- Arrest van 19 december 2012

19/12/2012 - 2010/PGA/901

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het instandhouden van bouwwerken in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied is volgens de de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening niet meer strafbaar.

Indien een rechtstreekse dagvaarding enkel de instandhouding betreft, is het hof niet gevat voor de feiten van oprichting van de wederrechtelijke constructies, noch voor het strijdig gebruik, noch voor het plegen van een inbreuk tegen de gewestplanbestemming. Dat de rechtstreekse dagvaarding, andere vaststellingen in het proces-verbaal en andere bewoordingen van de herstelvordering dateren van voor de VCRO wijzigt daar niets aan.

De gedraging van instandhouding kan in dit geval niet heromschreven worden als een handeling van voortgezet gebruik ongeacht de aard van de norm die bij dit strijdig gebruik zou zijn overtreden.

Er is een onderscheid tussen enerzijds het "plegen" of "het voorzetten" van de inbreuk op een bestemmingsvoorschrift door een daarmee strijdig gebruik en anderzijds de strafbare "instandhouding" dat een voortdurend misdrijf van behoud van de delictuele toestand van gebruik veronderstelt waaraan de dader geen einde heeft gesteld.


Arrest - Integrale tekst

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 19 december 2012

te Antwerpen, 12e kamer

(...)

4.3.1. Op strafrechtelijk gebied

De in stand gehouden bouwwerken liggen in een landschappelijke waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Neerpelt-Bree, goedgekeurd bij KB van 22 maart 1978. Zij liggen derhalve niet in een ruimtelijk kwetsbaar gebied zoals bepaald door art. 1.1.2.10° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening of door art. 2.16° van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zoals gewijzigd.

Voor de feiten voorzien onder de tenlastelegging geldt dan ook geen strafsanctie meer overeenkomstig art. 6.1.1. lid 3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening of art. 146 derde lid van het decreet van 18 mei 1999.

Ten onrechte houdt de stedenbouwkundige inspecteur voor dat gelet op de vaststellingen in het proces-verbaal op 4 april 2003 en de bewoordingen van de herstelvordering van 2 oktober 2003 het hof gevat is voor de feiten van oprichting van de wederrechtelijke constructies alsook het strijdig gebruik alsook het plegen van een inbreuk tegen de gewestplanbestemming en niet enkel voor de instandhouding ervan.

De feiten zijn aanhangig gemaakt bij rechtstreekse dagvaarding en het is over deze feiten dat de strafrechter dient uitspraak te doen.

De rechtstreekse dagvaarding vermeldt:

"Vanaf 4 april 2003 tot 2 december 2008:

Op het onroerend goed ...

- een constructie in gevelsteen ...

- een parking ...

- op de parking een constructie in betonblokken ...

- een afdak ...

- een vijver in L- vorm ...

- een constructie in kalkzandsteen ....

IN STAND te hebben GEHOUDEN

zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning van het college van burgemeester en schepenen."

Hieruit leidt het hof af dat de rechtbank enkel gevat is voor de feiten van instandhouding en niet voor oprichting dan wel strijdig gebruik dan wel het plegen van inbreuk tegen een gewestplanbestemming, ook al werden in het proces-verbaal en in de herstelvordering de feiten van oprichting van deze wederrechtelijke constructies vermeld.

Ten onrechte houdt de stedenbouwkundige inspecteur voor dat het gebruik vervat zit in het misdrijf van instandhouding van de illegaal opgerichte en in gebruik genomen constructie zoals voorzien in de dagvaarding. Het hof verwijst naar de hoger vermelde bewoordingen van de dagvaarding die voor geen interpretatie vatbaar zijn en enkel de instandhouding van de wederrechtelijke constructies voorzien. Deze feiten vermelden niet het bestaan van meerdere inbreuken die door eenheid van opzet zouden verbonden zijn maar enkel een feit van instandhouding dat niet langer strafbaar is.

Vermits het hof niet dient te oordelen over de feiten van oprichting / voortgezet gebruik / het plegen van een inbreuk op de gewestplanbestemming, dienen deze feiten wegens eenheid van opzet niet beschouwd te worden als één misdrijf met de feiten van instandhouding, zodat het hof de gevolgen hiervan op de verjaring van de strafvordering en de herstelvordering niet dient te beoordelen.

De stedenbouwkundige inspecteur houdt echter voor dat deze feiten nog steeds strafbaar zijn na depenalisatie van het misdrijf van instandhouding, desgevallend onder een andere kwalificatie. Door de illegale constructie te gebruiken strijdig met de bestemmingsvoorschriften of stedenbouwkundige vergunningen zou dit een complexe actieve handeling vormen die te onderscheiden is van instandhouding en die onder de kwalificatie "voorzetting" deel uitmaakt van de ten laste gelegde feiten zowel op grond van art. 6.1.1. eerste lid, 1° (oprichting) als 6° (inbreuk op de bestemmingsvoorschriften) VCRO.

Tevergeefs wil de stedenbouwkundige inspecteur de feiten van instandhouden nog horen herkwalificeren als een inbreuk op art. 6.1.1. eerste lid, 1° en 6° van de VCRO nu dergelijke inbreuk eveneens als een oprichtingsmisdrijf en aflopend misdrijf dient te worden beschouwd. De gedraging van instandhouding kan niet heromschreven worden als een handeling van voortgezet gebruik ongeacht de aard van de norm die bij dit strijdig gebruik zou zijn overtreden. Immers de vermeende inbreuk op het art. 6.1.1. eerste lid, 1° en 6° VCRO betreft dan gebeurlijk nieuwe of andere feiten dan die waarmee het hof is gelast en die kunnen niet voor het eerst in hoger beroep aanhangig gemaakt worden.

Dit vindt ook steun in de cassatiearresten van 6 december 2011, 10 januari 2012 en 17 januari 2012. Meer bepaald wordt in het arrest van 17 januari 2012 een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het "plegen" of "het voorzetten" van de inbreuk op een bestemmingsvoorschrift door een daarmee strijdig gebruik (die meerdere positieve als aflopende handelingen van gebruik veronderstellen) en anderzijds de strafbare "instandhouding" dat één voortdurend misdrijf van behoud van de delictuele toestand van gebruik (ontstaan ten gevolge van voormelde positieve handelingen) veronderstelt waaraan de dader geen einde heeft gesteld.

De overige argumentatie van de eiser tot herstel is niet van aard het Hof anders te doen oordelen en/of niet ter zake dienend onder meer in verband met het vermoeden van vergunning.

(...)

Vrije woorden

  • Stedenbouwmisdrijf

  • Instandhouden

  • Depenalisering

  • Rechtstreekse dagvaarding beperkt tot instandhouding

  • Andere feiten in PV en herstelvordering

  • Herkwalificatie

  • Saisine.