- Arrest van 20 december 2011

20/12/2011 - 20116KR67

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Appellant dient het bewijs te leveren van het spoedeisend karakter van zijnr vorderingen in kort geding. De rechter in kort geding beoordeelt de urgentie op het ogenblik van zijn uitspraak. Bij het beoordelen van de urgentie plaatst de appelrechter zich op het ogenblik van zijn uitspraak en houdt hij rekening met wat zich sinds de uitspraak in eerste aanleg heeft voorgedaan.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2011/KR/67 - 2011/KR/142

I. A.R. nr. 2011/KR/67

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap LUKOIL BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1800 VILVOORDE, Medialaan 50, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0400.700.961, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Pascal MALLIEN, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Meir 24,

appellante tegen een beschikking uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 10 februari 2011,

vertegenwoordigd door Meester Pascal MALLIEN, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Meir 24,

1ste kamer

TEGEN :

1) De STAD LEUVEN, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de administratieve zetel gevestigd is te 3000 LEUVEN, Professor Van Overstraetenplein 1,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Thomas BEELEN loco Meester Bert BEELEN, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24,

2) De CVBA ERTZBERG, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1040 BRUSSEL, Karel De Grote Laan I, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0403.551.672,

3) De naamloze vennootschap EBERG, (voorheen N.V. MANON '96), waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3000 LEUVEN, Goudsbloemstraat 2, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0462.274.779,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester CAREME loco Meester Peter LUYPAERS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4/ b1,

EN :

II. A.R. nr. 2011/KR/67

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap LUKOIL BELGIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1800 VILVOORDE, Medialaan 50, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0400.700.961, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Pascal MALLIEN, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Meir 24,

appellante tegen een beschikking uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 14 april 2011,

vertegenwoordigd door Meester Pascal MALLIEN, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Meir 24,

TEGEN :

1) De CVBA ERTZBERG, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1040 BRUSSEL, Karel De Grote Laan I, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0403.551.672,

2) De naamloze vennootschap EBERG, (voorheen N.V. MANON '96), waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3000 LEUVEN, Goudsbloemstraat 2, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0462.274.779,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester CAREME loco Meester Peter LUYPAERS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4/ b1 ,

Appellant dient het bewijs te leveren van het spoedeisend karakter van zijnr vorderingen in kort geding. De rechter in kort geding beoordeelt de urgentie op het ogenblik van zijn uitspraak. Bij het beoordelen van de urgentie plaatst de appelrechter zich op het ogenblik van zijn uitspraak en houdt hij rekening met wat zich sinds de uitspraak in eerste aanleg heeft voorgedaan.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

• in de zaak 2011/KR/67

- de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zetelend in kort geding, na tegenspraak uitgesproken op 10 februari 2011, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 17 maart 2011 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellante;

- de syntheseconclusie van eerste geïntimeerde;

- de aanvullende en syntheseconclusie van tweede en derde geïntimeerden.

• in de zaak 2011/KR/142

- de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, zetelend in kort geding, na tegenspraak uitgesproken op 14 april 2011, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- de akte van hoger beroep "met stuiting van opvorderbare dwangsom" bij exploot van 17 mei 2011, op 9 juni 2011 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellante;

- de aanvullende en syntheseconclusie van geïntimeerden.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Partijen zijn in de zaak 2011/KR/142 vrijwillig verschenen.

I. Procedure

1. Appellante stelt in zaak 2011/KR/67 hoger beroep in tegen de bestreden beschikking van 10 februari 2011 waarbij de kortgedingrechter, na samenvoeging, haar oorspronkelijke vordering, ingesteld bij dagvaarding van 13 december 2010, onontvankelijk verklaart (omdat de urgentie niet uitdrukkelijk was aangevoerd in de dagvaarding), haar oorspronkelijke vordering, ingesteld bij dagvaarding van 10 januari 2011, ontvankelijk doch ongegrond verklaart (bij gebrek aan spoedeisendheid) en alle gerechtskosten ten laste legt van appellante.

2. Appellante vordert, met de hervorming van de bestreden beschikking, om haar oorspronkelijke vorderingen ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerden te veroordelen in solidum of de ene bij gebreke aan de andere, overeenkomstig artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, het samenwerkingsakkoord met de stad Leuven en de consorten Ertzberg-Eberg voor te leggen, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad van 26 april 2010 binnen de 48 uur na het tussen te komen bevel van het hof, op straffe van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.

Zij vordert vervolgens vast te stellen dat de thans nog in uitvoering zijnde werken aan de Balk van Beel, met inbegrip van de hiervoor voorziene nutsvoorzieningen, geenszins een openbaar werk betreffen en zij het subjectieve recht van appellante schenden.

Zij vraagt dienvolgens Ertzberg en/of Eberg te veroordelen om het brandstoffenstation van Lukoil Belgium te Leuven, aan de Vaartkom / Stapelhuisstraat, blijvend toegankelijk te laten, rekening houdend met het plan route C, dat in de besluiten in eerste aanleg is neergelegd, voor alle brandstofpompen (en niet enkel pomp nr. 1), zowel in het kader van de in uitvoering zijnde ondergrondse rioleringswerken als de komende bouwwerken voor de "Balk van Beel", zoals vergund door de deputatie van de Provincie Vlaams-Brabant van 10 november 2011, onverminderd de hangende procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, op straffe van een dwangsom van 2.500 euro per dag hindernis, tot en met de uiterste datum van het uitbaten van het brandstoffenstation, voorlopig bepaald op 1 april 2012, eventueel te verlengen tot 2013 of 2015.

Appellante vraagt haar akte te verlenen dat zij zich alle rechten voorbehoudt m.b.t. het aanvechten van de beperkte verlenging van haar milieuvergunning, het niet verlenen van een gepast alternatief, het voorbarig gedesaffecteerd hebben van de Stapelhuisstraat, het verleend hebben van een stedenbouwkundige vergunning aan derde geïntimeerde voor de zogenaamde "Balk van Beel", evenals een samenwerkingsovereenkomst tussen de stad Leuven en Ertzberg die desgevallend in strijd is met de wet Overheidsopdrachten en dienst uitvoeringsbesluiten.

Zij vraagt ten slotte de kosten voor te behouden voor de procedure ten gronde.

3. Geïntimeerden besluiten tot de niet-ontvankelijkheid, ontoelaatbaarheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep en vragen appellante te veroordelen tot alle gerechtskosten.

4. In zaak 2011/KR/142 stelt appellante hoger beroep in tegen de bestreden beschikking van 14 april 2011 waarbij de kortgedingrechter de oorspronkelijke vordering van appellante, ingesteld bij dagvaarding van 25 maart 2011, ontvankelijk doch ongegrond verklaart en het incidenteel derdenverzet van huidige geïntimeerden ontvankelijk en gegrond verklaart, de beschikking van 21 maart 2011 intrekt en alle gerechtskosten ten laste legt van appellante.

5. Appellante vordert beide zaken samen te behandelen en, met de hervorming van de bestreden beschikking, haar oorspronkelijke vorderingen ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerden te veroordelen, overeenkomstig artikel 870 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, het samenwerkingsakkoord met de stad Leuven en de consorten Ertzberg-Eberg voor te leggen, zoals goedgekeurd door de gemeenteraad van 26 april 2010, op straffe van een dwangsom.

Zij vraagt het derdenverzet van huidige geïntimeerden tegen de beschikking van 21 maart 2011 af te wijzen en de beschikking op eenzijdig verzoekschrift te bekrachtigen voor de uit te voeren werken overeenkomstig de verleende stedenbouwkundige vergunning aan geïntimeerden voor de "Balk van Beel", verleend bij de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 10 november 2011.

6. Geïntimeerden besluiten tot de niet-ontvankelijkheid, ontoelaatbaarheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep (of tot de niet-ontvankelijkheid, ontoelaatbaarheid van de uitbreiding / wijziging van vordering van appellante) en vragen appellante te veroordelen tot alle gerechtskosten.

II. Relevante feitelijke gegevens

7. Lukoil baat een brandstoffenstation uit, gelegen te Leuven Vaartkom 34, op de hoek tussen de Vaartkom en de Stapelhuisstraat. Zij beschikt over een exploitatievergunning geldig tot 1 april 2012 .

8. CVBA ERTZBERG is eigenaar van het industrieterrein tussen de Vaartkom en de Dijle, aan de Stapelhuisstraat 15 te Leuven.

9. Ertzberg heeft voor haar eigendom op 10 november 2010 een stedenbouwkundige vergunning verkregen voor het bouwen van de "Balk van Beel". De vergunning werd verleend door de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant, na administratief beroep van Lukoil tegen de vergunning afgegeven door het schepencollege van Leuven.

De vergunning wordt door Lukoil aangevochten voor de Raad van State . Appellante stelt dat het gemeentelijk RUP "GKR L5 Vaartkom Oost" van 28 september 2009, goedgekeurd door de bestendige deputatie bij besluit van 12 november 2009, onwettig zou zijn.

10. Bij arrest nummer 214.262 van 29 juni 2011 heeft de Raad van State het beroep tot nietigverklaring van Lukoil strekkende tot de nietigverklaring van het besluit van 12 november 2009 van de bestendige deputatie houdende goedkeuring van het GRUP "GGR-L5 Vaartkom Oost" van de Stad Leuven en van het besluit van 28 september 2009 van de gemeenteraad van de Stad Leuven houdende definitieve vaststelling van het voormelde GRUP verworpen.

11. NV Eberg, vroeger Manon 96, heeft op 15 oktober 2010 een stedenbouwkundige vergunning verkregen voor de "aanleg van een riolering met aansluiting op een collector ter hoogte van de Vaartkom en (het) Joanna Maria Artoisplein te Leuven" die krachtens een samenwerkingsakkoord tussen Ertzberg en de stad Leuven d.d. 26 april 2010 kosteloos aan de stad zou worden overgedragen . Uit de stukken van geïntimeerde partijen Ertzberg en Eberg blijkt dat de aanvraag het voorwerp uitmaakte van de vereiste bekendmaking via aanplakking in de onmiddellijke omgeving en dat er geen bezwaar of administratief beroep bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant werd ingediend, ook niet door appellante.

De aanleg van deze riolering werd in maart 2011 aangevat.

12. Vanaf maart 2011 werden ook openbare werken aangevat voor de aanleg van nutsleidingen, vreemd aan de rioleringswerken in opdracht van geïntimeerde partijen Ertzberg en Eberg, ditmaal in opdracht van Eandis (volgens de stelling van geïntimeerden), waarbij het tankstation van appellante een tijd ontoegankelijk zou zijn gebleven.

Op 10 maart 2011 heeft gerechtsdeurwaarder Ide te Haacht, op verzoek van Lukoil, een p.v. opgesteld waarbij werd vastgesteld dat "ter hoogte van de Stapelstraat werken (werden) uitgevoerd waardoor geen doorgang voor het autoverkeer naar de Aarschotsesteenweg mogelijk is". Het station Lukoil is wel bereikbaar maar "meerdere draaibewegingen" zijn nodig om de pomp te verlaten.

Op 16 maart 2011 stelde de gerechtsdeurwaarder Ide nog vast dat ingevolge "het graven van een sleuf" het station niet meer toegankelijk was voor personenwagens of vrachtwagens.

Gerechtsdeurwaarder Stroobants liet op verzoek van geïntimeerde partij Eberg op 22 maart 2011 vaststellen dat "in de horizontale zone voor het benzinestation (...) er leidingen te zien zijn van wateraansluiting (VMW), gasaansluiting, dataleidingen allerlei en spanningskabels Eandis. In deze zone zijn geen rioleringen te zien" (met verwijzing naar bijgevoegde foto's 1, 2 en 3) .

Het p.v. van vaststelling d.d. 23 en 24 maart 2011 vermeldt dat de gegraven sleuf gedicht is en bedekt met een verharde laag. Aan de kant van de Stapelhuisstraat kan men het station niet op- of afrijden; het station Lukoil is enkel bereikbaar via de Vaartkom.

13. Lukoil heeft twee procedures voor de eerste rechter ingesteld om zich te verzetten tegen de uitvoering van deze rioleringswerken (eerste zaak 2011/KR/67).

Lukoil reageerde immers met het neerleggen op 18 maart 2011 van een eenzijdig verzoekschrift. De kort gedingrechter te Leuven verklaarde op 21 maart 2001 het verzoek in de volgende mate gegrond: hij legde aan de CVBA Ertzberg verbod op "de werkzaamheden voort te zetten in uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning van 15 oktober 2010 m.b.t. ondergrondse riolering zolang niet in een volwaardige toe- en uitgang van het tankstation (Lukoil) is voorzien, bestaande in de zgn. routes A en C (...) op straffe van een dwangsom van 10.000 euro per dag en voor het eerst daags na de betekening van (de) beschikking".

14. De beschikking op eenzijdig verzoekschrift werd op 21 maart 2011 betekend aan (1) ELGEKA BVBA (2) AMIBO BVBA (3) EANDIS CVBA (4) ERTZBERG (5) EBERG (6) Willemen General Contractor en (7) de Stad Leuven.

Op verzoek van N.V. Erberg stelde gerechtsdeurwaarder Stroobants te Leuven in zijn p.v. van 22 maart 2011 vast (1) dat in de horizontale zone voor het benzinestation geen rioleringswerken plaatsvonden (2) dat het benzinestation "goed toegankelijk" en "vlot bereikbaar" (was) .

15. Bij de bestreden beschikking van 14 april 2011 heeft de eerste rechter de vordering van Lukoil, ingesteld bij dagvaarding van 25 maart 2011 strekkende tot de bekrachtiging van de beschikking van 21 maart 2011 op eenzijdig verzoekschrift ongegrond verklaard en, rechtdoende op het incidenteel verzet van partijen Ertzberg en Eberg, de beschikking van 21 maart 2011 ingetrokken.

16. Op 1 juni 2011 stelde gerechtsdeurwaarder Stroobants opnieuw vast dat langs de linker zowel als de rechterzijde, het tankstation toegankelijk was via een verharde strook. Wie het tankstation oprijdt en vervolgens uitrijdt via de oprit / afrit ter hoogte van de Stapelhuisstraat, doet dat in één beweging en dient geen bijkomende manoeuvre uit te voeren. Hetzelfde wordt nogmaals vastgesteld in een p.v. van 28 september 2011.

III. Bespreking

17. Beide zaken zijn samenhangend zodat het hof beslist ze samen te behandelen en samen te voegen.

18. De hogere beroepen werden tijdig en regelmatig ingesteld en zijn ontvankelijk. Het hof ziet geen reden om de hogere beroepen ambtshalve onontvankelijk te verklaren.

19. De situatie waarover appellante zich beklaagt betreft, in essentie de toegankelijkheid van voertuigen naar het brandstoffenstation dat zij aan de Vaart te Leuven uitbaat.

Appellante dient het bewijs te leveren van het spoedeisend karakter van haar vorderingen in kort geding. De rechter in kort geding beoordeelt de urgentie op het ogenblik van zijn uitspraak. Bij het beoordelen van de urgentie plaatst de appelrechter zich op het ogenblik van zijn uitspraak en houdt hij rekening met wat zich sinds de uitspraak in eerste aanleg heeft voorgedaan.

In de huidige stand van het geding staat het geenszins vast dat het benzinestation onbereikbaar zou zijn noch dat de toegang naar het station (ten minste tot 1 april 2012) ernstig bedreigd zou zijn door bepaalde werkzaamheden in opdracht van eerste en tweede geïntimeerden aan de Balk van Beel.

Appellante verwijst uitvoerig naar de situatie in april 2011 en naar de voorbijgestreefde vaststellingen van gerechtsdeurwaarder Ide maar onthoudt zich rekening te houden met de evolutie van de situatie sinds deze periode. In zijn processen-verbaal van 1 juni en 28 september 2011 heeft gerechtsdeurwaarder Stroobants vastgesteld dat het brandstoffenstation Lukoil probleemloos bereikbaar en toegankelijk was.

In de huidige situatie levert appellante geen bewijs noch van het spoedeisend karakter van de gevorderde maatregel noch van de noodzaak om enig verbod op te leggen om de werkzaamheden uit te voeren conform de aan geïntimeerde partijen Ertzberg en Eberg verleende stedenbouwkundige vergunningen.

Sinds minstens midden mei 2011 is het tankstation zowel via de Vaartkom als via de Stapelhuisstraat bereikbaar en kunnen de voertuigen, inclusief tankwagens en vrachtwagens, het station bereiken en verlaten.

De urgentie kan evenmin blijken uit de hinder die appellante zou kunnen ondergaan wegens uitvoering in de toekomst van andere werkzaamheden aan de Balk van Beel, dit is om een andere oorzaak dan deze van de oorspronkelijke vordering van appellante. Een doorslaggevende invloed van deze werken op de exploitatie van het brandstoffenstation van appellante wordt overigens niet aangetoond.

De gewijzigde vordering om geïntimeerde partijen Ertzberg en Eberg te veroordelen om het station blijvend toegankelijk te laten, die op geen concrete en actuele verstoring van de activiteiten van appellante steunt, is eveneens ongegrond.

Er is ten slotte geen reden voorhanden om, vooral in kort geding, aan appellante enig voorbehoud te verlenen met betrekking tot de uitoefening van haar rechten ten gronde en het instellen van enige procedure of het formuleren van enige betwistingen.

De hogere beroepen zijn ongegrond.

20. De vraag tot overlegging van stukken, in het bijzonder de samenwerkingsovereenkomst tussen de stad Leuven en geïntimeerde partijen Ertzberg en Eberg is ongegrond. Deze stukken zijn niet relevant noch noodzakelijk voor de oplossing van het geschil.

21. De gerechtskosten:

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van appellante als de in het ongelijk gestelde partij.

Partijen begroten hun rechtsplegingsvergoeding op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 2011/KR/67 en 2011/KR/142 samen;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 1.806,48 (139 rolrecht 2011/KR/67 + 347,48 dagvaarding en rolrecht 2011/KR/142 + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

20/12/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Kortgeding. Spoedeisend karakter. Bewijs. Procedure in beroep