- Arrest van 24 januari 2012

24/01/2012 - 2009AR1963

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Art. 1022 Ger. W. De rechter mag een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toekennen omwille van het kennelijk onredelijk karakter van de situatie waarbij de rechter zich mag laten leiden door de billijkheid. Deze billijkheid speelt een rol in situaties waar de voorwaarden voor procesrechtsmisbruik niet vervuld zijn maar die toch benaderen.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/1963

INZAKE VAN :

De NV LEXIS JURIDISCHE DIENSTENGROEP, afgekort "LEXIS", waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2930 BRASSCHAAT, Jacobuslei 37, Ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0418.645.466,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van Koophandel te Brussel van 8 april 2009,

vertegenwoordigd door Meester Jan VAN HOOF, advocaat te 1820 PERK (Steenokkerzeel), de Ribaucourtplein 3,

1ste kamer

TEGEN :

De BVBA CREDIT - CONSULT, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1020 BRUSSEL, Sint-Annadreef 68, Ingeschreven in het register der kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer 0477.76.075,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Luc PANIS, advocaat te 1700 DILBEEK, Moeremanslaan 86,

samenvatting

De rechter mag een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toekennen omwille van het kennelijk onredelijk karakter van de situatie waarbij de rechter zich mag laten leiden door de billijkheid. Deze billijkheid speelt een rol in situaties waar de voorwaarden voor procesrechtsmisbruik niet vervuld zijn maar die toch benaderen.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel op 8 april 2009, beslissing die betekend werd op 15 juni 2009;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 14 juli 2009;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 20 en 21 oktober 2009.

• de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 16 november 2009.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 5 december 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een bedrag (1) van 60.000 euro plus de moratoire intresten vanaf 28 januari 2008, datum van de ingebrekestelling en de gerechtelijke intresten en (2) van 1.000 euro wegens het voeren van een tergend en roekeloos verweer.

Appellante stelde een tegeneis in en vroeg de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van 1.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de hoofdeis ingewilligd met dien verstande dat enkel gerechtelijke moratoire intresten werden toegekend vanaf de dagvaarding, (2) alle overige eisen verworpen als ongegrond en (3) het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

In hoger beroep vraagt appellante de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en herneemt zij haar aanvankelijke tegeneis.

1.3. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij dringt bijgevolg niet meer aan wat de intresten betreft en wat de schadevergoeding betreft wegens het voeren van een tergend en roekeloos verweer.

1.4. Appellante heeft inmiddels een verzoek ingediend teneinde de beslissing van de eerste rechter betreffende de voorlopige tenuitvoerlegging nietig te horen verklaren.

Bij arrest gewezen op 15 februari 2010 werd dit verzoek afgewezen als ongegrond.

II. De feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante sedert 2005 geabonneerd is op de dienst "faillissementen van de dag" die geleverd wordt door geïntimeerde tegen een jaarlijkse abonnementsprijs van 95 euro exclusief BTW .

Geïntimeerde zou op een bepaald ogenblik vastgesteld hebben dat appellante bepaalde informatie die zij van haar verkreeg, kopieerde en doorverkocht aan eigen klanten met een gelijkaardig abonnement.

2.3. Een ingebrekestelling werd opgestuurd op 28 januari 2008 waarin gevraagd werd (1) die activiteit stop te zetten, (2) de klanten door te verwijzen naar geïntimeerde en (3) een passende vergoeding te betalen voor de geleden schade. Hierna zouden voornoemde praktijken gestopt zijn maar zonder enige financiële tegemoetkoming vanwege appellante.

III. Discussie.

3.1. Appellante werpt op dat geïntimeerde niet preciseert welke vordering zij tegen haar instelt en op welke rechtsgrond(en) deze gesteund is (= OBSCURI LIBELLI).

Uit de dagvaarding blijkt duidelijk dat tussen partijen een overeenkomst werd aangegaan en dat geïntimeerde aan appellante verwijt haar contractuele verplichtingen niet te hebben nageleefd door het misbruik maken van de informatie die zij verkreeg ingevolge het aangaan van dat contract.

Er is in deze dan ook geen sprake van enige onduidelijkheid.

3.2. Appellante betwist enige fout te hebben begaan, dat er schade is en dat er een oorzakelijk verband zou bestaan tussen de fout en de schade.

Zij merkt op dat het overigens om informatie gaat die in het Belgisch Staatsblad verschijnt en door eenieder kan geconsulteerd worden.

3.3. Het is niet omdat de informatie uit het Staatsblad wordt gehaald dat dit het recht geeft aan appellante om de door geïntimeerde geleverde dienst, waarvoor ze overigens een abonnementsgeld betaalt, na te bootsen.

De vraag stelt zich overigens waarom appellante abonnementsgeld heeft betaald voor een dienst die zij nu "waardeloos" vindt en waarom zijzelf - met miskenning van de rechten van geïntimeerde - overging tot het aanbieden van een gelijkaardige dienst

Daarenboven stelt appellante zelf in haar conclusie dat geïntimeerde eigen informatie toevoegde aan de lijst van gefailleerden en dat dergelijke informatie een toegevoegde waarde was t.a.v. de gegevens van de gefailleerde zoals deze worden gepubliceerd in het Staatsblad.

De dienst die geïntimeerde aanbood, ging bijgevolg verder dan het eenvoudig overnemen van gegevens uit het Staatsblad.

3.4. Uit de neergelegde stukken blijkt duidelijk dat appellante praktisch dezelfde lijsten opstelde als deze afkomstig van geïntimeerde en deze verspreidde onder haar eigen klanten tegen zelfs een hoger abonnementsgeld.

Dit gegeven op zich wordt overigens niet ernstig betwist door appellante.

Het gegeven dat geïntimeerde op een bepaald ogenblik bewust fouten inlaste in haar lijsten om zo de praktijken van appellante aan het licht te brengen doch over de aard van die fouten "zeer geheimzinnig" doet, doet niets af aan het feit dat appellante misbruik heeft gemaakt van de door geïntimeerde geleverde informatie.

Appellante heeft derhalve wel degelijk een (contractuele) fout begaan. Zij heeft misbruik gemaakt van de informatie die door geïntimeerde verstrekt werd door op grond van de door geïntimeerde geleverde lijsten dezelfde dienst aan te bieden aan eigen cliënten en hiervoor abonnementsgeld te vragen.

De betwisting die appellante voert over het al dan niet aanvaarden van de algemene voorwaarden van geïntimeerde is in dit debat niet terzake dienend.

Op de bestelbon van geïntimeerde die appellante noodzakelijkerwijze onderschreven moet hebben om een abonnement af te sluiten, staat duidelijk vermeld dat voortverkoop van de gegevens van CREDIT - CONSULT strikt verboden is zonder uitdrukkelijke schriftelijke toelating, dat de monitoring (opvolging) en screening alleen mogen gebruikt worden voor het opvolgen of screenen van eigen klanten, leveranciers en/of concurrenten en dat de ondertekening van die bestelbon en het gebruiken van de website de onvoorwaardelijke aanvaarding inhoudt van deze voorwaarden.

Bij het aangaan van het desbetreffend abonnement bij geïntimeerde was appellante derhalve afdoend op de hoogte dat zij niet zonder meer de gegevens verstrekt door geïntimeerde mocht doorverkopen aan derden.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd. Voor zoveel als nodig wordt verder verwezen naar de oordeelkundige motieven van de eerste rechter desbetreffend die als hernomen worden beschouwd in zoverre ze niet tegenstrijdig zijn met de motieven uiteengezet in dit arrest.

3.4. Er kan evenmin ernstig betwist worden dat door de praktijken van appellante geïntimeerde schade heeft geleden.

Geïntimeerde heeft hierdoor klandizie verloren en bijgevolg abonnementsgelden die haar hadden moeten toekomen.

Geïntimeerde beweert dat de faillissementen van de dag door appellante aan ongeveer 262 klanten werd toegestuurd a rato van 120 euro per jaar, exclusief BTW en dat deze commercialisatie 3 jaar zou geduurd hebben. Zij komt zo tot een eindresultaat van 94.320 euro waarvan zij 60.000 euro vraagt, ex aequo et bono geraamd.

In tegenstelling tot de eerste rechter heeft het hof bedenkingen bij deze berekeningswijze.

Het is immers niet zeker dat deze gemeende klanten ook een abonnement zouden genomen hebben bij geïntimeerde. Bovendien leidt geïntimeerde voornoemde gegevens af uit één enkele e - mail. Nergens kan afgeleid worden dat die klanten gedurende 3 jaar een abonnement zijn blijven nemen bij appellante.

Gelet op al deze onzekerheden wordt de schade ex aequo et bono geraamd op 25.000 euro. Op dat punt wordt het bestreden vonnis hervormd.

Zoals hoger gesteld legt geïntimeerde zich neer bij de beslissing van de eerste rechter wat de toegekende intresten betreft.

3.5. Appellante vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 2.500 euro (= niet geïndexeerd basistarief) terwijl geïntimeerde een verhoogde rechtsplegingsvergoeding vraagt t.b.v. 5.000 euro (niet geïndexeerd maximumtarief).

De eerste rechter volgde het standpunt van geïntimeerde dat de houding van huidige appellante in deze aangelegenheid van die aard geweest was dat een verhoogde rechtsplegingsvergoeding zich opdrong.

Er kan niet ontkend worden dat de feiten in deze zaak voor zich spreken en dat niettegenstaande de eerste rechter één en ander reeds liet uitschijnen appellante het toch nodig achtte hoger beroep aan te tekenen.

De rechter mag een verhoogde rechtsplegingsvergoeding toekennen omwille van het kennelijk onredelijk karakter van de situatie waarbij de rechter zich mag laten leiden door de billijkheid.

Deze billijkheid speelt een rol in situaties waar de voorwaarden voor procesrechtsmisbruik niet vervuld zijn maar die toch benaderen.

In deze wordt dan ook het maximum aan rechtsplegingsvergoeding toegekend die na indexatie 5.500 euro bedraagt.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de hierna volgende mate.

Bevestigt het bestreden vonnis, binnen de perken van huidig beroep, mits de enkele wijziging dat het toegekende bedrag in hoofdsom (= 60.000 euro) herleid wordt tot 25.000 euro.

Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 2.336 ( 186 rolrecht + 2.250 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 5.500 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

24/01/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Rechtsplegingsvergoeding. Begroting. Impact van het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Billijkheid.