- Arrest van 27 september 2011

27/09/2011 - 2010-AR-2720

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer de belastingadministratie met toepassing van artikel 355 WIB 92 een nieuwe aanslag vestigt ter vervanging van de vernietigde initiële aanslag, dan mag de belastbare grondslag in die nieuwe aanslag niet hoger zijn dan in de vernietigde aanslag.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep

te Gent

5be kamer

________

terechtzitting

van

27-09-2011

BELASTINGEN

Tussenarrest

Zaak in voortzetting op

24/4/2012 om 11 u (toep.

art.356,1ste lid WIB92)

Nr.2010/AR/2720

in de zaak van:

V........ D......... M................., wonende te ................, doch woonst kiezend ten kantore van haar raadsman mr. Torrekens Rik, te 9000 GENT, Savaanstraat 72,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. TORREKENS Rik, advocaat te 9000 GENT, Savaanstraat 72

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur der directe belastingen te Gent, wiens kantoor gevestigd is te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/604,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. JOPPEN Maarten loco mr. DECORDIER Carmenta, advocaat te 9041 OOSTAKKER, Harlekijnstraat 9

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure voor het Hof

Bij verzoekschrift van (maandag) 18 oktober 2010 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 31 maart 2010 werd uitgesproken.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 28 juni 2011, waarna het debat werd gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis op 16 september 2010 werd betekend op verzoek van de geïntimeerde en de appellante voegt een exemplaar van het exploot van betekening bij haar stukken.

Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante heeft voor het aanslagjaar 1980 (inkomsten 1979), een geldige aangifte in de personenbelasting ingediend. De gegevens in deze aangifte hebben geleid tot een gezamenlijk belastbaar inkomen van 252.056 frank (6.248,31 euro). Dit bedrag werd bij bericht van wijziging van de aangifte van 7 januari 1981 verhoogd tot 1.109.056 frank (27.492,78 euro) op basis van artikel 260 WIB64 (tekenen en indiciën)

Op 10 februari 1981 werd aan de appellante een kennisgeving van ambtswege verstuurd wegens gebrek aan antwoord op voormeld bericht van wijziging van de aangifte.

Op 3 augustus 1981 diende de heer C........ V........................, gevolmachtigde van de appellante, een tijdig bezwaarschrift in tegen de aanslagen gevestigd onder artikel 132.683 en 133.198 (aanslagjaar 1980).

Bij directeursbeslissing van 25 juni 1987 werd de betwiste aanslag gevestigd onder artikel 132.683 gedeeltelijk ontheven.

Op fiscale voorziening heeft de elfde kamer van het Hof van Beroep te Gent bij arrest van 2 juni 1994 die aanslag evenwel vernietigd wegens willekeur.

Vooraleer over te gaan tot het vestigen van een nieuwe vervangende aanslag met toepassing van artikel 355 WIB92, werd aan de appellante een nieuw bericht van wijziging van de aangifte gezonden op 30 november 1994. Daarin werd voorgehouden dat voor het aanslagjaar 1980 rekening zou worden gehouden met een indiciair vermogenstekort van 823.044 frank (20.402,73 euro). Als te verantwoorden uitgaven werden de volgende posten vermeld:

Aankoop 300 aandelen NV Sylvero: 300.000 frank (7.436,81 euro),

Juwelen volgens verzekeringspolis: 507.000 frank (12.568,20 euro),

Betaalde verzekeringspremie: 16.064 frank (398,22 euro),

Kosten levensonderhoud kinderen: 277.965 frank (6.890,57 euro) en

Kosten levensonderhoud: 265.683 frank (6.586,11 euro).

Er werd ook een belastingverhoging van 10% aangekondigd wegens onjuiste aangifte.

Op 5 januari 1995 werd aan de appellante een kennisgeving van ambtswege verstuurd wegens gebrek aan antwoord op voormeld bericht van wijziging van de aangifte.

Zoals aangekondigd, werd op 20 februari 1995 een vervangende aanslag gevestigd onder artikel 575.041.

Tegen die vervangende aanslag werd door appellante een administratief beroep ingediend dat bij directeursbeslissing van 15 mei 2007 werd afgewezen.

Met een verzoekschrift van 19 juli 2007 stelde de appellante haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent.

In het vonnis van 31 maart 2010 heeft de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de vordering van de appellante ongegrond verklaard en de appellante veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De betwistingen tussen de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt bij wijze van hoger beroep van het Hof om

Het bestreden vonnis teniet te doen en, oordelende zoals de eerste rechter behoorde te doen:

De aangevochten beslissing dd. 15/5/2007 van de ambtenaar gedelegeerd door dhr. Gewestelijke Directeur van de Administratie der Directe belastingen te Gent te vernietigen en:

- vast te stellen dat de aanslag kohierartikel 575041 Aj 1980 (Ink. 1979) dd. 05/01/1995 niet op wettige wijze werd gevestigd en derhalve nietig is;

- minstens te beslissen dat verzoekster recht heeft op de gevraagde herziening en zodoende te beslissen:

- dat de in aanmerking genomen indiciën niet kunnen weerhouden worden;

- dat verzoekster op afdoende wijze het tegenbewijs heeft geleverd dat de in aanmerking genomen indiciën géén belastbaar inkomen betreffen en/of afdoende verantwoording ervoor heeft gegeven.

- dienvolgens de aanslag te vernietigen en/of geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen van de aanslag zoals hij werd ingekohierd, met inbegrip van alle verhogingen, boeten, intresten en kosten, inzonderheid de belastingverhoging te vernietigen wegens onvoldoende motivering.

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de kosten van huidige akte en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad 1.320 euro ;

Geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de teveel betaalde belastingen of ingehouden bedragen, met inbegrip van de daarop ov. art. 418 W.I.B verschuldigde moratoriumintresten, welke gekapitaliseerd werden per 19/07/07 en vervolgens opnieuw per 18/10/10, zodat zij op hun beurt vanaf die respectieve data ook intresten aan dezelfde rentevoet afwerpen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

3.2. De grieven - beoordeling

3.2.1.

Ten onrechte vraagt de appellante de nietigheid van de bestreden aanslag vast te stellen wegens ‘formele aspecten'.

De enkele vaststelling dat niet bewezen is dat het aanslagbiljet daadwerkelijk werd verzonden op de datum die op het aanslagbiljet vermeld staat, namelijk 22 februari 1995, kan niet doen besluiten tot de nietigheid van de aanslag. Op dat moment was de aanslag al gevestigd binnen de termijn van zes maanden voorzien in artikel 355 WIB92 (in de versie die toen gold; daarvoor artikel 260 WIB64). De eventuele onregelmatigheden omtrent de verzending van het aanslagbiljet kunnen hoogstens invloed hebben op de bezwaartermijn, maar daaromtrent bestaat geen betwisting.

De appellante merkt op dat het feit dat de inkohiering door de geïntimeerde zelf gebeurt, namelijk doordat ze zelf de authentieke akte (het kohier) creëert, "een bijzondere situatie" is, maar daaruit trekt ze geen conclusies. Zoals de geïntimeerde terecht laat gelden, beantwoordt deze werkwijze aan de wettelijke en reglementaire bepalingen op dat vlak en is er geen enkele reden om tot nietigheid van de aanslag te besluiten.

Deze grief is ongegrond.

3.2.2.

Terecht, zoals ook de eerste rechter vermeldde, laat de appellante gelden dat een taxatie op grond van tekenen en indiciën van een hogere gegoedheid dan deze die uit de aangifte blijkt, gebaseerd moet zijn op werkelijk bekende feiten en dus op gegevens die controleerbaar zijn.

3.2.2.1

De appellante acht het niet bewezen dat zij in 1979 voor een bedrag van 300.000 frank (7.436,81 euro) aandelen S........... aankocht.

Zij kan niet volstaan met te verwijzen naar een (uittreksel trouwens) van een verslag van bedrijfsrevisor N.............. waarin deze de intrinsieke waarde van die aandelen slechts op 408,69 frank (10,13 euro) raamde.

De geïntimeerde levert van zijn kant nochtans niet het vereiste bewijs dat de appellante voor de aandelen een bedrag van 300.000 frank (7.436,81 euro) betaalde.

In elk geval heeft de eigen notitie van de taxatieambtenaar (stuk 23 adm.doss.) geen enkele bewijswaarde. Kennelijk gaat het om niet meer dan wat de taxatieambtenaar afleidde uit het verslag dat door de hoofdcontroleur van de BBI op 20 februari 1981 werd uitgebracht ten aanzien van de directeur van de BBI Gent aangaande zijn onderzoek naar de betrokkenen in een dossier van de pvba Common Market Activities (stuk 30/1 adm.doss.) waar staat:

Op grond van de gegevens verzameld in de overige (tot dezelfde groep behorende) dossiers, o.m. P.v.b.a. Sylvero te Brussel (zie verslag nr. 9411/80/255 dd. 23.10.80) is gebleken dat Mevr. V... D...... op 1.12.1979 in deze P.v.b.a. vennote is geworden. Op deze datum nam zij immers 300 maatschappelijke deelbewijzen van de hr. R..... D... V.........(zie verslag nr. 9411/80/258 dd. 19.12.80) over voor de prijs van 300.000 f (hetzij 1.000 f per deelbewijs - zie dienaangaande schriftelijke bevestiging door verkoper in A.D. van laatstgenoemde).

Ook op basis van dit stuk levert de geïntimeerde niet het nodige bewijs.

Dat de geïntimeerde de schriftelijke verklaring van R..... D.... V...... uit diens administratief dossier niet voorlegt, doet weliswaar niets af van de bewijswaarde van de inlichting uit het verslag van de hoofdcontroleur. Hij bevestigt immers in zijn verslag op uitdrukkelijke wijze dat hij die verklaring van R..... D... V...... heeft aangetroffen en wat er de inhoud van was. Op basis nochtans van het geciteerde verslag is evenwel niet aangetoond dat de appellante de aandelen overnam door ze te betalen (waarmee bedoeld wordt: het overmaken van geld). De enkele verklaring dat de appellante de aandelen overnam en dat dit gebeurde aan de prijs van 300.000 frank (7.436,81 euro), levert dat bewijs niet.

Het bedrag van 300.000 frank is ten onrechte als indicie opgenomen.

Deze grief is gegrond.

3.2.2.2.

Wat het juweel betreft, namelijk een gouden ring met briljanten, met een waarde van 507.000 frank (12.568,20 euro), laat de appellante terecht gelden dat de geïntimeerde niet bewijst dat zij die ring in 1979 zou hebben aangekocht. Ze heeft steeds beweerd dat ze de ring bij schenking had gekregen. Zelfs al maakt de geïntimeerde niet geheel ten onrechte bedenkingen bij het feit dat de appellante jarenlang naliet om te zeggen wie de schenker zou geweest zijn, toch levert hij niet het bewijs wanneer de ring dan wel door de appellante zou zijn gekocht. De geïntimeerde heeft inderdaad in zijn vraag om inlichtingen van 13 november 1980 zelf geschreven: Uit dezelfde gegevens blijkt dat deze ring in de loop van 1978 in een juwelierszaak te Gent werd gekocht.

De geïntimeerde legt geen stukken voor waaruit de aankoop in 1978 zou blijken, maar zelfs als dat zou kunnen, dan zou hij bewijzen dat de aankoop niet in aanmerking kon worden genomen voor de indiciaire taxatie van het aanslagjaar 1980, waarvoor de te verantwoorden uitgaven zich immers in 1979 moeten situeren. De geïntimeerde houdt wel voor dat hij aanvankelijk dacht dat de appellante de ring in 1978 aankocht, maar dat hij aan de hand van zijn latere stukken, namelijk de stukken 24 tot en met 27 van zijn dossier, tot het besluit is gekomen dat het juweel in 1979 werd gekocht, maar het Hof kan op basis van die bedoelde stukken, noch op basis van enig ander stuk van de partijen, een aanwijzing, laat staan een bewijs vinden voor de aankoop in 1979. In het bijzonder bewijst de datum van uitbreiding van het risico van de juwelenverzekering met die gouden ring, niet dat de appellante in datzelfde jaar de ring aankocht.

In de indiciaire afrekening kan het bedrag van 507.000 frank (12.568,20 euro) voor de aankoop van de betreffende ring dan ook niet als te verantwoorden post worden opgenomen.

Deze grief is gegrond.

3.2.2.3.

Terecht heeft de geïntimeerde in de indiciaire afrekening de post ‘verzekeringspremie' voor 16.064 frank (398,22 euro) opgenomen. Hij toont duidelijk aan dat de appellante al op 24 februari 1981 haar akkoord verleend heeft met deze te verantwoorden post.

Dat het akkoord geformuleerd werd door de volmachthouder van de appellante, belet niet dat het akkoord namens haar en voor haar rekening werd verleend; haar vertegenwoordiger had daartoe immers volmacht. Zoals de geïntimeerde terecht stelt, heeft de appellante dat akkoord trouwens bevestigd door het in het kader van de betwisting van de initiële aanslag nooit te betwisten.

Het is al evenmin relevant dat het akkoord werd gegeven naar aanleiding van de initiële aanslag die in 1981 werd gevestigd, terwijl het hier om een aanslag uit 1995 gaat. Het akkoord slaat immers op een feit, namelijk dat de appellante in 1979 het bedrag van 16.064 frank (398,22 euro) betaalde als verzekeringspremie voor de polis ‘alle risico's juwelen' (zie stuk 27/5 doss. geïnt.). Het akkoord levert het bewijs van dat feit, behoudens tegenbewijs door de appellante, tegenbewijs dat niet voorligt.

De stelling van de appellante dat de premie zou vallen onder de post ‘levensonderhoud' kan evenmin worden bijgetreden. Het gaat immers om een kost die niet inherent is aan de normale behoeften van levensonderhoud. De premie voor een verzekering van juwelen is een buitengewone kost.

Deze grief is ongegrond.

3.2.2.4.

Met betrekking tot de kosten voor levensonderhoud blijkt dat het aanvankelijk bedrag van 300.000 frank (7.436,81 euro), vervangen werd door de volgende posten:

• 277.965 frank (6.890,57 euro) voor het levensonderhoud van de kinderen en

• 265.683 frank (6.586,11 euro) voor het levensonderhoud van de appellante persoonlijk.

Terecht laat de appellante gelden dat de geïntimeerde op die manier het aanvankelijke bedrag van 300.000 frank (7.436,81 euro) in de vervangende aanslag nu plots gaat optrekken tot een bedrag van 543.648 frank (13.476,68 euro). Het Hof heeft op de openbare terechtzitting van 28 juni 2011 aan de partijen ambtshalve de vraag voorgelegd of het mogelijk is om, ingeval van hertaxatie met toepassing van artikel 355 WIB92 (in zijn toepasselijke versie) de belastbare grondslag te verhogen. De appellante heeft gesteld dat dit uitgesloten is. De geïntimeerde repliceerde dat het levensonderhoud, dat al in de vernietigde aanslag een belastingelement was, nu aan de hand van nieuwe gegevens op een andere manier is berekend en het zou geen beletsel zijn dat de belastbare grondslag er door verhoogd werd; het zou volstaan dat het objectief verantwoord is.

Door de te verantwoorden post ‘levensonderhoud' te verhogen in vergelijking met de initiële (vernietigde) aanslag en op die manier de belastbare basis op te trekken, heeft de geïntimeerde de toestand van de belastingplichtige (de appellante) verzwaard. De hertaxatie met toepassing van artikel 355 WIB92 (in de versie die hier toepasselijk is), is nochtans de voortzetting van de door de vernietigde aanslag ingestelde taxatieprocedure waarbij de nieuwe aanslag de plaats inneemt van die vernietigde initiële aanslag (vgl. Cass. 26 april 1972, Arr. Cass., 1972, 804). Het was de geïntimeerde niet toegelaten de toestand van de belastingplichtige te verzwaren door het vestigen van een nieuwe aanslag.

De bestreden aanslag is dan ook (integraal) nietig.

Artikel 356, 1ste lid WIB92 luidt sedert zijn wijziging door artikel 2 van de wet van 22 december 2009 houdende fiscale bepalingen (B.S. 31 december 2009) als volgt:

"Wanneer tegen een beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan de verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag.

Aan alle voorwaarden van deze bepaling is voldaan.

Gelet op deze bepaling stelt het Hof de zaak uit naar een zitting kort na het verstrijken van de termijn van zes maanden om te kunnen handelen als naar recht.

3.2.3.

De appellante vraagt kapitalisatie op grond van artikel 1154 BW.

Artikel 1154 BW behoort evenwel tot het gemeenrecht; het gemeenrecht is in fiscale zaken slechts toepasselijk op voorwaarde dat het fiscaal recht er niet van afwijkt.

Door het bedrag te bepalen waarop de interest moet worden berekend in geval van terugbetaling van belastingen, onderwerpt artikel 418 WIB92 dergelijke terugbetalingen aan een specifiek regime van moratoire interest. Artikel 418 WIB92 wijkt dan ook af van de regels inzake moratoire interest in burgerlijke zaken waarvan artikel 1154 BW deel uitmaakt, en sluit de kapitalisatie van die interest uit (vgl. Cass.18 juni 2010, TFR, nr. 391, 2010/75, p. 963, noot S....... D.......R................).

Dat deel van de vordering moet worden afgewezen.

4. De gerechtskosten

Vermits de zaak overeenkomstig artikel 356, 1ste lid WIB92 ingeschreven blijft op de rol, en het niet uitgesloten is dat nog een beslissing moet genomen worden over eventuele subsidiaire aanslagen — wat moet gebeuren in één en dezelfde aanleg — moet het Hof de uitspraak over het lot van de gerechtskosten ondertussen aanhouden.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond;

vernietigt het bestreden vonnis, behoudens waar het de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;

doet opnieuw recht ten gronde en vernietigt de aanslag in de personenbelasting en de aanvullende belastingen die op naam van de appellante voor het aanslagjaar 1980 op 20 februari 1995 werd gevestigd onder kohierartikel 575.041 en beveelt de terugbetaling wat eventueel al teveel betaald of geïnd werd, te vermeerderen met de moratoriuminterest voorzien in artikel 418 WIB92;

houdt de zaak op de rol met toepassing van artikel 356, 1ste lid WIB92;

stelt de zaak in voortzetting op de zitting van dinsdag 24 april 2012 om 11 uur in de voormiddag om te handelen als naar recht;

houdt de uitspraak over de gerechtskosten inmiddels aan;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op ZEVENENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ELF.

Aanwezig de Heren:

D.Vandeputte, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend,

M.Vanderbeeken, griffier

Vrije woorden

  • belastbare grondslag in nieuwe aanslag mag niet hoger zijn dan in vernietigde aanslag