- Arrest van 12 mei 2011

12/05/2011 - 2008-AR-2732

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De burgerlijke partijstelling is een wijze, waarop de burgerlijke rechtsvordering, in de zin van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, wordt ingeleid.

Wanneer het slachtoffer voor de strafrechter zijn vordering voor de verjaring van de strafvordering instelt, houdt de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering op te lopen tot de beëindiging van het geschil


Arrest - Integrale tekst

HOF VAN BEROEP

TE GENT

***

1e kamer

***

terechtzitting

van

12 mei 2011

zaak terug eerste

rechter voor verdere

afhandeling

2008/AR/2732

in de zaak van:

M.......... L.........., geneesheer,

wonende te ..................................,

appellante,

hebbende als raadsman mr. VERMEIREN Rudi, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 187/101

tegen:

1. F................ V...................,

wonende te ............................,

eerste geïntimeerde,

2. F................ G..........., gepensioneerde,

wonende te ............................,

tweede geïntimeerde,

3. I............... D................,

wonende te ....................................,

derde geïntimeerde,

allen hebbende als raadsman mr. VAN VLAENDEREN Frank, advocaat te 9000 GENT, Krijgslaan 47

en de volgende aan wie het hoger beroep werd aangezegd:

1. F................. M..............i,

wonende te ..............................,

2. F.............M................,

wonende te ...........................,

3. M................ J..............,

wonende te ..........................,

4. SOCIALE WERKPLAATS DE SLEUTEL VZW,

met maatschappelijke zetel te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 1,

5. UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid,

met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, De Pintelaan 185,

6. professor dokter C................ F...............,

wonende te ......................., vervolgens te ......................

7. E.................. E............,

wonende te ......................................,

8. V.......................... A...............,

wonende te ............................,

9. D............ E..........,

wonende te ............................, vervolgens te ...................

10. B.................. W.................,

wonende te ......................................,

11. LANDSBOND VAN ONAFHANKELIJKE ZIEKENFONDSEN,

met maatschappelijke zetel te 1150 BRUSSEL, Sint-Huibrechtsstraat 19,

ingeschreven met KBO-nummer 0411.766.483,

12. PROVINCIALAAT DER BROEDERS VAN LIEFDE VZW,

met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Stropstraat 119,

ingeschreven met KBO-nummer 0406.633.304,

de eerste en de tweede beiden hebben als raadsman mr. Van Vlaenderen, voornoemd;

waarvan hebben berust in het bestreden vonnis bij akten neergelegd ter griffie door mr. Van Vlaenderen:

• w.b. de 3e, 4e, 5e, 7e, 8e, 10e en 12e op 10.12.2008;

• w.b. de 6e en de 9e op 23.03.2009;

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 6 november 2008 heeft L............. M................. tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 26 juni 2008, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, tweede kamer.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

bijzonderste gegevens

1. De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen als volgt kort worden samengevat.

V................ F.................. (eerste geïntimeerde), geboren op 29 november 1972, is de dochter van G.............. F............... en D..........I............ (tweede en derde geïntimeerden). M............ en M............ F................r (aangezegde partijen sub 1 en 2) zijn haar zuster en broer. Gemakkelijkheidhalve worden zij hierna aangeduid als de consorten F...........

In 1994 was V.............. F................. in behandeling bij huisarts dr. L............... M.............(appellante) voor een drugsprobleem. Toen zij in de nacht van 16 op 17 september 1994 last had van ontwenningsverschijnselen werd L............ M........ bij de patiënte geroepen. Zij stelde een opname voor in De Sleutel te Merelbeke (aangezegde partij sub 4), waaraan zij als arts verbonden is en waaraan J........... M............. (aangezegde partij sub 3) de directeur is.

Aldaar deed zich in de nacht van 18 op 19 september 1994 een probleem voor. V............. F........... zonk weg in een diepe slaap, waaruit zij niet wakker te krijgen was. Zij werd met de MUG overgebracht naar het Universitair Ziekenhuis te Gent, waar werd vastgesteld dat zij een hartstilstand had gehad en in coma was geraakt. Toen zij na veertien dagen uit deze comateuze toestand ontwaakte, bleek zij ingevolge zuurstoftekort zware hersenletsels te hebben opgelopen, waardoor zij motorisch zware beperkingen heeft en hoofdzakelijk aangewezen is op hulp van derden.

De consorten F.............. hebben zich burgerlijke partij gesteld en in het kader van het strafonderzoek werd door de onderzoeksrechter een college van deskundigen aangesteld.

2. Wegens de dreigende verjaring van de strafvordering zijn de consorten F............. evenwel op 6 en 7 mei 2004 overgegaan tot dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent van:

- L........ M........, aan wie zij een inbreuk op de medische wetgeving verwijten (opdracht tot het doorvoeren van een methadonbehandeling zonder de verplichte schriftelijke voorschriften), alsmede dat zij bij de opname van de patiënte in De Sleutel geen duidelijke instructies heeft gegeven en de patiënte onvoldoende heeft opgevolgd;

- J.............. M.............. en vzw De Sleutel, omdat aldaar personeel zou zijn tewerkgesteld dat niet beschikt over de vereiste kwalificaties, de door dr. M.......... voorgeschreven medicatie (methadonpillen) niet bleek voorhanden te zijn (waarna aan V...........F....... een té grote dosis vloeibare methadon werd gegeven), en niet adequaat werd ingegrepen toen werd vastgesteld dat V............ F............... ademhalingsmoeilijkheden had;

- het U.Z. Gent, F............ C.............., E............. E............... en A...........V................... (aangezegde partijen sub 5 t/m 8), omdat gegevens omtrent het toxicologisch onderzoek ontbraken (hetgeen aanleiding heeft gegeven tot een onaangepaste behandeling), nagelaten werd een bloedspiegelanalyse uit te voeren en foute beslissingen werden genomen bij de behandeling.

Op 8 en 9 september 2004 laten de consorten F............. nog overgaan tot dagvaarding van E.......... D............en W......... B............... (aangezegde partijen sub 9 en 10), beiden als arts verbonden aan de dienst spoedopname van het U.Z. Gent.

Bij arrest van 10 februari 2005 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling in dit hof de strafvordering vervallen verklaard door verjaring.

De Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen (aangezegde partij sub 11), ziekteverzekeraar van de consorten F.............., is bij verzoekschrift neergelegd op 21 juni 2007 vrijwillig in het geding tussengekomen. Zij vraagt de veroordeling van de verwerende partijen tot betaling van de ZIV-tussenkomsten ten belope van één euro ten provisionele titel.

Met schrijven van 26 december 2007 hebben de consorten F...........aan de eerste rechter gevraagd, bij toepassing van artikel 19, lid 2 van het gerechtelijk wetboek:

- een materiële vergissing in de dagvaarding recht te zetten met betrekking tot de vzw Provincialaat van de Broeders van Liefde, die in de dagvaarding verkeerdelijk ‘Sociale Werkplaats De Sleutel' is genoemd;

- een college van (buitenlandse) deskundigen aan te stellen met de opdracht advies uit te brengen omtrent de door de verwerende partijen begane fouten;

- een ander college van deskundigen aan te stellen met de opdracht om advies te geven omtrent de door elk van hen geleden schade;

- hen een provisie toe te kennen van euro 1.000.000,00 (V...........F..............), euro 500.000,00 aan G.............. F............ en euro 50.000,00 aan elk van de drie andere eisers.

3. Bij niet-bestreden vonnis van 6 maart 2008 heeft de eerste rechter overwogen dat:

- op de vraag tot rechtzetting van de vermeende vergissing met betrekking tot de naam van de vzw Provincialaat van de Broeders van Liefde niet kan worden ingegaan, omdat het niet gaat om een materiële vergissing;

- de zaak niet in staat van wijzen was wat de door L........... M............ opgeworpen exceptie van verjaring betreft.

Dienvolgens wordt de vordering tot verbetering van de dagvaarding als ongegrond afgewezen en worden de debatten ambtshalve heropend teneinde partijen toe te laten verder te concluderen.

4. Op 28 april 2008 laten de consorten F.............. een nieuwe dagvaarding betekenen aan de vzw Provincialaat van de Broeders van Liefde en op de zitting van 29 mei 2008 worden de beide zaken door de eerste rechter samengevoegd.

Ook in deze procedure is de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen vrijwillig tussengekomen (verzoekschrift neergelegd op 29 mei 2008). Zij vraagt de veroordeling van vzw Provincialaat van de Broeders van Liefde tot betaling van één euro provisie.

Uiteindelijk vorderen de consorten F............ voor de eerste rechter om bij wijze van voorafgaande maatregelen:

- mochten de verwerende partijen de hen ten laste gelegde fouten betwisten, een college van (buitenlandse) deskundigen aan te stellen met de opdracht advies uit te brengen omtrent de door de verwerende partijen begane fouten;

- een ander college van deskundigen aan te stellen met de opdracht om advies te geven omtrent de door elk van hen geleden schade ten gevolge van de feiten waarvan V............... F............ in september 1994 het slachtoffer was;

- hen een provisie toe te kennen van euro 1.000.000,00 (V............. F............), euro 500.000,00 aan G.......... F.............. en euro 50.000,00 aan elk van de drie andere eisers.

Alle verwerende partijen werpen de onontvankelijkheid op van de tegen hen gerichte vorderingen wegens verjaring.

5. Het (enkel) door L.......... M.................. bestreden vonnis van 26 juni 2008:

- verklaart de vorderingen van de consorten F...............ontvankelijk in zoverre zij steunen op een civielrechtelijke fout, die tevens een misdrijf is;

- wijst de door de consorten F............. tegen vzw Sociale Werkplaats De Sleutel gestelde vordering af als ongegrond;

- stelt een college van drie deskundigen aan (prof. W.......... J................, prof. H........... N............ en dr. M......D.... L.......), met als opdracht V......... F......... te onderzoeken en advies te geven over de eventuele fouten en nalatigheden die zouden zijn begaan tijdens haar behandeling.

Met betrekking tot de exceptie van verjaring overweegt de eerste rechter dat:

- de burgerlijke vordering voortvloeiende uit een misdrijf, overeenkomstig de wet van 18 juni 1998, verjaart na verloop van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet (op 27 juli 1998);

- in casu de verjaring, die normaliter zou zijn bereikt op 28 juli 2003, gestuit werd door de burgerlijke partijstelling van V......... F.........., G....... F.......... en D........ I............. bij de onderzoeksrechter op 4 juli 1997;

- deze stuiting tot gevolg heeft gehad dat een nieuwe termijn is beginnen lopen op datum van de uitspraak van het arrest van de K.I., zodat de door de consorten F............. ingestelde vorderingen niet verjaard zijn.

6. L........M............ is het met deze beslissing niet eens. Met het door haar (enkel ten aanzien van V................ F........, G........ F........... en D........I.............) ingesteld hoger beroep vraagt zij de verjaring vast te stellen van de tegen haar gerichte vorderingen.

In essentie haalt zij daartoe aan dat:

- een akte burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter niet kan worden beschouwd als een akte van burgerlijke procedure en er derhalve geen stuitende werking aan kan worden verleend;

- de eerste rechter bovendien ten onrechte aan de akte burgerlijke partijstelling ook een schorsende werking heeft toegekend;

- de vorderingen van G...........F.......... en D.............. I..........., die een louter buitencontractueel karakter hebben, op de datum van dagvaarding (6 mei 2004) verjaard waren, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, lid 2 van het burgerlijk wetboek;

- ook de door V............ F............tegen haar gestelde vordering een buitencontractuele grondslag heeft, zodat deze vordering eveneens verjaard is.

7. De consorten F............ betwisten het standpunt van L........ M.................. Onder verwijzing naar een arrest van het hof van cassatie van 12 maart 2008 wijzen zij er op dat een burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter de verjaring van de burgerlijke vordering schorst, zolang geen uitspraak is gedaan over de strafvordering. Bovendien menen zij dat de relatie tussen V............ F.......... en L.............. M............... ook van contractuele aard is.

Zij besluiten derhalve tot de afwijzing van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de verwijzing van de zaak naar de eerste rechter.

8. De partijen W.............. B..................., Universiteit Gent, E........E................., A................... V.............., J.............. M...................., vzw Provincialaat Broeders van Liefde (met vestigingseenheid De Sleutel), F............. C............ en E........... D.................. hebben uitdrukkelijk berust in het vonnis a quo.

beoordeling

1. Het thans aan het hof ter beoordeling voorgelegd geschil heeft uitsluitend betrekking op het hoger beroep ingesteld door L.........M.............. tegen het vonnis van 26 juni 2008 ten aanzien van V................... F.............., G............ F.............. en D............I................

2. L............ M.............. blijft volharden in de exceptie van verjaring van de door de consorten F.............. ingestelde vordering, die strekt tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid voor feiten welke dateren van september 1994. Nu de verjaring van de vordering van de consorten F.............. nog niet was bereikt op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998, houdt zij voor dat - rekening houdend met de overgangsbepalingen van deze wet - de verjaringstermijn van vijf jaar bedoeld in artikel 2262bis, § 1, lid 2 van het burgerlijk wetboek, is ingegaan op 28 juli 1998, zodat de verjaring was bereikt op het ogenblik dat op 6 en 7 mei 2004 werd overgegaan tot dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Zij verwijt de eerste rechter niet op deze exceptie te zijn ingegaan, op grond van de overweging dat een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter de verjaring van burgerlijke vordering stuit.

Zoals recent door het hof van cassatie werd geoordeeld (arrest van 12 maart 2008 - P.07.1523.F) is ook dit hof van oordeel dat de burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter een wijze is waarop de burgerlijke rechtsvordering, in de zin van artikel 2244 van het burgerlijk wetboek, wordt ingeleid.

Wanneer het slachtoffer voor de strafrechter zijn vordering vóór de verjaring van de strafvordering instelt, houdt de verjaring van de burgerlijke rechtsvordering op te lopen tot de beëindiging van het geschil.

Ten deze wordt niet betwist dat op het ogenblik dat de consorten F.............. zich op 4 juli 1997 burgerlijke partij hebben gesteld voor de onderzoeksrechter te Gent, de verjaringstermijn van de strafvordering met betrekking tot de feiten die zich in september 1994 hebben voorgedaan, niet was verstreken.

Het geding voor de strafrechter werd beëindigd door het arrest van de K.I. in dit hof van 10 februari 2005 dat de strafvordering vervallen heeft verklaard door verjaring. Vanaf deze datum is een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar beginnen lopen, zodat in principe de verjaring had kunnen bereikt worden op 11 februari 2010.

Dienvolgens was de verjaring geenszins bereikt op de dag dat de consorten F............. hebben gedagvaard voor de burgerlijke rechter (exploten van 6 en 7 mei 2004, 9 september 2004 en 28 april 2008).

De discussie of de vordering van V............ F........... ten aanzien L......... M............ mede een contractuele grondslag heeft, is verder niet relevant. In geen enkel geval is haar vordering tegen L............ M................ verjaard.

3. Of er in hoofde van L........... M........... (of de andere door de consorten F............... in het geding betrokken partijen) al dan niet sprake is van een foutief medisch handelen of enige andere fout of nalatigheid, maakt precies het voorwerp uit van het door de eerste rechter terecht bevolen deskundigenonderzoek.

4. Als in het ongelijk gestelde partij dient appellante in te staan voor de kosten van de beroepsinstantie aan de zijde van de consorten F................... Deze kosten kunnen evenwel niet worden begroot bij gebrek aan opgave.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat het wordt aangevochten.

Verwijst de zaak naar de eerste rechter voor verdere afhandeling.

Verwijst appellante in de kosten van de beroepsinstantie, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij haar ten laste blijven, en aan de zijde van de consorten F................. niet kunnen worden begroot bij gebrek aan opgave.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

D. FLOREN, kamervoorzitter,

B. WYLLEMAN, raadsheer,

L. TAVERNIER, raadsheer,

en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op TWAALF MEI TWEEDUIZEND EN ELF,

bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier.

Vrije woorden

  • Verjaring

  • wijze van instellen van de vordering

  • burgerlijke partijstelling

  • stuiting