- Arrest van 13 mei 2011

13/05/2011 - 2008-AR-0918

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Moratoire interesten zijn verschuldigd op de verbeurde dwangsommen en dit vanaf het bevel tot betaling.

Op de gerechtskosten met inbegrip van de kosten van tenuitvoerlegging zijn moratoire interesten verschuldigd vanaf de ingebrekestelling.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep

te Gent

9e kamer

________

terechtzitting

van

13-05-2011

2008/AR/918

in de zaak van:

GERNIC B.V.B.A.,

met maatschappelijke zetel te 8670 KOKSIJDE, Maurice Bleickstraat 6,

met ondernemingsnummer 0426.026.077,

appellante,

hebbende als raadsman mr. PINTELON Roland, advocaat te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat 7

tegen:

DEUTSCHE HERZSTIFTUNG,

stichting naar Duits recht,

met zetel te D-60322, Frankfurt/Main (Duitsland), Vogtstrasse,

woonstkeuze doende bij haar raadsman hierna vermeld,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. DEBRA Pierre, advocaat te 8630 VEURNE, Oude Beestenmarkt 18

velt het Hof het volgend arrest:

1.

Het hof heeft de partijen bij monde van hun raadslieden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. De regelmatig neergelegde conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien

De appellante heeft bij verzoekschrift, neergelegd op 3 april 2008 ter griffie van het hof alhier, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op tegenspraak werd uitgesproken door de 5e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne op 29 februari 2008 (aldaar gekend onder A/09/1406) tussen de geïntimeerde als oorspronkelijke eiseres enerzijds en haarzelf als oorspronkelijke verweerster anderzijds.

2.

De eerste rechter heeft bondig doch correct en volledig de feitelijke gegevens, de onderscheiden vorderingen, de betwistingen en de middelen van partijen uiteengezet.

In de mate dat zij voor de beslechting ervan alhier van belang en relevant zijn wordt deze uiteenzetting - die door geen der partijen wordt betwist en evenmin op nuttige wijze door hen wordt aangevuld - door het hof tot de zijne gemaakt teneinde herhaling te vermijden.

De aanhoudende betwisting in deze betreft hoofdzakelijk (cf. infra) de vraag of op de door de appellante verschuldigde (en betaalde) dwangsommen moratoire interesten verschuldigd zijn.

Voor een goed begrip van hetgeen volgt wordt alhier toch aangegeven dat:

- wijlen mevrouw K...... M........ bij definitief arrest van de 19e kamer van het hof alhier d.d. 21 februari 2002 de veroordeling bekwam lastens de appellante om een aantal werkzaamheden door deze laatste te doen uitvoeren aan haar garage gelegen in het garagecomplex Coxxy 2000 te Koksijde en dit vanaf de 62e dag na de betekening van het arrest onder verbeurte van een dwangsom van 125,00 euro per dag vertraging;

- dit arrest werd betekend op 12 maart 2002 en in opeenvolgende vaststellingen van gerechtsdeurwaarder Van Nieuwenhuyse Paul d.d. 14 2002, d.d. 12 juni 2002, 19 juni 2002, 27 juni 2002, 12 juli 2002 en 15 juli 2002 werd bestatigd dat de appellante de werken niet had uitgevoerd zodat zij een dwangsom verschuldigd was van 14 mei 2002 tot en met 15 juli 2002, zijnde 63 dagen x 125,00 euro;

- bij exploot d.d. 19 juli 2002 van gerechtsdeurwaarder Van Nieuwenhuyse Paul aan de appellante bevel werd gegeven om tot betaling van de dwangsom tot 15 juli 2002, meer de kosten over te gaan en op 16 augustus 2002 hiervoor uitvoerend beslag op roerend goed werd gelegd en dit ter inning van de dwangsom en de kosten ten belope van 10.041,91 euro in totaal (cf. infra wat de samenstelling van dit bedrag betreft);

- de appellante tegen dit uitvoerend beslag d.d. 2 september 2002 verzet heeft aangetekend waarbij:

• hangende deze procedure wijlen K...... M........ overleed en het geding werd hervat namens de geïntimeerde, zijnde haar rechtsopvolgster (algemene legataris);

• uiteindelijk bij definitief arrest van de 14e kamer van het hof alhier d.d. 13 februari 2007 het verzet van de geïntimeerde tegen de uitvoering voor de dwangsommen werd afgewezen als ongegrond;

- de appellante de dwangsommen en kosten betaalde op 22 maart 2007 doch niet overging tot betaling van de door de geïntimeerde in rekening gebrachte interesten (aan de wettelijke interestvoet) vanaf 1 september 2009.

3.

Door de geïntimeerde werd op 17 april 2007 overgegaan tot dagvaarding van de appellante voor de rechtbank van eerste aanleg te Veurne in betaling aan haar van het bedrag van 3.261,25 euro, samengesteld als volgt:

- interesten à 7% op 10.041,91 euro

vanaf 19 juli 2002 tot 31 december 2006: 3.129,50 euro

- interesten à 6%

vanaf 1 januari 2007 tot 22 maart 2007: 132,06 euro

3.261,56 euro

meer de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding.

Zij handhaafde deze vordering in conclusies.

De appellante verzocht voor de eerste rechter dat:

- hij zich onbevoegd zou verklaren om kennis te nemen van het geschil en de zaak zou verzenden naar de 19e kamer van het hof beroep alhier;

- voor het geval hij zich toch bevoegd zou verklaren, de vordering van de geïntimeerde zou afwijzen als ontvankelijk doch ongegrond;

- de geïntimeerde zou veroordelen tot de kosten van het geding.

Middels het bestreden vonnis heeft de eerste rechter:

- zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde;

- geoordeeld dat de betaling van dwangsommen een verbintenis tot betaling van een geldsom uitmaakt waarop artikel 1153 B.W. van toepassing is;

doch heeft tevens, vooraleer verder te oordelen, ambtshalve de debatten heropend teneinde de geïntimeerde toe te laten in detail, voor elke verschillende post afzonderlijk, op te geven hoe het basisbedrag van 10.041,91 euro samengesteld is.

De beslissing over de kosten van het geding werd aangehouden.

4.

4.a. Middels haar verzoekschrift tot hoger beroep en in deze instantie neergelegde conclusies verzoekt de appellante dat het hof haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren, het bestreden vonnis teniet zou doen en opnieuw statuerend:

- zou zeggen voor recht dat door haar geen interesten van welke aard ook verschuldigd zijn op de door haar betaalde dwangsommen;

- de zaak aan zich zou trekken en zou zeggen voor recht dat zij helemaal niets meer verschuldigd is aan de geïntimeerde;

- haar tegenvordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren en de geïntimeerde zou veroordelen tot terugbetaling aan haar van het bedrag van 1.199,44 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten.

Tevens verzoekt zij dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld tot de kosten van de beide instanties (nader begroot aan haar zijde).

4.b. De geïntimeerde verzoekt dat het hof:

- het hoger beroep zou afwijzen als ongegrond;

- de appellante zou veroordelen tot betaling aan haar van de som van 3.898,15 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten;

- de tegenvordering van de appellante zou afwijzen als ongegrond;

- de appellante zou veroordelen tot de kosten van beide instanties (nader begroot aan haar zijde).

5.

Boven werd reeds gesteld dat het hoger beroep van de appellante tijdig en regelmatig werd ingesteld.

Dit hoger beroep is mede bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen excepties ontvankelijk te verklaren.

Waar de appellante in deze instantie een tegenvordering formuleert is deze tegenvordering, mede bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen excepties, eveneens ontvankelijk te verklaren.

6.

6.a. In haar inleidende dagvaarding liet de geïntimeerde gelden dat de appellante naliet om de moratoire interesten te betalen op "de door haar verschuldigde bedragen" vanaf de ingebrekestelling bij gerechtsdeurwaarderexploot, terwijl de partijen voor de eerste rechter en in deze instantie hoofdzakelijk (zoniet uitsluitend) discussie voeren omtrent het al dan niet verschuldigd zijn van interesten op de door de appellante verschuldigde (en inmiddels betaalde) dwangsommen.

Uit de uiteenzetting hieronder sub 6.c. én uit de door de partijen gevoerde betwistingen blijkt dat de geïntimeerde niet alleen interesten vordert op het totaal bedrag aan verbeurde dwangsommen, doch tevens nog op bepaalde uitvoeringskosten.

6.b. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de eerste rechter dat hij wel degelijk bevoegd was om kennis te nemen van de betaling van moratoire interesten op de door de appellante laattijdig betaalde dwangsommen.

Onterecht handhaaft de appellante dan ook haar standpunt dat zulks als een vordering tot aanpassing van de gevorderde dwangsom dient te worden beschouwd waarvoor enkel de rechter die deze dwangsom opgelegd heeft (zijnde aldus het hof alhier, gezien de 19e kamer van het hof bij arrest d.d. 21 februari 2002 de veroordeling onder verbeurte van een dwangsom heeft uitgesproken) bevoegd zou zijn, nu dit een ernstige verzwaring van de oorspronkelijke opgelegde dwangsom daarstelt.

Los van:

- het feit dat er geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat de rechter die de dwangsom oplegt deze zou kunnen "verzwaren" (artikel 1385 quinquies Ger.W. voorziet enkel in de mogelijkheid van de rechter die dwangsom heeft opgelegd om deze op te heffen, de looptijd ervan op te schorten of de dwangsom te verminderen onder de in dit artikel bepaalde modaliteiten);

- het antwoord op de vraag ten gronde of (de gevorderde) moratoire interesten op de (verbeurde) dwangsommen kunnen worden toegekend;

dient gesteld dat een vordering tot het bekomen van interesten op de (verbeurde) dwangsommen op zichzelf geen wijziging inhoudt van toegekende dwangsommen nu deze (gevorderde) interesten hiervan geen deel uitmaken.

Aldus behoorde de vordering tot het bekomen van moratoire interesten inderdaad tot de bevoegdheid "ratione materiae" (en ook "ratione summae") van de eerste rechter en heeft hij zich desbetreffend terecht bevoegd verklaard.

Volledigheidshalve voegt het hof hier nog het volgende aan toe.

Boven werd reeds aangegeven dat uit de samenstelling van het door de geïntimeerde gevorderde bedrag (zie hiervoor meer specifiek hetgeen hieronder sub 6.d. wordt gesteld) blijkt dat niet alleen interesten op de (verbeurde) dwangsommen worden gevorderd maar tevens interesten op bepaalde uitvoeringskosten.

Het feit dat in het (veroordelend) arrest d.d. 21 februari 2002 een veroordeling werd uitgesproken lastens de appellante en aan deze veroordeling een dwangsom werd gekoppeld, houdt niet in dat dit veroordelend arrest op zichzelf een uitvoerbare titel zou uitmaken voor wat betreft interesten op (de in uitvoering van dit arrest) verbeurde dwangsommen en op gemaakte uitvoeringskosten.

M.a.w. maakt wat deze interesten betreft het veroordelend arrest geen uitvoerbare titel uit op grond waarvan kan worden uitgevoerd en waarvoor in geval van betwisting van deze uitvoering alsdan de beslagrechter op grond van artikel 1395 e.v. Ger.W. bevoegd zou zijn.

Voor zover de geïntimeerde derhalve aanspraak maakt op de bedoelde interesten dringt zich hoe dan ook een afzonderlijke vordering tot het verkrijgen van een uitvoerbare titel voor deze interesten op.

6.c. Wat betreft de vraag of interesten op (verbeurde) dwangsommen en op uitvoeringskosten verschuldigd kunnen zijn vermag het hof het volgende te stellen.

Voor de toekenning van moratoire interesten overeenkomstig artikel 1153 B.W. is de vervulling van de volgende vier voorwaarden vereist:

1° het moet gaan om een geldsom;

2° er moet met vertraging worden betaald;

3° de som moet eisbaar zijn;

4° er moet een ingebrekestelling zijn geweest.

(cf. PETIT, J., Interest, in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 1995, p. 36).

Van zodra de dwangsom verbeurd is, is de schuldenaar hoe dan ook een geldsom verschuldigd die eisbaar, zeker en vaststaand is en dit krachtens de titel die de schuldenaar veroordeelt.

De verschuldigdheid van de dwangsom vindt immers haar grondslag in de rechterlijke uitspraak waarbij zij is opgelegd en op grond van die uitspraak is, wanneer na de betekening ervan aan de in uitspraak aangegeven voorwaarden niet wordt voldaan, de dwangsom ten volle verschuldigd en kan zij zonder nieuwe rechterlijke uitspraak ten uitvoer worden gelegd (vgl. Cass. 26 juni 1987, R.W, 1987-88, 1475).

M.a.w. eens de dwangsommen verbeurd, was de appellante ingevolge het arrest van de 19e kamer van het hof alhier d.d. 21 februari 2002 een geldsom verschuldigd en had zij aldus een geldelijke verbintenis tegenover de geïntimeerde die zeker, opeisbaar en vaststaand was.

Het standpunt van de appellante dat artikel 1153 B.W. geen toepassing vindt op verbintenissen die wegens het niet nakomen ervan enkel na uitspraak in de betaling van een geldsom resulteren en dan ook maar vanaf die uitspraak voor de toekenning van moratoire interesten in aanmerking komen (zie PETIT, J., o.c., p. 39 nr. 42) is hiermede geenszins onverstaanbaar.

Waar de moratoire interesten de interesten betreffen die verschuldigd zijn ingevolge de vertraging in de uitvoering van de verbintenis die een geldsom tot voorwerp heeft en die lopen vanaf de ingebrekestelling, is het irrelevant dat geen schade zou worden bewezen door de geïntimeerde.

Degene die aanspraak maakt op moratoire interesten moet immers geen schade bewijzen. Het feit dat een geldschuld niet tijdig werd betaald veronderstelt dat er schade is. Artikel 1153, 2e lid B.W. bepaalt immers:

"Die schadevergoeding is verschuldigd zonder dat de schuldeiser enig verlies hoeft te bewijzen."

De toepassing van artikel 1153 B.W. op de verbeurde dwangsommen maakt geen rechtsmisbruik uit. Daarentegen is het nalaten door de appellante (gedurende ongeveer 5 jaar) om tot betaling van de verschuldigde dwangsommen over te gaan op zichzelf "foutief" (hetgeen evenwel overeenkomstig artikel 1153 B.W. enkel kan gesanctioneerd worden met de toekenning van de moratoire interesten vanaf de ingebrekestelling).

Gelet op hetgeen voorafgaat zijn derhalve principieel moratoire interesten verschuldigd op de (verbeurde) dwangsommen en dit vanaf het bevel tot betaling (zie in dezelfde zin Luik 17 november 2003, J.L.M.B. 2005, p. 413).

Ook op de gedingkosten zijn overeenkomstig artikel 1153 B.W. moratoire interesten verschuldigd vanaf de ingebrekestelling (vgl. Cass. 24 september 1953, Pas. 1954, I, 36).

Waar immers:

- gerechtskosten pas verschuldigd zijn vanaf het ogenblik van de veroordeling en derhalve geen interesten kunnen genereren voor deze datum;

- de wet niet van rechtswege de interesten op de gerechtskosten doet lopen;

kunnen interesten op de gerechtskosten pas verschuldigd zijn vanaf de ingebrekestelling om deze te betalen (zie in dit verband o.m. Cass. 22 maart 1960, Arr. Cass. 1960 , 686; Cass. 30 maart 2001, RW 2001-2002, 699).

Overeenkomstig artikel 1024 Ger.W. komen de kosten van tenuitvoerlegging ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd.

Deze kosten van tenuitvoerlegging zijn ook gerechtskosten en brengen derhalve ook vanaf de ingebrekestelling overeenkomstig artikel 1153 B.W. moratoire interesten op.

6.d. Waar de eerste rechter de debatten heropende teneinde geïntimeerde toe te laten in detail, voor elke verschillende post afzonderlijk, op te geven hoe het basisbedrag van 10.041,91 euro samengesteld is, is het gehele geschil aanhanging bij het hof, gelet op de verruimde devolutieve werking van het hoger beroep.

Aangaande cijfermatige vordering van de geïntimeerde komt het noodzakelijk voor om af te lijnen waaruit deze vordering exact bestaat, inzonderheid wat betreft de door haar ingevorderde bedragen.

Het hof stelt vast dat uit de voorgelegde stukken hieromtrent het volgende blijkt.

Middels het arrest van de 19e kamer van het hof alhier d.d. 21 februari 2002 werd in het dispositief inzonderheid als volgt gestatueerd:

- het aldaar bestreden vonnis werd bevestigd in zoverre het de vordering van (wijlen) K...... M....... ontvankelijk verklaarde en oordeelde dat de principiële aansprakelijkheid van de appellante in het gedrang is op grond van een resultaatverbintenis en dat (wijlen) K.....M....... aanspraak kon maken op herstel in natura van de gebreken;

- het aldaar bestreden vonnis werd voor het overige teniet gedaan en opnieuw wijzende werd de appellante veroordeeld:

• om ten laatste binnen de 2 maanden na de betekening van het arrest alle nodige werkzaamheden uit te voeren om elke verdere waterinsijpeling in de bedoelde garage te verhinderen en dit onder verbeurte van een dwangsom van 125,00 euro per dag vertraging in de voltooiing vanaf de 62e dag na de betekening van het arrest;

• om binnen dezelfde termijn en onder verbeurte van dezelfde dwangsom over te gaan tot vervanging van de garagepoort en het frame ervan alsmede tot de herstelling van de basis van de betonwand tussen de garage nr. 39 en de aanpalende garage;

• om aan de geïntimeerde 2.335,73 euro (94.223,- frank) te betalen, meer de gerechtelijke interesten vanaf 7 april 2000;

- de beslissing over het meergevorderde aangehouden.

Op 1 maart 2002 betaalde de appellante (klaarblijkelijk) het bedrag van 94.223,- frank, thans 2.335,73 euro (zijnde de hoofdsom waartoe zij werd veroordeeld) en op 12 maart 2002 werd het arrest d.d. 21 februari 2002 betekend aan de appellante, waarna:

- door gerechtsdeurwaarder Van Nieuwenhuyse Paul een aantal vaststellingen van niet uitvoering van de hoofdveroordeling werden opgesteld (supra reeds aangehaald);

- 2 exploten van bevel tot betaling werden betekend aan de appellante m.n. op 13 juni 2002 en op 19 juli 2002.

Wat deze onderscheiden exploten van bevel tot betaling betreft merkt het hof op dat:

- het bevel tot betaling d.d. 13 juni 2002 werd gegeven voor:

• hoofdsom (94.223 Bef) 2.335,73 euro

• kosten van uitgifte (690 Bef) 17,10 euro

• betekening (5.268 Bef) 130,60 euro

• subtotaal (100.181 Bef) 2.483,43 euro

• dwangsom à 125,00 euro/dag (14.05.2002 tot

12.06.2002) 30 dagen x 5.042 Bef/dag, zijnde

151.275 Bef: 3.750,00 euro

• gerechtelijke interesten op 2.335,73 euro

(07.04.200 tot 13.06.2002) 7% (op 94.223 Bef

zijnde 14.420 Bef): 357,46 euro

• inningsrecht (2.599 Bef) 64,43 euro

• kosten van het exploot (5.593 Bef): 138,65 euro

verschuldigd (onder voorbehoud) op 13.06.2006

(274.068 Bef): 6.793,97 euro

te vermeerderen met volgende interesten vanaf 14.06.2002 gerechtelijke interesten, hetzij 0,447948 euro per dag meer de kost van eventuele aangetekende zending meer kosten proces verbaal van vaststelling p.m.

waarbij in dit bevel geen rekening was gehouden met de reeds op 1 maart 2002 verrichtte betaling van 2.335,74 euro;

- het bevel tot betaling d.d. 19 juli 2002 werd gegeven voor:

• hoofdsom (94.223 Bef) 2.335,73 euro

• kosten van uitgifte (690 Bef) 17,10 euro

• betekening (5.268 Bef) 130,60 euro

• subtotaal (100.181 Bef) 2.483,43 euro

• gerechtelijke interesten op 2.335,73 euro

(07.04.2000 tot 01.03.2002) à 7 %

(07.04.2001 (op 94.223 Bef

(07.04.2002 zijnde 12.541 Bef) 310,88 euro

• subtotaal 2.794,31euro

• ontvangen op 01.03.2002 (94.223 Bef): -2.335,73 euro

• saldo 458,58 euro

• bevel d.d. 13.06.2002 (5.593 Bef): 138,65 euro

• dwangsom à 125,00 euro/dag (14.05.2002 tot

02/03/2002) 63 dagen x 5.042 Bef/dag,

zijnde 317.677 Bef 7.875,00 euro

• gerechtelijke interesten op 458,58 euro

(03.03.2002) 7% (op 18.4899 bef zijnde 539 Bef):13,37 euro

• inningsrecht (3.607 Bef) 89,42 euro

• kosten van dit exploot (5.148 bef) 127,61 euro

verschuldigd (onder voorbehoud) op 31.07.2002

(351.063 Bef) 8.702,63 euro

te vermeerderen met volgende interesten vanaf 01.08.2002 gerechtelijke interesten, hetzij 0,087947 euro per dag meer de kost van eventuele aangetekende zending meer de kosten van vaststellingen p.m.

Middels het proces-verbaal van uitvoerend roerend beslag d.d. 16 augustus 2002 werd herhaald bevel gegeven aan de appellante om volgende bedragen te betalen:

hoofdsom (94.223 Bef) 2.335,73 euro

kosten van uitgifte (690 Bef) 17,10 euro

betekening (5.268 Bef) 130,60 euro

subtotaal (100.181 Bef) 2.483,43 euro

gerechtelijke interesten op 2.335,73 euro

( 07.04.2000 tot 01.03.2002) à 7 %

(op 94.223 Bef zijnde 12.541 Bef) 310,88 euro

ontvangen op 01.03.2002 (94.223 Bef): 2.335,73 euro

saldo (18.499 Bef): 458,58 euro

bevel d.d. 13.06.2002 (5.593 Bef): 138,65 euro

vaststelling d.d. 15.07.2002 (5.700 Bef): 141,30 euro

bevel d.d. 19.07.2002 (5.315 Bef): 131,75 euro

aanmaning d.d. 22.07.2002 (555 Bef): 13,76 euro

dwangsom à 125,00 euro/dag (14.05.2002 tot 17.07.2002)

63 dagen x 5.402 Bef/dag, zijnde 317.677 Bef: 7.875,00 euro

gerechtelijke interesten op 458,58 euro

(02.03.2002 tot 31.08.2002) à 7%

(op 18.499 Bef, zijnde 649 Bef) 16,09 euro

Inningsrecht (3.607 Bef) 89,42 euro

Kosten van dit exploot (8.730 Bef) 237,13 euro

VERSCHULDIGD (ONDER VOORBEHOUD)

OP 31.08.2002 9.101,68 euro

TE VERMEERDEREN MET VOLGENDE INTERESTEN VANAF 01.09.2002

GERECHTELIJKE INTEREST HETZIJ 0,087947 EURO PER DAG

MEER DE KOST VAN EVENTUELE AANGETEKENDE ZENDING

MEER DE KOSTEN VAN VASTSTELLING DD. 12 EN 19 EN 27.06 EN

12.07.2002

WAARVAN KOPIJ HIERBIJ WORDT MEDE BETEKEND P.M.

MEER DE KOSTEN VAN VASTSTELLING DD. 15.07.2022

WAARVAN KOPIJ HIERBIJ WORDT MEDEBETEKEND P.M.

Het hof merkt op dat omtrent de vaststellingen d.d. 12, 19 en 27 juni en 12 juli 2002 er één proces-verbaal werd opgesteld (hierna ook nader aangeduid als de vaststelling d.d. 12 juli 2002).

Nadat:

- de appellante verzet had aangetekend tegen dit uitvoerend beslag bij dagvaarding d.d. 2 september 2002;

- het geding hangende voor de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne werd hervat door de geïntimeerde (gelet op het overlijden van wijlen mevrouw K..... M.........);

- de beslagrechter bij tussenbeschikking d.d. 28 september 2005 een plaatsopneming had bevolen (gelet op de blijvende betwisting tussen de partijen of de appellante al dan niet gevolg had gegeven aan haar veroordeling);

- de beslagrechter (na de plaatsopneming d.d. 21 oktober 2005) bij beschikking d.d. 15 februari 2006 vaststelde dat er nog geen definitieve oplossing was en de vordering van de appellante (het verzet tegen het uitvoerend beslag) afwees als ongegrond;

werd middels het arrest d.d. 13 februari 2007 van de 14e kamer van het hof alhier i.v.m. (de door de appellante uit te voeren) herstellingen o.m. geoordeeld dat:

- pas op 29 juli 2002 door gerechtsdeurwaarder Rogiers Paul (waaromtrent het hof alhier verduidelijkt dat die klaarblijkelijk was opgetreden in opdracht van de appellante) werd vastgesteld dat alle opgelegde herstellingen waaronder de herstelling van de basis van de betonwand waren uitgevoerd;

- nog afgezien van de waterinsijpelingen die tot 15 juli 2002 nog steeds zichtbaar waren, het in ieder geval duidelijk was dat de basis van de betonwand pas nà 15 juli 2002 werd hersteld, hetgeen als inbreuk voldoende was om de opgelegde dwangsom te laten verbeuren;

en werd de beschikking van de beslagrechter d.d. 15 februari 2006 waarbij het verzet van de appellante tegen het uitvoerend beslag werd afgewezen (weliswaar op andersluidende motieven) bevestigd.

Na voormeld arrest d.d. 13 februari 2007 maakte de raadsman van de geïntimeerde bij brief d.d. 26 februari 2007 aan de raadsman van de appellante volgende afrekening over:

"- hoofdsom volgens P.V. van uitvoerend beslag dd 16.08/2002 : euro 9.101,68

- betaling aan gerechtsdeurwaarder voor:

• bevel dd 13/06/2002:

• kosten P.V. van vaststelling dd 12/07/2002

• vaststelling 15/07/2002

• bevel 19/07/2002

• aanmaning 22/07/2002

• kosten P.V. van uitvoerend beslag dd 16/08/2002

euro 940,23

euro 10.041,91

- intresten à 7% vanaf 01/09/2002 tot 31/12/2006 euro 2.048,61

- intresten à 6% vanaf 01/01/2007 tot 08/03/2007 euro 112,25

- rechtsplegingvergoeding beschikking beslagrechter

d.d. 15.02.2006: euro 291,27

- rechtsplegingsvergoeding krachtens arrest d.d. 13.02.2007: euro 485,87

euro 13.979,91"

Het hof merkt alhier op dat het bedrag van 940,23 euro (vermeld in bovenstaande afrekening) is samengesteld uit volgende uitvoeringskosten:

- bevel d.d. 13 juni 2002: 138,65 euro

- p.v. van vaststelling d.d. 12 juli 2002: 277,64 euro

- p.v. van vaststelling d.d. 15 juli 2002: 141,30 euro

- bevel d.d. 19 juli 2002: 131,75 euro

- aanmaning d.d. 22 juli 2002: 13,76 euro

- uitvoerend beslag d.d. 16 augustus 2002: 237,13 euro

De raadsman van de appellante liet bij brief d.d. 28 februari 2007 nopens deze afrekening, vervat in de brief d.d. 26 februari 2007, gelden dat zijn cliënte:

- de hoofdsom van 2.335,72 euro betaald op 1 maart 2002;

- derhalve enkel nog de kosten verschuldigd waren alsook de interesten op de hoofdsom en de dwangsommen t.b.v. 7.875,00 euro waarop evenwel geen interesten verschuldigd waren;

- de kosten van het bevel d.d. 13 juni 2002 alsmede de kosten van het P.V. van uitvoerend roerend beslag reeds in de som van 9.101,68 euro waren begrepen.

Nadat de raadslieden van de partijen over en weer briefwisseling voerden omtrent het verschuldigd zijn van interesten op de (verbeurde) dwangsommen deelde de raadsman van de geïntimeerde bij brief d.d. 12 maart 2007 mede dat gezien de appellante niet vrijwillig de moratoire interesten wou betalen, een afzonderlijke procedure zou worden ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Veurne "ter invordering van de moratoire intresten vanaf het exploot betekening-bevel d.d. 19/07/2002" en verzocht hij dat de appellante zou overgaan tot betaling van volgende bedragen:

"- hoofdsom volgens P.V. van uitvoerend beslag dd 16.08/2002: euro 9.101,68

- kosten gerechtsdeurwaarder: euro 940,23

- rechtsplegingvergoeding beschikking

beslagrechter d.d. 15.02.2006: euro 291,27

- rechtsplegingvergoeding krachtens arrest d.d. 13.02.2007: euro 485,87

- gerechtelijke interesten op euro 458,58

vanaf 01/09/2002 tot 31/12/2006 à 7% euro 139,22

- gerechtelijke interesten op euro 458,58

vanaf 01/09/2002 tot 31/12/2006 à 7% euro 6,86 euro 10.965,13"

Het staat buiten betwisting dat de appellante dit bedrag van 10.965,13 euro betaalde op 22 maart 2007.

Waar de geïntimeerde in haar inleidende dagvaarding de door haar gevorderde interesten berekende op het bedrag van 10.041,91 euro (voor de samenstelling van dit bedrag wordt verwezen naar de hoger geciteerde brief van haar raadsman d.d. 26 februari 2007) dient vastgesteld te worden dat de geïntimeerde in deze instantie erkent/bevestigt dat in dit bedrag een dubbeltelling is geslopen gezien in het bedrag van 9.101,68 euro (voor de samenstelling van dit bedrag wordt verwezen naar het proces-verbaal van uitvoerend roerend beslag d.d. 16 augustus 2002 zoals hoger aangehaald) reeds de kosten van de gerechtsdeurwaarder ad 940,23 euro zaten vervat, behoudens evenwel de kosten voor het proces-verbaal van vaststelling d.d. 12 juli 2002 ad 277,64 euro.

Zij corrigeert dit in deze instantie en berekent thans haar interesten op het bedrag van 9.101,68 euro + 277,64 euro, zijnde aldus 9.379,32 euro zijnde aldus:

- interesten à 7% op 9.379,32 euro vanaf

19 juli 2002 tot 31 december 2006 à 7%: 2.924,81 euro;

- interesten à 6% op 9.379,32 euro

vanaf 1 juli 2007 tot 17 april 2007

(datum dagvaarding) à 7%: 164,97 euro;

3.089,78 euro

Hoe dan ook blijkt dat de geïntimeerde opzichtens de afrekening vermeld in de brief d.d. 12 maart 2007 van de raadsman van de appellante (zijnde het bedrag van 10.965,13 euro dat door de geïntimeerde werd betaald waarbij dit bedrag de afrekening behelsde zonder de betwiste interesten) een bedrag "teveel" betaalde van 662,59 euro (940,23 euro - 277,64 euro).

De geïntimeerde is derhalve foutief:

- niet alleen door te stellen dat de appellante (los van de in deze gevorderde interesten waaromtrent in de brief van haar raadsman d.d. 12 maart 2007 voorbehoud werd gemaakt) een bedrag van 10.156,46 euro, samengesteld als volgt:

• het bedrag van 9.101,68 euro;

• de rechtsplegingvergoeding beslagrechter ad 291,27 euro;

• de rechtsplegingvergoeding hof van beroep ad 485,87 euro;

verschuldigd was in plaats van 10.965,13 euro, zodat derhalve de appellante 808,67 euro (10.965,13 euro - 10.156,46 euro) teveel zou hebben betaald, nu:

• enerzijds in het bedrag 9.101,68 euro (waarvan de samenstelling blijkt uit het proces-verbaal van uitvoerend roerend beslag d.d. 16 augustus 2002) niet begrepen waren o.m.:

 de kosten van vaststelling d.d. 12 juli 2002 ad 277,64 euro;

 de nog verschuldigde interesten zoals aangerekend in de brief van de raadsman van de geïntimeerde d.d. 12 maart 2007;

• anderzijds in het betaalde bedrag van 10.965,13 euro wel degelijk de verschuldigde (en in deze foutieve afrekening nogmaals in rekening gebrachte) rechtsplegingvergoedingen waren verrekend;

- doch daarenboven ook nog door dit (overigens incorrecte) "teveel" betaalde bedrag van 808,67 euro bij te tellen (in plaats van dit in mindering te brengen) op het door haar berekende bedrag aan interesten van 3.089,78 euro (cf. supra wat dit bedrag betreft) en aldus in deze instantie een totaal bedrag van de appellante te vorderen van 3.898,15 euro (3.089,78 euro + 808,67 euro), meer hierop de gerechtelijke interesten.

Anderzijds is ook de appellante foutief door te stellen dat zij slechts 9.765,69 euro zou verschuldigd geweest zijn aan de geïntimeerde (i.p.v. het door haar betaalde bedrag van 10.965,13 euro) en zij aldus (middels tegenvordering) gerechtigd zou zijn op de terugbetaling van het bedrag van 1.199,64 euro.

Waar de appellante in de conclusies volgende afrekening maakt:

- verschuldigd op grond van het p.v. van uitvoerend beslag d.d. 16

augustus 2002: 9.101,68 euro

- kosten vaststelling gerechtsdeurwaarder: 277,64 euro

- subtotaal: 9.379,32 euro

- interesten op 1.226,68 euro vanaf

16 augustus 2002 tot 22 maart 2007: 386,37 euro

dient vastgesteld te worden dat de appellante in deze afrekening:

- enerzijds geen rekening houdt met de verschuldigde rechtsplegingvergoedingen (beslagrechter en hof van beroep);

- anderzijds klaarblijkelijk wel interesten rekent op het totaal bedrag van 9.379,32 euro, waaronder dus ook begrepen zijn de in dit bedrag vervatte uitvoeringskosten en de (verbeurde) dwangsommen (daar waar zij het verschuldigd zijn van de interesten hierop in deze juist betwist ...).

Besluitend dient derhalve gesteld dat de appellante op 22 maart 2007 een bedrag teveel betaalde van 662,59 euro en dit bedrag dient toegerekend te worden op de nog door haar tot op 22 maart 2007 verschuldigde interesten op de uitvoeringskosten en de verbeurde dwangsommen.

Boven werd geoordeeld dat op de (verbeurde) dwangsommen en op de uitvoeringskosten moratoire interesten verschuldigd zijn vanaf de aanmaning (meer bepaald vanaf het bevel tot betaling).

Rekening houdende met het bovenstaande en met de vaststelling dat:

- de geïntimeerde interesten vordert vanaf 19 juli 2002, dient gesteld dat het hof derhalve ook voor de (verbeurde) dwangsommen en voor de uitvoeringskosten waarvoor voordien reeds een bevel tot betaling was gegeven (met name op 13 juni 2002) pas vanaf 19 juli 2002 interesten kan toekennen (zoals gevorderd);

- uit het bevel tot betaling d.d. 19 juli 2002 blijkt dat de betaling d.d. 1 maart 2002 ad 2.335,73 euro van de appellante (overeenkomstig artikel 1254 B.W.) werd toegerekend op:

• de verschuldigde hoofdsom 2.335,73 euro;

• de kosten van uitgifte ad 17,10 euro;

• de kosten van betekening 130,60 euro;

• de gerechtelijke interesten op het bedrag van 2.335,73 euro van 7 april 2000 tot 1 maart 2002, zijnde 310,88 euro;

en alsdan verder op het saldo ad 458,58 euro de gerechtelijke interesten werden aangerekend, dient gesteld dat aldus op deze reeds verrekende uitvoeringskosten (kosten van uitgifte en betekening) thans geen moratoire interesten (meer) kunnen verschuldigd zijn;

- er ook uitvoeringskosten in rekening worden gebracht die nà 19 juli 2002 werden gemaakt m.n. op inzonderheid:

• de aanmaning d.d. 22 juli 2002 ad 13,76 euro;

• de kosten van het exploot van uitvoerend beslag d.d. 16 augustus 2002 ad 237,13 euro;

dient gesteld dat deze uitvoeringskosten slechts moratoire interesten kunnen opbrengen vanaf het bevel tot betaling gegeven in het proces-verbaal van uitvoerend beslag d.d. 16 augustus 2002.

Aldus kan de geïntimeerde aanspraak maken op de moratoire interesten aan de wettelijke interestvoet op het bedrag van:

- 8.653,76 euro, samengesteld als volgt:

• bevel d.d. 13 juni 2002: 138,65 euro

• p.v. van vaststelling d.d. 12 juli 2002: 277,64 euro

• p.v. van vaststelling d.d. 15 juli 2002: 141,30 euro

• bevel d.d. 19 juli 2002: 131,75 euro

• dwangsommen verschuldigd tot 17 juli 2002:7. 875,00 euro

• inningsrecht: 89,42 euro

vanaf 19 juli 2002 tot en met 15 augustus 2002 (28 dagen) (zijnde aldus (8.653,76 euro x 7%) : 365 dagen x 28 dagen) of 46,47 euro;

- 8.904,65 euro, samengesteld als volgt:

• voormeld bedrag aan kosten en dwangsommen: 8.653,73 euro

• aanmaning d.d. 11 juli 2002: 13,76 euro

• kosten pv uitvoerend beslag

d.d. 16 augustus 2002: 273,13 euro

vanaf 16 augustus 2002 tot en met 22 maart 2007, of:

• vanaf 16 augustus 2002 tot en met 31 december 2006 aan 7% of (8.904,65 euro x 7%): 365 dagen x 1598 dagen, zijnde 2.728,81 euro;

• vanaf 1 januari 2007 tot en met 22 maart 2007 aan 6% of (8.904,65 euro x 6%): 365 dagen x 81dagen, zijnde 118,57 euro;

zijnde aldus 2.847,38 euro.

Aan de geïntimeerde komt derhalve toe:

- verschuldigde interesten

(46,47 euro + 2.847,38 euro): 2.893,85 euro

- eerder te veel in rekening gebracht bedrag: - 662,59 euro

2.231,26 euro

Gezien de verschuldigde sommen waarop de moratoire interesten verschuldigd zijn allen werden betaald op 22 maart 2007 kan de geïntimeerde geen aanspraak maken op moratoire interesten nà 22 maart 2007.

Evenmin kan de geïntimeerde gerechtelijke interesten op de verval¬len moratoire interesten aanrekenen gezien de voorwaarden waaronder anatocisme is toegelaten (en die bepaald zijn in artikel 1154 B.W.) niet vervuld zijn.

Haar vordering tot het bekomen van gerechtelijke interesten dient derhalve te worden afgewezen.

6.e. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de tegenvordering van de appellante dient te worden afgewezen als ongegrond.

7.

Gezien de vordering van de geïntimeerde slechts deels wordt ingewilligd is het hof van oordeel dat de kosten in de beide instanties dienen verdeeld te worden tussen de partijen in die zin dat de appellante verwezen wordt in 2/3 van de kosten van de beide instanties en de geïntimeerde verwezen wordt in 1/3 van de kosten van beide instanties.

Er zijn geen redenen aangehaald om af te wijken van de aanwending van het basistarief bedoeld bij artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 (tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat).

De rechtsplegingvergoeding in hoger beroep (zoals geïndexeerd per 1 maart 2001) bedraagt derhalve 715,00 euro.

8.

Bij de beoordeling van de zaak zijn de door de partijen of in stukken nog in Belgische frank uitgedrukte bedragen wetshalve omgezet in euro, tevens rekening houdend met de afrondingsbepalingen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak.

In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Bevestigt derhalve het bestreden vonnis.

Verder recht doende onder toepassing van artikel 1068 Ger.W..

Verklaart de vordering van de geïntimeerde deels gegrond.

Veroordeelt de appellante tot betaling aan de geïntimeerde van een bedrag van 2.231,26 euro.

Verklaart de tegenvordering van de appellante ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Wijst het anders of meer gevorderde af als ongegrond.

Verwijst de appellante tot 2/3 en de geïntimeerde tot 1/3 van de gedingkosten in de beide instanties en begroot deze gedingkosten:

- aan de zijde van de appellante op:

• rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: 715,00 euro

• rolrecht hoger beroep: 186,00 euro

• rechtsplegingvergoeding hoger beroep: 715,00 euro

- aan de zijde van de geïntimeerde op:

• dagvaardingskosten: 118,09 euro

• rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: 715,00 euro

• rechtsplegingvergoeding hoger beroep: 715,00 euro

Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

De heer H. Verhaest Kamervoorzitter,

De heer A. Colpaert Raadsheer,

die mede over de zaak heeft beraadslaagd en in de onmogelijkheid verkeert het arrest te ondertekenen (art. 785 Ger.W.),

De heer M. Baranyai Raadsheer,

en uitgesproken door de Kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op dertien mei tweeduizend en elf,

bijgestaan door

Mevrouw M. Vercruysse Griffier.

Vrije woorden

  • Moratoire interesten op verbeurde dwangsommen en op gerechtskosten.