- Arrest van 24 januari 2012

24/01/2012 - 2011AR2142

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Letterlijk vereist artikel 811 BW inzake de toepassingsvoorwaarden van een onbeheerde nalatenschap dat al de gekende wettige erfgenamen de erfenis verworpen hebben, en dus ook, na de erfgenamen van de eerste graad, die van de tweede graad, et cetera. Toch kunnen de belanghebbenden, vanaf de verwerping van de nalatenschap door de eerst geroepen wettige erfgenamen, een curator over de onbe¬heerde nalatenschap doen aanstellen.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2011/AR/2142

INZAKE VAN :

Het AZ SINT-JAN AV BRUGGE, vereniging onderworpen aan de wet van 8 juli 1976, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 8000 BRUGGE, Ruddershove 10, op vervolging en benaarstiging van haar financieel directeur, de heer Marc VERMEIRE, Ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0266.559.859,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 januari 2011,

vertegenwoordigd door Meester DEVLOO loco Meester Dieter DEFAUW, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Pastoriestraat 137 bus 6,

1ste kamer

TEGEN :

Het OPENBAAR MINISTERIE, in het ambt van de Procureur-Generaal bij het Hof van Beroep te BRUSSEL

geïntimeerde, vertegenwoordigd door de heer M. VERBELEN, advocaat-generaal,

ERFENISSEN - ONHEERDE NALATENSCHAP - VOOWAARDEN

Letterlijk vereist artikel 811 BW inzake de toepassingsvoorwaarden van een onbeheerde nalatenschap dat al de gekende wettige erfgenamen de erfenis verworpen hebben, en dus ook, na de erfgenamen van de eerste graad, die van de tweede graad, et cetera. Toch kunnen de belanghebbenden, vanaf de verwerping van de nalatenschap door de eerst geroepen wettige erfgenamen, een curator over de onbe¬heerde nalatenschap doen aanstellen.

1 . De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 24 januari 2011.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 . De feiten

Appellante stelt dat zij schuldeiser is van mevrouw F. L., geboren op 30 december 1969 en overleden op 5 maart 2008 te K..

De twee kinderen van de overledene hebben het voorwerp uitgemaakt van volle adoptie.

De moeder van de overledene, mevrouw B. A., en haar halfzuster, mevrouw I. R., hebben de nalatenschap verworpen op respectievelijk 26 mei 2008 en 9 februari 2010.

3 . Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde appellante een curator aan te stellen over de onbeheerde nalatenschap.

De procureur des Konings adviseerde tot de afwijzing van de vordering op grond van de stelling dat er nog erfgenamen zijn die de nalatenschap niet hebben verworpen zodat de voorwaarden van artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek niet vervuld zijn.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond.

3.3

In hoger beroep herneemt appellante haar oorspronkelijke vordering.

De procureur-generaal heeft ter zitting mondeling advies verleend strekkend tot de gegrondheid van het hoger beroep.

4 . De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Appellante richt haar hoger beroep tegen het openbaar ministerie als geïntimeerde. Zij had nochtans voor de eerste rechter niets gevorderd van het openbaar ministerie, dat voor de eerste rechter alleen advies heeft uitgebracht. Ook in hoger beroep vraagt zij niets van de procureur-generaal. Artikel 1228 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de vordering tot aanstelling van een curator wordt ingesteld door een belanghebbende of door de procureur des Konings, maar dat maakt de procureur des Konings nog niet tot partij indien de vordering wordt ingesteld door een belanghebbende.

Het bovenstaande maakt het hoger beroep evenwel niet onontvankelijk.

4.2 De grond van het hoger beroep

De eerste rechter besliste overeenkomstig het advies van het openbaar ministerie. Hij stelde vast dat de kinderen van de halfzuster van de overledene, mevrouw I. R., de nalatenschap niet hebben verworpen. Hij oordeelde dat daaruit volgt dat de nalatenschap niet als onbeheerd kan worden beschouwd.

Wanneer, na het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, zich niemand aanmeldt om een nalatenschap op te vorderen, geen erfgenaam bekend is of de bekende erfgenamen de nalatenschap hebben verworpen, wordt deze als onbeheerd beschouwd (artikel 811 van het Burgerlijk Wetboek).

Letterlijk vereist dit dat al de gekende wettige erfgenamen de erfenis verworpen hebben, en dus ook, na de erfgenamen van de eerste graad, die van de tweede graad, et cetera. Toch werd reeds door Pothier aangenomen dat de belanghebbenden, vanaf de verwerping door de eerst geroepen wettige erfgenamen, een curator over de onbe¬heerde nalatenschap kunnen doen aanstellen .

In deze staat vast dat niemand zich aanmeldt om de nalatenschap op te vorderen, en dat de eerst geroepenen, de moeder en de halfzuster, de nalatenschap hebben verworpen. Dat vervolgens de kinderen van de halfzuster zich niet hebben gemanifesteerd, is zonder belang. Het tijdsverloop sinds het overlijden suggereert niet dat zij interesse betonen. Uit het dossier van de procureur des Konings blijkt dat één van de kinderen van I. R., de heer C. V., zelfs niet heeft gereageerd op oproepingen van de politie. Terecht merkt appellante op dat het recht om een nalatenschap te aanvaarden of te verwerpen verjaart door verloop van 30 jaar (artikel 789 juncto 2262 van het Burgerlijk Wetboek). Het zou bepaald onpraktisch zijn zo lang te wachten vooraleer vast te stellen dat een nalatenschap onbeheerd is.

In deze omstandigheden beschouwt het hof de nalatenschap als onbeheerd, en stelt het een curator aan.

5 . De kosten

Gelet op de aard van de zaak worden de kosten ten laste gelegd van de nalatenschap. Appellante begroot haar kosten niet.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vordering, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van appellante gegrond en stelt aan als curator over de onbeheerde nalatenschap van mevrouw Fabienne Leroy, geboren op 30 december 1969 en overleden op 5 maart 2008 te Koekelberg, de heer Jimmy-Fernand VLAEMINCK, advocaat te 1210 Brussel, Middaglijnstraat 13, die zal handelen overeenkomstig artikel 1230 van het Gerechtelijk Wetboek.

Verzoekt de griffie de inschrijving in het register bedoeld in artikel 1231 van het Gerechtelijk Wetboek.

Legt de kosten ten laste van de nalatenschap.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

24/01/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Vrije woorden

  • Onbeheerde nalatenschap: toepassingsvoorwaarden. Verjaringstermijn inzake het recht van aanvaarding of verwerping van de nalatenschap.