- Arrest van 15 november 2011

15/11/2011 - 2001AR665

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

I. Het Hof van Cassatie heeft bovendien herhaaldelijk gesteld m.b.t. de temporele werking van verjaringstermijnen dat wanneer in burgerlijke zaken, een wet, al is zij van openbare orde, voor de verjaring van een vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet (de gemeenrechtelijke termijn is 30 jaar ), en het betrokken recht vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan, de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste begint te lopen met het inwerkingtreden van de nieuwe wet.

II. Bedrog veronderstelt dat één van de partijen bij de contractsluiting kunstgrepen aanwendt (materieel element)en bewust (psychologisch element) de wederpartij doet dwalen, zonder welke kunstgrepen zij klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan. Er is sprake van bedrog wanneer bij het sluiten van een overeenkomst feiten verzwegen werden die zodanig zijn dat, indien de contractpartij er kennis van had gehad, tegen voor deze minder bezwarende voorwaarden zou zijn gecontracteerd.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2001/AR/665

INZAKE VAN :

1) Mevrouw C. W.,

2) Mevrouw I. W.,

3) Mevrouw I. W.,

4) De heer H. W.,

5) Mevrouw H. W.,

1ste kamer

6) Mevrouw C. W.,

handelende in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de heer A. W., overleden op 27 februari 2006,

verweerders in cassatie van een arrest gewezen op 24 november 1997 door het hof van beroep te Antwerpen, appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 6 januari 1995,

vertegenwoordigd door Meester Hendrik BOSMANS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 27 bus 8,

TEGEN :

1) Mevrouw L. W.,

2) Mevrouw N. W., ...thans wonende te CANADA, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Hans SCHYVENS, advocaat te ANTWERPEN, Sint-Jozefstraat 43,

eisers tot cassatie van een arrest gewezen op 24 november 1997 door het hof van beroep te Antwerpen,

geïntimeerden, de eerste in persoon verschijnende, beiden vertegenwoordigd door Meester Hans SCHYVENS, advocaat te ANTWERPEN,

I. Het Hof van Cassatie heeft bovendien herhaaldelijk gesteld m.b.t. de temporele werking van verjaringstermijnen dat wanneer in burgerlijke zaken, een wet, al is zij van openbare orde, voor de verjaring van een vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet (de gemeenrechtelijke termijn is 30 jaar ), en het betrokken recht vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan, de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste begint te lopen met het inwerkingtreden van de nieuwe wet.

II. Bedrog veronderstelt dat één van de partijen bij de contractsluiting kunstgrepen aanwendt (materieel element)en bewust (psychologisch element) de wederpartij doet dwalen, zonder welke kunstgrepen zij klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan. Er is sprake van bedrog wanneer bij het sluiten van een overeenkomst feiten verzwegen werden die zodanig zijn dat, indien de contractpartij er kennis van had gehad, tegen voor deze minder bezwarende voorwaarden zou zijn gecontracteerd.

__________________________________

Gelet op de procedurestukken buiten deze reeds aangehaald in de vorige tussenarresten:

- de syntheseconclusie na incidentele valsheidsprocedure neergelegd door appellanten ter griffie op 12 april 2011;

- de samenvattende conclusie na tussenarrest van 14 september 2010 inzake de incidentele valsheidsvordering neergelegd door geïntimeerden ter griffie op 31 mei 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 19 september 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

De vorige tussenarresten verder uitwerkend .

I. Voorwerp van de vorderingen en voorafgaande procedure:

1.1. Op 14 november 1983 werden door de heer A. W., rechtsvoorganger van huidige appellanten, twee dagvaardingen betekend aan de heer R. W., in zijn beweerde hoedanigheid van " enige erfgenaam van M. W. ".

In de eerste dagvaarding (A.R. nr. 92.371)werd gevraagd (1)in hoofdorde, de heer R. W. te veroordelen het schilderij " De wenende Madonna" van Rogier van der Weyden of van de meester Van Flémalle terug te brengen in de gemeenschappelijke kluis van de betrokken partijen en, bij gebreke hiervan, de heer R. W. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 3.000.000 BEF, voorlopig geschat op minimale basis en (2)in ondergeschikte orde, alvorens recht te doen een kunstexpert aan te stellen met een welomschreven opdracht m.b.t. de echtheid, de oorsprong enz. van bewust schilderij.

In de tweede dagvaarding (A.R. nr. 92.372)werd de veroordeling gevraagd van de heer R. W. tot betaling van een bedrag van 9.930.489 BEF, plus de intresten. De heer A. W. beriep zich op schuldbekentenissen en overeenkomsten van 4 december 1978, 15 juni 1979 en 10 december 1978 op grond waarvan hij meende over een schuldvordering te beschikken op de nalatenschap van M. W. ten beloop van 4.000.000 BEF in hoofdsom die vermeerderd met een intrest aan 12,5% per 4 augustus 1983 een bedrag gaf van 9.930.489 BEF.

1.2. Om reden dat de heer R. W. blijkbaar op 11 oktober 1983 de nalatenschap van zijn vader (= M.)verworpen had, ging de heer A. W. over tot het dagvaarden in gedwongen hervatting van het geding van L. en N. W., huidige geïntimeerden, zijnde de dochters van R. W. (beide exploten werden betekend op 10 oktober 1984).

1.3. Gezien in de zaak A.R. nr. 92.372 de kleindochters van M. W. de authenticiteit en de echtheid betwistten van de aangehaalde documenten van 4 december 1978, 10 december 1978 en 15 juni 1979 werd bij tussenvonnis van 12 november 1984 een deskundige aangesteld, meer bepaald grafoloog H.Van Humskerke, die als opdracht kreeg de echtheid van de handtekening, toegeschreven aan M. W., na te gaan.

De deskundige legde zijn verslag neer op 25 februari 1985. In dat verslag kwam de deskundige, bondig samengevat, tot de conclusie dat de drie betwiste documenten allen wel degelijk ondertekend werden door M. W. doch dat bepaalde vermeldingen in die documenten niet van de hand waren van de ondertekenaar.

1.4. Na het neerleggen van het deskundigenverslag hebben partijen over en weer klachten neergelegd met stelling van burgerlijke partij in handen van de onderzoeksrechter (klachten van 3 mei 1985 uitgaande van de partij W. en van 21 juni 1985 uitgaande van de partij W. ).

In het kader van het hierop volgend gerechtelijk onderzoek werd door de onderzoeksrechter eveneens een schriftonderzoek bevolen dat toevertrouwd werd aan deskundige R. De Bode.

Deze deskundige kwam tot de vaststelling dat in de drie reeds vernoemde documenten een 17 -tal bijschrijvingen voorkwamen die niet van de hand waren van de heer M. W..

Bij arrest van de K.I. van Antwerpen van 14 maart 1991 werd de strafvervolging vervallen verklaard op grond van verjaring.

Tegen dit arrest werd cassatieberoep aangetekend door de consorten W. doch dit beroep werd afgewezen bij arrest van 24 november 1992.

1.5. Hangende de strafprocedure gingen de consorten W. over tot het dagvaarden van de heer W. bij exploot betekend op 22 april 1987 (A.R. nr. 22.245 ).

In deze zaak vorderden de consorten W. om de heer W. te veroordelen tot (1) restitutie van de verkoopprijs ten bedrage van 1.000.000 BEF (de heer M. W. zou beschikt hebben over de halve eigendom van de " Wenende Madonna " en zou hiervoor 1.000.000 BEF betaald hebben ), (2) de teruggave van het " Cabinet Anversois " ter waarde van 1.000.000 BEF, (3) de teruggave van kunstvoorwerpen bestaande uit schilderijen, beelden, jade..., ook ter waarde van 1.000.000 BEF, (4) betaling van een bedrag van 3.000.000 BEF, plus intresten, indien voornoemde goederen niet konden worden teruggegeven en (5)betaling van een schadevergoeding, ex aequo et bono geschat, van 1.000.000 BEF, plus intresten.

Deze vordering was gesteund op een koopovereenkomst van 22 april 1977 die volgens de consorten W. diende vernietigd te worden ofwel wegens bedrog in hoofde van A. W. ofwel wegens verschoonbare dwaling in hoofde van M. W..

1.6. Bij vonnis van 24 juni 1994 besloot de rechtbank tot samenvoeging van de zaken gekend onder de A.R. nrs. 92.371 en 22.245 (procedures m.b.t. " De Wenende Madonna ")en werd de heropening van de debatten bevolen teneinde partijen toe te laten het volledig strafonderzoek neer te leggen. Bij vonnis van dezelfde dag werd in de zaak A.R. nr. 92.372 (zaak betreffende de beweerde schuldbekentenissen en overeenkomsten)om diezelfde reden ook een heropening van de debatten bevolen.

1.7. Bij eindvonnis van 6 januari 1995 werd in de samengevoegde zaken 92.371 en 22.245 het volgende beslist (samengevat):

- de vordering in de zaak 92.371 werd ontvankelijk doch ongegrond verklaard;

- de vordering in de zaak 22.245 werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard;

- dienvolgens werd de overeenkomst van 22 april 1977 vernietigd wegens bedrog in hoofde van A. W.;

- A. W. werd veroordeeld tot teruggave van een " Cabinet Anversois alsmede van verschillende kunstvoorwerpen, bestaande uit schilderijen, beelden.. (zie dagvaarding van 22 april 1987)en bij gebreke hiervan tot betaling van de tegenwaarde, zijnde 2.000.000 BEF in hoofdsom;

- gezegd werd voor recht dat de consorten W. gehouden waren het schilderij " De Wenende Madonna", op dat ogenblik in bewaring bij een gerechtsdeurwaarder, terug te geven aan A. W..

1.8. Bij eindvonnis van eveneens 6 januari 1995 werd in de zaak 92.372 de vordering van W. afgewezen op grond van het motief dat W. in gebreke bleef aan te tonen dat wijlen M. W. inderdaad een bedrag van oorspronkelijk 4.000.000 BEF verschuldigd was.

De rechtbank was m.a.w. van oordeel dat de bewijswaarde van de door W. bijgebrachte documenten, met name de " schuldbekentenissen en overeenkomsten " van 4 december 1978, 10 december 1978 en 16 juni 1979 gebrekkig was en bijgevolg niet voldeed.

1.9. Tegen deze beide eindvonnissen werd hoger beroep aangetekend door A. W. op 24 februari 1995 (A.R. nrs. 1995/AR/723 (= " overeenkomsten en schuldbekentenissen ")+ 1995/AR/724 (= " De Wenende Madonna ")).

1.10. Bij arrest van 24 november 1997 heeft het hof van beroep te Antwerpen:

- (1)de samenvoeging bevolen van beide voornoemde zaken;

- (2)de hogere beroepen ontvankelijk verklaard;

- (3)het hoger beroep in de zaak 723 gegrond verklaard;

- (4)dienvolgens de consorten W. veroordeeld tot betaling van een bedrag van 4.000.000 BEF,plus de intresten ten beloop van 12,5% sedert 10 oktober 1984 en de gerechtelijke intresten;

- (5)het hoger beroep in de zaak 724 ongegrond verklaard doch het incidenteel beroep gedeeltelijk gegrond;

- dienvolgens het bestreden vonnis bevestigd behoudens voor wat de veroordeling van de intresten betreft (" te verhogen met de vergoedende intresten voor een periode van 5 jaar en de gerechtelijke intresten ") en enkel wat dat onderdeel betreft opnieuw recht gesproken in die zin dat W. veroordeeld werd tot betaling van de intrest ten beloop van 10% op het bedrag van 2.000.000 BEF en dit vanaf 22 april 1987.

1.11. Tegen dit arrest werd door beide partijen cassatieberoep aangetekend.

Bij arrest uitgesproken op 22 september 2000 werd het arrest van het hof van beroep te Antwerpen vernietigd behalve in zoverre hierin (a)de beide zaken 723 en 724 gevoegd werden en (b)de hogere beroepen ontvankelijk werden verklaard.

Het middel opgeworpen door W. dat niet geantwoord werd door het hof van beroep op de door hem ingeroepen exceptie van verjaring wat de vordering tot nietigverklaring betreft van de overeenkomst van 22 april 1987 werd door het Hof van Cassatie gegrond verklaard.

Het middel opgeworpen door de consorten W. dat het hof van beroep niet kon overgaan tot enerzijds het ‘ ontbinden ‘ van de overeenkomst m.b.t. " De Wenende Madonna " en anderzijds tot het veroordelen van de partijen W. tot betaling van een bedrag van 4.000.000 BEF, waarin een bedrag begrepen is voor de door M. W. in bezit genomen " Wenende Madonna " werd door het Hof van Cassatie tevens gegrond verklaard.

Het Hof van Cassatie verwees alsdan de zaak naar het hof van beroep te Brussel voor verdere behandeling.

Dit arrest met dagvaarding werd op verzoek van W. betekend bij exploten van 27 februari en 1 maart 2000 aan de consorten W..

1.12. Bij arrest van 27 november 2007 werd mevrouw M.T. Christians aangesteld als schriftdeskundige teneinde de (1) "schuldbekentenis en overeenkomst" van 10 december 1978, (2) de "bevestiging vroegere schuldbekentenis en verklaring" van 10 december 1978 en (3) de "verklaring" van 15 juni 1979 nader te onderzoeken op valsheden hierbij gebruik makend van alle thans ter beschikking zijnde technische middelen, desgevallend van destructieve onderzoeksmethodes.

De deskundige legde haar verslag neer ter griffie op 11 maart 2009.

1.13. Bij arrest van 14 september 2010 werden een aantal passages - zoals opgesomd in dat arrest - uit de hier voren geciteerde documenten vals verklaard.

II. Feitelijke achtergrond.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. M. W. en W. A. waren beiden blijkbaar geïnteresseerd in kunstvoorwerpen en leerden elkaar in deze context kennen.

Aanvankelijk beperkten hun transacties onder elkaar zich tot het ruilen van kunstvoorwerpen in hun bezit zonder enige opleg.

2.3. Op 22 april 1977 werd echter een overeenkomst afgesloten tussen partijen waarbij W. de helft van zijn eigendomsrecht in een " schilderij " Madonna " van de Vlaamse primitieve schilder Rogier Van der Weyden (Roger de la Pasture)behorend tot de Vlaamse primitieven " aan M. W. overdroeg onder de volgende voorwaarden:

- M. W. zou een bedrag dienen te betalen van 1.000.000 BEF in 5 maandelijkse stortingen van elk 200.000 BEF, een aanvang nemend op 1 mei 1977;

- M. W. diende daar bovenop een " Cabinet Anversois ", ter waarde van 1.000.000 BEF, en verschillende andere kunstvoorwerpen, zoals schilderijen, beelden, jade.., eveneens voor een waarde van 1.000.000 BEF, te bezorgen aan W.;

- het schilderij " De Wenende Madonna " diende opgeborgen te worden in een gemeenschappelijke kluis (de kluis kon enkel door hen beiden geopend worden)in een filiaal van de K.B. te Antwerpen;

- partijen zouden ten vroegste na 5 jaar proberen dat schilderij te verkopen;

- bij wijze van herkenningsteken zou op de achterzijde van het schilderij twee lakstempels worden aangebracht, één met het monogram MR (= M. W.)en één met het monogram AW (= A. W. ).

2.4. Voornoemd schilderij werd blijkbaar aanvankelijk in een gemeenschappelijke kluis opgeborgen maar nadien - met instemming van W. - bijgehouden door M. W. zelf.

2.5. M. W. overleed op 28 mei 1983 en onmiddellijk hierna verzocht W. de zoon van W. om o.m. het schilderij " De Wenende Madonna " terug in de gemeenschappelijke kluis onder te brengen.

Probleem was dat gezegd schilderij niet onmiddellijk kon teruggevonden worden. Het is slechts in de loop van juli 1983 dat L. W. en haar echtgenoot het bewuste Madonnaschilderij terugvonden in de bibliotheek van hun grootvader, verscholen tussen twee boeken en vergezeld van een bruine enveloppe waarin zich het origineel van de overeenkomst van 22 april 1977 bevond.

2.6. Gezien de echtgenoot van L. W. - zelf kunstenaar en leraar beeldende kunsten - twijfels koesterde omtrent de authenticiteit van het teruggevonden schilderij besloten de erven o.m. advies in te winnen bij Prof.dr. R.H. Marijnissen, verbonden aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium te Brussel.

Deze zal m.b.t. dat schilderij het volgende stellen: " Ondergetekende verklaart hiermede dat het schilderijtje Wenende Madonna, waarvan afbeelding aan de keerzijde, eik, 28,7/18 cm, op grond van meerdere technische karakteristieken, onmogelijk in de 15de, evenmin in de 16de eeuw te situeren is. Het betreft een moderne kopie - op kleiner formaat - naar een paneel dat in de vakliteratuur toegeschreven wordt, hetzij aan Marmion, hetzij aan - de groep - Rogier Van der Weyden. Er zijn van deze compositie verschillende versies bekend. " en verder nog: " Het paneeltje is modern, zeker niet vroeger dan de 19de eeuw, wellicht nog jonger. Misschien kopie met studie intenties, maar het craquelé vermindert de kans op verzachtende omstandigheden. ".

2.7. Dit bewuste schilderij bevindt zich thans in handen van gerechtsdeurwaarder Libbrecht alwaar het terecht kwam in uitvoering van een beslagprocedure.

2.8. Na het openvallen van de nalatenschap ging de instrumenterende notaris op 30 juni 1983 over tot het openen van de kluizen die aan M. W. toebehoorden en daarin werden o.m. een fotokopie teruggevonden van de " schuldbekentenissen en overeenkomsten " van 4 december 1978, 10 december 1978 en 15 juni 1979.

Het origineel van deze documenten werd later door W. medegedeeld.

III. Bespreking:

A. Wat de vordering tot nietigverklaring/ontbinding betreft van de overeenkomst van 22 april 1977 m.b.t. het schilderij " De Wenende Madonna ":

1. Wat de exceptie van verjaring/de hoedanigheid van partijen betreft:

1.1. De consorten W. vragen de nietigverklaring van voornoemde overeenkomst wegens hetzij bedrog gepleegd door W. hetzij dwaling in hoofde van M. W. omtrent de zelfstandigheid van de zaak. De essentie hierbij is dat het schilderij in kwestie geen werk zou zijn van Rogier Van der Weyden zoals W. dat zou hebben vooropgesteld.

Volgens de consorten W. zou deze vordering verjaard zijn (a)om reden dat de consorten W. op het ogenblik van het instellen van deze vordering - dagvaarding betekend op 22 april 1987 - niet beschikten over de hoedanigheid van rechtsopvolgers van hun grootvader en zelfs niet beschikten over de vereiste hoedanigheid om een dergelijke vordering in te stellen, (b) op grond van artikel 2262bis B.W. en (c)op grond van artikel 1304 B.W.

Het Hof van Cassatie heeft wat de ingeroepen verjaring betreft het hof van beroep van Antwerpen verweten niet geantwoord te hebben op dit middel.

1.2. De heer A. W. ging zelf over tot het dagvaarden in gedwongen hervatting van het geding van de consorten W. om reden dat de heer W. R., bij akte van 11 oktober 1983 de nalatenschap van zijn vader, W. M., verworpen had zodat het gepast voorkwam het geding te hervatten tegen de erfgenamen, met name de geadresseerden (dagvaardingen van 10 oktober 1984 ).

Aan deze beide dagvaardingen was het P.V. gehecht van 11 oktober 1983 waaruit duidelijk blijkt dat R. W. - die oorspronkelijk gedagvaard werd door de heer W. - verzaakt had aan de nalatenschap van zijn vader, de heer M. Constant W..

Op het ogenblik van het instellen van hun vordering beschikten de kleindochters W. bijgevolg wel degelijk over de hoedanigheid van erfgenamen van hun grootvader, wat in tempore non suspecto bovendien erkend werd door de heer W..

1.3. In dit verband zullen de consorten W. verder opwerpen - alhoewel dit hoegenaamd geen uitstaans heeft met de opgeworpen exceptie van verjaring doch eerder met de hoedanigheid van partijen - dat de kleindochters W. slechts erfgenaam zijn geworden bij het overlijden van hun vader, hetzij op 28 juni 1988, omdat uit daden die gesteld werden door hun vader, R., onmiddellijk na het overlijden van hun grootvader, M., zou moeten blijken dat R. W. op het ogenblik van de verwerping, hetzij op 11 oktober 1983, de erfenis reeds zuiver aanvaard had.

Dit argument wordt overigens voor het eerst opgeworpen in een conclusie na cassatie.

1.4. De nalatenschap viel open op 28 mei 1983, datum van het overlijden van grootvader, en de verwerping van de nalatenschap door zoon R. vond plaats op 11 oktober 1983, hetzij 5 maanden later.

In die uitermate korte periode kunnen door R. W. geen daden zijn gesteld die noodzakelijk zijn bedoeling uitdrukten om te aanvaarden en die hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te verrichten.

Uit een verklaring afgelegd door R. W. in het kader van het strafonderzoek zal betrokkene overigens meer dan duidelijk stellen de erfenis te hebben verworpen ten gunste van zijn dochters, onmiddellijk na het overlijden van zijn vader overstelpt te zijn geweest door aangetekende brieven vanwege W. m.b.t. de schilderijen " De Vogelval " en " De Wenende Madonna ", het aanzuiveren van schulden en dies meer, hierop contact te hebben genomen met zijn raadsman die hem adviseerde niet te reageren en eerst grondig de stukken van vaders nalatenschap te bestuderen, verder nog gezocht te hebben met zijn dochters naar de bewuste schilderijen doch geen enkel document te hebben gevonden dat enige schuld van vader aan W. zou kunnen aantonen en hij tenslotte beslist heeft de nalatenschap te verwerpen omdat er moeilijkheden opkwamen i.v.m. schilderijen in de nalatenschap van vader, omdat mijn dochters veel meer van kunst kennen en hij geruime tijd in het ziekenhuis diende te verblijven.

In een dergelijke context is er nooit sprake geweest van enige aanvaarding van de nalatenschap door R. W. en staat er vast dat hij bijgevolg nooit erfgenaam is geworden door het verwerpen van deze nalatenschap ten voordele van zijn beide dochters.

Alle overige door de consorten W. ingeroepen grieven zijn niet van aard voornoemde redenering te ontkrachten en behoeven bijgevolg geen verdere weerlegging.

1.5. Wat de toepassing van artikel 2262bis B.W. betreft werpen de consorten W. op dat deze bepaling niet van toepassing kan zijn gezien deze eerst in voege is getreden op 27 juli 1998 terwijl de vordering ingesteld werd op 22 april 1987.

Artikel 10 van de Wet van 10 juni 1998 ter invoering van de nieuwe verjaringstermijnen bepaalt dat de nieuwe termijnen pas beginnen te lopen vanaf de inwerkingtreding van de wet.

Het Hof van Cassatie heeft bovendien herhaaldelijk gesteld m.b.t. de temporele werking van verjaringstermijnen dat wanneer in burgerlijke zaken, een wet, al is zij van openbare orde, voor de verjaring van een vordering een kortere termijn bepaalt dan die gesteld door de vorige wet (de gemeenrechtelijke termijn is 30 jaar ), en het betrokken recht vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan, de nieuwe verjaringstermijn ten vroegste begint te lopen met het inwerkingtreden van de nieuwe wet (zie o.m. P. Populier, Toepassing van de wet in de tijd, APR, p.88 e.v. ).

Deze bepaling is in casu dan ook niet van toepassing.

1.6. Artikel 1304 B.W. bepaalt dat een vordering tot nietigverklaring of tot vernietiging van een overeenkomst verjaart na 10 jaar en dat ingeval van dwaling of bedrog deze termijn begint te lopen vanaf de dag waarop deze ontdekt zijn.

Het is pas na het overlijden van hun grootvader op 28 mei 1983 dat de kleindochters W. het voorgehouden bedrog of dwaling ontdekt hebben zodat de vordering, ingesteld op 22 april 1987 tijdig werd ingesteld.

Deze vordering werd bovendien ingesteld binnen een termijn van 10 jaar na het afsluiten van de overeenkomst zelf, zijnde 22 april 1977.

Op deze rechtsgrond is evenmin de verjaring ingetreden.

2. Wat de opgeworpen wilsgebreken betreft:

2.1. In de dagvaarding van 22 april 1987 wordt duidelijk de vernietiging gevraagd van " de overeenkomst van 22 april 1977 " op grond van wilsgebreken en wordt de terugbetaling gevraagd van wat grootvader W. in uitvoering van deze overeenkomst gepresteerd heeft.

Zowel het voorwerp als de oorzaak van de vordering staan afdoend vast.

Of deze overeenkomst nu dient gekwalificeerd te worden als een verkoop of als een ruil met opleg - waarop in de dagvaarding zelfs niet nader wordt ingegaan - tast geenszins de rechtsgeldigheid aan van de dagvaarding of zelfs van de ingestelde vordering, zoals W. tracht voor te houden.

Bovendien komt ruil tot stand door de enkele toestemming van partijen zoals bij de koop en zijn, met uitzondering voor wat de benadeling betreft (artikel 1706 B.W. ), waarop de consorten W. zich niet beroepen, alle overige regels die omtrent het koopcontract zijn voorgeschreven, mede van toepassing op het ruilcontract (artikel 1707 B.W. ).

2.2. De enige cruciale vraag is of het schilderij " De Wenende Madonna " dat teruggevonden werd na het overlijden van grootvader W. - en waarvan niemand betwist dat het om een 19e eeuwse kopie gaat en niet van de hand is van de Vlaamse primitieve schilder Rogier Van der Weyden zoals vermeld in de overeenkomst van 22 april 1977 - al dan niet het voorwerp heeft uitgemaakt van die overeenkomst.

De consorten W. beweren immers dat in april 1987 wel degelijk de helft van een originele Rogier Van der Weyden verkocht werd aan grootvader W. en dat

het teruggevonden schilderij dus niet datgene is wat effectief verkocht werd.

2.3. De uitleg die de consorten W. hierover geven, overtuigt het hof niet.

Uit de objectieve gegevens van het dossier blijkt immers o.m. het volgende:

- Toen na het overlijden van grootvader W. een schilderij " De Wenende Madonna " teruggevonden werd, lag hierbij een bruine enveloppe met hierin het origineel van de overeenkomst van 22 april 1977 alsmede enkele foto's (polaroid foto's waarvan trucage niet aannemelijk is)van een schilderij voorstellend een wenende Madonna. Er wordt niet betwist dat deze foto getrokken werd ten huize van W.. Dit gefotografeerd schilderij stemt volledig overeen met het teruggevonden exemplaar ;

- Het teruggevonden paneel stemt overeen met de gegevens vermeld in de overeenkomst van 22 april 1977. In de overeenkomst wordt melding gemaakt van een schilderij met als afmetingen 17,5 x 29 wat overeenstemt met de vaststellingen van prof Marijnissen die het teruggevonden werk onderzocht met afmetingen 18 x 28,7 (van de betrokken partijen kan niet verwacht worden dat zij afmetingen kunnen opnemen zoals een professioneel ). Op het schilderij bevinden zich twee lakstempels, het ene met het monogram AW (= W.)en het andere met het monogram MR (= W. ), zoals vermeld werd in de overeenkomst. Dat het monogram van W. zou vervalst zijn, wordt enkel door W. zelf beweerd;

- De overeenkomst van 22 april 1977 vermeldt duidelijk dat mits betaling van...de heer M. W. de halve eigendom verkreeg van het schilderij "Madonna" van de Vlaamse primitieve schilder Rogier Van der Weyden (Roger de la Pasture) behorend tot de Vlaamse primitieven, groot 17,5 x 29 cm.;

- Boven vermelde overeenkomst bevat geen enkele clausule m.b.t. de authenticiteit van het werk wat zeer ongebruikelijk is bij de verhandeling van een dergelijk kunstwerk ;

- In de nalatenschap van W. werden kleurfoto's gevonden die een wenende madonna afbeelden en die genomen werden ten huize van W.; het gefotografeerde schilderij is identiek aan hetgeen werd teruggevonden bij W.; tijdens het gerechtelijk onderzoek verklaarde W. dat bij hem thuis (blijkbaar)op de schouw een kopij van de "Wenende Madonna" gestaan heeft, dat hij echter niet weet waar W. dat schilderij vandaan heeft gehaald en dat die foto's genomen werden door W. op een moment dat hij niet in de eetkamer aanwezig was; één en ander komt zeer onwaarschijnlijk over mede gelet op het feit dat tijdens het gerechtelijk onderzoek door W. nog andere, tegenstrijdige en even ongeloofwaardige verklaringen werden afgelegd m.b.t. de inhoud van die foto's .

- W. heeft nooit een sluitende uitleg kunnen geven over de wijze waarop hij zogenaamd in het bezit is geraakt van een originele Rogier van der Weyden waarvan binnen de officiële kunstwereld blijkbaar niemand het bestaan kende;

- In de oorspronkelijke dagvaardingen van 14 november 1983 - die uitgingen van A. W. zelf - is steeds sprake van een schilderij genaamd "Wenende Madonna" van Rogier van der Weyden wat aantoont dat W. er dan van uitging een origineel werk te hebben verhandeld; de huidige uitleg van appellanten als zou er nooit sprake geweest zijn van een origineel - wat geweten zou geweest zijn door W. - is hiermee in tegenstrijd;

2.4. Als tegenbewijs leggen de consorten W. een hele reeks kopieën neer die niet bewijskrachtig zijn, verklaringen van deskundigen, waaronder van prof Seghers van 27 mei 1958 en van prof. Friedländer, waarvan niet met zekerheid kan vastgesteld worden dat deze betrekking hebben op het kwestieuze schilderij, waaronder foto's waarop enkel de achterkant van een paneel te zien is.

Niets van wat de consorten W. hierdoor pogen te bewijzen, kan in verband gebracht worden met de gegevens vervat in de overeenkomst van 22 april 1977.

De consorten W. beroepen zich tevens op getuigenverklaringen die ofwel op zich beschouwd niet afdoende aantonen dat het door hen beschreven werk verschillend is van het door de consorten W. gevonden werk ofwel met de nodige omzichtigheid dienen benaderd te worden (de weduwe Seghers en haar zoon betwisten dat hun echtgenoot/vader de verklaring van 27 mei 1958 zou hebben opgesteld, Van Avermaete poogde eerst contact op te nemen met de erfgenamen W. en Florens heeft het over een werk dat ongeveer 30.000.000 BEF waard is terwijl moeilijk kan aangenomen worden dat W. een dergelijk werk van de hand zou hebben gedaan voor 1/5de van de prijs ).

Ten overvloede en voor zoveel als nodig wordt er bovendien op gewezen dat tijdens het gerechtelijk onderzoek de verbalisanten tot tweemaal toe aantekenden dat W. in hun documentatie gekend was m.b.t. valsheid in geschriften, oplichting en misbruik van vertrouwen (binnen het kunstmilieu) .

2.5. Het staat bijgevolg vast dat het teruggevonden schilderij (thans in handen van de gerechtsdeurwaarder)wel degelijk hetzelfde is als dat dat het voorwerp uitmaakt van de overeenkomst van 22 april 1977 en dat dit werk niet toe te schrijven is aan de Vlaamse primitieve schilder Rogier Van der Weyden.

2.6. Bedrog veronderstelt dat één van de partijen bij de contractsluiting kunstgrepen aanwendt (materieel element)en bewust (psychologisch element) de wederpartij doet dwalen, zonder welke kunstgrepen zij klaarblijkelijk het contract niet zou hebben aangegaan.

Er is sprake van bedrog wanneer bij het sluiten van een overeenkomst feiten verzwegen werden die zodanig zijn dat, indien de contractpartij er kennis van had gehad, tegen voor deze minder bezwarende voorwaarden zou zijn gecontracteerd.

Uit de gegevens van het dossier blijkt verder o.m. nog het volgende:

- in de overeenkomst van 22 april 1977 wordt uitdrukkelijk gewag gemaakt van een schilderij " Madonna " van de Vlaamse primitieve schilder Rogier Van der Weyden (Roger de la Pasture)behorend tot de Vlaamse primitieven;

- De helft van de eigendom van dit schilderij werd aangekocht door M. W. voor 1.000.000 BEF + een " Cabinet Anversois " ter waarde van 1.000.000 BEF + verschillende kunstvoorwerpen ter waarde van 1.000.000 BEF, hetzij in totaal 3.000.000 BEF, wat aangeeft dat het werk in totaal op 6.000.000 BEF werd geschat in 1977;

- In zijn eigen conclusie beschrijft W. zichzelf als iemand die een grote verzameling antiek en schilderijen opbouwde sedert 1942, na kennismaking met kunstschilder Ost en die zijn verzameling gaandeweg opbouwde en verbeterde door gunstige aankoop en verkoop bij veilingen en met particulieren alsmede door ruilingen met andere verzamelaars. M. W. omschrijft zichzelf in zijn conclusie als iemand die aanvankelijk havenbediende was die het uiteindelijk bracht tot afgevaardigd bestuurder van zijn eigen bedrijf Pharmachemique en als iemand die buiten zijn handelsactiviteiten van alles kocht en verkocht waarmede hij dacht winst te kunnen maken;

- Tussen partijen bestond een vertrouwensrelatie gezien zij vanaf 1974 tot verschillende transacties overgingen m.b.t. schilderijen en andere kunstvoorwerpen die soms over verschillende miljoenen BEF gingen;

- Prof. Marijnissen - verbonden aan het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium - die het schilderij onderzocht, zal attesteren, wat de schildertechnische kwaliteit ervan betreft dat deze verbluffend is en bekorend, doch evenwel niet weerstaat aan een zorgvuldig onderzoek.

2.7. Bijgevolg staat afdoend vast dat M. W. op het ogenblik van de aankoop wel degelijk meende zich een werk te hebben aangeschaft daterend van de periode van de Vlaamse primitieven en dat W., misbruik makend van het vertrouwen dat W. in hem stelde, een werk versaste, dat blijkbaar van zeer goede kwaliteit was maar van een veel latere periode (19e eeuw of nog jonger ).

Terwijl W. wist (zie verklaring van 15 juni 1979)dat het werk in kwestie, waarvan hij voorheen de exclusieve eigenaar was, niet onder de omschrijving viel, opgenomen in de overeenkomst van 22 april 1977, staat vast dat W. hiervan niet op de hoogte was, zelfs niet kon zijn, gezien de consorten W. thans blijven volhouden dat in 1977 wel degelijk een echte Vlaamse primitieve werd verhandeld, quod non.

De overeenkomst van 22 april 1977 dient dan ook te worden vernietigd op grond van bedrog.

Gezien de overige gronden van vernietiging en/of ontbinding geen aanleiding kunnen geven tot een ruimere genoegdoening, worden ze niet nader onderzocht.

2.8. De vernietiging van de overeenkomst van 22 april 1997 brengt met zich mee dat geïntimeerden gehouden zijn het schilderij " De Wenende Madonna " - dat thans in handen is van de gerechtsdeurwaarder - terug te geven aan de consorten W. en dat deze laatste partij gehouden is tot teruggave van het " cabinet Anversois " of bij gebreke hiervan tot betaling van de tegenwaarde van 1.000.000 BEF en tot teruggave van de diverse kunstvoorwerpen, vermeld in deze overeenkomst, of bij gebreke hiervan tot betaling van de tegenwaarde van 1.000.000 BEF.

Geïntimeerden vragen ten onrechte de terugbetaling van een bedrag van 1.000.000 BEF. Uit de aangegane schuldbekentenissen (zie verder) blijkt dat de schijf van 1.000.000 BEF waarvan sprake in de overeenkomst van 22 april 1977 nooit betaald werd door W. en bijgevolg kan de terugbetaling van dit bedrag ook niet gevorderd worden. Appellanten tonen niet aan dat W. aangemaand werd om dit bedrag te betalen tijdens diens leven en de schuldbekentenissen dienen zo geïnterpreteerd te worden dat dit bedrag eerst opeisbaar werd 2 maanden na het overlijden van W. zelf.

Het bestreden vonnis (zaak 92.371 + 22.245) wordt bijgevolg bevestigd behoudens voor wat de toegekende intresten betreft .

Voor zoveel als nodig wordt voor het overige verwezen naar de pertinente motieven van de eerste rechter die als hernomen worden beschouwd voor zover ze niet tegenstrijdig zijn met hetgeen in huidig arrest wordt uiteengezet.

2.9. De consorten W. vragen tenslotte een bijkomende schadevergoeding, ex aequo et bono geraamd van - minimaal en provisioneel - 25.000 euro . Deze vordering wordt voor het eerst gesteld in hoger beroep.

Deze vordering berust op een feit of akte in de dagvaarding van 22 april 1987 aangevoerd, conform artikel 807 Ger.W.. Een dergelijke vordering maakt bijgevolg geen " nieuwe " vordering uit en is zodoende ontvankelijk.

Er kan niet ontkend worden dat de hele hetze rond het schilderij " De Wenende Madonna " voor de consorten W. heel wat nodeloze kopzorgen met zich meebracht. De morele schade die zij uit dien hoofde geleden hebben, wordt in alle redelijkheid, ex aequo et bono geraamd op 2.000 euro .

B. Wat de vermeende schuldvorderingen betreft van de consorten W. op de nalatenschap van W. tot beloop van 4.000.000 BEF:

1. De consorten W. steunen deze vordering op de overeenkomst van 22 april 1977 enerzijds en op de schuldbekentenissen van 4 december 1978 en 10 december 1978 alsmede op de verklaring van 15 juni 1979 anderzijds.

Volgens de consorten W. is hun vordering als volgt samengesteld: niet betaalde koopsom van 725.000 BEF + 25.000 BEF kosten ingevolge de verwerving van het schilderij " De Vogelval " = 750.000 BEF (zoals moge blijken uit de documenten van 4 december 1978, 10 december 1978 en 15 juni 1979)+ 1.000.000 BEF onbetaalde koopsom ingevolge de gedeeltelijke verwerving van " De Wenende Madonna " (hierbij wordt verwezen naar dezelfde documenten + naar de overeenkomst van 22 april 1977)+ 2.250.000 BEF niet betaalde koopsommen van veelvuldige aangekochte andere kunstvoorwerpen (hierbij wordt thans verwezen naar een document van 20 april 1979 = stuk 30, dossier appellanten ), wat een totaal geeft van 4.000.000 BEF.

2. Ingevolge de nietigverklaring van de overeenkomst van 22 april 1977 (zie hier voren)is het bedrag van 1.000.000 BEF hoe dan ook niet verschuldigd door geïntimeerden voor het schilderij " De Wenende Madonna " . Het Hof van Cassatie verbrak overigens o.a. om die reden het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 24 november 1997.

3. Voor wat de overblijvende bedragen van 750.000 BEF (" De Vogelval ")en 2.250.000 BEF (andere kunstvoorwerpen) betreft verwijzen appellanten enerzijds naar de documenten die het voorwerp zijn geweest van de valsheidsprocedure (= (1) de "schuldbekentenis en overeenkomst" van 4 december 1978, (2) de "bevestiging vroegere schuldbekentenis en verklaring" van 10 december 1978 en (3) de "verklaring" van 15 juni 1979) en anderzijds naar een lijst opgesteld door M. W. van 20 april 1979 (= stuk 30, dossier appellanten).

4. Vooreerst wordt opgemerkt dat het feit dat in de drie eerstgenoemde documenten bepaalde passages nietig werden verklaard wegens valsheid niet tot gevolg heeft dat het ganse document nietig is.

De passages die later aan de oorspronkelijke teksten werden toegevoegd - en die nietig worden geacht - zijn niet van die aard dat zij aan de essentie van die documenten raken. Zelfs bij weglating van de gewraakte passages hebben die teksten een voldoende inhoud en zin om nog van enige betekenis te zijn.

Voornoemde documenten zijn reeds het voorwerp geweest van diverse deskundigenonderzoeken zodat er zich geen bijkomend onderzoek meer opdringt.

5. Die documenten dienen aangezien te worden als een schuldbekentenis en aanvullingen van een schuldbekentenis.

Een schuldbekentenis is een eenzijdige rechtshandeling waarbij een persoon erkent iets verschuldigd te zijn aan een andere persoon. Een eenzijdige verbintenis komt geldig tot stand wanneer de wil om zich te verbinden met zekerheid vaststaat zowel wat het principe betreft als de essentiële bestanddelen en tot uiting is gebracht, dan wel wanneer de wilsverklaring door een derde ter goeder trouw voor bindend kan worden aangezien.

De vormvereisten die geïntimeerden opsommen geldend voor wederkerige overeenkomsten - zoals het opstellen van het document in evenveel exemplaren als er partijen zijn - zijn eigen aan het wederkerig karakter van bepaalde verbintenissen doch gelden niet in deze.

De wil om zich eenzijdig te verbinden moet echter wel vrij zijn van wilsgebreken en een schuldbekentenis moet ook een rechtsgeldige oorzaak hebben.

Elke niet - abstracte rechtshandeling, of ze nu eenzijdig of wederkerig is, moet op straffe van nietigheid een eigen oorzaak hebben bij toepassing van artikel 1131 B.W. De oorzaak is het waarom, de bestaansreden, de extrinsieke beweegredenen van de overeenkomst en van de verbintenis, het geheel van de objectieve en subjectieve elementen die iemand er toe brachten een overeenkomst of een verbintenis aan te gaan. Het moet gaan om determinerende beweegredenen.

De oorzaak moet weliswaar niet uitgedrukt zijn in het document zelf en in dat geval geldt er een vermoeden van geldigheid tot bewijs van het tegendeel.

6. Wat de gevorderde 750.000 BEF bestaat, staat in het document van 15 juni 1979 duidelijk dat in het bedrag van 4.000.000 BEF, voorwerp van de schuldbekentenis, deze som hierin begrepen is en betrekking heeft op het schilderij VOGELVAL. De paragrafen die nadien werden toegevoegd en om deze reden nietig werden verklaard, hebben op dit deel van het document geen enkele invloed .

Het staat bijgevolg afdoend vast dat de schuldbekentenis van W. betrekking heeft op een niet afgeloste schuld n.a.v. de gezamenlijke aankoop van het schilderij VOGELVAL, waarover overigens geen ernstige betwistingen bestaan.

7. Voor wat het eindsaldo van 2.250.000 BEF bestaat, wordt door appellanten voorgehouden dat het zou gaan om door W. aangekochte kunstvoorwerpen die "geruild" zouden zijn geweest en bij W. terecht zouden zijn gekomen.

Enkel in de schuldbekentenis van 10 december 1978 wordt er melding van gemaakt dat de zogenaamde 4.000.000 BEF die W. nog verschuldigd zou zijn o.a. bestaat in vroegere onbetaalde koopsommen van schilderijen, juwelen enz.

Deze passage werd echter bij tussenarrest van 14 september 2010 aangeduid als een valse passage. Met deze passage kan bijgevolg geen rekening meer gehouden worden. De vraag rijst hierbij waarom W. zich genoodzaakt voelde die verwijzing naar vroegere onbetaalde koopsommen van schilderijen, juwelen enz. achteraf - buiten medeweten van W. - eigenhandig toe te voegen aan de oorspronkelijke tekst en waarom hij naliet dit te doen bij het ondertekenen van dat document.

In de "oorspronkelijke schuldbekentenis" van 4 december 1978 wordt enkel gewag gemaakt van het schilderij "De Vogelval" en in het document van 15 juni 1979 wordt andermaal verwezen naar het schilderij "De Vogelval" alsmede naar het schilderij "de Wenende Madonna". In die stukken is nergens sprake van een "ruil" of "verkoop" van voorheen onbetaalde koopsommen voor schilderijen, juwelen en dergelijke meer.

Appellanten verwijzen desbetreffend naar hun stuk 30. Dit stuk wordt "onderhandse verklaring" genoemd en werd blijkbaar opgesteld door W. en ondertekend door W..

Dit document bevat de opsomming van een aantal goederen (= oude grafieken, oude boeken, oude tekeningen, oude modeplaten en enkele schilderijen) die W. verklaarde in volle eigendom afgestaan of geruild te hebben.

Dit document dateert van 20 april 1979, d.i. enkele maanden nadat de oorspronkelijke schuldbekentenis van 4 december 1978 werd opgesteld en nergens blijkt uit dat de gevorderde 2.250.000 BEF - voorwerp van de zogenaamde schuldbekentenissen - op die goederen betrekking hebben.

Er is in dat document ook sprake van "geruilde" goederen - zonder meer - en nergens staat een waarde vermeld van die zogenaamde afgestane en geruilde goederen. In dat document is er evenmin sprake van enige vergoeding die W. voor deze goederen nog verschuldigd zou zijn.

Appellanten verwijzen niet naar andere documenten of omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat M. W. nog een bedrag verschuldigd zou zijn van 2.250.000 BEF voor verhandelde kunstvoorwerpen.

7. De door M. W. aangegane schuldbekentenis van 4.000.000 BEF heeft derhalve enkel een rechtsgeldige oorzaak voor wat de gevorderde 750.000 BEF betreft.

8. Door de vernietiging van de overeenkomst van 22 april 1977 wegens wilsgebreken kunnen appellanten de uitvoering niet vragen van deze overeenkomst tot beloop van 1.000.000 BEF voor het schilderij "De Wenende Madonna" en wegens het gebrek aan een rechtmatige oorzaak van de schuldbekentenis voor wat de gevorderde 2.250.000 BEF is deze verbintenis nietig tot beloop van dat bedrag.

Geïntimeerden zijn bijgevolg enkel het bedrag verschuldigd van 750.000 BEF aan appellanten.

9. Het bestreden vonnis wordt derhalve hervormd.

C. Wat de gevorderde intresten betreft:

1. In de overeenkomst van 22 april 1977 werd bedongen dat ingeval van ontbinding of vernietiging door toedoen van W. - wat in deze het geval is - deze laatste gehouden is tot betaling van een intrest aan 10%.

Op het bedrag van 2.000.000 BEF - verschuldigd door appellanten - is derhalve deze intrestvoet verschuldigd vanaf de datum van het instellen van de vordering in vernietiging van de overeenkomst, zijnde vanaf 22 april 1987.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd gezien de eerste rechter op het bedrag van 2.000.000 BEF vergoedende en gerechtelijke intresten toekende voor een periode van vijf jaar.

2. Uit de schuldbekentenissen blijkt dat een intrestvoet bedongen werd van 12,5% bij niet stipte betaling binnen de 2 maanden na het overlijden van W. . Nergens kan uit afgeleid worden dat voordien intresten zouden zijn verschuldigd en/of effectief gevorderd werden.

Deze intrestvoet is redelijk gezien tijdens het leven van W. nooit enige aanspraak werd gemaakt op intresten .

W. overleed op 28 mei 1983 zodat eerst intresten verschuldigd konden zijn vanaf 28 juli 1983.

W. ging echter pas tot aanmaning over bij dagvaarding betekend op 10 oktober 1984 zodat slechts vanaf die datum voornoemde intresten verschuldigd zijn.

D. Wat de door partijen gevorderde kapitalisatie betreft:

1. Geïntimeerden vragen tot kapitalisatie over te gaan op 30 september 2003, 30 oktober 2009 en 1 februari 2011, datum van het neerleggen van hun conclusies waarin om de kapitalisatie gevraagd wordt.

De neerlegging van conclusies op de griffie geldt als betekening. Bijgevolg kan een conclusie, waarin de aandacht van de schuldenaar gevestigd wordt op de kapitalisatie van de intresten, gelden als aanmaning in de zin van artikel 1154 B.W.

De door geïntimeerden gevraagde kapitalisatie heeft betrekking op intresten die ten minste voor een geheel jaar verschuldigd zijn.

De redenering van appellanten kan niet gevolgd worden. Enerzijds vragen zij zelf tot kapitalisatie over te gaan maar betwisten anderzijds dit recht in hoofde van geïntimeerden.

Het verzoek wordt bijgevolg ingewilligd.

2. Appellanten vragen eveneens tot kapitalisatie over te gaan op 28 maart 1997, 28 januari 2004 en 30 maart 2010, datum van het neerleggen van hun conclusies waarin om de kapitalisatie gevraagd wordt.

Gelet op het voorgaande kan ook dit verzoek ingewilligd worden.

E. Wat de vordering tot betaling van een bijkomende schadevergoeding tot beloop van 25.000 euro betreft:

1. Geïntimeerden vragen tevens een schadevergoeding uit hoofde van het gebruik van valse stukken en meer in het algemeen wegens tergend en roekeloos procesgedrag.

2. Hoger werd reeds uiteengezet dat W. inderdaad aan de oorspronkelijke teksten toevoegingen deed na het ondertekenen van die documenten wat echter het corpus zelf van die stukken niet aantast.

Hier voren werd bovendien aangetoond dat W. wel degelijk een schuldvordering heeft op W. gezien zijn aanvankelijke vordering deels gegrond wordt verklaard.

3. Deze vordering wordt bijgevolg afgewezen.

F. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft:

1. Beide partijen vragen het maximumbedrag, zijnde 33.000 euro , na indexatie.

Beide partijen beroepen zich terecht op het kennelijk onredelijk karakter en/of de complexiteit van de zaak.

2. Dit bedrag komt ten beloop van 8/10 toe aan geïntimeerden als de overwegend in het gelijk gestelde partijen.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen gegrond in de hierna volgende mate.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond in de hierna volgende mate.

Bevestigt het bestreden vonnis (zaak 92.371 en 22.245) in zoverre hierin:

- de overeenkomst van 22 april 1977 vernietigd werd ten nadele van W.;

- de consorten W. veroordeeld worden tot teruggave van een "Cabinet Anversois" (Intérieur de château) ter waarde van 1.000.000 BEF of 24.789,35 euro alsmede verschillende kunstvoorwerpen, bestaande uit schilderijen, houten en bronzen beelden, jade, koraal e.d., ter waarde te samen van tevens 1.000.000 BEF of 24.789,35 euro ;

- gezegd wordt voor recht dat geïntimeerden gehouden zijn het schilderij "Wenende Madonna", thans in bewaring bij gerechtsdeurwaarder Libbrecht, terug te geven aan appellanten;

- de gerechtskosten begroot worden.

Hervormend voor het overige,

Veroordeelt de consorten W., zo zij binnen de maand na betekening van huidig arrest niet tot teruggave zijn overgegaan van voornoemde goederen, tot het betalen van de tegenwaarde, zijnde 2.000.000 BEF of 49.578,70 euro , plus de conventionele intresten aan 10% vanaf 22 april 1987.

Laat de kapitalisatie van de intresten toe op 30 september 2003, 30 oktober 2009 en 1 februari 2011.

Hervormt het bestreden vonnis (= zaak 92.372) behoudens in zoverre hierin de vordering ontvankelijk wordt verklaard en de kosten begroot worden en opnieuw recht sprekende voor het overige,

Verklaart de vordering van appellanten deels gegrond.

Veroordeelt geïntimeerden tot beloop van hun aandeel in de nalatenschap tot betaling van het bedrag van 750.000 BEF of 18.592,01 euro plus de conventionele intresten aan 12,5% vanaf 10 oktober 1984.

Laat de kapitalisatie van de intresten toe op 28 maart 1997, 28 januari 2004 en 30 maart 2010.

Veroordeelt appellanten tot betaling van een schadevergoeding aan elk van de geïntimeerden van 1.000 euro plus de vergoedende en de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 30 oktober 2009, datum van het instellen van deze vordering.

Wijst appellanten en geïntimeerden af van het meer gevorderde.

Veroordeelt appellanten tot 8/10 van de kosten in beide aanleggen, deze van het hoger beroep, in hun totaal begroot

- in hoofde van appellanten op 33.186 (186 rolrecht + 33.000 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van geïntimeerden op euro 33.000 rechtsplegingsvergoeding;

- op euro 10.142,14 erelonen en onkosten deskundig onderzoek.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

15/11/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

A. DE PREESTER, Voorzitter,

E. JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

M. DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door V. DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Artikel 1166 BW. Bedrog. Definitie en vorwaarden. II. Verjaring. Overgangsrecht. Art. 2 BW. Wet van 10 juni 1988.