- Arrest van 27 juni 2011

27/06/2011 - 2010AR1092

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

1) "De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld". Deze bepaling raakt de openbare orde.

2) De strafvordering wordt ingesteld op het ogenblik dat zij aanhangig wordt gemaakt bij de onderzoeksrechter

3) De schorsing van de behandeling van de burgerlijke vordering wordt gerechtvaardigd door het feit dat de strafrechtelijke uitspraak t.o.v. de burgerlijke rechter gezag van gewijsde heeft m.b.t. de punten die gemeen zijn aan de strafvordering en aan de burgerlijke vordering.

4) Het gezag van gewijsde van de strafrechterlijke uitspraak strekt zich uit tot hetgeen zeker en noodzakelijk werd beslist door de strafrechter m.b.t. de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag uitmaken van de strafrechtelijke beslissing.

5) De verplichting om de behandeling van de burgerlijke vordering te schorsen, is ingegeven om tegenstrijdige beslissingen op strafrechtelijk vlak en op burgerrechtelijk vlak te voorkomen. Gezien de strafvordering de belangen van de maatschappij behartigt moet aan deze vordering voorrang worden verleend op de burgerlijke vordering.

6) Draagwijdte van het adagium "le criminel tient le civil en état". Het dient te worden toegepast van zodra een onderdeel van de burgerlijke zaak een gegeven uitmaakt waarover de strafrechter zich moet uitspreken en van zodra er een kans bestaat dat er tegenstrijdigheden zouden kunnen rijzen tussen de beslissing van de burgerlijke rechter en deze van de strafrechter. Het bestaan van elementen die gemeen zijn aan de twee vorderingen moet de burgerlijke rechter ertoe leiden ervoor te vrezen dat - zelfs bij hypothese - een tegenstrijdigheid zou kunnen rijzen tussen de strafrechtelijke en de burgerlijke vordering. Het komt enkel aan de strafrechter toe te beslissen over die punten die gemeen zijn aan de strafvordering en aan de burgerlijke vordering en het komt in dat geval niet toe aan de burgerlijke rechter om over die punten eerst uitspraak te doen. De burgerlijke rechter kan ingeval een strafvordering werd ingesteld alleen dan beslissen toch uitspraak te doen over de burgerlijke vordering indien hij zich steunt op feiten die onafhankelijk zijn van deze die het voorwerp uitmaken van de strafrechtelijke procedure.


Arrest - Integrale tekst

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

A.R. Nr.: 2010/AR/1092 en 2011/AR/22

A.R. Nr.: 2010/AR/1092

INZAKE VAN:

MULTOGAS-SERVICE B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Akenkaai 18, ingeschreven met KBO-nummer 0415.285.605,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. RIEDER Hans, advocaat te 9000 GENT, Recollettenlei 39 en vertegenwoordigd door Mr. DESAIR Els, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Oudeleeuwenrui 19 ;

TEGEN:

1. De HAVEN van BRUSSEL, Gewestelijke Vennootschap van Publiek Recht, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Redersplein 6,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN HYFTE Bart, advocaat te 1060 BRUSSEL, Gulden Vlieslaan 77 ;

2. Het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, keuze van woonplaats doende ten kantore van Mr. TULKENS François, advocaat te 1000 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 120,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. TULKENS François en Mr. BORTELS Heidi, advocaten te 1000 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 120 ;

EN A.R. Nr.: 2011/AR/22

INZAKE VAN:

MULTOGAS SERVICE B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Akenkaai 18, ingeschreven met KBO-nummer 0415.285.605,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. RIEDER Hans, advocaat te 9000 GENT, Recollettenlei 39 en vertegenwoordigd door Mr. DESAIR Els, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Oudeleeuwenrui 19 ;

TEGEN:

1. De HAVEN van BRUSSEL, Gewestelijke Vennootschap van Publiek Recht, met maatschappelijke zetel te 1000 1000 BRUSSEL, Redersplein 6, ingeschreven met KBO-nummer 0249.268.719,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN HYFTE Bart, advocaat te 1060 BRUSSEL, Gulden Vlieslaan 77 ;

2. Het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, keuze van woonplaats doende ten kantore van Mr. TULKENS François, advocaat te 1000 BRUSSEL, Hertogstraat 9,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. TULKENS François en Mr. BORTELS, advocaten te 1000 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 120 ;

______________________________

SAMENVATTING

1) "De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld". Deze bepaling raakt de openbare orde.

2) De strafvordering wordt ingesteld op het ogenblik dat zij aanhangig wordt gemaakt bij de onderzoeksrechter

3) De schorsing van de behandeling van de burgerlijke vordering wordt gerechtvaardigd door het feit dat de strafrechtelijke uitspraak t.o.v. de burgerlijke rechter gezag van gewijsde heeft m.b.t. de punten die gemeen zijn aan de strafvordering en aan de burgerlijke vordering.

4) Het gezag van gewijsde van de strafrechterlijke uitspraak strekt zich uit tot hetgeen zeker en noodzakelijk werd beslist door de strafrechter m.b.t. de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag uitmaken van de strafrechtelijke beslissing.

5) De verplichting om de behandeling van de burgerlijke vordering te schorsen, is ingegeven om tegenstrijdige beslissingen op strafrechtelijk vlak en op burgerrechtelijk vlak te voorkomen. Gezien de strafvordering de belangen van de maatschappij behartigt moet aan deze vordering voorrang worden verleend op de burgerlijke vordering.

6) Draagwijdte van het adagium "le criminel tient le civil en état". Het dient te worden toegepast van zodra een onderdeel van de burgerlijke zaak een gegeven uitmaakt waarover de strafrechter zich moet uitspreken en van zodra er een kans bestaat dat er tegenstrijdigheden zouden kunnen rijzen tussen de beslissing van de burgerlijke rechter en deze van de strafrechter. Het bestaan van elementen die gemeen zijn aan de twee vorderingen moet de burgerlijke rechter ertoe leiden ervoor te vrezen dat - zelfs bij hypothese - een tegenstrijdigheid zou kunnen rijzen tussen de strafrechtelijke en de burgerlijke vordering. Het komt enkel aan de strafrechter toe te beslissen over die punten die gemeen zijn aan de strafvordering en aan de burgerlijke vordering en het komt in dat geval niet toe aan de burgerlijke rechter om over die punten eerst uitspraak te doen. De burgerlijke rechter kan ingeval een strafvordering werd ingesteld alleen dan beslissen toch uitspraak te doen over de burgerlijke vordering indien hij zich steunt op feiten die onafhankelijk zijn van deze die het voorwerp uitmaken van de strafrechtelijke procedure.

___________________________

Gelet op de procedurestukken:

 het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 december 2009, beslissing die betekend werd ten verzoeke van DE HAVEN aan MULTOGAS op 19 februari 2010;

 de akte van hoger beroep betekend op 19 maart 2010 (= A.R. nr. 2010/AR/1092);

 het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 27 september 2010, beslissing die niet betekend werd;

 de akte van hoger beroep betekend op 3 december 2010 (= A.R. nr. 2011/AR/22).

 de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 30 december 2010;

 de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 1 neergelegd ter griffie op 31 januari 2011;

 de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 2 neergelegd ter griffie op 31 januari 2011;

 de conclusie van geïntimeerde sub 2 neergelegd ter griffie op 7 maart 2011 inzake de gevolgen van de strafvordering op de burgerlijke vordering;

 de conclusie van appellante neergelegd ter zitting van 23 mei 2011 inzake de opschorting van de behandeling van de burgerlijke vordering ingevolge de strafklacht;

 conclusie van geïntimeerde sub 1 m.b.t. dit aspect neergelegd ter griffie op 7 maart 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 23 mei 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

In het kader van een goede rechtsbedeling behoort het beide zaken gekend onder de A.R. nummers 2010/1092 en 2011/22 samen te voegen.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. DE HAVEN vorderde aanvankelijk (samengevat):

- de veroordeling van appellante tot betaling van een bedrag van 99.901,34 euro plus intresten en schadebeding ten titel van achterstallige concessievergoeding;

- in hoofdorde, de ontbinding van de concessieovereenkomst op grond van artikel 1184 B.W. en ondergeschikt, vast te stellen dat die overeenkomst ontbonden is door het sluitingsbevel van 8 juni 2009;

- de veroordeling van appellante tot het volledig ontruimen van het terrein binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro /dag vertraging;

- de veroordeling van appellante tot betaling van een bezettingsvergoeding van 2.500 euro /dag vanaf de ontbinding tot de effectieve ter beschikkingstelling van het terrein;

- haar te machtigen om alle gebouwen en goederen te verwijderen alsmede elke verontreiniging op kosten van appellante en hiertoe een deskundige aan te stellen:

- haar te machtigen tot uitdrijving over te gaan van eender welke bezetter binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen vonnis;

- appellante te veroordelen tot een provisie van 650.000 euro uit hoofde van de saneringskosten, minstens het stellen van een bankgarantie en dit binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro /dag vertraging;

- ondergeschikt, indien de concessie niet ontbonden wordt, haar te machtigen om de nodige aanpassingswerken aan het benzinestation uit te voeren opdat dat station zou voldoen aan het Benzinestationbesluit op kosten van appellante;

- in dat geval appellante te veroordelen tot het stellen van een zekerheid van 650.000 euro ter dekking van de aanpassingswerken, te stellen binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro /dag vertraging.

Deze zaak was gekend onder het A.R. nummer AR/3307/A.

1.2. Appellante vorderde op haar beurt geïntimeerden in solidum te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, voorlopig geraamd op 20.233.285 euro plus de intresten wegens:

- de foutieve en bedrieglijke uitvoering van de concessieovereenkomst wat DE HAVEN betreft;

- nalatigheid en fouten in de behandeling van de milieuvergunningstoestand en in de wijziging van de planologische voorschriften wat het GEWEST betreft.

Bij conclusie van 7 augustus 2009 breidde appellante haar vordering uit en vroeg zij:

- indien nodig een college van deskundigen aan te stellen met een specifieke samenstelling en met een specifieke opdracht;

- haar voorbehoud te verlenen voor het begroten van de schadevergoeding wegens de staking van de exploitatie vanaf 8 juni 2009 tot mei 2023;

- haar voorbehoud te verlenen voor de kosten van bodemsanering ingeval de verontreiniging dateert van vóór 1977;

- huidige geïntimeerden te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 25.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

Deze zaak was gekend onder het A.R. nr. 2008/5811/A.

1.3. De eerste rechter heeft in zijn beslissing van 8 december 2009:

- De beide zaken samengevoegd;

- De ontbinding uitgesproken van de concessieovereenkomst van 4 november 1977 en haar 22 aanhangsels omwille van (1) de niet - betalingen van de concessievergoedingen sedert 1 juni 2005 en (2) de definitieve vaststelling van het BBP Willebroek op 19 maart 2009 met hierin het verbod om benzinestations op de Akenkaai uit te baten met als gevolg dat het voorwerp van de overeenkomst te niet ging;

- De aansprakelijkheid bij helften verdeeld tussen appellante en de HAVEN voor de schade ontstaan ingevolge de onmogelijkheid tot verdere exploitatie vanaf 1 juni 2009;

- Appellante veroordeeld tot betaling van het bedrag van 102.106,27 euro ten titel van achterstallige concessievergoedingen voor de periode 1 juni 2005 tot 31 mei 2009 en van 3.000 euro voor de periode van 1 juni 2009 t.e.m. 30 november 2009 plus de intresten;

- DE HAVEN veroordeeld tot betaling van een provisionele schadevergoeding aan appellante van 100.000 euro plus de gerechtelijke intresten;

- Bedrijfsrevisor Dirk Van Cleemput aangesteld als deskundige met o.a. als opdracht zijn advies te geven over de aard en omvang van de schade die appellante lijdt ingevolge het niet verder kunnen exploiteren van de terreinen op de Akenkaai als benzinestation sedert 1 juni 2009 t.e.m. 31 mei 2011 en ingevolge het niet meer verder kunnen exploiteren van deze terreinen voor de periode van 1 juni 2011 t.e.m. 31 mei 2023 op basis van de boekhoudkundige bescheiden van appellante van de afgelopen 5 jaar;

- Alvorens recht te spreken over de vordering tot ontruiming en sanering, milieu - en bodemdeskundige Hendrik De Paepe aangesteld als deskundige met o.a. als opdracht over te gaan tot bodemonderzoek van de desbetreffende terreinen, na te gaan of er zich al dan niet bodemverontreiniging voordeed en in bevestigend geval de aard, oorzaak en oorsprong ervan te beschrijven alsmede de wijze waarop gesaneerd zal moeten worden;

- De zaak in voortzetting gesteld voor een verder onderzoek van de onderscheiden vorderingen;

- De beslissing over de kosten aangehouden.

1.4. Het hoger beroep van appellante (= in de zaak met A.R. nr. 2010/AR/1092) beoogt (samengevat):

- Te horen vaststellen dat de concessieovereenkomst blijft lopen tot 31 mei 2023 overeenkomstig het definitieve arrest van het hof van beroep te Brussel dd. 19 december 2007 op voorwaarde dat zij tijdig de verlengingen aanvraagt;

- Te horen vaststellen dat zij terecht toepassing heeft gemaakt van de exceptio non adimpleti contractus wat de niet - betaalde concessievergoedingen betreft sinds 1 juni 2005;

- Geïntimeerden in solidum te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 20.233.285 euro (= schade voor de periode 1992 - 2007) plus een vergoeding voor de periode 2008 - juni 2009 en plus de intresten;

- De Haven te horen bevelen een aantal stukken neer te leggen;

- Indien nodig een college van deskundigen aan te stellen met een specifieke samenstelling en opdracht;

- Geïntimeerden in solidum te horen veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 1.000.000 euro plus de intresten,

- Geïntimeerden in solidum te horen veroordelen tot het vergoeden van alle schade die zij geleden heeft ingevolge de gedwongen sluiting van de site met ingang van 4 juni 2009 tot wanneer het benzinestation opnieuw operationeel kan zijn en uiterlijk tot 31 mei 2023 plus de abnormale kosten die zij zal dragen ingevolge de heropening van het station dit alles te bepalen door voormeld college van deskundigen;

- Ondergeschikt, vast te stellen dat het juridisch teniet gaan van de concessie eenzijdig lastens geïntimeerden heeft plaatsgevonden met ingang van 25 maart 2009 en geïntimeerden in solidum te veroordelen tot betaling van alle schade die hieruit voortvloeit voor appellante tot 31 mei 2023, dit alles te bepalen door voormeld college van deskundigen;

- De HAVEN te horen veroordelen tot betaling van de kosten van bodemsanering voor verontreiniging reeds aanwezig vóór 1977;

- Elk der geïntimeerden te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 25.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding/verweer.

1.5. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde sub 1 (samengevat):

- De veroordeling van appellante tot betaling van een bedrag van 102.106,27 euro plus intresten en schadebeding ten titel van achterstallige concessievergoedingen;

- In hoofdorde, de ontbinding van de concessieovereenkomst lastens appellante op grond van artikel 1184 B.W. wegens het niet - betalen van de concessievergoedingen, ondergeschikt, vast te stellen dat die overeenkomst beëindigd is op 8 juni 2009 door het sluitingsbevel en nog meer ondergeschikt, het bestreden vonnis te bevestigen in de mate de overeenkomst ontbonden wordt verklaard voor de helft lastens appellante en voor de andere helft wegens het juridisch teniet gaan ervan;

- De veroordeling van appellante tot het volledig ontruimen van het terrein binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen arrest onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro /dag vertraging;

- De veroordeling van appellante tot betaling van een bezettingsvergoeding van 2.500 euro /dag vanaf de ontbinding tot de effectieve ter beschikkingstelling van het terrein;

- Haar te machtigen om alle gebouwen en goederen te verwijderen alsmede elke verontreiniging op kosten van appellante en hiertoe een deskundige aan te stellen:

- Haar te machtigen tot uitdrijving over te gaan van eender welke bezetter binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen arrest;

- Appellante te veroordelen tot een provisie van 650.000 euro uit hoofde van de saneringskosten, minstens het stellen van een bankgarantie en dit binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen arrest onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro /dag vertraging;

- Uiterst ondergeschikt, indien de concessie niet ontbonden wordt, haar te machtigen om de nodige aanpassingswerken aan het benzinestation uit te voeren opdat dat station zou voldoen aan het Benzinestationbesluit op kosten van appellante;

- In dat geval appellante te veroordelen tot het stellen van een zekerheid van 650.000 euro ter dekking van de aanpassingswerken, te stellen binnen de 10 dagen na betekening van het tussen te komen arrest onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro /dag vertraging.

1.6. Het Gewest vraagt het bestreden vonnis te willen bevestigen.

1.7. De eerste rechter heeft vervolgens op 27 september 2010 de BVBA Multogas veroordeeld tot het betalen van bijkomende provisies ten voordele van de deskundigen Van Cleemput en De Paepe.

Tegen dat vonnis werd eveneens hoger beroep ingesteld door de BVBA Multogas (= zaak met A.R. nr. 2011/AR/22).

1.8. Hangende de procedure in hoger beroep heeft de BVBA Multogas op 7 februari 2011 klacht neergelegd met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter te Brussel.

Deze partij vraagt thans bij toepassing van artikel 4 V.T.Sv. de behandeling van de burgerlijke zaken op te schorten in afwachting van de behandeling van die strafklacht. Geïntimeerden verzetten zich hiertegen.

II. Antecedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Appellante baat een benzinestation uit aan de Akenkaai 18 te Brussel, eigendom van DE HAVEN, sinds 1977, op basis van een concessieovereenkomst aangegaan op 4 november 1977, die - na een verlenging in 1982 - volgens appellante zou lopen tot 2023.

Sinds de jaren 90 houdt DE HAVEN voor dat zij gerechtigd zou zijn die overeenkomst na elke 6 jaar op te zeggen zonder schadevergoeding .

Bij tussenarrest van 23 januari 2007 en eindarrest van 19 december 2007 heeft het hof van beroep te Brussel echter op definitieve wijze beslist dat (1) ingevolge de concessieovereenkomst van 1977 - verlengd bij bijakte in 1982 - appellante van DE HAVEN de concessierechten heeft bekomen op de terreinen aan de Akenkaai 18 tot 31 mei 2023 en (2) indien DE HAVEN vóór deze datum opnieuw vrij wou beschikken over de desbetreffende terreinen zij gerechtigd is die overeenkomst vroegtijdig en eenzijdig op te zeggen op voorwaarde dat zij appellante integraal zou schadeloos stellen voor de verloren concessiejaren.

2.3. In de procedure ingesteld door DE HAVEN wenst deze partij de ontbinding te bekomen van die concessieovereenkomst zonder betaling van enige schadevergoeding.

Vandaar dat appellante een tweede procedure opstartte tot het bekomen van een schadevergoeding.

2.4. De Akenkaai is een onderdeel van een project dat ertoe strekt het Becodok her aan te leggen.

De heraanleg van de linkeroever is op dit ogenblik volledig afgewerkt.

De heraanleg van de rechteroever (= Akenkaai) was voorzien in 2 fases. Fase 1 ter hoogte van het Citroëngebouw is inmiddels ook verwezenlijkt.

Voor het uitvoeren van fase 2 (= o.a. de terreinen in concessie gegeven aan appellante) werd in april 2005 door DE HAVEN een aanvraag ingediend tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning die op 20 februari 2006 verleend werd.

Tegen deze vergunning diende appellante een verzoek tot schorsing in bij de Raad van State dat echter afgewezen werd bij arrest van 27 maart 2007 wegens het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.

2.5. Het tankstation van appellante is gelegen in een gebied dat door het Gewestelijk Bestemmingsplan wordt aangeduid als gebied van gewestelijk belang nr. 1 Helihaven.

Bij besluit van 19 januari 2009 genomen door de gemeenteraad van Brussel werd een definitief BBP goedgekeurd omvattende stedenbouwkundige voorschriften wat de Akenkaai betreft die erop neerkomen dat dit gebied dient ingericht te worden als een kwaliteitsvolle openbare ruimte onder de vorm van een wandelweg omgeven door aan te planten bomen die de verbinding zal vormen met een nog aan te leggen park rondom het Vergotedok en voornamelijk voorbehouden zal zijn aan voetgangers en fietsers.

Het Gewest keurde op zijn beurt dit BBP goed bij besluit genomen op 19 maart 2009.

In dit BBP wordt verder nadrukkelijk gesteld dat in dat gebied benzinestations verboden zijn.

2.6. Volgens het Gewest werd de exploitatie van het tankstation gedoogd tot 4 juni 2009.

Op 4 juni 2009 kreeg appellante het mondeling bevel tot stopzetting van haar activiteiten en werden de pompen verzegeld.

Dit mondeling bevel werd op 8 juni 2009 door het BIM bekrachtigd omwille van (1) het exploiteren van een tankstation in strijd met het Benzinestationbesluit, (2) het ontbreken van een milieuvergunning en (3) het gevaar op onherstelbare schade wegens de nog niet uitgevoerde bodemsanering.

Appellante diende tegen deze beslissing een vordering tot schorsing in bij de Raad van State.

Bij arrest van 31 juli 2009 werd dit verzoek verworpen omdat (1) appellante op dat ogenblik niet beschikte over een geldige milieuvergunning en bijgevolg zelfs zonder het stakingsbevel de exploitatie hoe dan ook niet verder mocht uitgebaat worden en (2) appellante een onwettig belang nastreefde in de mate dat zij met haar vordering beoogde de exploitatie toch verder te zetten.

Het verzoek tot vernietiging van deze beslissing is thans nog hangende.

2.7. Appellante bekwam op 2 augustus 1999 een milieuvergunning voor een periode van 6 jaar , eindigend op 1 augustus 2005.

In 2004 diende appellante een verlengingsaanvraag in die door het BIM geweigerd werd op 18 januari 2005.

Deze weigeringsbeslissing werd ingetrokken op 4 februari 2005 doch op 7 februari 2005 werd opnieuw een weigeringsbeslissing genomen die op 15 februari 2005 opnieuw ingetrokken werd.

Op 18 februari 2005 stuurde appellante een rappel aan het BIM om een beslissing te bekomen over haar verlengingsaanvraag.

Het BIM reageerde niet binnen de 2 maanden zodat appellante op 18 april 2005 een stilzwijgende verlenging bekwam voor een termijn van 15 jaar die verstreek op 18 april 2020.

De HAVEN heeft tegen deze stilzwijgende verlenging hoger beroep aangetekend bij het Milieucollege op 2 mei 2005.

Het Milieucollege heeft bij besluit van 26 juli 2005 het beroep gegrond verklaard en derhalve de verlenging van de milieuvergunning geweigerd verwijzend naar het plan en de planning voor de aanleg van de promenade op de rechteroever.

Tegen deze beslissing tekende appellante op 4 augustus 2005 hoger beroep aan bij de Brusselse Hoofdstedelijk Regering die bij besluit van 29 september 2005 het beroep verworpen heeft - om dezelfde redenen als aangehaald in de bestreden beslissing - en die bijgevolg geen termijnverlenging toestond.

Tegen deze beslissing diende appellante op 11 oktober 2005 een verzoek tot schorsing in wegens uiterst dringende noodzakelijkheid bij de Raad van State. Deze beval de schorsing bij arrest van 19 oktober 2005.

Op 26 januari 2006 werd de geschorste beslissing van 29 september 2005 ingetrokken en werd aan appellante een verlenging van milieuvergunning toegestaan voor een periode van 1 jaar en 9 maanden niet meer verlengbaar vanaf 2 mei 2007.

Tegen deze beslissing diende appellante een vordering tot schorsing in wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, een gewone vordering tot schorsing en een vordering tot nietigverklaring bij de Raad van State.

Bij arrest van 29 juni 2006 werd deze beslissing andermaal geschorst. Bij arrest van 12 juli 2007 werd deze beslissing vernietigd.

Bij aangetekend schrijven van 3 juli 2008 herinnerde appellante de zaak aan de bevoegde overheid bij toepassing van artikel 82 van de Milieuvergunningsordonnantie.

Bij gebrek aan tijdige reactie vanwege de Brusselse Regering wordt de overheid geacht bij toepassing van voornoemde bepaling de beslissing van 26 juli 2005 waarbij het verzoek tot verlenging geweigerd werd, te hebben bevestigd.

Tegen deze stilzwijgende bevestigingsbeslissing diende appellante op 29 september 2008 andermaal een verzoek tot schorsing en tot vernietiging in bij de Raad van State.

Bij arrest van 15 januari 2009 werd de stilzwijgende weigering tot verlenging van de milieuvergunning vernietigd bij toepassing van artikel 93 van het Procedurereglement .

Bij besluit van 28 mei 2009 heeft de Brusselse Regering andermaal de verlenging van de milieuvergunning geweigerd.

Hiertegen werd door appellante opnieuw een vordering tot schorsing en tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State.

Bij arrest van 10 december 2009 werd deze weigering andermaal geschorst wegens onwettigheid.

Bij arrest van 2 december 2010 heeft de Raad van State deze beslissing ook vernietigd.

2.8. Parallel met de procedures uiteengezet in punt 2.7. van huidig arrest heeft appellante op 28 mei 2008 een volledige nieuwe hervergunningsaanvraag ingediend.

Deze werd op 10 oktober 2008 geweigerd door het BIM.

Appellante heeft hiertegen hoger beroep aangetekend bij het Milieucollege.

Het Milieucollege liet na binnen de wettelijke termijn een beslissing te nemen zodat de beslissing van het BIM werd geacht stilzwijgend te zijn bevestigd.

Op 13 februari 2009 ging appellante in beroep tegen deze stilzwijgende beslissing bij de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.

Op 28 mei 2009 heeft deze instantie eveneens geweigerd een nieuwe milieuvergunning toe te kennen.

Op 8 juni 2009 diende appellante hiertegen een vordering tot schorsing en tot vernietiging in bij de Raad van State.

Bij arrest van 10 december 2009 werd deze beslissing eerst geschorst en nadien bij arrest van 2 december 2010 vernietigd.

2.9. Appellante liet een prospectief onderzoek en een nader bodemonderzoek uitvoeren.

Het nader bodemonderzoek dateert van 30 maart 2007 en werd door het BIM goedgekeurd op 14 december 2007.

Appellante heeft steeds erkend dat zij aansprakelijk was voor de sanering van de bodemverontreiniging die door haar exploitatie van het benzinestation sedert 1977 is veroorzaakt.

Appellante houdt echter voor dat zij minstens tot 14 december 2011 de tijd heeft om tot sanering over te gaan - indien deze dringend zou zijn - zelfs tot 14 december 2022 - indien deze niet dringend zou zijn .

III. Discussie.

3.1. Appellante vraagt de behandeling van de burgerlijke zaak te schorsen bij toepassing van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.

Voornoemd artikel bepaalt het volgende:

"De burgerlijke rechtsvordering kan tezelfdertijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst, zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld".

Deze bepaling raakt de openbare orde.

3.2. De strafvordering wordt ingesteld op het ogenblik dat zij aanhangig wordt gemaakt bij de onderzoeksrechter, wat in deze gebeurde op 7 februari 2011.

De strafvordering werd bijgevolg ingesteld, hangende de burgerlijke rechtsvordering .

3.3. De schorsing van de behandeling van de burgerlijke vordering wordt gerechtvaardigd door het feit dat de strafrechtelijke uitspraak t.o.v. de burgerlijke rechter gezag van gewijsde heeft m.b.t. de punten die gemeen zijn aan de strafvordering en aan de burgerlijke vordering.

Het gezag van gewijsde van de strafrechterlijke uitspraak strekt zich uit tot hetgeen zeker en noodzakelijk werd beslist door de strafrechter m.b.t. de aan de beklaagde ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de motieven die de noodzakelijke grondslag uitmaken van de strafrechtelijke beslissing.

De verplichting om de behandeling van de burgerlijke vordering te schorsen, is ingegeven om tegenstrijdige beslissingen op strafrechtelijk vlak en op burgerrechtelijk vlak te voorkomen.

Gezien de strafvordering de belangen van de maatschappij behartigt moet aan deze vordering voorrang worden verleend op de burgerlijke vordering.

3.4. Het adagium "le criminel tient le civil en état » dient te worden toegepast van zodra een onderdeel van de burgerlijke zaak een gegeven uitmaakt waarover de strafrechter zich moet uitspreken en van zodra er een kans bestaat dat er tegenstrijdigheden zouden kunnen rijzen tussen de beslissing van de burgerlijke rechter en deze van de strafrechter.

Het bestaan van elementen die gemeen zijn aan de twee vorderingen moet de burgerlijke rechter ertoe leiden ervoor te vrezen dat - zelfs bij hypothese - een tegenstrijdigheid zou kunnen rijzen tussen de strafrechtelijke en de burgerlijke vordering.

Het komt enkel aan de strafrechter toe te beslissen over die punten die gemeen zijn aan de strafvordering en aan de burgerlijke vordering en het komt in dat geval niet toe aan de burgerlijke rechter om over die punten eerst uitspraak te doen.

De burgerlijke rechter kan ingeval een strafvordering werd ingesteld alleen dan beslissen toch uitspraak te doen over de burgerlijke vordering indien hij zich steunt op feiten die onafhankelijk zijn van deze die het voorwerp uitmaken van de strafrechtelijke procedure.

3.5. In deze heeft appellante klacht neergelegd tegen de Haven, het Gewest en het BIM alsmede tegen de betrokken ambtenaren wegens samenspanning van ambtenaren ( inbreuk op de artikelen 233 en 234 SW), misbruik van gezag (inbreuk op artikel 255 Sw) en valsheid in geschriften en het gebruik ervan (inbreuk op de artikelen 193, 194, 195, 196, 197, 213 en 214 Sw.).

Zij verwijt aan voornoemde partijen en hun betrokken ambtenaren misbruik te hebben gemaakt van hun recht om administratieve beslissingen te nemen met het uitsluitende doel op onrechtmatige wijze alsnog een einde te stellen aan de concessie van appellante zonder het betalen van enige schadevergoeding en met het doel zichzelf en derden, waaronder Atenor, te bevoordelen dit alles in strijd met de duidelijke bewoordingen van de arresten van het hof van beroep te Brussel van 23 september 2004 en van 19 december 2007 waarin gesteld werd dat de concessierechten van appellante lopen tot 2023 en deze overeenkomst enkel kan ontbonden worden vóór die datum mits betaling van een schadevergoeding.

Appellante verwijt m.a.w. aan huidige geïntimeerden misbruik te maken van hun bevoegdheden inzake milieu en ruimtelijke ordening teneinde het haar onmogelijk te maken haar benzinestation verder te exploiteren en om alzo te ontkomen aan het betalen van schadevergoeding. Zij beweert dat er collusie bestaat tussen beide geïntimeerden.

3.6. In de burgerlijke procedure vraagt appellante (samengevat) schadevergoeding vanwege geïntimeerden wegens hun onrechtmatig optreden bij zowel de uitvoering van de concessieovereenkomst als bij het voeren van hun milieuvergunningspolitiek.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat elke administratieve handeling die de laatste jaren gesteld werd door de bevoegde overheden in deze zaak steeds minstens vernietigd werd door de Raad van State.

De feiten die het voorwerp uitmaken van de burgerlijke procedure liggen derhalve ontegensprekelijk ook aan de basis van de strafrechtelijke procedure.

3.7. Geïntimeerden verwijzen naar een aanbeveling van de Hoge Raad van Justitie van 22 december 2005, nr. 2005/5 inzake voormeld adagium om hieruit af te leden dat in deze de burgerlijke vordering niet dient geschorst te worden.

Een aanbeveling is niet dwingend en ontneemt aan een rechter het recht niet toepassing te maken van geldende rechtsprincipes.

Ten overvloede merkt het hof op dat de Hoge Raad enkel aanbeveelt indien de partijen het niet eens zijn over de toepassing van voormeld adagium dat de rechter een specifiek en tegensprekelijk debat zou organiseren - wat in deze gebeurde - waarna hij een met redenen omklede beslissing zou nemen - wat in deze eveneens gebeurt - en waarin de rechter een precieze en vergelijkende analyse van de feiten en de eisen van de burgerlijke en van de strafvordering verricht - wat gedaan werd in punt 2.1. t.e.m. 2.6. van huidig arrest -.

Uit deze aanbeveling leiden geïntimeerden sub 1 en 2 derhalve één en ander af dat er niet eens in vervat is.

3.8. Geïntimeerden menen dat de strafklacht een volstrekt dilatoir karakter heeft en dat om die reden het verzoek tot opschorting dient verworpen te worden.

In deze zaak hebben blijkbaar vele onderhandelingen plaatsgevonden en het is niet uit te sluiten dat appellante geen klacht wenste neer te leggen zolang er nog enige hoop was op een goede afloop van de besprekingen.

Het feit dat appellante de klacht neerlegde de dag van de zitting voorzien op 7 februari 2011 bewijst niets en brengt geen specifieke gevolgen met zich mee gezien het hof tot dezelfde beslissing zou zijn gekomen indien de klacht op een eerder tijdstip was neergelegd geweest.

3.9. Geïntimeerde sub 2 werpt op dat zij geen partij is in de strafprocedure omdat zij overeenkomstig artikel 5, vierde lid Sw. minstens geen strafrechtelijke verantwoordelijkheid heeft.

De klacht viseert eveneens de ambtenaren van geïntimeerde sub 2 en de beoordeling van de feiten die aan deze ambtenaren ten laste worden gelegd in het kader van de strafrechtelijke procedure kan een weerslag hebben op de beoordeling van de feiten die appellante verwijt aan geïntimeerde sub 2 in de burgerlijke procedure.

3.10. Om al deze redenen wordt het verzoek van appellante om de behandeling van de burgerlijke zaak op te schorten in afwachting van de behandeling van de strafklacht ingewilligd.

Alle overige door partijen ingeroepen argumenten zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Voegt de zaken gekend onder de A.R. nummers 2010/AR/1092 en 2011/AR/22 samen.

Schort de behandeling van de burgerlijke zaak op in afwachting van de behandeling van de strafklacht.

Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 27 juni 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Vrije woorden

  • Artikel 4 Voorafgaande titel Sv. Draagwijdte van het adagium 'le criminel tient de civil en état". Ratio legis en toepassingsvoorwaarden.