- Arrest van 14 februari 2012

14/02/2012 - 2008AR732bis-1

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 815 BW verbiedt elke testamentaire clausule om in onverdeeldheid te blijven, zelfs al zou deze last slechts gelden voor maximum vijf jaar. Deze testamentaire clausule is absoluut nietig (artikelen 6, 815 1131 en 1133 B.W.). De wet laat immers uitsluitend een overeenkomst toe om in onverdeeldheid te blijven en dan nog uitsluitend voor maximum vijf jaar toe (artikel 815, tweede lid B.W.). Artikel 815 B.W. verbiedt elke testamentaire clausule om in onverdeeldheid te blijven zelfs al zou deze last slechts gelden voor maximum vijf jaar. Deze testamentaire clausule of last is absoluut nietig (art. 6, 815 1131 en 1133 B.W.) maar deze nietige clausule brengt niet automatisch de nietigheid met zich mee van de andere clausules in het testament.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2008/AR/732

INZAKE VAN :

Mevrouw D. V.,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 25 september 2007,

vertegenwoordigd door Meester Meester Mark SCHUURMANS, advocaat te 2820 BONHEIDEN, Dorp 62,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer K. V., ,

2) De heer J. V.,

geïntimeerden, de eerste in persoon verschijnende, beide vertegenwoordigd door Meester DE KERPEL loco Meester Pieter DERVEAUX, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54,

3) De heer X. V.,

4) Mevrouw M. V.,

5) Mevrouw H. V.,

geïntimeerden, de derde en vierde in persoon verschijnende, de derde, vierde en vijfde vertegenwoordigd door Meester Pieter VAN WAEG, advocaat te 1150 BRUSSEL, Vandenhovenstraat 86

6) Mevrouw E. V.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Arn CALEWAERT, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Lange Gasthuisstraat 27,

7) Mevrouw A. V., thans wonende te 1020 BRUSSEL, HeizE.traat 134/2.1,

zevende geïntimeerde, in persoon verschijnende.

I. Artikel 1083 BW.......................................................

II. Artikel 919 BW......................................................

III. Artikel 815 BW verbiedt elke testamentaire clausule om in onverdeeldheid te blijven, zelfs al zou deze last slechts gelden voor maximum vijf jaar. Deze testamentaire clausule is absoluut nietig (artikelen 6, 815 1131 en 1133 B.W.). De wet laat immers uitsluitend een overeenkomst toe om in onverdeeldheid te blijven en dan nog uitsluitend voor maximum vijf jaar toe (artikel 815, tweede lid B.W.). Artikel 815 B.W. verbiedt elke testamentaire clausule om in onverdeeldheid te blijven zelfs al zou deze last slechts gelden voor maximum vijf jaar. Deze testamentaire clausule of last is absoluut nietig (art. 6, 815 1131 en 1133 B.W.) maar deze nietige clausule brengt niet automatisch de nietigheid met zich mee van de andere clausules in het testament.

I. Procedurele precedenten.

1.1. Bij exploot betekend op 7 mei 2003 gingen J., K., A. en D. V. over tot het dagvaarden van X., E, M. en H. V. teneinde de vereffening en verdeling te horen bekomen van enerzijds de nalatenschap van hun respectievelijke ouders, R. V. en M. V., en anderzijds de huwgemeenschap die tussen beiden bestaan had.

Eisende partijen vroegen verder notaris Dirk Y. met standplaats te L. aan te stellen als boedelnotaris en een tweede notaris om de afwezige of weigerachtige partijen te vertegenwoordigen en gezien de kunstwerken niet in natura verdeelbaar waren een deskundige aan te stellen om deze werken te schatten en er 8 gelijkwaardige loten van te maken.

Er werd tenslotte gevraagd rekening te houden met de eigenhandige testamenten die door hun overleden ouders werden nagelaten.

1.2. De eerste rechter heeft bij tussenvonnis van 30 juli 2003 (1) bevolen dat er op vervolging van de meest gerede partijen en in aanwezigheid van de andere partijen, die minstens behoorlijk opgeroepen dienden te worden, zou overgegaan worden tot de verrichtingen van inventaris, rekening, vereffening en verdeling van de huwgemeenschap en de respectieve nalatenschappen, (2) bevolen, indien een behoorlijke verdeling in natura niet mogelijk was, er overeenkomstig artikel 1211 Ger.W. diende overgegaan te worden tot de openbare verkoop van de goederen, zowel de roerende als de onroerende, afhangende van voornoemde onverdeeldheid, (3) de heren Z., met standplaats te L., en Y., met standplaats te L., aangesteld als boedelnotarissen, (4) de heer C. met standplaats te K., aangesteld als tweede notaris en (5) de gerechtskosten ten laste van de massa gelegd.

Notaris Z. is dus de notaris - minuuthouder in de zin van artikel 1214 Ger.W.

1.3. Op 2 oktober 2003 werd een aanvang genomen met de vereffening gevolgd door inventarissen te L. en te L. en de overeenkomstige eedafleggingen.

Op 10 mei 2004 werd een notariële akte opgesteld waarin vermeld werd dat partijen bevestigen, voor zoveel als nodig, het vonnis van 30 juli 2003 voor betekend te houden en erin te berusten.

Een P.V. van vereffening en verdeling werd opgesteld op 13 september 2005, alsmede een P.V. van zwarigheden en de opmerkingen hierop. Het slotadvies dateert van 24 X.uari 2006.

1.4. Bij tussenvonnis van 25 september 2007 werd (1) de vordering tot vervanging van de boedelnotarissen ongegrond verklaard, (2) het dossier terug verzonden naar de boedelnotarissen ... met het verzoek punt per punt hun gedetailleerd en gemotiveerd advies uit te brengen nopens de verschillende door partijen opgeworpen zwarigheden, (3) gezegd voor recht dat de boedelnotarissen aan alle partijen mededeling dienden te doen van de reeds bestaande schattingsverslagen betreffende de roerende en onroerende activa, behorende tot de kwestieuze nalatenschappen en gezegd voor recht dat een gedetailleerde en volledige opgave diende opgemaakt te worden, met afrekening van de sinds de aanvang van de opdracht van de boedelnotarissen, ontvangen bedragen en gemaakte uitgaven, (4) de heropening van de debatten bevolen betreffende de vordering van X., M. en H. V. strekkende tot aanstelling van een notaris - beheerder.

In het motiverend gedeelte van gezegd tussenvonnis werd tevens vermeld dat uit de door partijen gestelde zwarigheden thans reeds mag worden besloten dat elk der partijen zich principieel neerlegt bij de testamentaire beschikkingen ervan en met de gemotiveerde interpretatie gegeven daaraan door de notarissen.

1.5. Tegen dit vonnis werd een beperkt hoger beroep aangetekend - voorwerp van huidig geschil - waarbij appellante vraagt te zeggen voor recht dat de nalatenschap overeenkomstig de testamenten van respectievelijk M. V. en R. V. als volgt zou worden verdeeld: elke erfgenaam verkrijgt het onroerend goed dat hem/haar bij bijzonder legaat is toebedeeld, en alle andere goederen die afhangen van de nalatenschap worden gelijkelijk verdeeld tussen de 8 erfgenamen.

In deze procedure vragen geïntimeerden sub 1 en 2 het (beperkt) hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Geïntimeerden sub 3, 4 en 5 vragen het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren.

1.6. Bij vonnis van 12 februari 2008 werd notaris H. met standplaats te S. aangesteld als beheerder van de roerende en onroerende goederen afhangende van de huwgemeenschap tussen R. V. en M. V. en afhangend van hun respectievelijke nalatenschappen overeenkomstig artikel 1210 Ger.W.

Tegen dit vonnis werd eveneens hoger beroep aangetekend.

Bij arrest van 5 mei 2009 werd dit beroep verworpen en werd het bestreden vonnis bevestigd.

1.7. Bij tussenarrest van 26 september 2011 werd de neerlegging van bijkomende stukken gevraagd alsmede om stelling in te nemen in welke mate voornoemde eigenhandige testamenten al dan niet geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar zijn in het licht van de overlevingsbedingen vervat in het huwelijkscontract .

II. De relevante feiten.

2.1. R. V. en M. V. waren gehuwd onder het conventioneel huwelijksvermogensstE.el van de algehele gemeenschap ingevolge hun huwelijkscontract verleden op 2 april 1944 voor notaris F. L. te P.

Dit stelsel maakte niet het voorwerp uit noch van een wijzigingsakte (art. 1394 BW) noch van een handhavingsakte .

De artikelen 2 en 3 van dit huwelijkscontract bevatten twee huwelijksvoordelen ten voordele van de langstlevende echtgenoot indien er kinderen uit dit huwelijk geboren werden, met name:

- een beding van ongelijke verdeling van de algehele gemeenschap, namelijk ½ volle eigendom plus ½ vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot. De nalatenschap van de eerststervende echtgenoot bevat derhalve uitsluitend de helft van de algehele gemeenschap in blote eigendom (= artikel 2 van het huwelijkscontract);

- een contractuele erfstelling van het grootst beschikbaar deel in volle eigendom en in vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot (= artikel 3 van het huwelijkscontract).

2.2. Uit voornoemd huwelijk werden acht kinderen geboren, namelijk D., K., J., X., M., H., E. en A., zijnde de huidige partijen in het geding.

2.3. Op 10 juni 1997 hebben R. V. en M. V. elk een eigenhandig testament opgemaakt die als spiegeltestamenten kunnen bestempeld worden.

2.4. Op 18 juli 2002 is M. V. overleden.

Haar testament van 10 juni 1997 luidde als volgt:

"Ik herroep alle voorgaande testamenten.

Het is mijn wil dat mijn persoonlijke goederen en de goederen van de huwgemeenschap die bestaat tussen mij en mijn echtgenoot V. K. R. Gommaar alsmede de persoonlijke goederen van mijn echtgenoot als volgt onder onze kinderen verdeeld worden:

a) aan mijn zoon K. moet toebedeeld worden: het appartement...

b) aan mijn zoon J.: het appartement...

c) aan mijn zoon X.: het appartement...

d) aan mijn dochter E.: het appartement...

e) aan mijn dochter M.: de polyvalente kelder...

f) aan mijn dochter A.: de vroegere drogisterij...

g) aan mijn dochter L.: het appartement...

h) aan mijn dochter D.: het appartement...

De andere goederen die zouden afhangen van mijn nalatenschap of van mijn echtgenoot, zullen gelijkelijk onder mijn acht kinderen verdeeld worden zoals zij zullen overeenkomen:....

Indien zij het wensen, en er volledig in vrije wil in toestemmen, mogen zij onderling de gemelde goederen omruilen. Deze omruiling zal in geen geval gerechtelijk kunnen afgedwongen worden.

Dit voorstel tot verdeling, indien mijn echtgenoot daarmee instemt, door mijn acht kinderen geëerbiedigd worden.

Voor het geval dit voorstel van verdeling door een van mijn kinderen, om welke reden ook bestreden zou worden, verklaar ik dit kind te onterven van het beschikbaar gedeelte dat ik aan mijn andere kinderen legateer bij vooruitmaking.

De verdeling zal gebeuren, indien mijn echtgenoot dit verlangt tijdens het leven en onder toezicht van deze laatste. Mijn echtgenoot zal in dit geval voor de duur van zijn leven het vruchtgebruik bekomen van de te verdelen goederen, hierboven vermeld.

Indien mijn echtgenoot in onverdeeldheid verlangt te blijven, zal de verdeling uitgesteld worden tot het overlijden van de langstlevende der beide ouders.

Zij moet dan plaats hebben, zoals hierboven bepaald binnen de vijf maand na het overlijden van de langstlevende.

Indien één van mijn kinderen of mijn echtgenoot vóór mij zou komen te overlijden, zal deze verdeling behouden blijven tegenover de nog in leven zijnde kinderen. De kavel toegewezen aan het voorverleden kind, wordt aan diens kinderen of nakomelingen toegedeeld. Indien de overledene geen afstammelingen achterlaat, vervalt de hem toegedane toebedeling en vallen de goederen van zijn kavel in mijn nalatenschap en zullen zij onder mijn erfgenamen verdeeld worden overeenkomstig de wet wens ik wel dat de overlevende echtgenoot van mijn vooroverleden kind, het levenslang vruchtgebruik heeft van de toebedeelde goederen.

Het is mijn wens dat de twee eigendommen te L. gelegen... zoo lang mogelijk in familiebezit blijven.

Bij de vereffening - verdeling zo van mijn nalatenschap als die van mijn echtgenoot dient er rekening te worden gehouden met het feit dat:..."

2.5. Op 4 september 2002 is de langstlevende echtgenoot R. V. overleden.

Zijn testament van 10 juni 1997 luidde als volgt:

"Ik herroep alle voorgaande testamenten.

Het is mijn wil dat mijn persoonlijke goederen en de goederen van de huwgemeenschap die bestaat tussen mij en mijn echtgenote V. alsmede de persoonlijke goederen van mijn echtgenote als volgt onder onze kinderen verdeeld worden:

a) aan mijn zoon K. moet toebedeeld worden: het appartement...

b) aan mijn zoon J.: het appartement...

c) aan mijn zoon X.: het appartement...

d) aan mijn dochter E.: het appartement...

e) aan mijn dochter M.: de polyvalente kelder...

f) aan mijn dochter A.: de vroegere drogisterij...

g) aan mijn dochter L.: het appartement...

h) aan mijn dochter D.: het appartement...

De andere goederen die zouden afhangen van mijn nalatenschap of van de nalatenschap van mijn echtgenote, zullen gelijkelijk onder mijn acht kinderen verdeeld worden zoals zij zullen overeenkomen:....

Indien zij het wensen, en er volledig in vrije wil in toestemmen, mogen zij onderling de gemelde goederen omruilen. Deze omruiling zal in geen geval gerechtelijk kunnen afgedwongen worden, zoniet blijft de hiervoor gemelde regeling van toepassing.

Dit voorstel tot verdeling moet, indien mijn echtgenote daarmede instemt, door mijn acht kinderen geëerbiedigd worden.

Voor het geval dit voorstel van verdeling door een van mijn kinderen, om welke reden ook bestreden zou worden, verklaar ik dit kind te onterven van het beschikbaar gedeelte dat ik aan mijn andere kinderen legateer bij vooruitmaking."

De verdeling zal gebeuren, indien mijn echtgenote dit verlangt tijdens het leven en onder toezicht van deze laatste. Mijn echtgenote zal in dit geval voor de duur van haar leven het vruchtgebruik bekomen van de te verdelen goederen, hierboven vermeld.

Indien mijn echtgenote in onverdeeldheid verlangt te blijven, zal de verdeling uitgesteld worden tot het overlijden van de langstlevende der beide ouders.

Zij moet dan plaats hebben, zoals hierboven bepaald binnen de vijf maand na het overlijden van de langstlevende.

Indien één van mijn kinderen of mijn echtgenote vóór mij zou komen te overlijden, zal deze verdeling behouden blijven tegenover de nog in leven zijnde kinderen. De kavel toegewezen aan het voorverleden kind, wordt aan diens kinderen of nakomelingen toegedeeld. Indien de overledene geen afstammelingen achterlaat, vervalt de hem toegedane toebedeling en vallen de goederen van zijn kavel in mijn nalatenschap en zullen zij onder mijn erfgenamen verdeeld worden overeenkomstig de wet. Enkel in dit laatste geval wens ik wel dat de overlevende echtgenote van mijn vooroverleden kind, het levenslang vruchtgebruik heeft van de toebedeelde goederen.

Het is mijn wens dat de twee eigendommen te L. gelegen... zo lang mogelijk in familiebezit blijven.

Bij de vereffening - verdeling zowel van mijn nalatenschap als die van mijn echtgenoot dient er rekening te worden gehouden met het feit dat:..."

2.6. Bij tussenarrest van 26 september 2011 werden partijen uitgenodigd standpunt in te nemen over het al dan niet uitvoerbaar zijn van de voormelde testamenten van 10 juni 1997.

III. Standpunt van partijen:

3.1. Appellante D. V. stelt het volgende:

- de boedelnotarissen hebben de zwarigheden niet op behoorlijke wijze beantwoord zodat de eerste rechter terecht de zaak heeft terug verzonden naar de boedelnotarissen;

- het bestreden vonnis stelt ten onrechte dat het in deze niet gaat om bijzondere legaten buiten erfdeel (= voorwerp van het hoger beroep).

3.2. Anne V. stelt het volgende:

- het testament van moeder is niet uitvoerbaar en kan bijgevolg geen uitwerking krijgen;

- het testament van vader is wel uitvoerbaar en kan wel uitwerking krijgen omdat een legaat van andermans goed mag uitgelegd worden als een legaat met last - lastens alle deelgenoten - om de gelegateerde onverdeelde goederen aan de respectieve legatarissen uit te keren;

- de strafclausule is geldig binnen het beschikbaar deel. Zij is in deze uitvoerbaar bij de vereffening - verdeling van de nalatenschap van de vader zodat de acht kinderen verplicht zijn mee te werken aan de verdeling zoals de vader stelde. De strafclausule zou neerkomen op een onterving van diegene die niet vrijwillig medewerkt;

- de legaten met last dienen geacht te zijn gedaan met vrijstelling van inbreng.

3.3.E. V. stelt het volgende:

- de langstlevende echtgenoot verwerft ½ VE + ½ VG van de goederen van de algehele thans ontbonden gemeenschap krachtens art. 2 van het huwelijkscontract;

- bij gebreke aan eigen goederen kan de contractuele erfstelling, vervat in artikel 3 van het huwelijkscontract, geen uitwerking krijgen;

- de testamenten van elk van beide echtgenoten zijn niet uitvoerbaar en zij kunnen bijgevolg geen uitwerking krijgen;

- na toepassing van de clausule van de ongelijke verdeling van de gemeenschap dient de wettelijke devolutie toegepast te worden;

- de zaak dient terug verzonden te worden naar de twee boedelnotarissen ter verder zetting van hun verrichtingen van vereffening - verdeling.

3.4. X., M. en H. V. stellen het volgende:

- de beide testamenten zijn niet uitvoerbaar omdat beide ouders telkens beschikken over meer dan de eigen nalatenschap en elkaars onherroepelijkheid impliceren.

3.5. J. en K. V. stellen het volgende:

- de testamenten zijn wel uitvoerbaar.

IV.Bespreking:

4.1. Ingevolge de duidelijke termen van het niet bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 30 juli 2003 dienden de boedelnotarissen achtereenvolgens over te gaan tot de volgende drie vereffeningen - verdelingen:

- vooreerst de vereffening - verdeling van de ontbonden algehele gemeenschap die bestond tussen R. V. en zijn echtgenote M. V.;

- vervolgens de vereffening - verdeling van de opengevallen nalatenschap van moeder M. V. als eerst overledene;

- ten slotte de vereffening - verdeling van de nadien opengevallen nalatenschap van de langstlevende vader R. V..

De boedelnotarissen dienden deze volgorde bij de drie door te voeren vereffeningen en verdelingen in acht te nemen teneinde de overlevingsrechten vervat in de artikelen 2 en 3 van het huwelijkscontract van 2 april 1944 correct te kunnen passen bij het vooroverlijden van mevrouw V..

4.2. In deze wordt vastgesteld dat de boedelnotarissen bij het overleggen van hun "tussentijds proces-verbaal" ten onrechte geen gewag hebben gemaakt van de vereffening - verdeling van de ontbonden huwgemeenschap.

Bovendien deden de boedelnotarissen in voornoemde staat zelfs geen melding noch van artikel 2 van het huwelijkscontract inzake de ongelijke verdeling van de gemeenschap noch van artikel 3 inzake de contractuele erfstelling tussen de aanstaande echtgenoten.

De vereffening van de opengevallen nalatenschappen moest noodzakelijk voorafgegaan worden door de vereffening van de ontbonden algehele gemeenschap die bestond tussen de echtgenoten waarbij de boedelnotarissen de artikelen 2 en 3 van het huwelijkscontract inzake de voormelde huwelijksvoordelen dienden toe te passen.

De regel dat de gemeenschap in twee helften wordt verdeeld, is slechts van toepassing bij gebreke aan andersluidende bedingen in het huwelijkscontract.

In deze bevat het huwelijkscontract van 2 april 1944 echter:

- een beding van ongelijke verdeling van de algehele huwgemeenschap waarop de oude artikelen 1520 B.W. e.v. van toepassing zijn ingevolge artikel 1,3° van de overgangsbepalingen van de wet van 14 juli 1976 inzake de rechten en plichten van de echtgenoten en de huwelijksvermogenstelsels;

- een contractuele erfstelling waarop artikel 35 (de overgangsbepalingen) van de wet van 14 mei 1981 van toepassing is met als gevolg dat het nieuw beschikbaar deel tussen echtgenoten geldt nu er geen akte van handhaving voorligt - opgemaakt gedurende het overgangsjaar na de inwerkingtreding van voornoemde wet - en waaruit zou moeten blijken dat de echtgenoten verder opteren voor het oude bijzonder beschikbaar deel tussen de echtgenoten (oud artikel 1094 B.W.).

4.3. De echtgenoten V. - V. waren - volgens hun huwelijkscontract -gehuwd onder het stelsel van algehele gemeenschap.

Op dit huwelijksstelsel blijven - overeenkomstig artikel 1, 3° van de huwelijksvermogenswet van 14 juli 1976 - de bepalingen van het oude huwelijksvermogensrecht van toepassing voor wat het actief, de ontbinding en de vereffening en verdeling van de oude algehele gemeenschap betreft.

Het nieuw huwelijksvermogensrecht is uitsluitend van toepassing voor wat het passief, het bestuur en de rechten van de schuldeisers betreft.

4.4. Ingevolge het overlijden van Mevrouw V. kwamen toe aan:

- de langstlevende echtgenoot 5/8 VE en 3/8 VG van de ontbonden gemeenschap;

- de acht kinderen gezamenlijk 3/8 blote eigendom van de ontbonden gemeenschap.

De verklaring van deze devolutie is de volgende:

- bij toepassing van artikel 2 van het huwelijkscontract heeft bij overlijden van M. V., de langstlevende echtgenoot R. V. vooreerst ½ volle eigendom + ½ vruchtgebruik van de ganse algehele gemeenschap ingevolge het beding van ongelijke verdeling van de gemeenschap;

- artikel 3 van het huwelijkscontract bepaalt bovendien dat ten titel van contractuele erfstelling de langstlevende echtgenoot ook bijkomend recht heeft op het (nieuwe of huidige) grootst beschikbaar deel van de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot;

- R. V. heeft recht op ¼ VE en ¾ VG van de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot (zie de artikelen 745bis en 913 B.W.);

- Finaal houdt dit in dat de gemene goederen toekomen aan de langstlevende echtgenoot voor ½ VE, zijnde zijn helft van de algehele gemeenschap plus, wat de helft van de eerst overleden echtgenote in de ex-gemene goederen betreft,:

- en ¼ volle eigendom (art. 913 B.W.) van de nalatenschap van de eerstgestorvene, dus 1/8 VE in de gemene goederen.

- het resterend vruchtgebruik op die helft van de ontbonden gemeenschap van de andere echtgenoot, of 3/8 VG van de ontbonden gemeenschap (art. 745bis B.W.)

Aldus heeft de langstlevende echtgenoot: 5/8 VE + 3/8 VG van alle gemene goederen en hebben de acht kinderen gezamenlijk: 3/8 blote eigendom van al de ex-gemene goederen, of heeft elk van de acht kinderen elk 3/64 in blote eigendom van alle ex-gemene goederen.

4.5. Ingevolge de toepassing van artikel 3 van het huwelijkscontract heeft de eerst overleden echtgenote, M. V., reeds volledig het beschikbaar deel van haar nalatenschap weggeschonken aan de langstlevende echtgenoot ten titel van contractuele erfstelling.

Er blijft dus niets meer over waarover de moeder nog zou kunnen beschikken bij testament ingevolge artikel 1083 B.W.

Met een testament kunnen de echtgenoten bovendien niet ingaan tegen hetgeen bedongen is in hun huwelijkscontract (artikel 1394 B.W.).

Ingevolge artikel 1083 B.W. is het testament van Mevrouw V. dus onuitvoerbaar.

4.6. Een strafclausule is in beginsel enkel geldig binnen de perken van het beschikbaar deel .

M.b.t. de vereffening - verdeling van de opengevallen nalatenschap van M. V. kan de strafclausule geen enkele uitwerking krijgen.

Bij huwelijkscontract schonk zij reeds het grootst beschikbaar deel van haar nalatenschap aan haar langstlevende echtgenoot.

Het beschikbaar deel was hiermee volledig uitgeput zodat de in haar later testament voorziene strafclausule geen toepassing kan vinden bij de vereffening - verdeling van de nalatenschap van de Mevrouw M. V. ingevolge het reeds aangehaalde artikel 1083 B.W.

Uit de structuur, economie en termen van het testament van Mevrouw M. V., bestaat er een intellectuele eenheid, onderlinge afhankelijkheid of onverbrekelijke band tussen enerzijds de strafclausule en anderzijds de clausules met de bijzondere legaten waarvan zij de uitvoering wou verzekeren middels de strafclausule bij niet-eerbiediging van haar laatste wilsbeschikkingen betreffende de door haar gelegateerde goederen.

Gezien het testament onderling afhankelijke beschikkingen bevat, brengt de onuitvoerbaarheid van de strafclausule ingevolge artikel 1083 B.W. de onuitvoerbaarheid van het ganse testament van M. V. met zich mee.

4.7. Gezien het testament van M. V. niet kan uitgevoerd worden, is de wettelijke devolutie van toepassing op haar nalatenschap dewelke uitsluitend bestaat uit de 3/8 blote eigendom van al de ex-gemene goederen. De overige 5/8 volle eigendom en 3/8 vruchtgebruik behoren immers aan R. V..

Alle ex-gemene goederen - zelfs deze waarvan sprake in het testament van Mevrouw V. bij de opsomming van de door haar vermaakte bijzondere legaten van onroerende goederen waarin zij slechts onverdeelde rechten heeft, behoren thans voor 3/8 blote eigendom (of 24/64 blote eigendom) aan de acht kinderen ten titel van reserve waartoe ze herleidt zijn ingevolge de universele contractuele erfstelling vervat in artikel 3 van het huwelijkscontract.

Elk van de acht kinderen heeft als individueel voorbehouden erfdeel in de nalatenschap van hun moeder, 3/64sten blote eigendom van alle roerende en onroerende goederen van de ontbonden gemeenschap. Het overige, zijnde 5/8 volle eigendom + 3/8 vruchtgebruik van alle goederen afhangende van de ontbonden gemeenschap (of 40/64 volle eigendom + 24/64 vruchtgebruik) behoort aan de langstlevende echtgenoot.

4.8. Het hoger beroep van de appellante betreft het al dan niet van toepassing zijn van artikel 919 B.W. op de bijzondere legaten.

Er dient m.a.w. onderzocht te worden of de testamenten doelen op een verdeling van de ganse nalatenschap van de echtgenoten in acht gelijke delen dan wel dat eerst de bijzondere legaten buiten erfdeel uitgekeerd moeten worden en alleen de resterende goederen in acht gelijke delen dienen verdeeld te worden.

Appellante opteert voor het laatste.

4.9. In het bestreden vonnis 25 september 2007 werd desbetreffend als volgt geoordeeld: "Op dit punt hoort het nu reeds te stellen dat het standpunt van de notarissen kan bijgetreden worden, ook, gelet op de bewoordingen van beide documenten wat betreft het feit dat de daarin vermelde legaten dienen te worden beschouwd als een toebedeling en niet als een bevoordeling buiten erfdeel. Op dit punt is de stelling van D. V. niet gegrond."

4.10. Het wettelijk principe is dat legaten aan erfgenamen moeten worden ingebracht tenzij "dat de beschikking uitdrukkelijk bij vooruitmaking of buiten erfdeel gemaakt wordt."

Er is dus een vermoeden iuris tantum (weerlegbaar) dat de schenkingen en legaten gedaan werden als voorschot op het erfdeel.

De vrijstelling van inbreng is bijgevolg de uitzondering. Zij moet volgens artikel 919 B.W. "uitdrukkelijk" gebeuren.

Met de term "uitdrukkelijk" bedoelt de wetgever zeker en duidelijk. Het is niet vereist dat woordelijk de termen ‘bij vooruitmaking' of ‘buiten erfdeel' worden aangewend. Het volstaat - maar dit is dan ook vereist - dat de vrijstelling van inbreng met voldoende zekerheid kan afgeleid worden uit het geheel van de akte of zelfs uit de omstandigheden waarin de gift gebeurde. Er mag dus geen twijfel bestaan nopens de wil van de erflater desbetreffend.

4.11. De feitenrechter oordeelt hierover soeverein daar het om een feitenkwestie gaat.

In deze is niet ten genoege van recht bewezen dat de vrijstelling van inbreng duidelijk en zeker blijkt uit de testamenten. Derhalve geldt het wettelijk vermoeden dat de bijzondere legaten niet buiten erfdeel werden gedaan (artikel 843 en 919 B.W.).

Blijkens de termen zelf van het testament is de bedoeling van de testator een verdeling/ toebedeling en dus geen bevoordeling. Mevrouw D. V. blijft in gebreke het vereiste tegenbewijs te leveren.

De testators gebruiken de termen "verdelen' en ‘toebedelen" wat wijst op legaten als voorschot op het erfdeel en niet op bevoordeling. Alle bedingen van een testament dienen bovendien te worden uitgelegd de ene door de andere. Elk beding wordt opgevat in de zin die uit de gehele akte voortvloeit. Vanuit deze optiek gaat het dus niet op zich uitsluitend of voornamelijk op één term te focaliseren, zijnde de term "gelijkelijk", zoals blijkt uit de argumentatie van appellante.

4.12. Het ingewikkeld karakter bij toepassing van het standpunt dat het gaat om bijzondere legaten als voorschot op het erfdeel is geen argument om te besluiten tot het tegendeel nu de andere oplossing (legaten buiten erfdeel) ook vele - mogelijks zelfs meer - moeilijkheden met zich kan meebrengen, namelijk wanneer de onverdeelde gerechtigheden van R. V. en de door hem gelegateerde onroerende goederen aan de acht kinderen allemaal op het beschikbaar deel (zijnde in deze ¼ van de fictieve massa in de zin van artikel 922 B.W.) zouden moeten aangerekend worden en er een overschrijding van dit beschikbaar deel zou zijn met een proportionele inkorting van alle door R. V. (bij hypothese, buiten erfdeel) vermaakte legaten als gevolg tot het individueel voorbehouden deel van elk van de acht kinderen.

4.13. Het hoger beroep van D. V. is ontvankelijk maar ongegrond wat de nalatenschap van moeder betreft niet omwille van artikel 919 B.W. maar wel omdat haar testament onuitvoerbaar is ingevolge artikel 1083 B.W. zodat de vraag naar de aard van de door haar vermaakte bijzondere legaten vanuit de optiek van artikel 919 B.W. de facto zonder voorwerp is.

Wat de nalatenschap van vader betreft is haar beroep eveneens ontvankelijk doch ongegrond.

De door R. V. vermaakte bijzondere legaten werden niet buiten erfdeel gedaan tot in te brengen bijzondere legaten.

4.14. Artikel 968 B.W. inzake vormelijk conjunctieve testamenten is in deze niet van toepassing omdat het om twee testamenten gaat elk uitgaand van een van beide echtgenoten. Het feit dat zij ongeveer dezelfde inhoud hebben, maakt artikel 968 B.W. niet toepasselijk.

De voormelde testamenten van 10 juni 1972 zijn ook geen inhoudelijk - conjunctieve testamenten en dus evenmin nietig, in tegenstelling met wat X., M. en H. V. voorhouden. Het feit dat beide testamenten ongeveer dezelfde inhoud hebben, heeft andermaal niet tot gevolg dat het om nietige inhoudelijk conjunctieve testamenten zou gaan.

In geval van het bestaan van twee testamenten uitgaande van twee verschillende testamentmakers mag uit geen enkele clausule blijken dat de beide beschikkingen onderling als gebonden, afhankelijk of eenzijdig onherroepelijk dienen te worden beschouwd, zoniet betreft het een nietig inhoudelijk conjunctief testament.

De herroepelijkheid van beide testamenten komt niet in het gedrang in de zin dat de uitvoering van het ene testament niet zou kunnen zonder uitvoering van het andere.

Beide testamenten zijn derhalve niet nietig noch op grond van artikel 968 B.W. noch wegens een beweerde onherroepelijkheid die uit de inhoud ervan zou volgen.

4.15. E. V. betwist de rechtsgeldigheid van de in de testamenten vervatte clausule om in onverdeeldheid te blijven.

Artikel 815 BW verbiedt elke testamentaire clausule om in onverdeeldheid te blijven, zelfs al zou deze last slechts gelden voor maximum vijf jaar.

Deze testamentaire clausule is absoluut nietig (artikelen 6, 815 1131 en 1133 B.W.). De wet laat immers uitsluitend een overeenkomst toe om in onverdeeldheid te blijven en dan nog uitsluitend voor maximum vijf jaar toe (artikel 815, tweede lid B.W.). Artikel 815 B.W. verbiedt elke testamentaire clausule om in onverdeeldheid te blijven zelfs al zou deze last slechts gelden voor maximum vijf jaar.

Deze testamentaire clausule of last is absoluut nietig (art. 6, 815 1131 en 1133 B.W.) maar deze nietige clausule brengt niet automatisch de nietigheid met zich mee van de andere clausules in het testament.

4.16. Wat de diverse andere betwistingen betreft i.v.m. de vereffening - verdeling van de nalatenschap van R. V. en de uitvoerbaarheid van zijn testament is het voorbarig om nu al hierop in te gaan.

Deze betwistingen zijn immers afhankelijk van het concrete resultaat van de voorafgaande vereffening - verdeling van de ontbonden algehele gemeenschap en van de opengevallen nalatenschap van M. V..

4.17. De rechtsplegingsvergoeding bedraagt in deze, na indexatie, 1.320 euro (= basistarief voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn).

Er is geen reden voorhanden om af te wijken van het basistarief.

Gelet op de aard van de betwistingen worden de gerechtskosten ten laste gelegd van de massa.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Met toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Het tussenarrest van 26 september 2011 verder uitwerkend,

Verklaart het hoger beroep ongegrond.

Het bestreden vonnis wordt derhalve bevestigd weze het gedeeltelijk op basis van aanvullende en/of andere motieven.

En verder, verwijzend naar het tussenarrest van 26 september 2011 houdende de heropening van de debatten en met inachtneming van de conclusies van de partijen hierna, zegt voor recht:

- dat het testament van M. V. volledig onuitvoerbaar is.

De zaak wordt voor het overige terug verzonden naar de boedelnotarissen zoals voorzien in het bestreden vonnis om nadien te handelen als naar recht mede rekening houdend met de motieven uiteengezet in huidig arrest.

Legt de kosten ten laste van de massa, in hoger beroep in totaal begroot

- in hoofde van appellante op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van 1ste en 2de geïntimeerden samen op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van 3de, 4de en 5de samen op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding

- in hoofde van 6de geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van 7de geïntimeerde op NIHIL.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

14/02/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • I. Testamentaire clausule inzake het blijven in onverdeeldheid. Nietigheid. II. Vormelijk en inhoudelijk wederkerige testamenten of conjunctieve testamenten. III. Legaten al of niet als voorschot op erfdeel.