- Arrest van 28 april 2011

28/04/2011 - 2008-AR-2775

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Inhoudelijk werd de dringende reden in de Ziekenhuiswet niet gedefinieerd, maar uit het verslag aan de Koning blijkt dat met dringende reden wordt bedoeld "een zwaarwichtig feit dat elke verdere samenwerking tussen ziekenhuis en ziekenhuisgeneesheer onmiddellijk

en definitief onmogelijk maakt" Het ziekenhuis heeft de verplichting de dringende reden die ze inroept om haar beslissing te motiveren nauwkeurig en precies te motiveren door een exacte opgave van de tekortkoming zodat de betrokken geneesheer bij betwisting de beweerde dringende reden kan neerleggen.


Arrest - Integrale tekst

HOF VAN BEROEP

TE GENT

***

1e kamer

***

terechtzitting

van

28 april 2011

TUSSENARREST

(o.a. samenvoeging

van de zaken

2008/AR/2775

en 2008/AR/2781)

(deels ten gronde -

heropening debatten -

overleggen stukken -

innemen standpunt -

conclusietermijnen -

verdere behandeling

op 19.01.2012, 09u30)

2008/AR/2775

in de zaak van:

M.................. M..........., anesthesist,

wonende te ..........................,

appellant,

hebbende als raadsman mr. DEVLOO Rik, advocaat te 8500 KORTRIJK, Koning Albertstraat 24, bus 1

tegen:

H.-HARTZIEKENHUIS ROESELARE vzw, thans H.-HARTZIEKENHUIS ROESELARE-MENEN vzw,

met maatschappelijke zetel te 8800 ROESELARE, Wilgenstraat 2, ingeschreven met KBO-nummer 0409.779.072,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. D'HALLUIN André, advocaat te 8500 KORTRIJK, Schippersstraat 1/43

en

2008/AR/2781

in de zaak van:

H.-HARTZIEKENHUIS ROESELARE-MENEN vzw,

met maatschappelijke zetel te 8800 ROESELARE, Wilgenstraat 2,

ingeschreven met KBO-nummer 0409.779.072,

appellante,

hebbende als raadsman mr. D'HALLUIN André, voornoemd,

tegen:

M....................... M..........., anesthesist,

wonende te ..............................,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DEVLOO Rik, voornoemd,

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 14 november 2008 heeft M........... M................. in de zaak gekend onder algemene rolnummer 2008/AR/2775 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 2 september 2008 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 14 november 2008 heeft de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen in de zaak gekend onder algemene rolnummer 2008/AR/2781 hoger beroep ingesteld tegen het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 28 februari 2006 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer.

Nu beide hogere beroepen gericht zijn tegen een tussenvonnis en een eindvonnis gewezen in hetzelfde geschil, komt het met het oog op een goede rechtsbedeling passend voor de zaken samen te voegen.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

Op 1 januari 1995 sloot M........ M............. een aannemingsovereenkomst af met de vzw Medisch Instituut Menen met het oog op de "full-time" uitoefening van zijn activiteit als geneesheer-specialist, specialisme anesthesioloog in de dienst anesthesie.

Naar aanleiding van de fusie tussen de vzw Medisch Instituut Menen en het Sint-Joris-Ziekenhuis sloot M.......... M................ op 1 januari 1996 een aannemingscontract af voor ziekenhuisgeneesheer met de vzw Algemeen Ziekenhuis Menen, met het oog op de "full-time" uitoefening van zijn activiteit als ziekenhuisgeneesheer erkend in het specialisme anesthesie-reanimatie in de dienst anesthesie.

Eind december 2000 vonden gesprekken plaats tussen de vzw Algemeen Ziekenhuis Menen en de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare met het oog op een fusie. Eind juni 2001 ontvingen de ziekenhuizen van de Vlaamse Minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen de principiële goedkeuring voor de vorming van de fusie met exploitatie op de vier campussen en dit met ingang van 1 juli 2001.

Hierop bezorgde de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen aan alle geneesheren van de vzw Algemeen Ziekenhuis Menen een ontwerp van individuele overeenkomst. M........ M........... overhandigde dit door hem ondertekend stuk samen met een door hem eveneens ondertekend exemplaar van de Algemene Regeling en het Medisch Reglement aan directeur P.................

Begin september 2001 waren de beide ziekenhuizen effectief gefusioneerd en werd een nieuwe medische raad verkozen.

Naar aanleiding van klachten over de functionering van M....... M.................. besliste de beheerraad, op advies van de medische raad van 18 september 2001, een audit te laten uitvoeren waarin gepeild zou worden naar de werking van de dienst anesthesie, site Menen, en naar de werking van één van de collegae-anesthesisten in het bijzonder.

Op 10 oktober 2001 werd M........ M............. in het kader van de audit gehoord.

Niettegenstaande een stafvergadering was gepland om 31 oktober 2001 met als agendapunt de bespreking van het auditverslag, besliste de raad van beheer reeds op 23 oktober 2001 om aan de medische raad advies te vragen over de afzetting van M........ M........... wegens zwaarwichtige fout.

Op 29 oktober 2001 werd M........ M.............. in kennis gesteld van de beslissing van de raad van beheer en werd hem een kopie van het auditverslag overgemaakt. De medische raad nodigde hem dezelfde dag uit voor een vergadering van 5 november 2001 met als agendapunt "Adviesaanvraag art. 125, 7e van de ziekenhuiswet - voorstel tot afzetting van Dr. M.................". De geplande vergadering werd verschoven naar 12 november 2001, vergadering waarvoor hij eveneens een uitnodiging ontving en waarin hem werd gevraagd zich ter beschikking te houden zodat hij gehoord zou kunnen worden.

M..........M................. werd gehoord en op 14 november 2001 heeft de raad van beheer, gelet op het positief advies van de medische raad, beslist tot de onmiddellijke afzetting van M............ M............ Dit werd hem per aangetekende brief van 15 november 2001 ter kennis gebracht.

De motieven die aan de basis lagen van de onmiddellijke afzetting zijn de volgende:

"

- behandeling van toxicomanie gedurende jaren zonder inschakeling van patiënten in een multidisciplinair team of zonder ze door te verwijzen naar een gespecialiseerd centrum met zorgverstrekkers, competent inzake de medische, psychologische en sociale problemen ...

- anesthesie bij liposuctie door een niet toegelaten en een niet gekwalificeerd geneesheer in het ziekenhuis, op een verdoken manier en met een bewust foutieve registratie met kwaliteitsrisico's

- gemis aan equipe-werking, nauwgezetheid en aandacht voor "evidence based mediscine" of kwaliteitsregels in onderlinge afspraak".

Er werd nog het volgende aan toegevoegd:

"Daarnaast nam de Raad van Bestuur kennis van nieuwe, zwaarwichtige feiten die op zich een zwaarwichtige fout uitmaken die op zichzelf uw afzetting rechtvaardigen, minstens een verzwarende omstandigheid uitmaken ten aanzien van de hoger aangehaalde grieven.".

M............ M............. is van oordeel dat hij ten onrechte onmiddellijk werd afgezet en vorderde in hoofdorde voor de eerste rechter de veroordeling van de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen tot het betalen van de hoofdsom van euro 1.983.148,20 wegens inkomstenverlies en reputatieschade.

Bij tussenvonnis van 28 februari 2006 heeft de eerste rechter geoordeeld dat:

- op het ogenblik van de afzetting er enkel sprake was van een contractuele band tussen de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen en M......... M..................;

- de procedure tot afzetting correct was verlopen;

- drie van de vier aangehaalde redenen tot onmiddellijke afzetting, deze beslissing niet rechtvaardigen, met name de klachten in verband met de behandeling van toxicomanie, het gebrek aan samenwerking in equipe en de voorgehouden nieuw zwaarwichtige feiten waarvan op het ogenblik van de afzetting niet kon worden uitgemaakt of deze wel voldoende zwaarwichtig waren.

Alvorens verder te oordelen heeft de eerste rechter het debat heropend en onder meer de persoonlijke verschijning van de partijen bevolen, waarbij voor de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen de algemeen directeur, P. W................, is verschenen.

Bij eindvonnis van 2 september 2008 heeft de eerste rechter geoordeeld dat M....... M................... door op een verdoken manier, op een zondag, samen te werken aan een liposuctie uitgevoerd door een huisarts, bijgestaan door zijn echtgenote, die niet aan het ziekenhuis was verbonden en aan wie geen toelating werd verleend tot het uitvoeren van de ingreep, een zwaarwichtige reden is die de onmiddellijke beëindiging van de samenwerking verantwoordt.

De vordering van M........... M............. werd ongegrond verklaard.

De tegenvordering tot het bekomen van een provisionele schadevergoeding van euro 1,00 werd eveneens afgewezen nu het niet bewezen is dat de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen schade heeft geleden door de foutieve handeling van M........ M...................

Wel werd M.........M............... veroordeeld tot afgifte van het volledig origineel patiëntendossier van mevrouw F. D.............. (stukken neergelegd in bundel), onder verbeurte van een dwangsom van euro 50,00 per dag vertraging na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis.

M............. M................ vraagt de bevestiging van het tussenvonnis van 28 februari 2006 maar kan zich met het eindvonnis van 2 september 2008 niet verzoenen. Hij is van oordeel dat hij geen zwaarwichtige fout heeft gemaakt die zijn onmiddellijke afzetting rechtvaardigt en vordert:

- de veroordeling van de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen tot het betalen van een provisionele schadevergoeding van euro 1,00, meer de gerechtelijke rente vanaf 12 december 2001 tot de dag van effectieve betaling, met behoud van het recht de vordering definitief te begroten;

- de aanstelling van een deskundige teneinde het inkomstenverschil te begroten na zijn "ontslag', rekening gehouden met de normale evolutie van zijn bestaand inkomen ten opzichte van zijn situatie na ontslag;

- de zaak aan te houden om het imagoverlies in billijkheid te begroten.

De vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen vraagt om het hoger beroep van M...........M............... af te wijzen als ongegrond.

Zij vraagt dat het tussenvonnis van 28 februari 2006 deels zou worden teniet gedaan en dat gezegd zou worden dat ook:

- het negeren van het advies van de medische raad inzake toxicomaniebehandeling;

- het gemis aan equipe-werking, nauwgezetheid en aandacht voor "evidence based mediscine" of kwaliteitsregels;

- het optreden van 6 november 2001 in verband met een terminale patiënt;

- de klachten van patiënten van de pijnkliniek,

bewezen zouden worden verklaard en gegronde redenen waren om tot de onmiddellijke afzetting van M.............M..................... te beslissen.

In ondergeschikte orde vraagt de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen de aanstelling van een deskundige onderlegd in de plastische chirurgie, meer bepaald liposculptuur, teneinde advies te geven over onder meer de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een dergelijke ingreep op een verantwoorde wijze uit te voeren.

beoordeling

1. afzetting om dringende reden

Overeenkomstig art. 125, 7° van het KB van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen (hierna Ziekenhuiswet genoemd), zoals deze van toepassing was ten tijde van de feiten, dient de beheerder aan de medische raad advies te vragen over de afzetting van ziekenhuisgeneesheren, behalve de afzetting om dringende reden.

Het derde, vierde en vijfde lid van hetzelfde artikel luiden als volgt:

"In geval van afzetting om dringende reden geeft de beheerder de voorzitter van de Medische Raad mededeling van het motief dat werd ingeroepen om de afzetting te rechtvaardigen.

Afzetting om dringende reden mag niet zonder advies van de Medische Raad worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan, sedert ten minste drie werkdagen, bekend is aan de beheerder die er zich op beroept.

Alleen de dringende reden, waarvan kennis is gegeven binnen de drie werkdagen na het ontslag, kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder dat het advies van de Medische Raad werd ingewonnen.".

De afzetting om dringende reden is vergelijkbaar, maar niet gelijk aan, een ontslag om dringende reden uit het arbeidsrecht. Het voormeld art. 125 van de Ziekenhuiswet is geïnspireerd door de bepalingen van art. 35 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten.

Inhoudelijk werd de dringende reden in de Ziekenhuiswet niet gedefinieerd, maar uit het verslag aan de Koning blijkt dat met dringende reden wordt bedoeld "een zwaarwichtig feit dat elke verdere samenwerking tussen ziekenhuis en ziekenhuisgeneesheer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt" (zie en vgl. Verslag aan de Koning, BS, 6 mei 1986, 6488; R. Van Goethem, De afzetting om dringende reden en het verlies van een kans op een negatief verzwaard advies van de medische raad, T. Gez. 2005-2006, 127).

De vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen heeft de verplichting de dringende reden die ze inroept om haar beslissing te motiveren nauwkeurig en precies te motiveren door een exacte opgave van de tekortkoming. M......... M............. moet immers precies weten wat hem verweten wordt, zodat hij in geval van betwisting de beweerde dringende reden kan weerleggen en zijn standpunt voor de rechter kan verdedigen (zie en vlg. R. Van Goethem, o.c., 128).

De verschillende aangehaalde redenen worden hierna onderzocht.

a. gemis aan equipe-werking, nauwgezetheid en aandacht voor "evidence based medicine" of kwaliteitsregels in onderlinge afspraak

Het betreft de derde reden aangehaald in de aangetekende brief van 15 november 2001 waarbij M.......... M........... met onmiddellijke ingang werd afgezet.

Deze reden voldoet niet aan de vereiste van nauwkeurige en precieze omschrijving.

Ze is dermate vaag geformuleerd dat het voor M........ M............ niet uit te maken valt wat hem precies verweten wordt. Evenmin kan het hof op basis van deze omschrijving achterhalen wat daarmee concreet wordt bedoeld. De aangehaalde reden kan, zoals ze omschreven werd, niet beschouwd worden als een zwaarwichtig feit dat elke samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

b. behandeling van toxicomanie gedurende jaren zonder inschakeling van patiënten in een multidisciplinair team of zonder ze door te verwijzen naar een gespecialiseerd centrum met zorgverstrekkers, competent inzake de medische, psychologische en sociale problemen

Wat de behandeling door M............ M.......... van toxicomaniepatiënten betreft, moet worden opgemerkt dat het een praktijk betreft die al jaren aan de gang was en door de beheerders van de opeenvolgende ziekenhuizen gekend was. De behandelingsinzichten van verslaafde patiënten is echter aan evolutie onderhevig, zodat een behandeling die jarenlang werd toegepast op een bepaald ogenblik als niet meer geschikt kan worden bevonden.

Op het moment van de fusie waren volgens de c.v. Dienst Anesthesie-Reanimatie de inzichten dermate gewijzigd dat de behandelingsmethode ingesteld door M........... M............ als achterhaald moet worden beschouwd (er wordt verwezen naar het standpunt van prof. Debros diensthoofd van het Massachussets General Hospital te Boston, waar men het programma is gestopt wegens gebrek aan succes).

Er werd dan ook op 6 september 2001 door deze dienst een brief geschreven aan alle stafleden van de dienst anesthesie (specifiek bedoeld voor M......... M.............) waarin, mede gelet ook op het gebrek aan omkadering in het ziekenhuis voor de behandeling van drugsverslaafden, gesteld wordt dat vanaf dan en met onmiddellijke ingang moet worden gestopt met het programma geforceerde ontwenning van narcotica-verslaafden bij middel van sedatie en naloxone.

Uit het auditverslag blijkt dat binnen de maand na de verzending van deze brief M............ M............ nog een koppel voor behandeling in het ziekenhuis heeft opgenomen. Of de behandeling in strijd was met de inhoud van de brief van 6 september 2001 kan op basis van de stukken niet worden uitgemaakt. Wel blijkt uit het auditverslag dat door één van de ondertekenaars van de brief van 6 september 2001, dr. P. D................., diensthoofd Anesthesie, aan M....... M................. de toelating werd gegeven om de patiënten in behandeling af te werken en niet halfweg hun therapie naar huis te sturen. De verdere behandeling werd klaarblijkelijk ook aangepast vermits M.......... M.......... ten aanzien van de auditcommissie heeft verklaard dat het ging om een Naltrexone therapie in combinatie met een product dat de receptoren van de vrijgekomen narcotica capteert en inactiveert.

Los van de vraag in welke mate de dienst anesthesie de therapeutische vrijheid van M........M........... kon beknotten zoals ze gedaan heeft bij brief van 6 september 2001 stelt het hof vast dat het niet bewezen is dat M.......... M............., gelet op de beperkte toelating die hij had bekomen van dr. D........... om reeds bestaande patiënten verder te behandelen, in strijd met de richtlijnen van het ziekenhuis heeft gehandeld.

Het is met andere woorden niet bewezen dat M......... M........... bij de behandeling van toxicomaniepatiënten op een wijze heeft gehandeld die een zwaarwichtig feit uitmaakt dat een afzetting wegens dringende reden rechtvaardigt.

c. anesthesie bij liposuctie door een niet toegelaten en een niet gekwalificeerd geneesheer in het ziekenhuis, op een verdoken manier en met een bewust foutieve registratie met kwaliteitsrisico's

Met betrekking tot deze reden heeft de eerste rechter geoordeeld dat het een zwaarwichtig feit is op grond waarvan de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen M......... M................... onmiddellijk kon afzetten.

Het hof deelt de visie van de eerste rechter dat M....... M..........op 29 juli 2001 op een volstrekt ontoelaatbare wijze heeft gehandeld. Hij heeft onder meer:

- daags voordien in strijd met de werkelijkheid de operatiezaal gereserveerd voor een epidurale infiltratie, daar waar het een anesthesie in het kader van een liposuctie betrof;

- zijn medewerking verleend aan een ingreep uitgevoerd door een arts die niet verbonden was aan het ziekenhuis en die evenmin een voorafgaande toelating van het ziekenhuis had verkregen;

- gebruik gemaakt van het materiaal en het personeel van het ziekenhuis voor een ingreep uitgevoerd door een niet-toegelaten arts;

- ingestemd met het gebruik van materiaal van buiten het ziekenhuis dat niet volgens de voor een ziekenhuis geldende regels werd gesteriliseerd;

- de normale werking van het ziekenhuis op een zondag in het gedrang gebracht door een ingreep te plannen terwijl er slechts personeel voorzien was voor een zondagsdienst en hijzelf, terwijl hij moest instaan voor de afdeling spoed, ingevolge de vier uur durende ingreep slechts beperkt beschikbaar was.

Op basis van de stukken kan niet precies uitgemaakt worden wanneer de raad van bestuur kennis heeft gekregen van deze feiten. Uit verschillende verklaringen blijkt echter dat dit vrij snel na uitvoering van de ingreep moet zijn gebeurd.

Dr. W.........., algemeen directeur en deel uitmakend van de raad van beheer, heeft tijdens de door de eerste rechter bevolen persoonlijke verschijning van de partijen verklaard dat de feiten mede aan het licht zijn gekomen door de verontwaardigde reactie van dr. D........... toen zij de dag van de ingreep vaststelde wat er gebeurd was.

Tijdens de audit werden verschillende personen gehoord waaronder dr. C.........., voorzitter van de medische raad. Uit zijn verklaring blijkt dat hij ongeveer onmiddellijk na de vaststelling van de feiten door dr. D..........., op de hoogte moet zijn gebracht van wat is gebeurd. Wel voegt hij eraan toe dat zij niks aan de directie van Roeselare durfden te signaleren omdat de fusie nog maar zeer recent was en zij geen slechte indruk wilden maken.

Dr. V..........., anesthesist, verklaarde eveneens via dr. D..............kennis te hebben genomen van het gebeurde. C.... V....d.... B........, directeur nursing, heeft tijdens het verhoor zijn ongenoegen niet onder stoelen of banken gestoken.

Dr. R........., anesthesist, zegt in een verklaring van 4 november 2008 dat hijzelf en dr. C...........t de dag na de uitvoering van de liposuctie op de hoogte werden gebracht van wat zich had voorgedaan.

Gelet op het aantal personen dat op de hoogte was van de feiten en de ernst ervan kan het niet anders dan dat ook de raad van beheer vrij snel na 29 juli 2001 op de hoogte moet zijn geweest van de feiten.

Het is ongeloofwaardig dat de raad van beheer pas na het afsluiten van het auditverslag op 19 oktober 2001 op de hoogte zou zijn geweest van de feiten en deze in de juiste context zou hebben kunnen plaatsen.

Temeer daar de vraag van de raad van beheer van 25 oktober 2010 aan de medische raad om een advies te verlenen over de afzetting van M....... M........... werd ondertekend door dr. W........... in zijn hoedanigheid van algemeen directeur en dr. C............, in zijn hoedanigheid van hoofdgeneesheer, en zij beiden, zoals blijkt uit het auditverslag, deel uitmaakten van het auditcomité.

Dit comité heeft vergaderd op 3 en 10 oktober 2001 en heeft 12 personen gehoord. Uit het verslag en het verhoor van deze personen blijkt dat de feiten van 29 juli 2001 toen niet uit de lucht zijn komen te vallen.

De raad van beheer moet voor de aanvang door het auditcomité van haar activiteiten van de feiten op de hoogte geweest zijn. Alleszins en zonder de minste twijfel wist zij dit op het ogenblik dat het auditcomité haar werkzaamheden startte.

Er was geen auditverslag nodig om de volle omvang en de ernst van de feiten vast te stellen.

De foutieve notering in het reservatieboekje kon onmiddellijk worden vastgesteld; dat een liposuctie op een zondag werd uitgevoerd blijkt uit het operatieboek en het verpleegkundig dossier. M.......... M........... heeft niet ontkend dat de ingreep werd uitgevoerd door een huisarts, dr. D...... M............, waarvan het door de raad van beheer eenvoudig was te stellen dat deze arts niet verbonden was aan het ziekenhuis en evenmin de toelating had bekomen om dergelijke ingrepen in de instelling uit te voeren.

Er kan evenwel aangenomen worden dat meer dan drie werkdagen nodig waren om alle feiten te onderzoeken en tot de beslissing van afzetting over te gaan.

De wetgever heeft erkend dat het niet altijd mogelijk zal zijn om binnen de drie werkdagen tot een dergelijke beslissing te komen vermits de wet bepaalt dat ook na drie werkdagen, na de kennisneming door de beheerder van het ziekenhuis, een afzetting om dringende reden mogelijk is, maar dat dan eerst het advies van de medische raad moet worden ingewonnen.

Dit alles verandert echter niets aan het gegeven dat er maar sprake is van een dringende reden wanneer de reden een zwaarwichtig feit uitmaakt dat elke verdere samenwerking tussen het ziekenhuis en de ziekenhuisgeneesheer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

Dus ook wanneer de beheerder meer dan drie werkdagen na de kennisname van de feiten die naar zijn mening de afzetting wegens dringende reden rechtvaardigen, laat verstrijken en aldus eerst het advies van de medische raad moet worden ingewonnen alvorens tot de effectieve afzetting wegens dringende reden kan worden overgegaan, moet de reden van die aard zijn dat elke samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk is geworden.

Dit betekent dat de beheerder heel snel het advies van de medische raad zal moeten inwinnen en deze laatste, voor zo ver ze de reden dringend acht, heel snel advies zal moeten verlenen. Dit houdt eveneens in dat door de medische raad niet gewacht mag worden om advies te verlenen op de eerst geplande bijeenkomst. Wanneer het advies over een afzetting om dringende reden wordt gevraagd, dient omwille van de urgentie de medische raad onmiddellijk te worden bijeengeroepen.

Zoals reeds hoger gezegd was geen audit nodig om de ware en volle toedracht van de feiten te kennen. Door eerst nog een audit te vragen in plaats van onmiddellijk het advies van de medische raad te vragen over de geplande afzetting en M........... M............. inmiddels te laten verder werken, blijkt dat er geen sprake was van een zwaarwichtig feit waardoor elke samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk is geworden.

Zelfs in de ongeloofwaardige veronderstelling dat pas bij de aanvang van de audit de feiten aan het licht zouden zijn gekomen, dan nog moet worden vastgesteld dat tussen de eerste vergadering van het auditcomité op 3 oktober 2001 en de afzetting op 15 november 2001 meer dan een maand is verlopen gedurende dewelke M...... M.....................ongestoord heeft kunnen verder werken.

Uit het feit dat aan M....... M.....................werd toegelaten veel langer te werken dan de tijd die strikt noodzakelijk was om te kunnen oordelen of er sprake was van een dringende reden, moet worden afgeleid dat er geen onmiddellijke en definitieve onmogelijkheid was om verder samen te werken en de aangehaalde feiten geen dringende reden zijn die de onmiddellijke afzetting verantwoorden.

d. zwaarwichtige fout die in de afzettingsbrief niet nader wordt omschreven

De aangetekende brief waarbij M............ M............. werd afgezet ging uit van de raadsman van de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen.

In deze brief wordt, naast de drie hierboven geciteerde redenen, ook nog vermeld :

"Daarnaast nam de Raad van Bestuur kennis van nieuwe, zwaarwichtige feiten die op zich een zwaarwichtige fout uitmaken die op zichzelf uw afzetting rechtvaardigen, minstens een verzwarende omstandigheid uitmaken ten aanzien van de hoger aangehaalde grieven."

Er wordt verwezen naar een brief van dezelfde dag verstuurd door de Raad van Bestuur.

In de brief uitgaande van de raad van beheer wordt gezegd:

"Aansluitend nam de raad van beheer kennis van een bijkomende melding waarrond heel ernstige vragen moeten gesteld worden.

Het betreft het door u geïsoleerd - zonder overleg met een andere geneesheer of zorgverlener - optreden bij een terminale kankerpatiënt, waarbij door u ampules Diprivan en KCI werden afgehaald op de dienst spoedgevallen op 6 november 2001.

De raad van beheer meent dat andere bevoegde instanties hier moeten oordelen over de noodzaak van verder onderzoek of opvolging.".

De vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen is van oordeel dat de beide brieven één geheel uitmaken en dat de onmiddellijke afzetting ook gesteund is op dit laatste feit.

Uit de inhoud van de brief van de Raad van Bestuur blijkt dit echter niet het geval te zijn vermits zij stelt dat andere bevoegde instanties daarover moeten oordelen.

Bovendien heeft zij advies gevraagd aan de medische raad om tot afzetting over te gaan en heeft zij daarvoor verwezen naar de feiten vermeld in het auditrapport (brief van 25 oktober 2001). In dit verslag dat dateert van oktober 2001 komt deze reden niet aan bod vermits de beweerde feiten zich hebben voorgedaan op 6 november 2001.

Wat op die datum is gebeurd, is wel ter sprake gekomen op de vergadering van de medische raad maar zij verwijst in haar gemotiveerd advies tot afzetting niet naar deze feiten.

De verwijzing in de brieven van 15 november 2001 naar het gebeurde op 6 november 2001 kan dan ook enkel als kennisgeving van andere mogelijke problemen worden beschouwd, maar niet als een reden die geleid heeft tot de onmiddellijke afzetting.

2. schadevergoeding

Vermits er geen dringende reden was om tot de onmiddellijke afzetting van M............ M............... over te gaan, heeft de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen een fout begaan door het contract eenzijdig en met onmiddellijke ingang te verbreken.

In de individuele overeenkomst afgesloten tussen M........... M............. en de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen is geen conventionele sanctieregeling opgenomen ingeval van onrechtmatige eenzijdige beëindiging van de overeenkomst.

Het is niet omdat in de overeenkomst is bepaald dat deze eenzijdig kan worden opgezegd mist naleving van een bepaalde opzegtermijn dat, zoals in het arbeidsovereenkomstenrecht, een schadevergoeding verschuldigd is gelijk aan de vergoeding die tijdens de opzegtermijn betaald zou zijn geworden. In de ziekenhuiswet is geen bepaling opgenomen die vergelijkbaar is met art. 39 van de arbeidsovereenkomstenwet (zie en vgl. R. V..... G..........., De afzetting om dringende reden en het verlies van een kans op een negatief verzwaard advies van de medische raad, T. Gez. 2005-2006, 130), zodat voor de bepaling van de schade toepassing moet worden gemaakt van het gemeen recht en de vergelijking moet worden gemaakt tussen de toestand die zou hebben bestaan zonder dat een fout werd begaan en de toestand die effectief bestaat.

M......... M...........moet de omvang van de schade die hij heeft geleden door de eenzijdige, onrechtmatige verbreking van de overeenkomst bewijzen.

Hij stelt schade te hebben geleden doordat hij vanaf november 2001 tot eind 2002 veel minder inkomsten heeft gehad dan het jaar voordien en dat hij ten gevolge van de onmiddellijke afzetting onvoldoende tijd heeft gehad om een gelijkwaardige betrekking als ziekenhuisgeneesheer te vinden. Daarnaast zou er sprake zijn van reputatieschade.

Hij vordert de toekenning van euro 1,00 provisioneel en de aanstelling van een deskundige met als taak het inkomstenverschil te begroten na zijn ontslag, rekening houdende met de normale evolutie van het bestaand inkomen en de meerinspanningen te bepalen die hij heeft moeten leveren om een nieuwe activiteit op te starten.

M......... M................. laat na de aanslagbiljetten voor te leggen met betrekking tot zijn inkomsten verworven in 2000, 2001, 2002 en 2003. Deze aanslagbiljetten leveren het bewijs van de netto-inkomsten in die jaren en zijn een aanwijzing van het verlies dat M........ M.............. heeft geleden ingevolge de onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst.

Het is pas na voorlegging van deze stukken dat het hof de omvang van de schade zal kunnen bepalen of de eventuele noodzaak tot het aanstellen van een deskundige zal kunnen vaststellen.

Het debat wordt heropend teneinde:

- M.............M..............toe te laten de gevraagde aanslagbiljetten voor te leggen;

- de partijen toe te laten na kennisname van deze stukken standpunt in te nemen over de door M........... M.................geleden schade.

Dat M........ M............... schade heeft geleden door de onmiddellijke opzegging staat echter vast. Zijn vordering tot toekenning van een provisionele vergoeding van euro 1,00 is dan ook gegrond.

3. vordering van de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen

De vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen vorderde in synthesebesluiten het opleggen van een dwangsom van euro 125,00 per dag vertraging voor de niet-afgifte van het medisch patiëntendossier. Van deze, ten aanzien van in eerste aanleg, gewijzigde vordering werd ter zitting afstand gedaan.

Het bestreden vonnis wordt op dit punt dan ook bevestigd.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken;

Verklaart het door M.......... M................ ingesteld hoger beroep toelaatbaar en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Verklaart het door de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen ingesteld hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens wat betreft de door de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen gevorderde afgifte van het medisch dossier, onder verbeurte van een dwangsom.

Verklaart de vordering van M.......... M...................... ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate reeds gegrond.

Veroordeelt de vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen tot het betalen aan M........... M............... van een provisionele schadevergoeding van euro 1,00 voor schade wegens de onrechtmatige, eenzijdige beëindiging van de tussen hen tot stand gekomen overeenkomst.

Heropent het debat teneinde aan M........... M................. toe te laten de aanslagbiljetten voor te leggen met betrekking tot zijn inkomsten verworven in 2000, 2001, 2002 en 2003 en de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de schade geleden door M............ M..............

Bepaalt de conclusietermijnen voor partijen als volgt:

- M......... M................ dient te besluiten tegen uiterlijk 30 juni 2011;

- vzw H.-Hartziekenhuis Roeselare-Menen dient te besluiten tegen uiterlijk 29 september 2011;

- M...........M.................... dient te antwoorden tegen uiterlijk 24 november 2011.

Stelt de zaak voor verdere behandeling op de zitting van donderdag 19 januari 2012 te 09.30 uur (pleitduur: 20 min.)

Houdt de beslissing met betrekking tot de kosten aan.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

D. FLOREN, kamervoorzitter, die onderhavig arrest getekend heeft op 27.04.2011,

B. WYLLEMAN, raadsheer,

L. TAVERNIER, raadsheer,

en, gelet op de wettige verhindering van kamervoorzitter D. Floren voornoemd om zelf het arrest uit te spreken in openbare terechtzitting op heden ACHTENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN ELF, dienvolgens uitgesproken door de wnd. voorzitter van die kamer Bart Wylleman, aangewezen door de eerste voorzitter van dit hof bij beschikking van 21.04.2011 om kamervoorzitter D. Floren op het ogenblik van de uitspraak te vervangen,

bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier.

Vrije woorden

  • Ziekenhuisgeneesheer

  • afzetting om dringende reden