- Arrest van 28 november 2011

28/11/2011 - 2009AR513

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De beschreven niet afgebakende en / of aangeduide verzakking met een diepte van 6 centimeter en een lengte van 60 centimeter tussen twee betonplaten midden in een voetpad van een winkelstraat maakt een abnormale gesteldheid van het voetpad uit die van die aard is dat zij in bepaalde omstandigheden schade aan derden kan veroorzaken. Er wordt niet aangetoond en zelfs niet beweerd dat het voetpad op zijn ganse oppervlakte oneffenheden zou hebben vertoond noch dat de voetgangers zich om een of andere reden (bij voorbeeld wegens uitvoering van wegeniswerken) dienden te verwachten aan zulke hindernissen. De gemeente ontkent niet dat zij het voetpad onder haar bewaring had. Zij is dan ook aansprakelijk voor het schadegeval op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2009/AR/513

INZAKE VAN :

De Gemeente DILBEEK, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn in het Gemeentehuis te 1700 DILBEEK, Gemeenteplein 1,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 10 december 2008,

vertegenwoordigd door Meester SABLON loco Meester Jean VAN DEN BERGH, advocaat te 1700 DILBEEK, Kaudenaardestraat 13,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw M. D.-S.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester C. RADU loco Meester August GOORIS, advocaat te 1090 JETTE, Jacques Sermonlaan 105

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (26ste kamer), na tegenspraak uitgesproken op 10 december 2008, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 25 februari 2009 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellante;

- de conclusie van geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde, ingesteld bij dagvaarding van 6 juni 2007, in de hierna volgende mate reeds deels gegrond verklaart, appellante veroordeelt om aan geïntimeerde een provisie van een euro te betalen en een gerechtsdeskundige aanstelt met de opdracht de lichamelijke schade naar aanleiding van het ongeval van 4 april 2006 opgelopen door geïntimeerde te beschrijven en te ramen.

2. Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren, met veroordeling van geïntimeerde in alle kosten.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij besluit tot de aansprakelijkheid van de appellante op grond van artikelen 1382 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 135 § 2 van de Gemeentewet.

Geïntimeerde stelt een incidentele vordering in strekkende tot de veroordeling van appellante tot betaling van een 1.000 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

Geïntimeerde vraagt verder "het te vellen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren niettegenstaande elk verhaal, borgstelling of kantonnement". Deze vordering is voor het hof zonder voorwerp (artikel 1397 van het Gerechtelijk Wetboek).

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Op 4 april 2006 maakte geïntimeerde (geboren op 4 juni 1943), samen met een vriendin, mevrouw A. V., een wandeling in de Brusselstraat te Groot-Bijgaarden.

Omstreeks 14 uur 15' is zij zwaar ten val gekomen en werd zij met de ziekenwagen naar het O.L.V. - Ziekenhuis van Asse gevoerd, waar operatief een heupprothese werd geplaatst.

Geïntimeerde legde klacht neer en verklaarde het volgende:

"Op 4 april 2006 omstreeks 14 uur 15' was ik aan het wandelen, in gezelschap van V. A., te Dilbeek, Brusselstraat, ter hoogte van het kruispunt met de Jozef Mertensstraat. Wij waren op de terugweg naar het voertuig, geparkeerd op de parking tegenover het restaurant "Michel". Wij liepen arm in arm toen ik plotseling struikelde tengevolge van een oneffenheid of verzakking in het voetpad. Deze verzakking was niet aangeduid. Tengevolge deze val werd ik zwaar gekwetst. Ik was elf dagen in het OLV ziekenhuis te Asse. (...) Ik acht de gemeente Dilbeek aansprakelijk voor de niet-signalisatie van de put. Er is geen sprake van kwaad opzet. Bovendien was ik drager van wandelschoenen."

Mevrouw V. bevestigde deze verklaring en vertelde dat zij eveneens gevallen was doch geen verwondingen had opgelopen.

De verbalisanten stelden een (niet afgebakende noch aangeduide) verzakking vast in het voetpad van de Brusselstraat van 6 centimeter diep tussen twee betonplaten over een lengte van 60 centimeter.

III. Bespreking

5. De eerste rechter oordeelde dat de versie van geïntimeerde over de omstandigheden van de val voldoende bewezen was en dat appellante, in haar hoedanigheid van bewaarster van het gebrekkige voetpad, voor het ongeval aansprakelijk was. Een eigen fout in hoofde van het slachtoffer is niet aangetoond zodat de eerste rechter een provisie van een euro aan geïntimeerde toekende en een wetsdokter als deskundige aanstelde met het oog op het bepalen van de lichamelijke schade.

6. Appellante voert aan dat geïntimeerde er niet in slaagt de feiten die zij aanvoert te bewijzen en, meer bepaald, de juiste feitelijke genese van haar val te reconstrueren.

7. De val van mevrouw D. op de openbare weg ter hoogte van de verzakking in het trottoir van de Brusselstraat te Groot-Bijgaarden wordt op zich niet betwist, wel worden de juiste omstandigheden van het schadegeval in twijfel gebracht.

8. Appellante geeft aan dat zij ter plaatse omstreeks 14 uur 15' met A. V., "arm in arm" wandelde toen zij plotseling struikelde tengevolge van de verzakking in het voetpad.

Zij heeft in die zin een verklaring voor de politie afgelegd en zij heeft de feiten op dezelfde wijze beschreven in haar relaas in het O.L.V.-Ziekenhuis te Asse (zie o.m. medisch getuigschrift van dokter Morelle).

A. V. werd op haar beurt door de politie gehoord en zij bekrachtigde de versie van geïntimeerde. Zij benadrukte bovendien dat zij zelf eveneens ten val was gekomen wegens de verzakking van het voetpad. Dit wordt nog bevestigd in de verklaring d.d. 12 december 2006 van de getuige aan ARAG, verzekeringsmaatschappij Rechtsbijstand van geïntimeerde. De omstandigheid dat de getuige een vriendin is van geïntimeerde volstaat niet om deze verklaring te ontkrachten.

Ten slotte heeft de politie Dilbeek de nodige vaststellingen ter plaatse gedaan en de aanwezigheid vastgesteld van een niet afgebakende en / of aangeduide verzakking met een diepte van 6 centimeter en een lengte van 60 centimeter "tussen twee betonplaten met nummers 307 en 316". De aanwezigheid van deze verzakking wordt op zich niet betwist.

Geïntimeerde toont bijgevolg op afdoende wijze aan de hand van deze gegevens aan dat zij ter plaatse ten val is gekomen en dat haar val veroorzaakt werd door de litigieuze verzakking.

9. De beschreven niet afgebakende en / of aangeduide verzakking met een diepte van 6 centimeter en een lengte van 60 centimeter tussen twee betonplaten midden in een voetpad van een winkelstraat maakt een abnormale gesteldheid van het voetpad uit die van die aard is dat zij in bepaalde omstandigheden schade aan derden kan veroorzaken. Er wordt niet aangetoond en zelfs niet beweerd dat het voetpad op zijn ganse oppervlakte oneffenheden zou hebben vertoond noch dat de voetgangers zich om een of andere reden (bij voorbeeld wegens uitvoering van wegeniswerken) dienden te verwachten aan zulke hindernissen.

Appellante ontkent niet dat zij het voetpad onder haar bewaring had. Zij is dan ook aansprakelijk voor het schadegeval op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek.

10. Appellante blijft in gebreke een fout of onvoorzichtigheid in hoofde van het slachtoffer te bewijzen.

Het staat vooreerst niet vast dat geïntimeerde in de concrete omstandigheden van de zaak geen (voldoende) aandacht zou geschonken hebben aan een duidelijk zichtbaar en voorzienbaar gevaar. Zij liep "arm in arm" met haar vriendin op het voetpad, wat op zich geen onvoorzichtigheid uitmaakt. Het hof merkt op dat ook de getuige totaal verrast werd door de aanwezigheid van de grondverzakking en zelf ook ten val kwam, gelukkig zonder verwondingen op te lopen.

Er is geen aanleiding om een deel van de schade ten laste van het slachtoffer te leggen.

11. De niet gemotiveerde incidentele vordering van geïntimeerde tot betaling van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep is ongegrond. Appellante was gerechtigd om het geschil voor de beroepsrechter te brengen en zij heeft duidelijk geen misbruik gemaakt van haar recht noch op foutieve wijze hoger beroep ingesteld, ook al wordt haar rechtsmiddel afgewezen.

12. De eerste rechter heeft de aan geïntimeerde toekomende provisie oordeelkundig begroot en heeft terecht een deskundig onderzoek bevolen.

Het hof verwijst de zaak naar de eerste rechter met toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

3° De gerechtskosten

13. De gerechtskosten worden ten laste gelegd van appellante als in het ongelijk gestelde partij.

De rechtsplegingsvergoeding wordt begroot op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de incidentele vordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel met toepassing van artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in

- hoofde van haarzelf op e 1.506 (186 rolrecht + 10320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/11/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Artikel 1384 BW. Bewaring van de zaak. Gebrek in de zaak. Voetpad: oneffenheden. Winkelstraat.