- Arrest van 11 februari 2011

11/02/2011 - 2008-AR-3094

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Door te handelen overeenkomstig art 110 & 3 van KB van 8/1/1996 zou op geen enkele wijze de gelijkheid van de inschrijvers zijn doorbroken. In onderhavig geval werden zonder de inschrijvers erin te kennen, en uitgaande van een eigen keuze, de prijzen van de offerte-indien aangepast. Door dit te doen heeft het aanbestedend bestuur een fout gemaakt.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep

te Gent

9ter Kamer

________

terechtzitting

van

11 februari 2011

________

2008/AR/3094 in de zaak van:

1. D...... V................... J...........,

wonende te ...............................,

appellant,

2. ARCHITECTENBURO DE VLOED B.V.B.A,

met maatschappelijke zetel te 9070 DESTELBERGEN, Laarnebaan 106a, ingeschreven met KBO-nummer 435618783,

appellant,

beiden hebbende als raadsman mr. HONORE Rik, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A

tegen:

1. AANNEMINGEN SCHAUBROECK EUGENE N.V.,

met maatschappelijke zetel te 8700 TIELT, B.A. Guilbertlaan 3, ingeschreven met KBO-nummer 0471.897.576,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. COOREMAN Isabelle, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643

2. COLLEGE OLV TEN DOORN V.Z.W.,

met maatschappelijke zetel te 9900 EEKLO, Zuidmoerstraat 125, ingeschreven met KBO-nummer 410415215,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. LAGAE Paul, advocaat te 9000 GENT, Coupure 387

Wijst het hof volgend arrest:

Het hof heeft kennis genomen van het vonnis gewezen op 22 september 2008 door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, vijftiende kamer.

Tegen dit vonnis werd tijdig en geldig hoger beroep ingesteld.

De partijen werden, bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands.

Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.

1.

V.Z.W. COLLEGE O.L.V. - TEN DOORN, gevestigd te Eeklo, heeft op een bepaald ogenblik beslist om een openbare aanbesteding uit te schrijven voor het optrekken van een nieuwbouw-geschiktmakingswerken Basisschool Sint-Jozef, met vestigingsplaats te Eeklo, Abdijstraat 33.

De wijze van gunning betrof een openbare aanbesteding met een prijsbepaling bevattende een Gemengde Opdracht

( dossier/v.z.w. COLLEGE O.L.V. - TEN DOORN, stuk 1 ).

Er werden verschillende ontwerpers aangesteld door de bouwheer, belast met een volledige opdracht voor ontwerp, studiecoördinatie, controle en toezicht op de werken waarbij in het bijzonder voor het opmaken van het bijzonder bestek en de detailmeetstaat een beroep werd gedaan op b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J....... D........V............ bij wie ook alle plannen en documenten ter inzage lagen ( dossier/v.z.w. COLLEGE O.L.V.- TEN DOORN, stukken 1 en 2 ).

De overeenkomst die b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J........ D........ V............ had afgesloten met v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN vermeldde met betrekking tot de inhoud van de opdracht :

" Architectuur & coördinatie

- Omgevingsaanleg

- Meubilering " (dossier/b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED, stuk 1 ).

Een van de inschrijvers betrof n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene die tot inschrijving was overgegaan voor een totaalbedrag van 1.216.069, 36 EUR ( dossier/v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN,

stuk 3 ).

Op 19 oktober 2005 werden door J........ D........... V....... en b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED de vier ingediende offertes nagezien, onderzocht en regelmatig bevonden maar waar n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene aanvankelijk de laagste offerte had ingediend, kreeg zij toch de opdracht niet gegund kreeg omdat na aanpassing van de cijfers door b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J........ D....V.........., zij in tweede rangorde werd gerangschikt ( dossier/v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN, stuk 4 ).

Meer bepaald werd er een tegenstrijdigheid vastgesteld tussen de plannen en het bestek in die zin dat wat de post "cellenglasisolatie voor dakvlak" betrof, de plannen een dikte van 10 cm vooropstelden terwijl in het bestek een dikte van 14 cm werd vermeld.

Voor b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D...V.............. was dit de aanleiding om op grond van een beweerde "leemte" bij alle inschrijvers een aanpassing door te voeren van de eenheidsprijs voor deze specifieke post.

Hierop heeft de aanbesteder, v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN, alle betrokken ingeschreven aannemers laten weten dat zij de opdracht had toegewezen aan n.v. ALGEMENE ONDERNEMINGEN HIMPE omdat die volgens het proces-verbaal van nazicht, haar overhandigd door de architecten, de laagste bieder was ( dossier/v.z.w. COLLEGE O.L.V. - TEN DOORN, stuk 5 ).

Hierop liet de raadsman van n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene weten niet akkoord te gaan met deze gunning omdat volgens hem ten onrechte het inschrijvingsbedrag van zijn cliënte werd verhoogd door de vermeerdering van haar eenheidsprijs opgegeven voor de post glasisolatie ( dossier/v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN, stuk 8 ).

Volgens n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene had zij ab initio een prijs gegeven voor een isolatiedikte van 14 cm en was het dan ook volkomen verkeerd van de architecten om toch haar opgegeven eenheidsprijs aan te passen.

N.V. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene blijft dan ook bij haar stelling dat de opdracht op foutieve gronden werd gegund en zij uiteindelijk als laagste bieder de opdracht had moeten kunnen toegewezen krijgen.

Het opdrachtgevend en aanbestedend bestuur, v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN, blijft daarentegen voorhouden op juiste gronden haar beslissing te hebben genomen waarbij zij zich volledig op haar architecten had verlaten.

2.

Tussen partijen is er de blijvende en primordiale betwisting of bij de toewijzing van de uitgeschreven opdracht al dan niet op een juiste wijze werd toepassing gemaakt van de bepalingen in de Overheidsopdrachtenwet.

Volgens b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D..... V.............is er hieromtrent geen twijfel mogelijk omdat bij toepassing van artikel 24 AAV (K.B. d.d. 26/09/1996) de plannen voorrang hebben op het bestek en waarin de plannen een isolatiedikte van 10 cm voorzagen; zij mocht en kon er van uitgaan dat n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene inderdaad van dit uitgangspunt was vertrokken bij het opgeven van haar eenheidsprijs.

Volgens hen werd er " een leemte " vastgesteld die zij konden en mochten verbeteren op grond van de artikelen 96 en 98 van het K.B. d.d. 8 januari 1996.

Zij stellen tenslotte geen enkele fout te hebben begaan omdat zij slechts een adviserende functie hadden en geen beslissings-bevoegdheid wat het prerogatief was van de aanbestedende instelling, in casu v.z.w. COLLEGE O.L.V.- TEN DOORN.

2.1.

Voor de beoordeling van onderhavig geschil, en in het bijzonder omdat partijen de respectievelijke wetgeving in besluiten door elkaar aanhalen en toepassen, komt het nuttig voor de op het ogenblik van het geschil van toepassing zijnde wetgeving en reglementering te vermelden :

1) Wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten : deze bevat de algemene regels inzake de GUNNING en de UITVOERING van overheidsopdrachten en sommige privéopdrachten en werd ondertussen gewijzigd door de wet van 15 juni 2006;

2) het K.B. van 8 januari 1996 betreffende de overheids-opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken : deze bevat de verdere regels inzake de GUNNING van de overheidsopdrachten in de klassieke sectoren;

het K.B. van 26 september 1996 tot bepaling van de algemene UITVOERINGSREGELS van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken en de bijlage Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken;

3) Het K.B. van 8 januari 1996 betreft dus eerder de GUNNING terwijl het K.B. van 26 september 1996 en de AAV eerder op de UITVOERING betrekking hebben.

Naast de algemene uitvoeringsregels wordt, overeenkomstig artikel 2 van het K.B. van 26 september 1996, de uitvoering van elke specifieke overheidsopdracht van werken ook nader bepaald door het bestek of lastenboek dat de bijzondere contractuele bepalingen en voorwaarden bevat die op de bepaalde overheidsopdracht toepasselijk zijn alsmede door alle andere documenten waarnaar het bestek zou verwijzen.

Een van de basisbeginselen van de overheidsopdrachten is dat ze gegund worden op forfaitaire grondslag en dus in principe ook uitgevoerd tegen een forfaitaire prijs.

2.2.

Uit het opgemaakt bestek blijkt dat de rechtsverhouding tussen partijen, althans wat de prijsbepaling betreft, dient te worden bekeken vanuit het oogpunt van een gemengde opdracht.

Dit betreft een overheidsopdracht die zowel forfaitaire posten als posten tegen prijslijst bevat.

De draagwijdte van dit forfait wordt nader verduidelijkt in artikel 24 AAV dat voorziet dat ingeval de werken tegen globale prijs worden gegund, de inschrijver wordt verondersteld de som van zijn offerte volgens eigen bewerkingen, berekeningen en ramingen te hebben vastgesteld. Na de opening van de offertes is hij niet meer gerechtigd zich op fouten of leemten te beroepen die in de door de aanbestedende overheid aan de inschrijvers ter beschikking gestelde opmetingsstaat voorkomen.

Verder bepaalt artikel 24 §1 AAV dat, in geval van tegenstrijdigheid tussen de verschillende documenten, de volgende rangorde van interpretatie geldt : eerst de plannen, dan het bestek en tenslotte de opmetingsstaat. Vertonen de plannen tegenstrijdigheden, dan kan de aannemer zich op de voor hem meest gunstige hypothese beroepen, tenzij de opmetingsstaat daaromtrent nadere aanwijzingen bevat.

De voormelde regels van artikel 24 § 1 AAV zijn ingevolge artikel 24 § 3 AAV ook van toepassing op de forfaitaire posten van de gemengde opdrachten.

Tegenover het principe van het forfait en het op de aannemer rustende risico van de prijsbepaling en werkelijke omvang der werken staat een omstandige informatieplicht van de aanbestedende overheid die de inschrijvers voorafgaand aan de gunning juist én volledig dient te informeren.

Het komt dus de aanbestedende instelling toe om de inschrijvende aannemers volledige en juiste bestekken, plannen en opmetingsstaten ter beschikking te stellen. Doet ze dit niet, dan kan ze het principe van het forfait niet tegen de aannemer inroepen en het risico van de werkelijke omvang der werken niet bij de aannemer leggen.

Voornoemde principes van artikel 24 AAV indachtig, komt het het hof voor dat dit artikel specifiek op de UITVOERING betrekking heeft en niet op de GUNNING terwijl in onderhavig geval de problematiek zich voordeed op het vlak van de GUNNING.

2.3.

Terzake dient dus vooral het K.B. van 8 januari 1996 in ogenschouw te worden genomen.

Hoofdstuk I van Titel VI (DE OFFERTES EN DE GUNNING BIJ AANBESTEDING EN OFFERTEAANVRAAG) van het K.B. d.d. 8 januari 1996 heeft het over het opmaken van de offerte met het oog op het bekomen van een gunning.

Zo bepaalt artikel 89 van voornoemd K.B. d.d. 8 januari 1996 :

" De inschrijver maakt zijn offerte op en vult de samenvattende opmetingstaat of de inventaris in op het eventueel bij het bestek behorende formulier. Indien hij deze op andere documenten maakt dan op het voorziene formulier moet de inschrijver op ieder van deze documenten verklaren dat het document conform het bij het bestek behorende model is..."

Dit houdt dus in dat het BESTEK hoe dan ook bepalend en richtinggevend is voor de aannemer die inschrijft op een openbare aanbesteding, in het bijzonder dan voor wat het opmaken van zijn offerte betreft. De PLANNEN komen hier alszodanig niet ter sprake en betreffen, zoals hiervoor reeds aangehaald, eerder de UITVOERING.

B.V.B.A. ARCHITECTENBURO DE VLOED verwijst verder naar artikel 96 en 98 van het K.B. d.d. 8 januari 1996 die luiden als volgt :

"art. 96 §2. De inschrijver vult de leemten in de samenvattende opmetingsstaat aan en verbetert de vergissingen die hij in de forfaitaire hoeveelheden ontdekt, rekening houdend met de tekeningen, het bestek, zijn beroepskennis of persoonlijke bevindingen; hij voegt bij zijn offerte een nota ter verantwoording van de wijzigingen...."

"art. 98. Indien de inschrijver in het bestek of in de aanvullende documenten van de opdracht zodanige vergissingen of leemten vaststelt dat het hem onmogelijk is een prijs te berekenen, of dat de vergelijking van de offertes niet meer opgaat, geeft hij daarvan onverwijld, althans ten minste tien dagen voor de dag van de opening van de offertes, schriftelijk kennis aan de aanbestedende overheid, behoudens zo de inkorting van de termijn voor het indienen van de offertes niet toelaat deze voorwaarde na te leven..."

Beide bepalingen zijn terzake niet van toepassing.

Vooreerst is er geen sprake van enige leemte of vergissing, het betreft immers een tegenstrijdigheid in een opgegeven dikte tussen het bestek enerzijds en het plan anderzijds.

Verder vloeit uit artikel 96 niet voort dat de aannemer als het ware de VERPLICHTING zou hebben die "leemten" of "gebreken" vast te stellen en het vervolgens, zoals J......... D........... V............... en b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED voorhouden, als het ware een FOUT van de aannemer zou zijn indien hij dit niet zou "ontdekken".

Met betrekking tot artikel 98 van het K.B. d.d. 8 januari 1996 blijkt uit niets dat het voor de aannemer zou onmogelijk zijn geweest om een prijs te berekenen en het gaat hier opnieuw over "vergissingen" of "leemten", niet over "tegenstrijdigheden".

Artikel 111 van het K.B. d.d. 8 januari 1996 heeft het over het verbeteren van rekenfouten en kennelijke materiële fouten in de offertes zelf terwijl het in onderhavige zaak niet gaat over een fout in de offerte maar wel over een tegenstrijdigheid in de documenten die door de aanbestedende overheid werden ter beschikking gesteld.

Noch artikel 111 noch artikel 112 van het K.B. d.d. 8 januari 1996 zijn van toepassing.

2.4.

Het hof is de overtuiging toegedaan dat, zonder de gelijkheid van de inschrijvers te doorbreken, handelend niet alleen naar de letter maar ook naar de geest van de wetgeving inzake overheids-opdrachten, het aanbestedend bestuur, de regels van een goed en zorgvuldig bestuur indachtig, op de hiernavolgende wijze had moeten handelen.

Hoewel in het K.B. d.d. 8 januari 1996 geen specifieke regeling werd voorzien voor het geval dat men, na de indiening van de offertes, een tegenstrijdigheid ontdekt in de aan de inschrijvers ter beschikking gestelde documenten, bestek en plan in het bijzonder, zou men naar analogie toepassing kunnen maken van artikel 110 §3 van het K.B. d.d. 8 januari 1996 dat luidt als volgt :

" Vooraleer de aanbestedende overheid evenwel een offerte afwijst, wegens haar blijkbaar abnormaal hoge of abnormaal lage eenheidsprijzen of totale prijzen, verzoekt zij de betrokken

inschrijver per aangetekende brief hierover de nodige (schriftelijke) verantwoordingen te verstrekken binnen een termijn van twaalf kalenderdagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn (bepaalt). "

Ook hier wordt er opnieuw in contact getreden met de verschillende inschrijvers, zij het op een gelijke wijze, zonder dat er vrees bestaat voor het doorbreken van de gelijkheid.

Niets had het aanbestedend bestuur belet, kennis nemend van de tegenstrijdigheid tussen het bestek en het plan op het vlak van de dikte van de isolatie, om aan alle inschrijvers een brief te sturen waarin zij bijvoorbeeld uitdrukkelijk de vraag stelde of de betrokken inschrijver, gezien deze tegenstrijdigheid ( en dus geen "leemte" of "vergissing" ) zich voor het aangeven van zijn eenheidsprijs steunde op het bestek of het plan.

Door aldus te handelen zou zij op geen enkele wijze de gelijkheid van de inschrijvers hebben doorbroken. Zij zou enkel door het stellen van die vraag méér uitleg hebben gekregen over de aangegeven eenheidsprijs zonder dat de inschrijvers alsdan nog de mogelijkheid hadden die te wijzigen.

Het foutief en onzorgvuldig optreden zit hem hierin dat, zonder de inschrijvers daarin te kennen, en uitgaande van een eigen keuze, men de prijzen van de offerte-indieners had aangepast daar waar hun inschrijving en prijsopgave voor deze post (twee aan twee) toch reeds kon doen vermoeden dat er een verschillend uitgangspunt was gehanteerd door de betrokken aannemers.

Door dit te doen heeft het aanbestedend bestuur wel degelijk een fout begaan, is zij onzorgvuldig opgetreden en werden de rechten van n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene miskend.

Het door de eerste rechter bevolen deskundig onderzoek om na te gaan op welke premisse de aannemer zich had gesteund voor zijn prijsvorming was dan ook niet relevant nu de fout van de aanbestedende instelling reeds was bewezen, enerzijds door de tegenstrijdigheid in de door haar ter beschikking gestelde documenten en anderzijds door haar daaropvolgend foutief aanpakken van deze fout.

Ook de verdere opdracht die de deskundige in voornoemd tussenvonnis meekreeg, was niet relevant en behoorde eigenlijk tot de taak van de eerste rechter zelf.

Het hoger beroep is dan ook gegrond in die zin dat het eerste vonnis dient te worden vernietigd waar een deskundig onderzoek werd bevolen.

3.

Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep is het hof ertoe gehouden de vorderingen van partijen verder ten gronde te ontmoeten en te beoordelen.

Ondergeschikt, voor zover het hof de eerste beslissing zou vernietigen, hebben partijen hun oorspronkelijke vorderingen trouwens hernomen.

3.1.

N.V. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene vordert een schadeloosstelling van 127.370,00 EUR, dit overeenkomstig artikel 15 van de wet van 24 december 1993 inzake overheids-opdrachten dat voorziet :

"Indien de bevoegde overheid beslist de opdracht toe te wijzen dient deze bij openbare of beperkte aanbesteding toegewezen te worden aan de inschrijver die de laagste regelmatige offerte indiende, op straffe van een forfaitaire schadeloosstelling vastgesteld op 10 pct van het bedrag zonder belasting op de toegevoegde waarde van deze offerte.

Voor het bepalen van de laagste regelmatige offerte, houdt de bevoegde overheid rekening met de aangeboden prijzen en met de andere berekenbare gegevens die met zekerheid haar uitgaven zullen verhogen."

Deze forfaitaire schadevergoeding van 10 % kan voor de gewone rechter worden geëist door de onrechtmatig geweerde aanne-mer, zonder dat deze voorafgaandelijk de vernietiging van de afscheidbare akte voor de Raad van State heeft bekomen.

Uit het verslag van nazicht d.d. 19 oktober 2005 blijkt alvast dat voor de cijferkundige aanpassing van de berekening door b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J....... D.......... V..............., n.v. AAN-NEMINGEN SCHAUBROECK Eugene de laagste ingeschrevene was :

- W. MICHIELS n.v. : 1.257.694,04 EUR;

- SERCK A & P n.v. : 1.330.065,17 EUR;

- SCHAUBROECK Eugene n.v. : 1.216.069,36 EUR;

- ALG.OND. HIMPE n.v. : 1.217.193,66 EUR;

Het hof stelt ook vast dat bijvoorbeeld ALGEMENE ONDERNEMINGEN HIMPE n.v. aan wie de opdracht uiteindelijk ook werd gegund uitdrukkelijk had gewezen op het feit dat zij in een cellenglasisolatie van 100 mm had voorzien in plaats van 140 mm, en dit omwille van de door haar vastgestelde tegenstrijdigheid.

De toepassing van het gelijkheidsbeginsel tussen de inschrijvers zou er juist alsdan toe genoopt hebben deze tegenstrijdigheid vooralsnog aan alle kandidaat-inschrijvers mede te delen en, zoals hiervoor reeds aangegeven, hen te vragen te verduidelijken op welke basis zij hun berekeningen hadden gemaakt.

Uit hetgeen hiervoor werd gesteld, blijkt dus dat de gelijkheid der inschrijvers werd doorbroken door de onzorgvuldige handelwijze van v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN en n.v. AANNE-MINGEN SCHAUBROECK Eugene ten onrechte niet als laagste inschrijver werd aanvaard.

Op haar die de laagste regelmatige inschrijver heeft geweerd, rust dan ook de verplichting een forfaitaire schadevergoeding van 10 % te betalen.

Deze verplichting spruit niet voort uit een contract doch wel uit voormelde wettelijke bepaling die op zich een bijzondere toepassing is van de quasi-delictuele aansprakelijkheid, vastgesteld door de artikelen 1382 en 1383 B.W.

Deze schadeloosstelling, berekend op de oorspronkelijk ingediende offerte, kan alsdan begroot worden op 121.606,93 EUR, na terechte aanpassing en verrekening door n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugeen begroot op 127.370,00 EUR, bedrag dat cijfermatig niet wordt betwist.

N.V. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene vordert evenwel ook de kapitalisatie van haar intresten, vordering die zij voor het eerst instelde bij beroepsbesluiten neergelegd ter griffie op 22 september 2009.

Deze conclusie kan derhalve worden aanzien als een gerechtelijke aanmaning in de zin van artikel 1154 B.W.

Waar het hof hiervoor stelde dat de verplichting tot het betalen van een forfaitaire schadevergoeding geen contractuele basis heeft maar eigenlijk haar oorsprong vindt in de artikelen 1382-1383 B.W. kan artikel 1154 B.W. geen toepassing vinden.

Op verbintenissen ontstaan uit een misdrijf of een oneigenlijk misdrijf is artikel 1154 B.W. immers niet van toepassing ( Cass. 27 oktober 1988, Arr.Cass. 1988-89, nr. 118, 238, R.W. 1989-90, 163 ).

Waar n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene aanvankelijk vergoedende intresten vorderde, kan hierop worden ingegaan, met ingang van 21 december 2005, zoals gevorderd.

4.

Uit de voorgelegde stukken blijkt ook dat b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D.... V....... belast waren én met het opmaken van het bestek én met het opmaken van plannen en meetstaat zodat de vraag of zij al dan niet een volledige opdracht hadden eigenlijk irrelevant is.

Het staat immers vast dat zij een specifieke opdracht hadden gekregen voor het opmaken van voornoemde documenten en het is nu juist in die documenten dat er zich een tegenstrijdigheid voordeed.

De schade geleden door n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene vloeit dan ook eigenlijk voort uit de contractuele wanprestatie van b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J....... D.... V............

Dit betreft alsdan de passieve coëxistentie tussen contractuele en extracontractuele aansprakelijkheid.

Dat b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J.... D.... V......... een fout begingen in de uitvoering van de hun toever-trouwde opdracht kan immers bezwaarlijk worden ontkend.

Uit de feitelijke gegevens, inzonderheid uit de redactie van het lastenboek en het aanbestedingsverslag, blijkt voldoende dat b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D... V..............., v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN bijstonden in de analyse van de verschillende offertes en de toewijzing van de aanbesteding.

Het zijn zij die het lastenboek en de plannen redigeerden en het-weliswaar foutief-rekenkundig en technisch nazicht deden van de verschillende offertes, dit in toepassing van de reglementaire bepalingen van toepassing op de litigieuze aanbesteding.

B.V.B.A. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J.... D..... V........ formuleerden dan ook het advies om het werk toe te wijzen aan een andere aannemer, n.v. ALGEMENE ONDERNEMINGEN HIMPE.

V.Z.W. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN, duidelijk een leek op het vlak van aannemingen en de toepassing van de wet op de overheidsopdrachten, kon en mocht vertrouwen op de kunde van een professioneel architectenbureau voor het correct verloop van de aanbestedingsprocedure.

Zij hadden zich ook voorafgaandelijk aangediend als specialisten op het vlak van het uitvoeren van werken in het kader van de Wet Overheidsopdrachten.

Indien men, zoals b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D.... V........ pogen te doen, de rol van de architect herleidt tot een zuivere adviesbevoegdheid, komt dit eigenlijk neer op het in vraag stellen van het nut van zijn tussenkomst, meer bepaald op het, toch fundamentele niveau van vergelijkend onderzoek van de inschrijvingen en daaraan voorafgaand het opstellen van bestekken en het opmaken van plans waarvan de onzorgvuldige toepassing hebben geleid tot een volkomen ten onrechte toewijzing aan n.v. ALGEMENE ONDERNEMINGEN HIMPE.

De fouten begaan door b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D..... V.............., enerzijds door reeds voorafgaan-delijk tegenstrijdige documenten op te stellen en anderzijds door deze nadien op een niet behoorlijke wijze, met miskenning van de gelijkheid der inschrijvers, recht te zetten, zijn duidelijke tekortkomingen aan hun contractuele verplichtingen.

De vordering in vrijwaring van v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN gericht tegen b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D.... V......... is dan ook gegrond wat maakt dat laatstgenoemden eerstgenoemde dient te vrijwaren voor elke veroordeling lastens haar uitgesproken, zowel in hoofdsom als in intresten en kosten.

5.

Het hoger beroep van b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D.... V.......... is weliswaar gegrond waar de hervorming werd beoogd van het tussenvonnis strekkende tot aanstelling van een gerechtsdeskundige maar, zoals hiervoor uiteengezet, dienen zij ten gronde v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN te vrijwaren.

In die omstandigheden komt het passend voor v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN te verwijzen in de kosten van het geding waarbij wat de hoofdvordering betreft, b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J..... D..... V........ haar in solidum dienen te vrijwaren.

B.V.B.A. ARCHITECTENBURO DE VLOED en J....... D..... V............ zijn ingevolge de gegrondheid van de lastens hen ingestelde vrijwaringsvordering, eveneens ertoe gehouden de kosten hieruit voortvloeiende te dragen.

Alle betrokken partijen vragen de basisrechtsplegingsvergoeding, terecht begroot op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

6.

Alle anders luidende conclusies worden verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Met inachtneming van art. 24 van de Wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond waar bij tussenvonnis van 22 september 2008 een deskundig onderzoek werd bevolen;

Doet dit bestreden vonnis teniet, en opnieuw rechtdoende :

Verklaart de oorspronkelijke vordering van n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene ontvankelijk en gegrond : dienvolgens veroordeelt v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN in betaling aan n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene de som van 127.370,00 EUR, méér de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf datum ingebrekestelling d.d. 21 december 2005, vanaf datum dagvaarding gerechtelijke vergoedende intresten genoemd tot heden en vanaf heden tot dag van betaling, méér de gerechtelijke intresten, eveneens aan de wettelijke intrestvoet;

Verklaart de vordering in vrijwaring van v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN tegen J...... D.... V........ en b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED ontvankelijk en gegrond : dienvolgens veroordeelt J.... D... V....... en b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED in solidum tot vrijwaring van v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN voor de bovenvermelde uitgesproken veroordeling, en dit zowel in hoofdsom, intresten als de hiernavermelde kosten;

Verwijst v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN in de kosten het geding, aan de zijde van n.v. AANNEMINGEN SCHAUBROECK Eugene op heden nuttig te bepalen op 259,78 EUR kost dagvaarding, 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en 8.929,59 EUR kosten deskundig onderzoek;

Verwijst J..... D..... V........... en b.v.b.a. ARCHITECTENBURO DE VLOED in solidum in de kosten van v.z.w. COLLEGE O.L.V.-TEN DOORN, op heden aan haar zijde nuttig te bepalen op 248,41 EUR kost dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring, 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 11 februari 2011

Aanwezig:

Peter Marcoen, raadsheer wn. voorzitter

Carine Sonneville, griffier

Vrije woorden

  • Gunning van overheidsopdrachten