- Arrest van 17 februari 2011

17/02/2011 - 2008-AR-2183

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Aan de ex-echtgenote moet, zowel wanneer er een langstlevende echtgenote als wanneer er geen is, ambtshalve een overlevingspenioen worden toegekend. De Belgische Staat is vergoedende rente verschuldigd vermits zij een fout heeft begaan door een wet uit te vaardigen die de Administratie van Pensioenen heeft belet ambtshalve aan de ex-echtgenote een overlevingspensioen toe te kennen.


Arrest - Integrale tekst

HOF VAN BEROEP

TE GENT

***

1e kamer

***

terechtzitting

van

17 februari 2011

2008/AR/2183

in de zaak van:

M............ E................., gepensioneerd,

wonende te ..............................

appellante,

hebbende als raadsman mr. DE SUTTER Tom, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128

tegen:

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de federale regering, ten verzoeke van de minister van leefmilieu en de minister van pensioenen,

met burelen te 1070 BRUSSEL, Ernest Blerotstraat 1, 9e verdieping,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. PEERAER Marleen, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 977

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 27 augustus 2008 heeft E........ M............hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 11 juni 2008 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, eerste kamer.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

E...........M............. trad op 12 april 1966 in het huwelijk met A............... H................, tewerkgesteld als beroepsmilitair.

Op 18 mei 1981 werd het echtscheidingsvonnis van 7 april 1981 overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Gent.

Op 22 mei 1981 is A.......... H.................. een tweede keer gehuwd, ditmaal met R........V....... C......................

Op 17 april 2003 is A........... H............overleden.

E........ M........... houdt voor dat zij pas in december 2004 kennis kreeg van dit overlijden, waarna zij een aanvraag indiende tot het bekomen van een overlevingspensioen.

De Administratie der Pensioenen heeft haar aanvraag geweigerd omdat zij nagelaten had deze aanvraag in te dienen binnen het jaar na het overlijden van haar gewezen echtgenoot. Deze voorwaarde was vervat in art. 6 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregeling.

E....... M..........is van oordeel dat deze voorwaarde ongrondwettig is omdat:

- de vervaltermijn van één jaar enkel van toepassing is wanneer er naast de ex-echtgenote ook een langstlevende echtgenote is;

- de administratie ambtshalve een overlevingspensioendossier opent wanneer de overledene zelf een rustpensioen genoot dat door de administratie werd beheerd en indien dit dossier hetzij een langstlevende echtgenoot betreft, hetzij een uit de echt gescheiden echtgenote de enige rechthebbende is.

Op verzoek van E.........M........... werden bij tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 12 december 2005 aan het toenmalige Arbitragehof drie prejudiciële vragen gesteld in verband met art. 6 en 21 § 1 en § 2 van de wet van 15 mei 1984 houdende de maatregelen tot harmonisering van de pensioenregelingen.

Bij arrest van 24 mei 2006, nummer 89/2006 heeft het Arbitragehof gezegd voor recht:

"De artikelen 6, tweede lid, en 21, § 1, tweede lid, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij tot gevolg hebben dat de uit de echt gescheiden echtgenoten die samen met een langstlevende echtgenoot rechthebbende zijn op een overlevingspensioen, hun recht op dat pensioen verliezen indien zij niet binnen het jaar na het overlijden van de gewezen echtgenoot een pensioenaanvraag hebben ingediend.".

In gevolge dit arrest heeft de Pensioendienst voor de overheidssector met ingang van 1 januari 2005 een overlevingspensioen toegekend aan Erna Martin. Vanaf juli 2006 werd dit overlevingspensioen uitbetaald.

Op 11 augustus 2006 heeft de Centrale Dienst der Vaste Uitgaven Maandelijkse Pensioenbetaling de achterstallige pensioenbedragen uitbetaald voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2006. Er werden echter geen intresten op de achterstallige pensioenbedragen uitbetaald.

E.........M............. is van oordeel dat zij op basis van voormeld arrest van het Arbitragehof op dezelfde wijze moet worden behandeld als de langstlevende echtgenote en maakt bijkomend aanspraak op een overlevingspensioen voor de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 december 2004.

De eerste rechter heeft geoordeeld dat het Arbitragehof het verschil in behandeling tussen de langstlevende echtgenoot enerzijds en de uit de echt gescheiden echtgenoot anderzijds enkel onverantwoord heeft geacht in zoverre de uit de echt gescheiden echtgenoot het recht op een overlevingspensioen verliest indien de aanvraag niet tijdig werd ingediend.

De verschillende aanvraagprocedures blijven onverkort van toepassing, zodat de uitzondering voorzien in art. 21 § 1, eerste lid van de wet van 15 mei 1984, waarbij de langstlevende echtgenoot recht heeft op een overlevingspensioen zonder dat een aanvraag werd ingediend, niet naar analogie kan worden toegepast op de uit de echt gescheiden echtgenote.

Dit onderdeel van de vordering van E........ M................ werd ongegrond verklaard.

E......... M............. vorderde tevens de toekenning van vergoedende rente voor de periode van 1 mei 2003 tot 5 oktober 2005. Zij steunt zich hiervoor op de fout die de Belgische Staat zou hebben begaan door haar geen overlevingspensioen toe te kennen.

De eerste rechter heeft hierover gezegd dat de Belgische Staat geen fout heeft begaan. Het kan haar niet verweten worden pas tot betaling te zijn overgegaan van het overlevingspensioen eens nadat het arrest van het Arbitragehof van 24 mei 2006 is tussengekomen. De Belgische Staat mocht ervan uitgaan dat de wet van 15 mei 1984 grondwettig was. Er kan van een normaal zorgvuldige overheid niet verwacht worden dat zij alvorens een wet toe te passen, controleert of deze wet al dan niet strijdig is met art. 10 en 11 van de Grondwet.

Dit onderdeel van de vordering werd eveneens als ongegrond afgewezen.

Over de door E........ M............... gevorderde gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf 5 oktober 2005 tot en met 10 augustus 2006 bestond geen betwisting.

E..... M...... kan zich met het bestreden vonnis niet verzoenen en is van oordeel dat uit de overwegingen in het arrest van het Arbitragehof van 24 mei 2006 blijkt dat ook het verschil in behandeling, met name door de toekenning van het overlevingspensioen aan een ex-echtgenote afhankelijk te stellen van een aanvraag en het ambtshalve openen van een overlevingsdossier voor een langstlevende echtgenoot, een schending van art. 10 en 11 van de Grondwet uitmaakt.

Zij vraagt dat voor zover het hof het niet eens zou zijn met deze lezing van het arrest de volgende, nieuwe vraag zou worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

"Schenden de artikelen 6 en 21 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen het gelijkheidsbeginsel doordat voor de langstlevende echtgenote altijd ambtshalve een overlevingspensioendossier wordt geopend door de Administratie der Pensioenen en de Administratie der Pensioenen niet overgaat tot het ambtshalve openen van een overlevingspensioendossier voor de uit de echt gescheiden echtgenoot wanneer deze in samenloop komt met een langstlevende echtgenote en aldus zonder redelijke verantwoording de ingangsdatum van het overlevingspensioen niet dezelfde is voor de langstlevende echtgenoot en de uit de echt gescheiden echtgenoot? "

Wat de afwijzing van de vergoedende rente betreft, houdt zij voor dat de Belgische Staat wel degelijk een fout heeft begaan. De fout bestaat in de creatie van ongrondwettige wetgeving die op haar beurt leidt tot beslissingen die aangetast zijn door dezelfde ongrondwettigheid en fout.

De Belgische Staat vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Zij is het oneens met de door de appellante aan het arrest van het Arbitragehof gegeven interpretatie en stelt dat er voor het hof geen wettelijke verplichting bestaat om een nieuwe vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen vermits deze vraag hem (het Arbitragehof) reeds eerder werd voorgelegd.

Met betrekking tot de beweerde fout stelt zij dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de fout begaan door de wetgever en de beslissingen van de Pensioendienst voor de overheidssector. De fout van de wetgever kan niet zomaar in haar schoenen worden geschoven.

beoordeling

a. vordering tot toekenning van een overlevingspensioen voor de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 december 2004

Bepalend voor het antwoord op de vraag of E..... M......rechtsgeldig aanspraak maakt op de toekenning van een overlevingspensioen voor de periode van 1 mei 2003 tot en met 31 december 2004 is de draagwijdte van het arrest van het toenmalig Arbitragehof van 24 mei 2006.

De Belgische Staat beperkt de lezing van het arrest tot het beschikkend gedeelte, terwijl ook het overwegend gedeelte deel uitmaakt van de beslissing van het Arbitragehof en hiermee rekening dient te worden gehouden bij de bepaling van wat precies werd beslist.

Het Arbitragehof heeft vastgesteld dat:

- de twee categorieën van ex-echtgenoten, zij die samen met de nieuwe echtgenoot van de overledene recht hebben op een overlevingspensioen en zij die de enige potentiële rechthebbenden zijn, vergelijkbare categorieën zijn (B.3);

- de toekenning van een overlevingspensioen in de regel (zijnde niet de uitzonderingsgevallen bedoeld in art. 21 § 1) afhankelijk is van het indienen van een aanvraag (B.1.2, zie art. 21 § 2 van de wet van 15 mei 1984);

- het tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever behoort om de toekenning van een overlevingspensioen aan de ene ex-echtgenoot afhankelijk te stellen van het (tijdig) indienen van een aanvraag en aan de andere niet, op voorwaarde evenwel dat er een redelijke verantwoording bestaat voor dit verschil in behandeling (B.6).

Uit het arrest blijkt dat de Ministerraad het verschil in behandeling om de volgende redenen verantwoord acht:

"Wanneer het overlevingspensioen eventueel moet worden verdeeld tussen de langstlevende echtgenoot en de uit de echt gescheiden echtgenoot, heeft de wetgever zich volgens de Ministerraad zoveel mogelijk neutraal willen opstellen. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de uit de echt gescheiden echtgenoot misschien niet de bedoeling had zijn recht op een overlevingspensioen te laten gelden, zou het ambtshalve openen van een dossier (zo goed als) automatisch neerkomen op een vermindering van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot. De wetgever heeft dergelijk automatisme willen vermijden en daarom de vrije keuze gelaten aan de uit de echt gescheiden echtgenoot om te oordelen of hij al dan niet zijn aanspraak op een aandeel in het overlevingspensioen wenst te laten gelden.".

Het Arbitragehof heeft, na eerst geoordeeld te hebben dat vermits de wetgever zowel aan de langstlevende als aan de ex-echtgenoot een overlevingspensioen wordt toegekend niet kan worden ingezien waarom het de ene moeilijker wordt gemaakt dan de andere (B.7.1), over de motivering daartoe gezegd:

"B.7.3. Indien de wetgever het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot wilde vrijwaren, is het ingevoerde verschil in behandeling een weinig geschikte maatregel om die doelstelling te bereiken. Het hangt dan immers, in elk individueel geval, van de uit de echt gescheiden echtgenoot af, meer bepaald van het feit dat hij al dan niet tijdig een aanvraag heeft ingediend, of de door de wetgever nagestreefde doelstelling wordt bereikt. Bovendien heeft de wetgever in dat verband reeds in een specifieke maatregel voorzien door te bepalen dat het aan de langstlevende toegekende gedeelte nooit lager mag zijn dan de helft van het totale pensioen (artikel 8).".

Het verschil in behandeling wordt door het Arbitragehof niet redelijk verantwoord geacht en gesteld dat, voor zover de Administratie van Pensioenen in staat is op basis van de in het rijksregister van de natuurlijke personen beschikbare gegevens vast te stellen wie potentiële rechthebbende is op het overlevingspensioen:

- hetzij dat recht moet toekennen;

- hetzij, wanneer er voor gekozen wordt de toekenning op algemene (beklemtoning door dit hof) wijze afhankelijk te stellen van het indienen van een aanvraag, de potentiële rechthebbenden aan hun aanspraak moet herinneren. In dit laatste geval zou, om rechtsonzekerheid te vermijden, een termijn van één jaar om het recht op een overlevingspensioen aan te vragen niet kennelijk onredelijk kunnen worden geacht (B.7.4).

Vermits het bekomen van een overlevingspensioen aan langstlevende en ex-echtgenoten niet op algemene wijze afhankelijk wordt gesteld van het indienen van een aanvraag (zij vallen onder het uitzonderingsregime van art. 21 §1 van de wet van 15 mei 1984), kan deze vereiste ook niet gesteld worden ten aanzien van de ex-echtgenoot die in samenloop komt met een langstlevende echtgenoot. Het is niet aangetoond en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de Administratie van Pensioenen op basis van de gegevens van het rijksregister van de natuurlijke personen niet had kunnen achterhalen dat E..... M......, als ex-echtgenote, in samenloop met een langstlevende echtgenote, potentieel gerechtigd was.

Zij had dan ook het overlevingspensioen ambtshalve en dus met ingang van de maand volgend op het overlijden van A............. H....... moeten toekennen.

Nu de toekenning ten onrechte afhankelijk werd gesteld van het indienen van een aanvraag, wordt ten onrechte verwezen naar art. 3 van de wet van 15 mei 1984 waarin gesteld wordt dat wanneer de aanvraag niet binnen het jaar na het overlijden wordt ingediend, het overlevingspensioen pas ingaat op de eerste van de maand volgend op die tijdens dewelke de aanvraag werd ingediend.

De eerste rechter kan dan ook niet worden bijgetreden waar hij de vordering van E...... M....... tot toekenning van een overlevingspensioen voor de periode van 1 mei 2003 tot 31 december 2004 ongegrond verklaart.

b. vergoedende rente

E......M...... vordert de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen van vergoedende rente met ingang van 1 mei 2003.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de Administratie der Pensioenen geen fout heeft begaan. Zij heeft de wet, zoals die op dat ogenblik van toepassing was, correct nageleefd. Het komt een normaal en zorgvuldige overheid niet toe de grondwettigheid van de wettelijke bepalingen te toetsen alvorens deze toe te passen.

Eens de ongrondwettigheid werd vastgesteld, is de Administratie der Pensioenen overgegaan tot de uitbetaling van het overlevingspensioen en het achterstallig overlevingspensioen, weze het met ingang van 1 januari 2005.

E...... M...... stelt echter dat niet de Administratie der Pensioenen een fout heeft begaan, maar wel de Belgische Staat, als wetgever. Zij heeft door de creatie van een wetgeving die in strijd is met het gelijkheidsbeginsel een fout begaan. Deze fout heeft er niet enkel toe geleid dat de Administratie der Pensioenen een onwettige beslissing heeft genomen, maar ook dat E..... M...... geen overlevingspensioen heeft ontvangen vanaf het ogenblik dat zij daarop gerechtigd was.

Het is op grond van deze fout dat zij de toekenning van vergoedende rente vordert ten laste van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van pensioenen.

Het arrest van 24 mei 2006 van het Arbitragehof houdt een aanwijzing in van het feit dat de wetgever een fout kan hebben begaan in het kader van haar wetgevend werk.

De wetgever heeft ervoor geopteerd ook aan de ex-echtgenote van een ambtenaar die in samenloop komt met een langstlevende echtgenote, een deel van het overlevingspensioen toe te kennen. Zij moet de consequentie van deze keuze aanvaarden en kan niet via het achterpoortje van de niet-tijdige aanvraag door de ex-echtgenote, een overlevingspensioen aan deze ex-echtgenote ontzeggen om zo toch, om beweerde billijkheidsredenen, de langstlevende echtgenote te bevoordelen. Wanneer zij in staat is om de gegevens van de ex-echtgenote te achterhalen dan dient zij, zowel in het geval er een langstlevende echtgenote, als wanneer dit niet het geval is, het overlevingspensioen ambtshalve toe te kennen.

Van een normaal zorgvuldig en omzichtig wetgever mag verwacht worden dat geen wet wordt aanvaard die het wettelijk recht op een overlevingspensioen van de ex-echtgenote die in samenloop komt met de langstlevende echtgenote in het gedrang brengt louter en alleen omwille van het feit dat geen (tijdige) aanvraag werd ingediend en deze vereiste, in vergelijking met de ex-echtgenote die niet in concurrentie komt met een langstlevende echtgenote, niet objectief te verantwoorden valt. Door dit toch te doen heeft zij een fout begaan in de zin van art. 1382 BW.

De beginselen van scheiding van de machten en van onafhankelijkheid van de wetgevende macht en de parlementsleden houden niet in dat de Staat in het algemeen zou ontheven zijn van de verplichting de schade te vergoeden die door de fout van het Parlement aan E......M.... werd veroorzaakt (zie en vgl. Cass., 1 juni 2006, RW, 2006-2007, 213 met concl. Proc.-Gen. M. De Swaef en noot A. Van Oevelen).

Mocht de wetgever geen fout hebben begaan, dan zou de Administratie der Pensioenen haar ambtshalve, met ingang van 1 mei 2003, een overlevingspensioen hebben toegekend. Het door haar geleden nadeel bestaat uit enerzijds de muntontwaarding tussen het ogenblik waarop betaald had moeten worden en het ogenblik waarop betaald werd en anderzijds het verlies aan rente in dezelfde periode. Deze schade wordt vergoed door de toekenning van vergoedende rente, die niet, zoals gevorderd, kan worden toegekend op het volledige bedrag vanaf 1 mei 2003, maar wel maand per maand, naarmate het overlevingspensioen betaald had moeten zijn.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat bijkomend:

- voor recht gezegd wordt dat E...... M..... recht heeft op een overlevingspensioen als uit de echt gescheiden echtgenote van A...... H......... met ingang van 1 mei 2003;

- de Belgische Staat veroordeeld wordt tot het betalen van vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet op het gevorderde, door haar maandelijks verschuldigd overlevingspensioen, telkens vanaf de maand waarop dit pensioen betaald had moeten zijn tot op het ogenblik van de dagvaarding en vanaf dan de gerechtelijke rente tot de datum van effectieve betaling.

Verwijst de Belgische Staat in de kosten van de beroepsinstantie, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hare laste blijven, en die aan de zijde van E...... M........ worden op euro 186,00 rolrecht beroep en euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

D. FLOREN, kamervoorzitter,

B. WYLLEMAN, raadsheer,

L. TAVERNIER, raadsheer,

en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ZEVENTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ELF,

bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier.

Vrije woorden

  • Overlevingspensioen van ex

  • echtgenote van een militair, wanneer er ook een langstlevende echtgenote is.