- Arrest van 20 februari 2012

20/02/2012 - 2009AR2384

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

I. Uit het feit dat een deelgenoot zich niet verzette tegen de eis van een andere deelgenoot tot uitonverdeeldheidtreding kan geenszins een klare en duidelijke afstand van de eerstvermelde deelgenoot worden afgeleid inzake diens wettelijk overnamerecht zoals voorzien in artikel 4 van de wet van 29 augustus 1988 inzake de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit ervan.

II. Het feit dat appellant - de kandidaat-overnemer - een dergelijke vordering tot overname voor het eerst instelt in hoger beroep kan hem geen nadeel toebrengen.

III. De boedelrechter kan het aangewezen vinden het geschilpunt inzake het overnamerecht vervat in de wet van 29 augustus 1988 niet meteen zelf te beslechten. Het komt de boedelnotarissen zelf toe na te gaan en te onderzoeken of de zaak valt binnen het wettelijk toepassingsveld van deze wet van 29 augustus 1988 en in bevestigend geval na te gaan of de kandidaat- overnemer aan alle voorwaarden voldoet voor een overname op basis van artikel 4 van deze wet. Het komt immers niet aan de boedelrechter toe alle nodige inlichtingen voor de beslechting van het geschil inzake de toepasselijkheid van de artikelen 1 en 4 van de wet van 29 juli 1988 op te zoeken.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/2384

INZAKE VAN :

De heer E. M., wonende te 1840 LONDERZEEL, Over de Beek 13,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 16 januari 2009,

vertegenwoordigd door Meester Konstantijn ROELANDT, advocaat te 1040 BRUSSEL, Galliërslaan 33,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw J. M., wonende te 1840 LONDERZEEL, Kaaskantmolenstraat 29,

2) Mevrouw A. M., wonende te 1840 LONDERZEEL, Over de Beek 8,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Guido BOOGMANS, advocaat te LONDERZEEL,

SAMENVATTING

I. Wet van 29 augustus 1988 inzake de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit ervan. Overnamerecht. Stilzwijgende verzaking aan het overnamerecht?

II. Vordering tot overname, voor het eerst ingesteld in hoger beroep, in het kader van een procedure tot vereffening-verdeling van nalatenschappen.

III. Respectieve bevoegdheid van de boedelrechter en van de boedelnotaris inzake de toepassing, in een concreet geval, van de wet van 29 augustus 1988 en van het erin vervatte wettelijke overnamerecht.

I. Uit het feit dat een deelgenoot zich niet verzette tegen de eis van een andere deelgenoot tot uitonverdeeldheidtreding kan geenszins een klare en duidelijke afstand van de eerstvermelde deelgenoot worden afgeleid inzake diens wettelijk overnamerecht zoals voorzien in artikel 4 van de wet van 29 augustus 1988 inzake de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit ervan.

II. Het feit dat appellant - de kandidaat-overnemer - een dergelijke vordering tot overname voor het eerst instelt in hoger beroep kan hem geen nadeel toebrengen.

III. De boedelrechter kan het aangewezen vinden het geschilpunt inzake het overnamerecht vervat in de wet van 29 augustus 1988 niet meteen zelf te beslechten. Het komt de boedelnotarissen zelf toe na te gaan en te onderzoeken of de zaak valt binnen het wettelijk toepassingsveld van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling van bepaalde landbouwbedrijven en in bevestigend geval na te gaan of de kandidaat- overnemer aan alle voorwaarden voldoet voor een overname op basis van artikel 4 van deze wet. Het komt immers niet aan de boedelrechter toe alle nodige inlichtingen voor de beslechting van het geschil inzake de toepasselijkheid van de artikelen 1 en 4 van de wet van 29 juli 1988 op te zoeken.

**********************

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerden strekte ertoe (1) de vereffening en verdeling te horen bevelen van de huwgemeenschap die bestaan had tussen de echtgenoten J. M. en M. M. alsmede van hun beider nalatenschappen, (2) notaris X uit L. te horen aanstellen als boedelnotaris, (3) een tweede notaris te horen aanstellen om de afwezige of weigerende partij te vertegenwoordigen en (4) de kosten te laste horen leggen van geïntimeerden minstens van de massa.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering integraal ingewilligd en notaris Z. uit G. aangesteld om de afwezige of weigerende partij te vertegenwoordigen. De voorlopige tenuitvoerlegging werd toegestaan en de kosten werden ten laste gelegd van de massa.

1.3. In hoger beroep beroept appellant zich op artikel 1 van de wet van 29 augustus 1988 betreffende de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit en dit m.b.t. een aantal specifieke percelen zoals omschreven in het verzoekschrift in hoger beroep.

1.4. Geïntimeerden stellen dat het hoger beroep niet ontvankelijk is gezien zij in eerste aanleg enkel vroegen om uit de onverdeeldheid te treden en over te gaan tot de gebruikelijke daden van vereffening en verdeling waartegen appellant zich in principe niet verzet heeft.

Nog steeds volgens geïntimeerden is de vordering die appellant thans voor het eerst stelt in hoger beroep een nieuwe vordering.

Ten gronde werpen geïntimeerden op dat de vordering ongegrond is gezien voor de toepassing van voornoemde wet van 29 augustus 1988 is vereist dat een landbouwbedrijf geheel of ten dele deel uitmaakt van een nalatenschap wat in deze niet het geval zou zijn gezien appellant het ouderlijk landbouwbedrijf reeds verworven heeft bij akte van schenking verleden op 6 december 1978. Zij vragen derhalve het bestreden vonnis te willen bevestigen in al zijn beschikkingen.

Geïntimeerden vragen tenslotte appellant te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 25.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep.

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat J. M. gehuwd was met M. M. onder het oude conventionele stelsel van de gemeenschap van aanwinsten overeenkomstig hun huwelijkscontract van 9 mei 1945.

Dit huwelijkscontract bevat een beding van ongelijke verdeling van de gemeenschap alsook contractuele erfstellingen.

Voornoemden hadden drie kinderen, zijnde J., E., en A., huidige partijen in het geding.

2.3. Op 6 december 1978 werd een schenkingsakte verleden voor notaris Y. met standplaats te M. bevattende drie schenkingen, zijnde een schenking aan elk van hun drie kinderen "bij vooruitgift buiten paart en met volkomen ontslaging van inbrengst" van de blote eigendom van de aldaar beschreven percelen.

Een voorbehoud van vruchtgebruik werd gemaakt in het voordeel van de schenkers en van de langstlevende onder hen.

2.4. J. M. is testamentloos overleden op 7 oktober 2000 en M. M. is - ook testamentloos - overleden op 7 oktober 2006.

III. Bespreking.

3.1. Uit het feit dat de oorspronkelijke verweerder E. M. - huidige appellant - zich niet verzette tegen de vordering van de oorspronkelijke eiseressen - huidige geïntimeerden - tot het uit onverdeeldheid treden in de zin van de artikelen 815 BW en 1207 e.v. Ger. W. kan geenszins een klare en duidelijke afstand van appellant worden afgeleid inzake diens eventuele wettelijke overnamerechten zoals voorzien in artikel 4 van de voormelde wet van 29 augustus 1988.

3.2. Het lijdt geen twijfel dat de uitoefening van wettelijke overnamerechten met betrekking tot onverdeelde goederen afhangende van een opengevallen nalatenschap als verdelingsverrichtingen van deze nalatenschap moeten beschouwd worden.

Deze overnamerechten vormen immers wettelijke uitzonderingen op de principes inzake de samenstelling van de kavels en meer bepaald op het principe van de verdeling in natura.

Dergelijke overnamerechten tegen schattingsprijs vormen verdelingsverrichtingen waarbij een deelgenoot de overname tegen betaling van een oplegsom kan bekomen en aldus de gerechtelijke gedwongen openbare verkoping in de zin van de artikelen 1211 en 1220 Ger. W. kan vermijden.

De vordering tot het toekennen van de uitoefening van een dergelijk wettelijk overnamerecht vormt geen nieuwe vordering maar is integendeel een incidentele vordering die logisch past in het kader van de hoofdvordering tot uitonverdeeldheidtreding. De overname tegen een oplegsom is immers een wijze van uit onverdeeldheid treden.

Het feit dat appellant een dergelijke vordering voor het eerst instelt in hoger beroep kan hem bijgevolg geen nadeel toebrengen.

3.3. Appellant vordert verder dat het hof "het bestreden vonnis zou vernietigen waar dit de notarissen machtigt om over te gaan tot de openbare verkoping".

Voormelde affirmatie strookt niet met de feiten en strookt niet met de inhoud van het bestreden vonnis.

In beginsel kan de boedelrechter, overeenkomstig artikel 1211, lid 2 Ger. W., in het vonnis dat de uitonverdeeldheidtreding beveelt, ook tevens de openbare verkoping van bepaalde onverdeelde goederen bevelen.

Het hof moet in deze echter vaststellen dat de rechter in het bestreden vonnis noch uitdrukkelijk noch impliciet een beslissing heeft genomen inzake de openbare verkoping en dat bijgevolg de rechter geen toepassing heeft gemaakt van voornoemd art. 1211 Ger. W.

Het hoger beroep van appellant - in de mate dat ze betrekking heeft op een hervorming van het bestreden vonnis op het vlak van de openbare verkoping - mist derhalve elke feitelijke en juridische grondslag en is derhalve ongegrond.

3.4. Appellant vordert toepassing te maken van artikel 4 van de wet van 29 augustus 1988.

Geïntimeerden houden voor dat deze vordering ongegrond is vermits voor de toepassing van voornoemde wet vereist is dat een landbouwbedrijf geheel of ten dele deel uitmaakt van een nalatenschap wat in deze niet het geval zou zijn vermits appellant het ouderlijk landbouwbedrijf reeds heeft verworven bij akte van schenking verleden op 6 december 1978.

3.5. Artikel 1209, eerste lid Ger. W. houdt in dat de boedelrechter beslist over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt met dien verstande evenwel dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie is gewezen.

Appellant mag dus zijn vordering tot overname op grond van artikel 4 van de wet van 29 augustus 1988 aan de rechter voorleggen op twee manieren:

- ofwel deze vordering meteen aan de rechter voorleggen op basis van artikel 1211 Ger. W., waarbij die rechter zal oordelen of hij meteen, in het vonnis dat de onverdeeldheidtreding beveelt, uitspraak kan en wil doen; de rechter is echter niet verplicht meteen uitspraak te doen en kan dus eisen dat het probleem eerst wordt voorgelegd aan de boedelnotaris;

- ofwel later, tijdens de notariële fase van de gerechtelijke verdeling, deze vordering voorleggen aan de boedelnotarissen, het liefst of bij voorkeur al bij het opmaken van proces-verbaal van de openingswerkzaamheden en dit tot op het ogenblik dat de notaris het ontwerp van de staat van vereffening zal opmaken.

Het hof is in deze van oordeel dat de partijen terzake verwezen moeten worden naar de reeds aangestelde boedelnotarissen bij wie appellant zijn vordering i.v.m. diens voormeld overnamerecht kan voorleggen en bij wie de partijen hun respectieve stellingen terzake kunnen uiteenzetten.

De aangestelde boedelnotarissen dienen krachtens hun wettelijke opdracht vooreerst te bemiddelen, te trachten de partijen te verzoenen en te trachten een deelakkoord te bewerkstellingen.

Komen de partijen terzake niet tot een akkoord dan kunnen de boedelnotarissen overgaan tot het opmaken van een intermediair proces-verbaal van beweringen en zwarigheden met betrekking tot dit geschilpunt, zijnde de al of niet toepasselijkheid van het wettelijk overnamerecht vervat in artikel 4 van de wet van 29 augustus 1988.

De boedelnotarissen dienen dan - als een soort eerste lijn rechter - hun advies over dit geschilpunt te geven, waarna het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden samen met hun advies door de boedelnotarissen ter griffie kan neergelegd worden opdat het geschil dan gerechtelijk beslecht zou kunnen worden.

Het hof vindt het aangewezen in deze om dit geschilpunt inzake het overnamerecht niet meteen zelf te beslechten daar deze zaak van het overnamerecht nog niet in staat van wijzen is.

Het komt de boedelnotarissen zelf toe na te gaan en te onderzoeken of de zaak valt binnen het wettelijk toepassingsveld van de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling van bepaalde landbouwbedrijven en in bevestigend geval na te gaan of de kandidaat - overnemer aan alle voorwaarden voldoet voor een overname op basis van voornoemde wet.

Het komt immers niet aan de feitenrechter toe alle nodige inlichtingen voor de beslechting van het geschil inzake de toepasselijkheid van de artikelen 1 en 4 van de wet van 29 juli 1988 op te zoeken.

3.5. De vordering van appellant is in zoverre gesteund op de wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling van bepaalde landbouwbedrijven - in huidige fase van de procedure en rekening houdend met wat hier voren werd uiteengezet - hic et nunc ongegrond.

3.6. Geïntimeerden vragen ten slotte appellant te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 25.000,00 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep.

Een geding kan tergend zijn niet alleen wanneer een partij de bedoeling heeft een andere partij schade te berokkenen, maar ook wanneer zij haar recht om in rechte op te treden uitoefent op een wijze die de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon kennelijk te buiten gaat.

Geïntimeerden blijven in gebreke het bewijs te leveren van een dergelijk deloyaal procesgedrag vanwege appellant.

De incidentele vordering ingesteld door geïntimeerden is derhalve ongegrond.

3.7.Geïntimeerden vragen een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000 euro omdat de waarde van de onroerende goederen waarvan de overname gevraagd wordt het bedrag van 100.000 euro overschrijdt.

In tegenstelling met wat zij voorhouden, betreft het in deze een vordering die niet in geld waardeerbaar is waarvan het basisbedrag, na indexatie, 1.320 euro bedraagt.

Gezien de aard van het geschil worden de kosten in hoger beroep ten laste gelegd van de massa.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch in de huidige fase van de procedure ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verklaart de incidentele vordering van geïntimeerden ontvankelijk doch ongegrond.

Legt de kosten van hoger beroep ten laste van de massa, in totaal begroot

- in hoofde van appellant op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

20/02/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Wet van 29 augustus 1988. Erfrregeling landbouwbedrijven. Toepassingsvoorwaarde. tOvername recht; verzaking. Overname in het kader van een vereffening-verdeling. Respectieve taak van de boedelrechter en van de boedelnotaris.