- Arrest van 5 november 2012

05/11/2012 - 2011AR531

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Bij toepassing van deze wetsbepaling heeft de notaris, naast het verlenen van de authenticiteit, een uit zijn vertrouwensopdracht voortvloeiende en ten aanzien van iedere partij te vervullen raadgevingsverplichting met een drievoudig voorwerp: een voorlichtingsplicht, een onderzoeksplicht en een verplichting formaliteiten te vervullen na het verlijden van de akte.

Deze verplichtingen van de notaris zijn te beschouwen als middelen-verbintenissen.

Criterium ter beoordeling van de aansprakelijkheid van de notaris is bijgevolg de abstracte vergelijking van de gedraging van de notaris met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldig en omzichtig notaris (de goede huisvader) geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden. Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader.

In deze zaak staat vast dat de appellant voor het verlijden van de notariële akte niet heeft gecontroleerd of artikel 23 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 nog steeds van kracht was.

Krachtens de artikelen 1382 en 1383 B.W. dient wie een ander schade berokkent, die schade volledig te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde in de staat moet worden hersteld waarin hij zich zou hebben bevonden als de daad waarover hij zich beklaagt, niet zou zijn gesteld.

De benadeelde van een onrechtmatige daad heeft recht op volledige vergoeding van zijn schade. Hij is niet verplicht zijn schade zoveel mogelijk te beperken. Hij moet alleen de redelijke maatregelen nemen om het nadeel te beperken als dat met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon strookt (zie ook: Cass., 14 mei 1992, www.cass.be).

De schade van de geïntimeerden en het oorzakelijk verband staat vast. Door de fout van de appellant werden ze eigenaar van landbouwgrond in ruil voor bouwgrond.

Alvorens te oordelen over de omvang van de schade bestaat er aan-leiding toe een deskundige aan te stellen om het hof te adviseren over de door de geïntimeerden concreet geleden schade.


Arrest - Integrale tekst

Hof van Beroep Antwerpen 1e kamer

2011/AR/531

L. B., notaris, appellant,

vertegenwoordigd door mr. M. D.,

tegen de vonnissen van de 3e B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 26 juni 2009 en 29 oktober 2010, aldaar gekend onder nr. A.R. 08/1414/A;

tegen:

1. H. N.,

2. A. J.,

geïntimeerden,

beiden vertegenwoordigd door mr. P V.

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan het geschil kunnen als volgt worden samengevat:

- Bij notariële akte van 6 oktober 1993 verleden voor de appellant wordt de tweede geïntimeerde ingevolge ruiling van een perceel bouwgrond eigenaar van een in de akte als volgt omschreven onroerend goed:

"GEMEENTE RIEMST 1° Afdeling

Perceel bouwgrond gelegen langs de Toekomststraat, terplaatse genaamd "Bolrehaeg", gekadastreerd sectie A nummer 879/C, groot volgens kadaster negen aren tweeëntwintig centiaren (9a 22ca)."

De akte vermeldt aangaande de stedenbouwkundige toestand van het onroerend goed het volgende:

"Voor voorschreven goed gelegen onder de gemeente Riemst werd er een stedebouwkundig attest afgeleverd door het gemeentebestuur van Riemst op eenentwintig januari negentienhonderd drieënnegentig, onder referte 7148 B 92/ 133 en 877.4/1425, waaruit blijkt dat het goed onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komt voor half-open bebouwing.

(...)

Ondergetekende notaris vestigt er partijen nogmaals de speciale aandacht op dat geen bouwwerk noch enige vaste of verplaatsbare in-richting die voor bewoning kan worden gebruikt mag worden opgericht op de hierbij geruilde goederen zolang de bouwvergunning niet werd verkregen."

- Het stedenbouwkundig attest waarnaar de akte verwijst stelt dat het betrokken perceel gelegen is binnen de grenzen van een agrarisch gebied en dat het in toepassing van artikel 21 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 (de zogenaamde opvulregel binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een voldoende uitgeruste openbare weg) onder welbepaalde voorwaarden in aanmerking komt voor halfopen bebouwing.

- Bij notariële akte van 10 februari 1998 wordt het perceel door de tweede geïntimeerde in de huwgemeenschap met de eerste geïntimeerde ingebracht.

- Op 22 mei 2004 vragen de geïntimeerden aan de gemeente Riemst een stedenbouwkundig attest voor een nieuwbouw met twee appartementen.

- De gemeente Riemst levert op 6 september 2004 een ongunstig stedenbouwkundig attest af om reden dat de opvulregel waarnaar wordt verwezen in het stedenbouwkundig attest van 21 januari 1993 werd afgeschaft (bij decreet van 23 juni 1993) en dat er bijgevolg geen modaliteiten waren om in het agrarisch gebied, waarin het perceel van de geïntimeerden gelegen was, woongelegenheden te vergunnen.

- Bij brief van 12 december 2007 stellen de geïntimeerden de appellant in gebreke. Ze verwijten hem nalatigheid bij het verlijden van de akte van 6 oktober 1993: de notaris had de juistheid van het stedenbouwkundig attest van 21 januari 1993 moeten controleren en hen er op moeten wijzen dat er op de door hen verworven grond ingevolge de afschaffing van de opvulregel niet meer kon gebouwd worden. De geïntimeerden begroten hun schade op 90.000,00 EUR.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij exploot van 21 augustus 2008 dagvaarden de geïntimeerden de appellant teneinde hem te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 115.250,00 EUR, meer de vergoedende intrest en de gedingkosten.

2.2. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te

Tongeren van 26 juni 2009:

- verklaart de vordering van de geïntimeerden toelaatbaar en gegrond als volgt:

- veroordeelt de appellant om provisioneel aan de geïntimeerden 17.352,55 EUR te betalen;

- beveelt, alvorens verder te oordelen, ambtshalve een heropening van de debatten om de geïntimeerden toe te laten de opbrengst die de som van 17.352,55 EUR sedert 6 oktober 1993 zou hebben gegenereerd te begroten, en om partijen toe te laten overeen te komen hoeveel de kwestieuze grond "op heden" waard is;

- houdt de beslissing over de gedingkosten aan.

2.3. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te

Tongeren van 29 oktober 2010:

- werkt voormeld tussenvonnis verder uit als volgt:

- veroordeelt de appellant om aan de geïntimeerden 29.907,19 EUR te betalen, meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van het vonnis, onder aftrek van de provisioneel toegekende som van 17.352,55 EUR;

- veroordeelt de appellant tot de gedingkosten.

2.4. De appellant tekent tegen de beide vonnissen hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 17 februari 2011.

2.5. De geïntimeerden tekenen tegen de beide vonnissen incidenteel beroep aan bij conclusies neergelegd ter griffie van het hof op 7 juni 2011.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. De appellant vordert in zijn op 8 december 2011 ter griffie neer-gelegde conclusies om:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het incidenteel beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- de bestreden vonnissen te hervormen en opnieuw recht doende:

- in hoofdorde, te zeggen voor recht dat de geïntimeerden, ingevolge hun schadebeperkingsplicht een nieuwe bouwaanvraag moeten in-dienen op basis van artikel 27 van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijk plannings-, vergunnings- en handhavingsbeleid en de zaak in afwachting daarvan naar de algemene rol verzenden;

- in ondergeschikte orde, de vordering te herleiden tot 17.352,55 EUR, vermeerderd met de intrest aan 5% vanaf 12 december 2007 en aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 januari 2010, de gerechtelijke intrest en de kosten;

- de geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding.

3.2. De geïntimeerden vorderen in hun op 27 januari 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep niet toelaatbaar minstens ongegrond te verklaren;

- het incidenteel beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- de bestreden vonnissen te hervormen en opnieuw recht doende:

- de appellant te veroordelen om aan hen 115.250,00 EUR te betalen, min de actuele waarde van de landbouwgrond zijnde 4.610,00 EUR, hetzij 110.640,00 EUR, meer de vergoedende intrest vanaf 6 oktober 1993 tot op de datum van de dagvaarding, waarna de gerechtelijke intrest tot de datum van de betaling, te verhogen met indexering en kapitalisatie van intresten en de gedingkosten;

- in ondergeschikte orde, een deskundige aan te stellen met als opdracht zijn advies te geven over de waarde van de grond, mocht deze het statuut hebben van bouwgrond;

- de appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. De tijdigheid, de regelmatigheid en de toelaatbaarheid van het hoger beroep en het incidenteel beroep

4.1.1. De geïntimeerden werpen de niet-toelaatbaarheid van het hoger beroep op. Zij laten echter geen exceptie van niet-toelaatbaarheid gelden. Het gaat blijkbaar om een stijlformule hetgeen ter terechtzitting door de raadsman van de appellant werd bevestigd.

Het hof stelt geen ambtshalve op te werpen excepties van niet-toelaat-baarheid vast.

4.1.2. Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden vonnissen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat:

- door de appellant tegen deze vonnissen tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij zijn op

17 februari 2011 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep;

- door de geïntimeerden tegen deze vonnissen tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze incidenteel beroep werd aangetekend bij hun op 7 juni 2011 ter griffie van het hof neergelegde conclusies.

4.2.1. Het hoger beroep

4.2.1.1. De fout

4.2.1.1.1. De geïntimeerden verwijten de appellant een extra-contractue-le tekortkoming aan zijn opzoekings- en onderzoeksverplichting, alsmede aan zijn informatieverplichting als instrumenterende notaris. Meer bepaald laten de geïntimeerden gelden dat de appellant een professionele fout heeft begaan door te hebben nagelaten "om te verifiëren of de destijds geldende opvullingsregel waarnaar werd verwezen in het stedenbouwkundig attest en op grond waarvan een stedenbouwkundige vergunning kon worden bekomen voor een woning buiten woongebied, nog wel van toepassing was op het ogenblik van het verlijden van de akte van ruiling/koop."

4.2.1.1.2. Bij artikel 9, §1, derde lid van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, wordt voorgeschreven:

"...

De notaris licht elke partij altijd volledig in over de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit de rechtshandelingen waarbij hij

betrokken is en geeft aan alle partijen op onpartijdige wijze raad".

Bij toepassing van deze wetsbepaling heeft de notaris, naast het verlenen van de authenticiteit, een uit zijn vertrouwensopdracht voortvloeiende en ten aanzien van iedere partij te vervullen raadgevingsverplichting met een drievoudig voorwerp: een voorlichtingsplicht, een onderzoeksplicht en een verplichting formaliteiten te vervullen na het verlijden van de akte.

Deze verplichtingen van de notaris zijn te beschouwen als middelen-verbintenissen.

Criterium ter beoordeling van de aansprakelijkheid van de notaris is bijgevolg de abstracte vergelijking van de gedraging van de notaris met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldig en omzichtig notaris (de goede huisvader) geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden. Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader.

4.2.1.1.3. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat ieder normaal zorgvuldig en omzichtig notaris gelast met het verlijden van een notariële akte van verkoop van een onroerend goed, nagaat of de wetgeving waar-van melding wordt gemaakt in stukken waarnaar verwezen wordt in de door hem opgestelde akte en die het stedenbouwkundig statuut van het onroerend goed betreffen, nog steeds van kracht is en de kandidaat-kopers daaromtrent informeert.

In deze zaak staat vast dat de appellant voor het verlijden van de notariële akte niet heeft gecontroleerd of artikel 23 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 nog steeds van kracht was.

Indien de appellant zijn opdracht naar behoren zou hebben vervuld,

zou hij hebben geweten dat voormeld artikel werd afgeschaft bij decreet van 23 juni 1993 dat werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op

14 augustus 1993, en zou hij de geïntimeerden hebben ingelicht over het feit dat de inhoud van het stedenbouwkundig attest niet meer actueel was en over alle juridische gevolgen van de afschaffing van de zoge-naamde opvulregel.

In de gegeven omstandigheden staat vast dat de appellant is tekort-gekomen aan de op hem rustende onderzoeks- en informatieplicht en bijgevolg een fout heeft begaan.

Dat de appellant er in de notariële akte de aandacht van de partijen op vestigt dat geen bouwwerk, noch enige vaste of verplaatsbare inrichting die voor bewoning kan gebruikt worden mag worden opgericht op de hierbij geruilde goederen zolang de bouwvergunning niet werd verkregen, kan aan het voorgaande niets veranderen.

4.2.1.2. De schade

4.2.1.2.1. De geïntimeerden stellen dat ze zonder de fout van de notaris niet tot ruiling zouden zijn overgegaan. Hun schade zou daarom gelijk zijn aan de "waarde van de grond mocht deze het statuut van bouwgrond hebben" (115.250 EUR), verminderd met de huidige waarde van de (landbouw)grond (4.610,00 EUR).

Volgens de notaris staat de schade niet vast. Bij toepassing van het decreet van 27 maart 2009 houdende aanpassing en aanvulling van het ruimtelijk plannings-, vergunnings- en handhavingsbeleid en van het decreet van 11 mei 2012 houdende de wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en wijziging van de regelgeving wat de opheffing van het agentschap ruimtelijke ordening, zou voor de geïntimeerden thans de mogelijkheid bestaan om een bouwvergunning voor het perceel te bekomen. Hij vordert daarom om, vooraleer ten gron-de te beslissen, te zeggen voor recht dat de geïntimeerden op grond van hun verplichting tot schadebeperking een nieuwe bouwvergunning moeten indienen.

Ondergeschikt is de appellant van oordeel dat de schadevergoeding van de geïntimeerden hooguit zou kunnen bestaan uit het bedrag van de oorspronkelijke geschatte aankoopprijs (17.352,55 EUR), vermeerderd met een jaarlijks rendement van 5% tot 2010 en vanaf dan met de wettelijke intrest.

4.2.1.2.2. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 B.W. dient wie een ander schade berokkent, die schade volledig te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde in de staat moet worden hersteld waarin hij zich zou hebben bevonden als de daad waarover hij zich beklaagt, niet zou zijn gesteld.

De benadeelde van een onrechtmatige daad heeft recht op volledige vergoeding van zijn schade. Hij is niet verplicht zijn schade zoveel mogelijk te beperken. Hij moet alleen de redelijke maatregelen nemen om het nadeel te beperken als dat met de houding van een redelijk en voorzichtig persoon strookt (zie ook: Cass., 14 mei 1992, www.cass.be).

Het hof oordeelt dat de door de appellant gevorderde maatregel niet kan beschouwd worden als een redelijke maatregel om de schade te beperken.

Zijn vordering om te zeggen voor recht dat de geïntimeerden een bouwaanvraag moeten indienen is ongegrond.

4.2.1.2.3. Het hof oordeelt dat moet aangenomen worden dat zeker is dat de geïntimeerden hun perceel bouwgrond waarvan de waarde in de notariële akte van 6 oktober 1993 wordt begroot op 700.000 BEF (thans 17.352,55 EUR) niet zouden geruild hebben voor een perceel, gelegen in agrarisch gebied, waarvoor, ten gevolge van de afschaffing van de opvulregel, geen woongelegenheden konden worden vergund.

De schade van de geïntimeerden en het oorzakelijk verband staat vast. Door de fout van de appellant werden ze eigenaar van landbouwgrond in ruil voor bouwgrond.

4.2.1.2.4. Een eigen fout of onzorgvuldigheid van de geïntimeerden wordt niet bewezen. Als leken op het gebied van onroerend goed kan hen niet ten kwade geduid worden dat ze niet op de hoogte waren van het decreet van de Vlaamse Overheid van 13 juli 1994 houdende overgangsmaatregelen, en van de omzendbrief van 20 juli 1994, waarbij de afschaffing van de opvulregel werd gematigd.

Bovendien kon van de geïntimeerden niet verwacht worden dat ze op grond van voormelde overgangsmaatregelen een bouwaanvraag zouden indienen wanneer ze bij de aankoop van de grond niet de onmiddellijke bedoeling hadden hierop te bouwen. De feiten bevestigen dit. Pas op

22 mei 2004 vroegen de geïntimeerden aan de gemeente Riemst een stedenbouwkundig attest aan voor een nieuwbouw met twee appartementen.

4.2.1.2.5. Aangezien de teruggave van de bouwgrond van de geïntimeerden, gelegen te Lanaken, 5e afdeling Veldwezelt, Kerkveldstraat, terplaatse genaamd "in het Kerkveldjen", gekadastreerd sectie A nummer 626/A2, groot volgens kadaster zes aren zeventien centiaren, onmogelijk is, hebben de geïntimeerden recht op de vervangingswaarde ervan, dit is op het bedrag dat nodig is om een gelijkaardige zaak aan te schaffen. Van dit bedrag dient de waarde van de grond die de geïntimeerden verwierven te worden afgetrokken.

4.2.1.2.6. De door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade moet worden begroot naar het tijdstip dat dit van het effectieve herstel ervan zo dicht mogelijk benadert, dit is praktisch naar het tijdstip van de uitspraak, in voorkomend geval na het hoger beroep.

Alvorens te oordelen over de omvang van de schade bestaat er aan-leiding toe een deskundige aan te stellen om het hof te adviseren over de door de geïntimeerden concreet geleden schade.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep tegen de be-streden vonnissen toelaatbaar;

- alvorens verder ten gronde te oordelen, stelt aan als deskundige, beëdigd landmeter-expert P. G.,

- gelast deze deskundige met de opdracht de partijen te aanhoren, kennis te nemen van hun bundels, alle nodige of nuttige inlichtingen in te winnen, zelfs bij derden, om in een gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag, neer te leggen ter griffie van dit hof:

- een advies uit te brengen omtrent de huidige normale verkoopwaarde van het perceel grond, gelegen te Lanaken, 5e afdeling Veldwezelt, Kerkveldstraat, ter plaatse genaamd "in het Kerkveld-jen", gekadastreerd sectie A nummer 626/A2, groot volgens kadaster 6a, 17ca;

- een advies uit te brengen omtrent de huidige normale verkoopwaarde van het perceel grond, gelegen te Riemst, 1e afdeling, gelegen langs de Toekomststraat, ter plaatse genaamd "Bolrehaeg", gekadastreerd sectie A nummer 879/C, groot volgens kadaster 9a, 22ca;

- verder alle nuttige inlichtingen te verschaffen aan de partijen en te antwoorden op alle ter zake dienende vragen die hem door de partijen in het kader van de uitvoering van deze opdracht mochten worden gesteld;

dit alles met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 962 tot 991bis Ger. W., hetgeen onder meer inhoudt dat:

- alle verrichtingen tegensprekelijk dienen te gebeuren en alle partij-

en dienen opgeroepen te worden om daaraan deel te nemen, tenzij

de partijen hem hiervan uitdrukkelijk zouden vrijstellen, gelet op het uiterst technisch karakter van sommige verrichtingen;

- een eventuele verzoening tussen de partijen schriftelijk wordt vast-gelegd en samen met de staat van kosten en erelonen ter griffie van dit hof wordt neergelegd;

- een voorverslag, omvattende alle elementen van de besluitvorming én een ontwerp van besluiten, zal dienen opgemaakt te worden, dat aan alle partijen in voorlezing dient verstuurd te worden, met redelijke termijn voor het formuleren van opmerkingen;

- indien na ontvangst van de opmerkingen, nieuwe verrichtingen onontbeerlijk zijn, de deskundige daarom verzoekt conform artikel 973, §2 Ger. W.;

- het eindverslag elke tijdige opmerking van de partijen, geformuleerd na de toezending van het voorverslag, dient te beantwoorden.

Het hof zegt verder dat dit arrest door de griffier bij dit hof binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskun-dige en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden.

Het hof zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren.

Het hof zegt dat verder als volgt dient te worden gehandeld, dit vanaf punt 2. na voorafgaand contact met de voormelde deskundige:

1. de deskundige zal, na de kennisgeving overeenkomstig het tweede lid van artikel 972, §1 Ger. W. of, in voorkomend geval, na kennis-geving van de consignatie van het voorschot overeenkomstig artikel 987 Ger. W., binnen de vijftien dagen zelf de plaats, de dag, en het uur bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten en zal dit per aangetekende brief meedelen aan de partijen en per gewone brief aan hun raadslieden, tenzij hij door de partijen wordt vrijgesteld van de verplichting om per aangetekende post te corresponderen;

2. de manier waarop zijn kosten en ereloon en de kosten zullen berekend worden, ziet eruit als volgt:

1. VERPLAATSINGSKOSTEN 80 km x euro 0,62/km = euro 49,60

2. FORFAITAIRE KOSTEN euro 282,00

2.1 Secretariaat 4 u x euro 47,00/u = euro 188,00

2.2 Openen dossier 1 u x euro 47,00/u = euro 47,00

2.3 Berekening erelonen + afsluiten dossier 1 u x euro 47,00/u = euro 47,00

3. BUREELKOSTEN euro 275,50

3.1 Briefwisseling

3.1.1 - gewoon 4 st x euro 7,30/st = euro 29,20

3.1.2 - aangetekend 4 st x euro 12,15/st = euro 48,60

3.1.3 - faxberichten st x euro 2,44/st = euro -

3.2 Verslag

3.2.1 - dactylo 15 blz x euro 9,72/blz = euro 145,80

3.2.2 - kopie van het verslag 75 blz x euro 0,46/blz = euro 34,50

3.2.3 - inbinden 75 blz x euro 0,04/blz = euro 3,00

3.2.4 - verzenden 5 eenh. x euro 2,48/eenh. = euro 12,40

3.3 Telefoon

3.3.1 - nationaal 4 T x euro 0,50/T = euro 2,00

3.3.2 - internationaal T x euro /T = euro -

3.4 Foto's

3.4.1 - foto's digitaal (+proefafdruk) st x euro 0,75/st = euro -

3.4.2 - verwerken foto's 0 st x euro 1,25/st = euro -

3.5 Dossierkosten = euro -

4 DOOR TE REKENEN KOSTEN euro -

5 ERELOON euro 1.157,00

5.1 Onderzoek dossier + opzoekingswerk 3,00 u x euro 89,00 = euro 267,00

5.2 Plaatsbezoeken 3,00 u x euro 89,00 = euro 267,00

5.3 Verslag bevinding na 1° plaatsbezoek x euro 89,00 = euro -

5.4 Opmetingskosten u x euro 145,00/u = euro -

5.5 Voorverslag(en) 3,00 u x euro 89,00/u = euro 267,00

5.6 Onderzoek bijkomende gegevens 1,00 u x euro 89,00/u = euro 89,00

5.7 Eindverslag 3,00 u x euro 89,00/u = euro 267,00

6 TOTAAL euro 1.764,10

7 PROVISIE euro 900,00

8 BTW (21%) euro 370,46

9 ALGEMEEN TOTAAL euro 2.134,56

3. het bedrag van het voorschot dat door de appellant binnen de maand te rekenen vanaf heden ter griffie dient te worden geconsigneerd op het rekeningnummer IBAN BE46 6792 0091 0036 - BIC PCHQBEBB met referentie van het rolnummer van de zaak en de naam van de partij voor wie de provisie wordt betaald, of bij een kredietinstel-

ling die de partijen gezamenlijk hebben gekozen, wordt bepaald op 1.800,00 EUR (+ 21% btw);

4. er wordt bevolen dat de partij die de gelden geconsigneerd heeft, hiervan onmiddellijk een bewijs van betaling aan de deskundige dient te bezorgen;

5. het redelijk deel van voormeld voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige, wordt bepaald op 900,00 EUR (exclusief btw), ambtshalve door de griffier bij dit hof over te maken aan de deskundige indien het voorschot geconsigneerd is ter griffie van dit hof;

6. aan de instelling waar de gelden geconsigneerd zijn, wordt bevolen een bedrag van 900,00 EUR (exclusief btw), vrij te geven aan de deskundige ter dekking van de kosten van de deskundige;

7. deze vrijgave wordt bevolen binnen de vijftien dagen na de con-signatie;

8. de deskundige wordt bevolen een afzonderlijke en ondertekende staat van kosten en ereloon neer te leggen, waarin afzonderlijk wordt vermeld:

- uurloon

- verplaatsingskosten

- verblijfskosten

- algemene kosten

- bedragen die aan derden zijn betaald

- verrekening van de vrijgegeven bedragen

9. de termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 974, §2 Ger. W. ("de deskundige kan zich daartoe vóór het verstrijken van die termijn tot de rechter wenden met opgave van de redenen waarom de termijn zou moeten worden verlengd").

- zegt dat het de deskundige toekomt het hof in kennis te stel-

len van het verloop van het onderzoek zoals bepaald is in artikel 972bis Ger. W.;

- zegt dat het de deskundige verboden is een rechtstreekse betaling van een partij in het geding te aanvaarden (artikel 509quater S.W.: "Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding.");

- verzendt de zaak met het oog op haar verdere afhandeling naar de bijzondere rol;

- houdt de beslissing omtrent de kosten aan.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van VIJF NOVEMBER TWEEDUIZEND TWAALF door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

Vrije woorden

  • Professionele aansprakelijkheid notaris

  • criterium normaal zorgvuldig en omzichtig notaris

  • 1382 B.W. en 1383 B.W.

  • volledige vergoeding schade