de aftrek uit te oefenen.

Er werd een boete opgelegd van 3.360,00 EUR.

Geïntimeerde ondertekende de correctieopgave voor akkoord en betaalde op 5 juli 2006 het bedrag van 8.764,76 EUR.

Het bij geïntimeerde gevoerde onderzoek was een gevolg van een strafrechtelijke procedure. Bij vonnis van 3 oktober 2006 van de correctionele rechtbank te Leuven werd de heer x, als bestuurder van geïntimeerde, veroordeeld om, met het bedrieglijk inzicht onrechtmatig BTW in mindering te brengen van de aangiften van geïntimeerde, facturen op naam van de VZW Standard Diest te hebben laten opstellen, dewelke facturen vals waren, daar het gefactureerde bedrag veel hoger was dan het werkelijk verschuldigde en betaalde bedrag, en om deze facturen in de boekhouding van geïntimeerde te hebben opgenomen en betaald te hebben, en de op de facturen betaalde BTW in mindering gebracht te hebben van de aangiften van geïntimeerde, terwijl het gefactureerde en betaalde bedrag voor een groot deel terugbetaald werd door de VZW in kwestie aan de heer x, zonder dat de daarvoor noodzakelijke boekingen en creditnota's werden opgesteld.

Op 29 maart 2006 ontving de administratie vanwege de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel machtiging tot het nemen van inzage en afschrift van het strafdossier.

Op 26 september 2006 legde geïntimeerde een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waarin zij vorderde de terugbetaling te bevelen van het bedrag van 8.764,76 EUR, verhoogd met de wettelijke interesten vanaf het verzoekschrift.

Bij het bestreden vonnis van 14 maart 2008 willigde de rechtbank te Leuven de vordering van geïntimeerde in.

II. Discussie

a) Ten gronde

1. De eerste rechter oordeelde dat de BTW-wetgeving niet expliciet voorziet in het bestaan van onderzoekstermijnen. De bevoegdheid om een onderzoek uit te voeren, dient te worden beoordeeld in functie van de door de wet bepaalde verjaringstermijnen (in die zin dat, zolang de belasting niet is verjaard, een onderzoek kan worden uitgevoerd).

De Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen heeft een oorspronkelijke verjaringstermijn van 3 jaar ingevoerd. Deze termijn wordt met 2 jaar verlengd als de overtreding is begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Daartoe dient wel een voorafgaande kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking die tegen de belastingplichtige bestaan te worden verstuurd door de administratie, hetgeen in deze niet is gebeurd. In bepaalde gevallen wordt de verjaringstermijn op 7 jaar gebracht, onder meer wanneer een rechtsvordering aantoont dat in België belastbare handelingen niet werden aangegeven of belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningbepalingen die daarop van toepassing zijn. Inzake directe belastingen bestaat ook een termijn van 7 jaar. Deze aanslagtermijn van 7 jaar heeft, wat de directe belastingen betreft, niet tot gevolg dat de onderzoekstermijn voor de administratie wordt verlengd. Volgens de eerste rechter bestaat er geen reden om er anders over te oordelen inzake BTW.

2. Appellant meent dat de eerste rechter ten onrechte stelt dat inzake BTW de onderzoekstermijn niet zou samenvallen met de verjaringstermijn voor een navordering. Daarnaast is hij van oordeel dat de eerste rechter ten onrechte stelt dat hij een verboden onderzoek heeft gevoerd waardoor de navordering als nietig moet worden beschouwd.

Volgens appellant hadden de administratieve handelingen van de instrumenterende ambtenaar niet als doel te onderzoeken, maar wel de tegenstelbaarheid, herkenbaarheid, juistheid en relevantie van de aangereikte bewijsmiddelen uit het strafdossier te verifiëren.

In dat verband stelt appellant dat de kwestieuze "onderzoekingen" moeten worden geclassificeerd in het kader van de zorgvuldigheidsplicht, die inhoudt dat men moet handelen zoals elk normaal voorzichtig en vooruitziend persoon dat zou doen, of met andere woorden zoals dat redelijkerwijze mag worden verwacht van een persoon die zich in dergelijke omstandigheden bevindt.

Bijgevolg heeft de eerste rechter, naar zijn oordeel, het begrip "onderzoekingen" te ongenuanceerd gesteld en derhalve de opdracht van de administratie ten aanzien van de beginselen van behoorlijk bestuur uit het oog verloren.

3. In zijn ter zitting van het hof van 19 mei 2011 neergelegde synthesebesluiten stelt appellant op pagina 6 uitdrukkelijk dat in casu toepassing is gemaakt van art. 81bis, § 1, lid 3, 2° W.B.T.W. (dat een zevenjarige termijn bepaalt voor inkomsten die blijken uit een vordering) en dus niet, zoals geïntimeerde voorhoudt, van de vijfjarige termijn voorzien voor eigen onderzoek in lid 2 van § 1 van dat artikel.

Met reden doet geïntimeerde gelden dat uit geen enkel stuk blijkt dat de administratie haar vordering steunt op gegevens uit de rechtsvordering. Het is juist dat de administratie kennis heeft genomen van een strafdossier, maar blijkbaar heeft zij zich daarop niet gesteund, nu zij ter plaatse een controle is gaan doen.

Terecht stelt geïntimeerde in dat verband dat op 8 juni 2006 (zijnde de datum van aanvang van de controle) de gewone termijn van 3 jaar verstreken was en men zich in de termijn van 5 jaar bevond. Welnu, men kan niet post factum de termijn van 7 jaar inroepen, nu men in de termijn van 5 jaar viel.

Wanneer de administratie voornemens was de verjaringstermijn bepaald in art. 81bis, § 1, lid 2 W.B.T.W. toe te passen - en wanneer de administratie een onderzoek voert gedurende de termijn van 5 jaar, is zij "voornemens" deze termijn toe te passen of beter past zij deze termijn reeds toe - diende zij, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode, overeenkomstig art. 84ter W.B.T.W.

Volgens appellant hadden de kwestieuze administratieve handelingen niet tot doel om te onderzoeken, maar om de tegenstelbaarheid, de herkenbaarheid, de juistheid en relevantie van de aangereikte bewijsmiddelen uit het strafdossier te verifiëren.

Het hof stelt evenwel vast dat de correctieopgave (zie stuk 3 van appellant) melding maakt van het feit dat, op grond van art. 61, § 1 W.B.T.W., verzocht werd om inzage te verlenen van de volledige boekhouding, alsook van al de boeken, stukken en bescheiden, waarvan het houden, opmaken, ontvangen, uitreiken, bewaren en voorleggen is voorgeschreven door de wetgeving en de reglementering inzake de BTW.

Het gaat hier bijgevolg wel degelijk om onderzoekingen die de administratie verplichten voorafgaandelijk art. 84ter W.B.T.W. toe te passen, hetgeen in deze evenwel niet is gebeurd.

Deze niet-naleving van art. 84ter W.B.T.W. heeft de nietigheid van de vordering van de administratie tot gevolg.

Derhalve dient het hoger beroep van appellant te worden afgewezen, zonder dat het nodig is de overige middelen van partijen te onderzoeken.

b) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter zitting van het hof van 19 mei 2011 verklaarden beide partijen de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van 1.210,00 EUR te begroten.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk, doch ongegrond;

Beveelt de terugbetaling van het bedrag van 8.764,76 EUR,verhoogd met de wettelijke interesten vanaf het verzoekschrift in eerste aanleg;

Veroordeelt appellant tot de beroepskosten, begroot op 1.210,00 EUR voor appellant en op 1.210,00 EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

- J. Verstappen, raadsheer dd voorzitter,

- P. Vandermotten, raadsheer,

- C. Vanderkerken, raadsheer,

- C. De Nollin, griffier.

C. De Nollin. C. Vanderkerken.

P. Vandermotten. J. Verstappen.

Vrije woorden

  • onderzoekstermijn

  • vijfjarige verjaringstermijn

  • onderzoekingen die administratie verplichten voorafgaandelijk artikel 84ter WBTW toe te passen

  • niet naleving

  • nietigheid vordering