- Arrest van 28 februari 2011

28/02/2011 - 2007-AR-0666

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Blijft de vereffenaar in gebreke een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid in te stellen, dan heeft een schuldeiser hoedanigheid en belang om bij wijze van zijdelingse vordering (art. 1166 BW) een aansprekelijkheidsvordering in te stellen tegen de afgevaardigd bestuurder van de vennootschap.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep

te Gent

7de Kamer

_______________

Terechtzitting

van

28 februari 2011

________________

2007/AR/666 - In de zaak van:

L......... F........., wonende te .............................

appellant,

hebbende als raadsman mr. MEWISSEN Erik, advocaat te 8000 BRUGGE, Riddersstraat 24,

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd ts te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, en die voor de rechtspleging woonplaats kiest op het kantoor van de dienstchef van de Juridische Cel van de Administratie van de Invordering te Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verklarende op te treden op grond van art. 1166 B.W. namens en voor de nv VALREAL, met zetel te 8000 Brugge, Sint-Annaplein 3, KBO nr. 0452.997.027,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DE SCHEPPER Luc, advocaat te 8000 BRUGGE, Karel de Stoutelaan 148, (referte: DB 04/13)

velt het hof het volgend arrest:

Procedure in hoger beroep

1.

Appellant heeft op 8 maart 2007 tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen het door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, op 14 november 2006 op tegenspraak gewezen vonnis in de zaak AR A/04/01080, 2de kamer.

Een exploot van betekening wordt niet voorgelegd.

Partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en het hof heeft kennis genomen van hun stukken en besluiten.

Feiten en procedure in eerste aanleg

2.

Voor wat de vorderingen en de standpunten van partijen betreft, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen daaromtrent op de bladzijden 1 en 2 van het bestreden vonnis werd vermeld.

Het hof verwijst partijen naar deze uiteenzetting die voor de behandeling van dit hoger beroep geen verdere aanvulling behoeft.

Samenvattend vermeldt het hof dat geïntimeerde met haar oorspronkelijke zijdelingse vordering beoogde dat appellant zou worden veroordeeld om aan de NV VALREAL een bedrag te betalen van 263.575,12 EUR, meer de gerechtelijke intresten en de gedingkosten.

Het bestreden vonnis verklaarde deze vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde appellant om aan de NV VALREAL te betalen de som van 263.575,12 EUR, meer de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op de hoofdsom van 210.550,61 EUR vanaf de dagvaarding tot de algehele betaling, en meer de gedingkosten.

Grieven/voorwerp van het hoger beroep

3.

Voor een uitvoerige uiteenzetting van de door partijen in hoger beroep ontwikkelde middelen en argumentatie verwijst het hof naar de beroepsakte en de voor partijen neergelegde besluiten.

3.1.

Kort samengevat argumenteert appellant dat :

- de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde onontvankelijk voorkomt nu de NV VALREAL bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge van 5 oktober 2000 gerechtelijk werd ontbonden en een vereffenaar werd aangesteld zodat het enkel aan laatstgenoemde toekomt om een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid lastens appellant in te stellen,

- de dwangbevelen die niet werden betekend aan de vereffenaar noch aan het Parket, maar alleen aan appellant als bestuurder, nietig voorkomen,

- de dwangbevelen inzake de kohierartikelen 482 en 725 aldus in fisco verjaard zijn omdat de verjaring daaromtrent niet rechtsgeldig werd gestuit,

- hem geen bestuurdersaansprakelijkheid treft.

Appellant vordert dan ook het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond, met de veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen.

3.2.

Geïntimeerde houdt daarentegen voor dat haar zijdelingse vordering wel degelijk ontvankelijk en gegrond voorkomt.

Zij vordert dan ook de afwijzing van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van appellant tot betaling van de gedingkosten.

Beoordeling

4.

Appellant kan worden bijgetreden in zijn argumentatie dat nà de gerechtelijke ontbinding en in vereffeningstelling van de NV VALREAL het aan de vereffenaar toekomt om, zelfs zonder machtiging van de algemeen vergadering, de actio mandati ten aanzien van de bestuurders van de vennootschap in te stellen.

Appellant kan evenwel niet worden gevolgd dat staande de vereffening, de schuldeiser zich niet in de plaats kan stellen van de vereffenaar en in feite lijdzaam moet toezien of de vereffenaar al dan niet initiatieven neemt om de bestuurders in gebreke te stellen en de actio mandati daadwerkelijk in te stellen.

Hoogstens, aldus nog appellant, zou de schuldeiser zich gebeurlijk tegen de vereffenaar kunnen richten mocht gemeend worden dat deze in zijn mandaatsverplichtingen tekort schiet.

Hij verliest daarbij artikel 1166 B.W. - de zijdelingse vordering - uit het oog.

Luidens artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek, kunnen de schuldeisers immers alle rechten en vorderingen van hun schuldenaar uitoefenen, met uitzondering van die welke uitsluitend aan de persoon verbonden zijn, wat hier manifest niet het geval is.

Blijft de vereffenaar in gebreke een vordering in bestuurdersaansprakelijkheid in te stellen, dan kan een schuldeiser bij wijze van zijdelingse vordering (artikel 1166 B.W.) ageren tegen de schuldenaar van de vennootschap, hier de appellant als afgevaardigd bestuurder van de vennootschap.

Terzake overwoog de eerste rechter dan ook zeer terecht dat geïntimeerde op ontvankelijke wijze een zijdelingse vordering ten aanzien van appellant kon instellen :

" Waar [geïntimeerde] in de dagvaarding stelt schuldeiser te zijn van de NV VALREAL en bij wijze van zijdelingse vordering een aansprakelijkheidsvordering richt tegen de afgevaardigd bestuurder van de vennootschap, bij het in gebreke blijven van de vereffenaar, heeft hij hoedanigheid en belang (zie ook Cass, 26 februari 2004, R.W. 2006-2007,133)."

Het hof treedt de eerste rechter dan ook bij waar de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk werd verklaard en er tevens werd op gewezen dat de gebeurlijke verjaring van de fiscale vordering tegen de vennootschap, de grond van de zaak raakt.

5.

Eveneens terecht oordeelde de eerste rechter dat voor elk van de vijf artikelen geïntimeerde tijdig en rechtsgeldig een verjaringstuitend dwangbevel liet betekenen.

Appellant kan niet worden bijgetreden in zijn argumentatie waar hij in hoger beroep blijft volhouden dat de dwangbevelen inzake de kohierartikelen 482 en 725 in fisco geen rechtsgeldige stuiting van de verjaring inhouden nu deze niet aan de vereffenaar, en ook niet aan het Parket werden betekend.

Terzake stelt het hof vooreerst vast dat artikel 183 §1 W.Venn. (oud artikel 178 Venn.W.) uitdrukkelijk bepaalt dat een vennootschap na haar ontbinding geacht wordt voort te bestaan voor haar vereffening.

Zij bewaart haar rechtspersoonlijkheid en behoudt de hoedanigheid van een handelsvennootschap zolang de vereffening niet is afgesloten.

Nazicht van de voorliggende stukken toont aan dat het op 12 januari 2005 met betrekking tot de kohierartikelen 482 en 725 uitgebrachte verjaringstuitend dwangbevel bedoeld was om te worden betekend aan de maatschappelijke zetel van de NV VALREAL, maar bij gebrek aan maatschappelijke zetel werd betekend aan appellant in toepassing van artikel 42,5° Ger.W..

Het ontbreken van de vermelding in dit dwangbevel dat de NV VALREAL in vereffening is, en de betekening aan appellant tast de rechtsgeldigheid van dit dwangbevel en van het verjaringstuitend effect ervan niet aan.

Artikel 183 § 1 lid 2 W.Venn. bepaalt overigens uitdrukkelijk dat alle stukken "uitgaande van een ontbonden vennootschap vermelden dat zij in vereffening is."

Terecht ook oordeelde de eerste rechter in dit verband dat appellant niet aantoont dat, gegeven het feit dat niet rechtsgeldig kon worden betekend aan de niet in werking gestelde en bij vonnis aangeduide vereffenaar, de belangen van de NV VALREAL in vereffening werden geschonden ingevolge de betekening van dit dwangbevel aan appellant, eerder dan aan de vereffenaar en/of aan de Procureur.

Anders dan appellant thans in hoger beroep voorhoudt brengt de betekening aan appellant geen absolute nietigheid van het dwangbevel in toepassing van artikel 862,6° Ger.W. met zich.

Waar de door appellant aangehaalde onregelmatigheid met betrekking tot de betekening van het dwangbevel van 12 januari 2005 - volgend uit de omstandigheid dat deze niet aan de vereffenaar en/of aan de Procureur werd gedaan - geen betrekking heeft op de vermelding dat de akte is betekend aan de persoon of op een andere wijze die de wet bepaalt in de zin van artikel 862, §1, 6° Ger.W., kan de daaruit voortvloeiende nietigheid alleen dan worden uitgesproken wanneer de partij die de exceptie opwerpt door het verzuim of de onregelmatigheid haar rechten in het geding redelijkerwijze niet of niet volledig heeft kunnen laten gelden binnen de normale procesgang.

(Cass., 8 september 2008, C.06.497.N, www.cass.be; Cass., 24 juni 1982, Arr.Cass., 1981-1982, 1344; Cass., 14 juni 19854, Arr. Cass., 1984 - 1985, 1425; Cass., 12 mei 1997, Arr.Cass., 1997, 541.)

Terzake kan het hof enkel vaststellen dat appellant, die zich uitsluitend op de absolute nietigheid beroept, op geen enkele wijze enige dergelijke belangenschade noch in zijnen hoofde, noch in hoofde van de NV VALREAL aannemelijk maakt, laat staan bewijst.

De door appellant op basis van een beweerdelijke nietigheid van het dwangbevel voorgehouden verjaring in fiscale zaken kan dan ook niet in aanmerking worden genomen.

6.

Voor de eerste rechter voerde appellant geen betwisting omtrent de hem ten laste gelegde aansprakelijkheid, de schade en het oorzakelijk verband, zodat de eerste rechter de vordering inwilligde.

In hoger beroep betwist appellant wel de hem ten laste gelegde bestuurdersaansprakelijkheid en besluit hij tot de afwijzing van de vordering van geïntimeerde.

Naar het oordeel van het hof lijdt het echter geen twijfel dat appellant geenszins als een normaal voorzichtige bestuurder heeft gehandeld, maar integendeel op een manifest nalatige wijze is opgetreden.

Het niet neerleggen van een jaarrekening voor 1998 en de volgende jaren, het ontbreken van processen-verbaal van vergaderingen van de algemene vergadering en van de raad van bestuur, het niet indienen van aangiftes in de vennootschapsbelasting en het nalaten om bezwaar in te dienen na de ambtshalve aanslag waardoor de aanslagen inclusief boetes en verhogingen definitief verschuldigd werden, tonen op zich reeds naar genoegen van recht aan dat appellant de vennootschap volledig aan haar lot heeft overgelaten en zijn mandaat geenszins als een normaal diligent en voorzichtig optredend gedelegeerd bestuurder heeft waargenomen maar daaraan manifest is tekort gekomen.

Het lijdt naar het hof ook geen twijfel dat door dit nalatig en foutief optreden het vermogen van de vennootschap ernstige schade heeft geleden.

Indien appellant zijn taak als een normaal diligent en voorzichtig bestuurder had opgenomen, dan waren er immers geen administratieve boetes gevestigd wegens het niet indienen van aangiftes in de vennootschapsbelasting en waren er geen ambtshalve aanslagen gevestigd die overigens door een gebrek aan enig verweer definitief verschuldigd werden.

De door geïntimeerde uit naam en in de plaats van de NV VALREAL in vereffening lastens de appellant ingestelde actio mandati, met welke vordering uitsluitend het behoud en/of de aangroei van het patrimonium van haar schuldenaar - de NV VALREAL in vereffening - wordt nagestreefd, komt in de gegeven omstandigheden dan ook gegrond voor.

Het hof bevestigt dan ook, zij het deels op andere gronden, het bestreden vonnis waar dit de zijdelingse vordering van geïntimeerde niet alleen ontvankelijk maar tevens gegrond verklaart.

7.

In toepassing van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger.W. veroordeelt het hof appellant tot betaling van de aan de zijde van geïntimeerde gevallen kosten van het hoger beroep.

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond,

Bevestigt, zij het deels op andere gronden, het bestreden vonnis,

Veroordeelt appellant tot betaling van de kosten van het hoger beroep,

Aan zijn zijde cijfermatig niet verder begroot nu deze te zijnen laste blijven,

Aan de zijde van geïntimeerde begroot op 7.000,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit:

Frank Deschoolmeester, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter,

Geert De la Ruelle, raadsheer,

Geert Sustronck, plaatsvervangend raadsheer,

bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag achtentwintig februari tweeduizend en elf.

Vrije woorden

  • Zijdelingse vordering (art. 1166 BW)