- Arrest van 27 juni 2011

27/06/2011 - 2008AR2609

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een akte van rechtspleging wordt geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte, in die taal zijn gesteld. Het onvertaalde litigieuze citaat in de Franse taal heeft in casu op zich geen pertinentie voor de beoordeling van het voorgedragen middel en de eerste rechter zowel als het hof mogen daar volledig abstractie van maken. Er dient dan ook geen nietigheid uitgesproken te worden.


Arrest - Integrale tekst

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2609

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

De GEMEENTE UKKEL, vertegenwoordigd door haar Collega van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1180 BRUSSEL, J. Vander Elstplein 29,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. DE MAEYER Patrik, advocaat te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan 7 ;

TEGEN:

VANHOEYVELD B1M B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 3190 BOORTMEERBEEK, Leuvensesteenweg 38a,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. BUYSE Jo, advocaat te 3020 HERENT, Rijweg 86A ;

___________________

Samenvatting:

Een akte van rechtspleging wordt geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte, in die taal zijn gesteld. Het onvertaalde litigieuze citaat in de Franse taal heeft in casu op zich geen pertinentie voor de beoordeling van het voorgedragen middel en de eerste rechter zowel als het hof mogen daar volledig abstractie van maken. Er dient dan ook geen nietigheid uitgesproken te worden.

____________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (23ste kamer) op tegenspraak uitgesproken op 18 juli 2008, bij exploot van 11 september 2008 betekend;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 9 oktober 2008 ter griffie van het hof neergelegd;

- de conclusie van appellante (datum neerlegging ter griffie 15 april 2009);

- de conclusie van geïntimeerde (datum neerlegging ter griffie 14 januari 2009).

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzittingen van 3 mei 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde, ingesteld bij dagvaarding van 13 oktober 2006, ontvankelijk en gegrond verklaart en appellante veroordeelt tot betaling van 14.167,45 euro (zonder toekenning van enige interest), te vermeerderen met de gerechtskosten.

Voor het hof vordert appellante met de hervorming van het bestreden vonnis, om de gedinginleidende dagvaarding nietig te verklaren wegens schending van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerde ervan af te wijzen en deze partij tot de gerechtskosten van beide aanleggen te veroordelen.

Het hoger beroep werd regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk.

2. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

Zij stelt incidenteel beroep in waarbij zij de vergoedende interesten vordert op de som van 14.167,45 euro tegen de wettelijke interestvoet vanaf 15 juni 2003 alsook de gerechtelijke interesten vanaf de dagvaarding.

II. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS

3. De gemeente Ukkel schreef een openbare aanbesteding uit voor de aanleg van een speelplein in het Wolvendaelenpark. De bekendmaking geschiedde in het aanbestedingsbulletin in de loop van de maand mei 2003.

Vijf kandidaten, waaronder geïntimeerde, dienden een offerte in voor de openingszitting van 11 juni 2003. Geïntimeerde had vroeger ingeschreven op een openbare aanbesteding d.d. 16 oktober 2002 betreffende de inrichting van de speelplaats van de school Calevoet, welke opdracht haar gegund werd en door de aannemer volledig uitgevoerd werd.

4. Het bijzonder lastenboek 2002 (p. 7-8) legde uitdrukkelijk de voeging van een aantal documenten bij de inschrijving op, met name:

"(...) Bij de inschrijving te voegen documenten en inlichtingen

De inschrijver dient de volgende documenten bij zijn inschrijving te voegen:

1. Als het gaat om een natuurlijke persoon, zijn naam, voornamen, hoedanigheid of beroep;

2. Als het gaat om een rechtspersoon, het adres, de nationaliteit, het telefoon- en faxnummer, en de rechtsvorm, de benaming of het bedrijfsdoel, de hoofdzetel, de identiteit en de hoedanigheid van de ondertekenaar van de inschrijving;

3. BTW-nummer, bankrekeningnummer en het handelsregister van de aannemer;

4. Voor de erkende ondernemingen, het nummer van inschrijving in het register van erkende ondernemingen en het erkenningcertificaat in de categorie en de klasse die overeenkomen met de vereiste prestaties;

5. Een uittreksel uit het strafblad of een document afkomstig van het handelsregister waaruit blijkt dat hij geen faillissementsbekentenis heeft afgelegd noch een verzoek om een gerechtelijk akkoord heeft ingediend en dat hij zich niet in een situatie van faillissement of vereffening bevindt noch in een analoge situatie;

6. Een attest van de RSZ en van het bestuur van directe belastingen (model 276 C 2) en een kopie van het laatste rekeninguittreksel en het certificaat van het bevoegde kantoor voor BTW - ontvangsten waaruit blijkt dat het bedrijf in regel is inzake de bijdragen van sociale zekerheid, de bestaanszekerheid en de belastingen;

7. De meest recente balans- en de jaarrekeninguittreksels waaruit zijn gezonde financiële situatie blijkt;

8. een verklaring betreffende de globale omzet van de drie afgelopen boekjaren;

9. Een door documenten gestaafde beschrijving van de bekwaamheden, de diploma's, de beroepservaring en technische middelen waarover de inschrijver en zijn medewerkers of personeel beschikken."

5. Bij faxbericht van 2 september 2003 liet de gemeente aan de aannemer weten dat zijn offerte niet in aanmerking werd genomen "daar er zekere documenten die geëist werden in het lastenboek en aangeduid als selectiecriteria op het aanbestedingsbulletin ontbrekend waren bij uw offerte". Het betrof de documenten hierboven vermeld onder punten 5, 6 (uitgezonderd het attest van de RSZ), 7, 8 en 9. De offertes van twee andere inschrijvers werden eveneens wegens het ontbreken van bepaalde documenten geweerd.

In zijn offerte had de aannemer wel benadrukt:

"Op eenvoudige vraag kunnen volgende documenten voorgelegd worden: attest directe belastingen, BTW - ontvangsten, recente balans- en rekeninguittreksels, globale omzet, diploma's, uittreksel uit strafblad en handelsregister. Ik verklaar op mijn erewoord niet in staat van faillissement te zijn".

De raadsman van de aannemer betwistte de wering van de offerte en voegde een reeks documenten in bijlage van zijn brief van 8 september 2003. De gemeente antwoordde hierop op 1 oktober 2003 dat zij haar beslissing niet zou herzien.

6. Bij besluit van 24 juni 2003 werd de opdracht immers aan de NV ARBEL gegund. Deze beslissing werd aan ARBEL op 10 oktober 2003 betekend.

7. Het verzoek tot schorsing van de gunningsbeslissing van geïntimeerde werd bij arrest van 22 december 2003 door de Raad van State verworpen. Geïntimeerde deed later afstand van haar verzoek tot nietigverklaring, welke afstand van geding bij arrest van 7 september 2004 werd vastgesteld.

III. Bespreking

1°. Exceptie van nietigheid

8. Appellante besluit tot de nietigheid van de inleidende dagvaarding wegens de aanwezigheid in de tekst van de dagvaarding, onder randnummer 6, van een citaat in de Franse taal, zonder vertaling, uit een noot opgesteld door de Grand'Ry (zijnde de noot onder Raad van State 22 december 1955, nr. 4758, RJDA 1956, 199, geciteerd in D. D'Hooghe, de gunning van overheidscontracten en overheidsopdrachten, die Keure 1997, nr. 1219).

De eerste rechter oordeelde dat dit onvertaalde citaat niet tot de nietigheid van de dagvaarding leidde.

9. De nietigheid van procedurestukken wegens schending van de Taalwet gerechtszaken dient zelfs van ambtswege door de rechter te worden opgeworpen en uitgesproken (artikel 40 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken).

Het betreft te dezen een citaat uit rechtsleer, opgenomen in de inleidende dagvaarding welke zeven bladzijden telt; het litigieuze citaat zelf telt minder dan vier regels en dient eigenlijk enkel om een gewone toelichting of illustratie te geven van een middel van de oorspronkelijke eiseres.

10. Een akte van rechtspleging wordt geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte, in die taal zijn gesteld . Het litigieuze citaat in de Franse taal heeft op zich geen pertinentie voor de beoordeling van het voorgedragen middel en de eerste rechter zowel als het hof mogen daar volledig abstractie van maken. Er dient dan ook geen nietigheid uitgesproken te worden.

2° Ten gronde

11. De eerste rechter oordeelde dat de onregelmatigheid in de offerte van de aannemer een relatieve onregelmatigheid was: "de aanbestedende overheid is niet verplicht de onregelmatige offerte nietig te verklaren, doch zij beschikt wel over de mogelijkheid daartoe." In de concrete omstandigheden van de zaak was de beslissing om de ontbrekende documentatie niet op te vragen kennelijk onredelijk "nu niet wordt ingezien op welke aanvaardbare motieven deze wel zou kunnen worden gesteund, vermits de gemeente zich aldus de kans heeft ontzegd om een besparing te doen van ongeveer 46.000 euro".

12. Geïntimeerde houdt voor dat de gemeente de mogelijkheid had om ontbrekende documenten of inlichtingen op te vragen en om haar alsnog in het algemeen belang te kunnen opnemen. Artikel 110, § 2 van het K.B. van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten stelt immers dat de aanbestedende overheid de nietigheid van elke offerte wegens afwijking van de niet-essentiële bestekbepalingen als onregelmatig en derhalve als onbestaande kan - en niet moet - beschouwen. Het ontbreken van de vermelde documenten had bijgevolg een relatieve nietigheid van de offerte voor gevolg en de aanbestedende overheid moet dan uitmaken of het al dan niet opportuun is zich op deze onregelmatigheid te beroepen. Te dezen zou appellante onzorgvuldig hebben gehandeld door tegen het belang van de aanbestedende overheid zelf de waardevolle offerte zonder gegronde verantwoording te hebben geweerd. Appellante zou in deze omstandigheden een fout hebben begaan door schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en van de motiveringsplicht en zij is derhalve krachtens artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 15 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten aan de aannemer een forfaitaire schadeloosstelling van 10 % van het bedrag verschuldigd, hetzij 14.167,45 euro.

13. Het wordt niet ernstig betwist dat de offerte van geïntimeerde afweek van de bestekbepalingen zoals deze opgesomd zijn in artikel 89 van het K.B. van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten. De onregelmatigheid betrof geen essentiële bestekbepaling zodat appellante aldus in uitvoering van artikel 110 § 2 de offerte als onregelmatig en derhalve als onbestaande kon beschouwen. De omstandigheid dat geïntimeerde op vrij vage wijze vermeldde dat de documenten op verzoek zouden kunnen worden meegedeeld maakt het onvolledige karakter van de offerte niet ongedaan.

Het bestuur was te dezen bijgevolg niet automatisch verplicht om de offerte te weren maar het was gerechtigd de betrokken inschrijvers die niet alle vereiste documenten bij hun offerte hadden gevoegd uit te nodigen hun offerte aan te vullen. Deze mogelijkheid bestond wettelijk en de gemeente kon alsnog bijkomende documenten of inlichtingen opvragen zonder de andere inschrijvers ongelijk of discriminatoir te behandelen.

Dit betekent echter niet dat appellante per se gehouden was dit te doen en nog minder dat zij onzorgvuldig handelde als ze zulks niet deed.

De aanbestedende overheid beschikt over een ruime appreciatiemarge om een relatief onregelmatige offerte al dan niet te weren doch de beslissing daaromtrent moet op juiste, aanvaardbare en relevante motieven steunen die voortvloeien uit zorgvuldig onderzoek. De marge van appreciatie om de offerte om die reden al dan niet als onregelmatig te weren wordt de facto beperkt door de redenen die de aanbestedende overheid naar voor kan brengen om de offerte buiten beschouwing te laten. De aanbestedende overheid is gehouden haar beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen in het licht van de concreet beschikbare gegevens

De doelstelling van de verplichte mededeling van de vermelde documenten bestond er duidelijk in om het bestuur toe te laten op grond van een reeks officiële stukken een oordeel te vormen over de financiële, economische en technische bevoegdheden van de inschrijvers.

14. Het besluit van het schepencollege van appellante van 24 juni 2003 m.b.t. de wering van de offerte van drie inschrijvers, waaronder geïntimeerde luidt:

"Kwalitatieve selectie van de inschrijvers:

Twee offertes zijn ontvankelijk, drie offertes werden geweerd omdat de inschrijvers niet de documenten hebben laten geworden die in het lastenboek vereist waren, de documenten ter staving van de financiële, economische en technische bevoegdheden van hun onderneming en de documentatie betreffende de spelen voorgesteld voor het speelplein.

De geweerde firma's zijn:

- Tuinarchitect Bart Geerts BVBA te Beveren

- Derde Construct N.V. te Wichelen

- (appellante)

De offertes van:

- Arbel N.V. te Naninne

- PPR N.V. te Brussel

zijnde volledig, kunnen kwalitatief aanvaard worden"

Het schepencollege van Ukkel steunde zich hierbij op een analyseverslag van de ingediende offertes waarin wordt gesteld:

"Wegens tijdsgebrek hebben wij ervoor gekozen om de drie ondernemingen waarvan de offertes onvolledig bleken niet te contacteren, teneinde ons de ontbrekende documenten te laten geworden. Inderdaad, het dossier heeft reeds aanzienlijke vertraging opgelopen als gevolg van verschillende noodzakelijke modaliteiten om een bouwvergunning te bekomen en om het lastenboek goed te keuren. Ten andere dienden veel spelen te worden weggehaald op het bestaande speelplein en dit als gevolg van nieuwe van kracht zijnde veiligheidsvoorschriften (...) Welnu, aangezien het park van Wolvendael het grootste park in oppervlakte is en ook het meest centraal gelegen in de gemeente Ukkel, hebben wij het voornemen om het nieuwe speelplein zo spoedig mogelijk open te stellen voor de inwoners van Ukkel en liefst nog tijdens de vakantie, te meer omdat er meer en meer brieven worden ontvangen waarin personen, die het park regelmatig bezoeken, hun ongenoegen laten blijken.

Dat is waarom (...) wij er de voorkeur aan geven om geen bijkomende informatie te vragen om de hiervoor vermelde redenen en derhalve de ondernemingen uit te sluiten waarvan de offerte niet volledig was bij de opening van de inschrijvingen en slechts verder te werken met de ondernemingen waarvan het dossier perfect in orde is bij de opening van de inschrijvingen"(...)

15. De beslissing van toewijzing van de opdracht aan de N.V. Arbel is kennelijk formeel en inhoudelijk gemotiveerd. Geïntimeerde wordt geweerd wegens het (niet betwiste) ontbreken van de bij het lastenboek voorgeschreven documenten ter staving van de financiële, economische en technische bevoegdheden van de onderneming, waarna de opdracht gegund wordt aan de laagste van de twee regelmatig bevonden inschrijvers.

Geïntimeerde bewijst geen schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

16. Uit de concrete gegevens van de zaak blijkt dat de gemeente de offerte van geïntimeerde "wegens tijdsgebrek" buiten beschouwing heeft gelaten. Uit niets blijkt dat deze beweegreden denkbeeldig zou zijn of een drogreden zou uitmaken. Op de zitting van 24 juni 2003 heeft het schepencollege immers prioriteit willen geven aan een vlugge uitvoering van het project en aan de aanleg van een speelplein in het centraal gelegen grootste park van de gemeente, indien mogelijk nog voor het einde van de zomervakantie.

Een uitstel in de beslissing tot toewijzing van de opdracht was dan ook niet wenselijk en het is begrijpelijk dat de gemeente onmiddellijk de beslissing over deze opdracht nam.

Bij de beoordeling van een mogelijke fout in hoofde van appellante bij het weren van de onregelmatige offerte uitgaande (o.m.) van geïntimeerde en onmiddellijke toewijzing van de opdracht aan een derde aannemer, vermag de rechter zich niet in de plaats te stellen van het bestuur. Het blijkt niet dat appellante zich te dezen op onaanvaardbare of verkeerde motieven steunde.

Dat de opdracht later niet binnen de vooropgestelde termijn, dit is nog voor het einde van de zomervakantie, kon uitgevoerd worden is aan vreemde omstandigheden te wijten en kon in juni 2004 door appellante niet voorzien worden.

Een fout of onzorgvuldigheid in hoofde van appellante wordt te dezen niet bewezen. Daarentegen staat het vast dat geïntimeerde zelf grof nalatig is geweest bij het opstellen van haar offerte, des te meer dat zij zich kennelijk bewust was dat documenten die volgens het bijzonder lastenboek verplicht bij de inschrijving moesten worden gevoegd, helemaal ontbraken.

17. Het hoger beroep is dan ook deels gegrond. De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde werd ten onrechte gegrond verklaard.

18. De gerechtskosten

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van geïntimeerde als in het ongelijk gestelde partij.

De rechtsplegingsvergoeding voor het hof, begroot op het basistarief, bedraagt 1.100 euro, thans na indexatie 1.210 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis en verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond.

Veroordeelt geïntimeerde in de gerechtskosten van beide aanleggen.

Begroot de gerechtskosten van het hoger beroep

- in hoofde van appellante op 186 euro rolrechten + 1.210 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 1.210 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 27 juni 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Vrije woorden

  • Taalwetgeving in gerechtszaken. Eeentaligheid. Citaat in een andere taal in de dagvaarding. Nietigheid van de dagvaarding?