- Arrest van 21 februari 2012

21/02/2012 - 2009AR2700

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Alleen de daadwerkelijke uitvoering van een bodemsanering op grond van een door de OVAM goedgekeurde saneringsproject kan een waarborg bieden voor een definitieve sanering.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/2700 - 2010/AR/853

I. A.R. 2009/AR/2700

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap VIVIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 153, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0861.405.827,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 9 juli 2009,

vertegenwoordigd door Meester Luc BREWAEYS, advocaat te 1780 WEMMEL, de Limburg Stirumlaan 248, (ref. EB 9839/00/L).

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer M. H., en zijn echtgenote

2) Mevrouw H. C.,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Paul AERTS, advocaat te 9000 GENT;, Coupure 5 (ref. R/03/16101).

IN AANWEZIGHEID VAN :

De heer H; A., wonende te 1770 LIEDEKERKE,

opgeroepen partij, vertegenwoordigd door Meester Dries VAN DER SCHUEREN, advocaat te 1853 GRIMBERGEN, Sint-Amandsplein 1a, (ref. P111);

EN II. 2010/AR/853

INZAKE VAN :

De heer H; A., wonende

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 9 juli 2009,

vertegenwoordigd door Meester Dries VAN DER SCHUEREN, advocaat te 1853 GRIMBERGEN, Sint-Amandsplein 1a, (ref. P111);

TEGEN :

1) De naamloze vennootschap VIVIUM, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 153, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0861.405.827,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Luc BREWAEYS, advocaat te 1780 WEMMEL, de Limburg Stirumlaan 248, (ref. EB 9839/00/L).

2) De heer M. H., en

3) Mevrouw H. C.,

,

tweede en derde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Paul AERTS, advocaat te 9000 GENT;, Coupure 5 (ref. R/03/16101).

Lek in brandstoftank. Aansprakelijkheid. Toepassing van bodemsaneringsdecreet, thans bodemdecreet. Fout. Schade. Schadeloosstelling. Ook morele schade.

Alleen de daadwerkelijke uitvoering van een bodemsanering op grond van een door de OVAM goedgekeurde saneringsproject kan een waarborg bieden voor een definitieve sanering.

*********************************************

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (23ste kamer) op tegenspraak uitgesproken op 9 juli 2009, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep van NV Vivium, op 7 oktober 2009 ter griffie van het hof neergelegd (2009/AR/2700);

- het verzoekschrift tot hoger beroep van de heer A., op 7 oktober 2009 ter griffie van het hof neergelegd (2010/AR/853);

- de syntheseconclusie van appellante NV Vivium (datum neerlegging ter griffie 1 juni 2010);

- de tweede syntheseconclusie van appellant A. (datum neerlegging ter griffie 30 juli 2010)

- de syntheseconclusie van geïntimeerden H. en C. (datum neerlegging ter griffie 31 augustus 2010).

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 13 december 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Geïntimeerden, de echtgenoten H. - C., hebben op 9 juni 2000 een vordering ingesteld tegen de heer A. strekkende tot betaling van een provisie van 500.000 BEF en in hoofdorde tot veroordeling van de heer A. tot herstel van de schade aan de bodem alsook aan de woning gelegen aan de Fabriekstraat 47 te Liedekerke of, bij gebreke hieraan om eisers te machtigen over te gaan tot de bovenvermelde herstelwerken door de aannemer van hun keuze, kosten terugbetaalbaar op eenvoudige overlegging van de factuur.

Geïntimeerden H. - C. vorderden in ondergeschikte orde de aanstelling van een gerechtsdeskundige met de opdracht de schade te beschrijven en te ramen.

2. Voor de eerste rechter is de N.V. DBV Verzekeringen vrijwillig tussengekomen in haar hoedanigheid van verzekeraar B.A. Familiale van de heer A. en geïntimeerden hebben hun vordering tegen deze partij uitgebreid.

3. De N.V. Vivium, hierna Vivium, die in de rechten is getreden van N.V. DBV Verzekeringen, heeft het geding hervat.

4. De eerste rechter heeft de vordering ontvankelijk en in de volgende mate gegrond verklaard.

Hij veroordeelde de heer A. tot het uitvoeren op eigen kosten, en met toepassing van de regels en procedures die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest inzake bodemsanering (met name het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming en de uitvoeringsbesluiten), van een sanering van de verontreiniging met minerale olie op het perceel te Liedekerke, Fabriekstraat 47, die tot stand is gekomen ingevolge een lekkende stookolietank op gezegd perceel.

Hij machtigde geïntimeerden H. - C. om, bij gebrek aan uitvoering door partij A., tot het uitvoeren van deze sanering zoals hierboven beschreven over te gaan binnen zes maanden na de betekening van het vonnis en veroordeelde de heer A. en Vivium in solidum om in dat geval aan geïntimeerden H. - C. de kosten van die sanering te betalen die zij met toepassing van de regels en procedures die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest inzake bodemsanering zullen laten uitvoeren.

Hij veroordeelde bovendien de heer A. en Vivium in solidum tot betaling aan geïntimeerden H. - C. van 1.041,15 euro (genotsderving en opkuis kelder) alsook van 1.250 euro aan mevrouw C. (morele schadevergoeding), telkens vermeerderd met de vergoedende interest aan de wettelijke interestvoet vanaf 23 maart 2007 tot datum uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke rente en met de gerechtskosten.

5. Appellante Vivium stelt hoger beroep in tegen het vonnis en vordert, met de hervorming van het bestreden vonnis, om vast te stellen dat de door geïntimeerden geleden schade moet worden begroot op basis van het verslag van deskundige De Swert, met name 15.373,19 euro in hoofdsom en 7.021,14 euro aan kosten, waarbij m.b.t. deze bedragen tussen partijen een akkoord werd bereikt. Zij vraagt voor het overige om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ongegrond te verklaren, met afwijzing van het incidenteel beroep en veroordeling van geïntimeerden tot de gerechtskosten van beide aanleggen.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

6. Appellant A. stelt hoger beroep in tegen het vonnis en vordert, met de hervorming van het bestreden vonnis, om het hoger beroep van Vivium gegrond te verklaren en om de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ongegrond te verklaren, nu er een akkoord tussenkwam tot regeling van huidig geschil en dit akkoord te bekrachtigen waarbij de schade in hoofde van geïntimeerden werd vastgesteld op 15.373,19 euro in hoofdsom en 7.021,14 euro aan kosten, minstens rekening houdend met de bevindingen van het deskundig onderzoek, en meer bepaald deze van N.V. Technum.

Ook dit hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld. Het is ontvankelijk.

Appellant A. vraagt in ondergeschikte orde, voor zover de vorderingen van geïntimeerden alsnog gedeeltelijk toegekend worden om te zeggen voor recht dat zijn aansprakelijkheid en deze van Vivium zich in huidig geschil beperkt tot 33 %, de eventueel verschuldigde schadevergoeding aldus te herleiden en de schadevergoeding van geïntimeerden hoe dan ook te verminderen met een bedrag van 8.361,75 euro.

Hij vraagt hem akte te verlenen dat hij een vordering tot vrijwaring instelt en vraagt aldus Vivium in hoedanigheid van verzekeraar te veroordelen om hem te vrijwaren voor elke veroordeling in hoofdsom, interest en kosten.

Hij vordert ten slotte de veroordeling van geïntimeerden tot de gerechtskosten van beide aanleggen.

7. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van de hogere beroepen.

Zij stellen een incidenteel beroep in strekkende tot de veroordeling van appellanten in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, tot betaling van een vergoeding voor genotsderving van 500 euro per maand vanaf 20 januari 1999 tot de datum van de effectieve sanering en van een morele schadevergoeding van 2.500 euro, te vermeerderen met de vergoedende interest vanaf 20 januari 1999 en met alle gerechtskosten.

1 II. Relevante feitelijke gegevens

8. De heer en mevrouw H. - C. zijn eigenaar en inwoner van een rijhuis te Liedekerke aan de Fabriekstraat 47, palend aan de woning van de heer A., Fabriekstraat 49.

Op 20 januari 1999 hebben geïntimeerden een geurhinder waargenomen. Na onderzoek met drukproef bleek de mazouttank van de heer A. lek te zijn. De civiele bescherming trad op en verklaarde zelfs tijdelijk de woning van geïntimeerden onbewoonbaar.

De heer A. bezat immers een ondergrondse brandstoftank van 5.000 liter onder zijn garage, welke klaarblijkelijk sinds jaren lekte . De weggesijpelde stookolie afkomstig van die lekkende tank vervuilde de kelder van de geïntimeerden en veroorzaakte de storende reukhinder in hun woning.

9. Op verzoek van geïntimeerden werd de heer De Swert als gerechtsdeskundige in kort geding aangesteld (beschikking van 14 juli 2000) die zijn eindverslag op 18 april 2002 neerlegde.

De deskundige liet een bodemonderzoek door de firma Technum, erkende bodemsaneringsdeskundige, uitvoeren en hij begrootte de kosten op een totaal van 15.373,19 euro, samengesteld als volgt:

• herstelkosten: 6.445,23 euro

• saneringswerken: 2.742,69 euro

• opvolging der werken: 3.696,92 euro

• raming overige kosten: 2.548,19 euro

Deze som was te vermeerderen met de expertisekosten en de kosten van het bodemonderzoek.

10. Het verslag van Technum d.d. 20 februari 2001 besloot:

Als algemeen besluit kan gesteld worden dat op basis van de aangetoonde verontreiniging in de keldermuur van huisnummer 47, er (zich) in het verleden ter hoogte van de onderzochte locaties een verontreiniging met diesel of stookolie heeft voorgedaan.

Op het moment van het onderzoek kon geen verontreiniging van de bodem noch van het grondwater worden aangetoond.

11. Na contacten tussen de raadslieden, schreef Vivium een kwijting ten voordele van geïntimeerden uit, voor de som van 22.394,33 euro (15.373,19 + expertisekosten 7.021,14 euro) maar geïntimeerden weigerden op het voorstel in te gaan, stellende dat het bodemonderzoek niet conform de procedure zoals door het Bodemsaneringsdecreet voorgeschreven was geschied.

Geïntimeerden stelden dan een vordering ten gronde voor de eerste rechter in.

12. Geïntimeerden hebben contact opgenomen met BVBA Esher, erkende bodemsaneringsdeskundige, die een verslag (verslag vaststelling van bodemverontreiniging) op 1 december 2005 opstelde. Deze deskundige besloot:

Op basis van het indicatief onderzoek, kunnen volgende conclusies worden getrokken:

De toplaag van de uitgevoerde boring bestaat volledig uit steenpuin. In deze laag werd een sterke mazoutgeur waargenomen. Onder de steenlaag bevindt zich een grijze kleilaag tot 1 m-mv. Tijdens het uitvoeren van boring HE 1 werd in deze laag een matige mazoutgeur waargenomen.

Ook tijdens de grondwaterbemonstering werd organoleptisch een matige mazoutgeur in het grondwater waargenomen.

In het vaste deel van de aarde wordt in het toplaagstaal een concentratie minerale olie gemeten van 900 mg/kgds. Dat is een overschrijding van de bodemsaneringsnorm met factor 1,8.

In het grondwater werd geen drijflaag vastgesteld. De gemeten concentratie minerale olie in het grondwater bedraagt 590 µg/l. Dat is een overschrijding van de bodemsaneringsnorm met 1,2.

De verontreiniging is nieuw aangezien ze ontstaan is na de inwerkingtreding van het Bodemsaneringsdecreet.

Op basis van de resultaten van dit onderzoek dient de bodemsaneringsplichtige (eigenaar perceel ter hoogte van Fabriekstraat 49, de heer A., waar de verontreiniging is ontstaan) aangemaand te worden tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek.

De OVAM liet bij brief van 13 januari 2006 aan de heer H. weten dat op basis van de resultaten van dit onderzoek, de heer A. als saneringsplichtige "verzocht werd over te gaan tot de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek".

13. Het gemeentebestuur van Liedekerke deelde aan de heer H. op 8 februari 2010 mee dat de OVAM aan de erkende bodemsaneringsdeskundige GCM-A de opdracht had gegeven om na te gaan "of de aanwezige verontreiniging een risico vormt en/of er noodzaak is tot het nemen van veiligheids- of voorzorgsmaatregelen". Er werd een boring en een peilbuis geplaatst zowel op het terrein van de heer H. als op dit van de heer A.. Uit het onderzoek d.d. 28 januari 2010 bleek "dat er een minerale olie verontreiniging is in de bodem" ter hoogte van beide percelen en dat het grondwater ter hoogte van het perceel van de heer H. tevens een verontreiniging met minerale olie bevat.

De OVAM was van oordeel dat een beschrijvend bodemonderzoek dient uitgevoerd te worden. Het gemeentebestuur benadrukte: "De verplichting om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren voor deze bodemverontreiniging rust bij de eigenaar van de grond waarop de bodemverontreiniging tot stand kwam."

14. Op 8 februari 2010 heeft het gemeentebestuur van Liedekerke ook de heer A. ingelicht over de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de noodzaak om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.

III. Bespreking

1°. Samenvoeging

15. De zaken ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 2009/AR/2700 en 2010/AR/853 zijn samenhangend en het hof voegt ze samen.

2°. Het bestaan van een dading tussen partijen

16. Appellanten zijn in hoofdorde van oordeel dat tussen partijen een akkoord is tot stand gekomen met betrekking tot een regeling op grond van het deskundigenverslag d.d. 18 april 2002 van de heer De Swert.

Gelet op dit akkoord zouden de geïntimeerden niet gerechtigd zijn een andere vordering in te stellen dan strekkende tot de uitvoering van deze overeenkomst.

17. De feitelijke gegevens over deze exceptie kunnen samengevat worden als volgt:

- op 13 augustus 2003 schrijft de toenmalige raadsman van geïntimeerden een brief aan de raadsman van Vivium waarin hij schrijft dat zijn cliënten vergoeding vorderen van hun "schade conform het deskundigenonderzoek evenals terugbetaling van de kosten van de deskundige en andere gerechtskosten". De brief bevat een afrekening voor de hoofdsom van 15.373,19 euro + ereloon deskundige (5.250,94 euro) + kosten van bodemonderzoek tijdens expertise (1.770,21 euro). De raadsman van geïntimeerden vroeg nog mee te delen of de heer A. en/of zijn verzekeraar "bereid zouden zijn de hoger vermelde bedragen te betalen aan (zijn) cliënt, op die manier kan een einde worden gesteld aan dit geding";

- N.V. Zurich, thans Vivium, schrijft dan een kwijtschrift uit houdende dading tussen haar en eerste geïntimeerde mits betaling van 22.394,33 euro voor slot van alle rekeningen (met "afstand van elk eventueel recht dat hij heeft of zou kunnen hebben tegen de Zurich en, haar verzekerde (...)"; dit kwijtschrift werd op 5 september 2003 aan de toenmalige raadsman van geïntimeerden toegezonden;

- gezegde kwijtschrift werd nooit door geïntimeerden voor akkoord ondertekend;

- bij brief van 14 februari 2006 dringt de raadsman van Vivium aan op de dadingsovereenkomst die gesloten werd:

"alleszins was de brief van (...) 13 augustus 2003 een aanbod dat door mijn cliënte op onvoorwaardelijke wijze werd aanvaard";

- een nieuw kwijtschrift ("schaderegelingsofferte 2 maanden geldig") werd op 1 maart 2006 door Vivium uitgeschreven;

- geïntimeerden weigerden opnieuw het kwijtschrift te ondertekenen.

18. Geïntimeerden verzetten zich vooreerst tegen het inroepen van de brief van 13 augustus 2003 die vertrouwelijk zou zijn. De litigieuze brief tussen advocaten werd op regelmatige wijze voor het hof overgelegd (stuk 1 dossier Vivium) en hij wordt in de inventaris opgenomen. Er is geen reden om het stuk uit de debatten te weren. Appellanten berusten zich bovendien op de toepassing van reglementen van de toenmalige Nationale Orde om te stellen dat de brief van 13 augustus 2003 van de toenmalige raadsman van geïntimeerden geen vertrouwelijk karakter heeft . Het behoort niet aan het hof standpunt in te nemen over dit discussiepunt. Het hof stelt alleen vast dat de stukken regelmatig overgelegd zijn (artikel 736 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek).

19. Uit de inhoud van de brief van 13 augustus 2003 kan geenszins worden afgeleid dat de raadsman van geïntimeerden (overigens alleen dan in naam van eerste geïntimeerde) een aanbod van dading formuleerde om mits betaling van 22.394,33 euro op definitieve wijze een einde te stellen aan het geschil. De eerste rechter stelde terecht vast dat de brief enkel de vraag stelt of de huidige appellanten zouden bereid zijn tot betaling van de kosten die de deskundige heeft geraamd.

In geen geval hebben geïntimeerden aangeboden om deze betaling voor slot van alle rekening te aanvaarden. De zinsnede uit de brief van 13 augustus 2003 "op die manier kan een einde worden gesteld aan dit geding" laat niet toe een dergelijk aanbod af te leiden nu zij geen verbintenis bevestigt ("kan").

Het wordt bovendien niet aangetoond - en zelfs niet beweerd - dat de toenmalige raadsman van geïntimeerden een bijzonder mandaat van zijn cliënten had gekregen om een dading op deze basis af te sluiten.

De exceptie van dading werd dus terecht door de eerste rechter verworpen.

3°. Aansprakelijkheid voor de bodemverontreiniging

20. Appellanten betwisten dat de bodemverontreiniging veroorzaakt werd door de lekkende mazouttank van appellant A., minstens dat al de verontreiniging toe te schrijven is aan het lek in deze tank. De verontreiniging waarvan sprake in het niet tegensprekelijke verslag van ESHER d.d. 1 december 2005 zou niet (meer) in oorzakelijk verband staan met het initieel schadegeval.

21. Het staat vast dat, onmiddellijk na de vaststelling van de geurhinder bij appellanten, een controle (drukproef) van de mazouttank bij de heer A. op 20 januari 1999 door het controleorganisme O.C.B. werd uitgevoerd en dat het onderzoek al een lek in de tank aan het licht bracht. Belangrijke insijpelingen van stookolie doorheen de keldermuren werden ook vastgesteld (zie verslag d.d. 28 januari 1999 van expertisebureau Goffin, handelend voor de Royale Belge, verzekeringsmaatschappij van geïntimeerden). Het expertisebureau Goffin noteerde op 13 april 1999 dat er in de kelder van geïntimeerden "nog steeds een zeer hevige mazoutgeur" heerste en dat "sporen van mazoutinfiltraties (...) sinds het vorig bezoek een uitbreiding (vertonen), wat aldus zou wijzen op nog steeds doorheen de keldermuur en -vloer binnendringende mazout" .

De brandstoftank bij A. werd in augustus 1999 verwijderd, alsook een 13tal ton vervuilde grond.

In zijn voorverslag van 17 maart 2001 (p. 15) schrijft gerechtsdeskundige De Swert:

De oorzaak van de initiële bevuiling

De mazouttank van de heer H. bevindt zich op circa 4 meter van de muur van zijn kelder. Deze keldermuur is helemaal niet bezoedeld.

De mazouttank van de heer A. bevond zich praktisch naast de keldermuur van de heer H..

De problemen van geurhinder en insijpeling van mazout in de kelder hebben zich voorgedaan in 1998. Het is ook op dat ogenblik dat de heer H. de civiele bescherming erbij heeft gehaald.

Wij kunnen derhalve besluiten dat de veroorzaker van de mazoutinfiltratie in de keldermuur en de kelder van de heer H. zich heeft voorgedaan ten gevolge van een lek in de mazouttank van de heer A..

In zijn eindverslag van 18 april 2002 (p. 6) schrijft de deskundige over de oorzaak van het schadegeval:

Niettegenstaande de opmerking van de heer H. op de verzoeningsvergadering van 24 juni 2001 is er geen enkele reden om te veronderstellen dat de bezoedeling ook het gevolg zou kunnen zijn van een lekkende tank van de heer H.. Hiervoor zijn voldoende bewijzen voorhanden in het bodemonderzoek uitgevoerd door Technum.

De gerechtsdeskundige De Swert heeft dus op duidelijke wijze besloten dat de litigieuze verontreiniging toe te schrijven was aan de lekkende ondergrondse brandstoftank van de heer A.. De deskundige heeft geen andere oorzaak aangehouden, en o.m. geen andere lekkende tank in de buurt. Ook kan de oorzaak van de verontreiniging onmogelijk gezocht worden in een gebrek in 1993 van de eigen tank van de heer H., wat de ligging van gezegde tank aan de andere kant van de kelder van de heer H. uitsluit. Gezegde tank van partij H. werd overigens al in 1994 leeggemaakt en gereinigd.

Appellanten trekken het verslag van BVBA Esher in twijfel omdat de besluiten van dit verslag strijdig zijn met het verslag van Technum. Appellanten voeren aan dat de door Esher ontdekte verontreiniging niet in oorzakelijk verband zou staan met het initieel schadegeval. Appellanten brengen echter geen enkel objectief en wetenschappelijk onderbouwd element naar voor dat de bevindingen van deze erkende bodemsaneringsdeskundige op grond van boringen en laboratoriumanalyses zou ontkrachten. Deze bevindingen werden bovendien door het verslag van de erkende bodemsaneringsdeskundige GCM-A d.d. 28 januari 2010 bekrachtigd. Het verslag van Technum besluit bovendien dat "op het moment van het onderzoek (...) geen verontreiniging van de bodem noch van het grondwater kon worden aangetoond", zodat noch het bestaan van een verontreiniging van de bodem of van het grondwater noch een evolutie van het verschijnsel absoluut uitgesloten worden.

Appellanten betwisten dan ook ten onrechte dat de litigieuze verontreiniging veroorzaakt werd door het lekken van het stookolietank in het pand van de heer A.. De hypothesen van een historische verontreiniging of van een lek in de stookolietank van partij H. zelf of nog van een nieuwe verontreiniging na het deskundigenonderzoek van de heer De Swert tot stand gekomen en vreemd aan het schadegeval van begin 1999, kunnen niet weerhouden worden. Bijkomende stukken moeten niet overgelegd worden. Er is geen reden voorhanden om geïntimeerden aansprakelijk te stellen voor een deel van de schade.

4°. De schade

22. Geïntimeerden wijzen in hoofdzaak op het feit dat appellant A. als saneringsplichtige niet is overgegaan tot de sanering overeenkomstig de bepalingen van het Bodemsaneringsdecreet, thans Bodemdecreet, hetgeen een oriënterend bodemonderzoek veronderstelt, vervolgens een beschrijvend bodemonderzoek, zo nodig een bodemsaneringsproject met goedkeuring door de OVAM.

De brief van het gemeentebestuur van Liedekerke d.d. 8 februari 2010 bevestigt dat erkende bodemsaneringsdeskundige GCM-A, door de OVAM aangesteld, tot het besluit is gekomen dat er een minerale olie verontreiniging is in de bodem ter hoogte van beide percelen en dat het grondwater ter hoogte van het perceel van geïntimeerden tevens een verontreiniging met minerale olie bevat, en zulks nog na meer dan 10 jaar. Een beschrijvend bodemonderzoek dient uitgevoerd te worden.

Tot op heden heeft appellant A. inderdaad niet verantwoord dat deze procedure gevolgd werd. Er werd wel degelijk voor rekening van appellant A. een sanering uitgevoerd in september 1999 inhoudende de afhaling en verwerking van 13,32 ton verontreinigde grond (zie certificaat 21 september 1999 van de N.V. Grondrecyclagecentrum Kalloo en factuur aannemer Van Roy van 30 september 1999 ) maar deze werken maken geen voorwerp van een door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringsproject uit en zij hebben blijkbaar de verontreiniging niet volledig kunnen oplossen gelet op de bevindingen in 2005 van BVBA Esher (verslag van 1 december 2005) en in 2010 van bodemsaneringsdeskundige GCM-A die vastgesteld heeft "dat er een minerale olie verontreiniging is in de bodem" ter hoogte van beide percelen.

Appellant A. is verplicht tot bodemsanering over te gaan zonder dat een aanmaning van de OVAM vereist is.

23. De omstandigheid dat de verontreiniging van de grond en het grondwater op het eigendom van geïntimeerden niet gesaneerd wordt maakt ongetwijfeld een schade in hun hoofde uit. De kwaliteit van de ondergrond en tevens van de constructie van geïntimeerden werd aangetast door de vervuiling die begin 1999 veroorzaakt werd door de lekkende brandstoftank van appellant A.. Appellant A. is ertoe gehouden deze schade te vergoeden.

24. De inschrijving van het eigendom van geïntimeerden in het register van verontreinigde gronden, die wellicht een realiteit is gelet op het optreden van bodemsaneringsdeskundige GCM-A in opdracht van de OVAM, en de verplichting om vόόr iedere eigendomsoverdracht van het goed een bodemattest aan te vragen impliceert bovendien een aanzienlijk waardeverlies van het goed in geval van verkoop.

25.De eerste rechter veroordeelde de heer A. tot het uitvoeren op eigen kosten, en met toepassing van de regels en procedures die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest inzake bodemsanering, van een sanering van de verontreiniging op het perceel van geïntimeerden en machtigde geïntimeerden om, bij gebrek aan uitvoering door partij A., tot het uitvoeren van deze sanering over te gaan. Hij veroordeelde appellanten in solidum om in dat laatste geval aan geïntimeerden de saneringskosten te betalen.

Alleen de daadwerkelijke uitvoering van een bodemsanering op grond van een door de OVAM goedgekeurde saneringsproject kan voor geïntimeerden een waarborg bieden voor een definitieve sanering en voor gevolg hebben dat geïntimeerden een positief bodemattest verkrijgen.

Het bestreden vonnis wordt dan ook op dit punt bevestigd.

26. De eerste rechter veroordeelde bovendien appellanten in solidum tot betaling aan geïntimeerden van 1.041,15 euro voor gebruiksderving en kosten van opkuis kelder.

De gerechtsdeskundige De Swert begrootte in zijn verslag de gebruiksderving gedurende een maand op 30.000 BEF en de kosten voor opkuisen kelder (wekelijks 8 weken à 1.500 BEF per week) op 12.000 BEF.

Thans vorderen geïntimeerden, zoals voor de eerste rechter, een genotsderving van 500 euro per maand tot aan de uitvoering van de volledige sanering. Een werkelijke genotsderving van 500 euro per maand sinds januari 1999 wordt echter niet gestaafd. Er heerste, zeker in de eerste tijden na het schadegeval van januari 1999 een sterke geurhinder en de kelder is deels onbruikbaar gebleven. In 2005 maakt BVBA Esher nog gewag van een "matige mazoutgeur". Er worden geen stukken overgelegd die op objectieve wijze een latere ernstige hinder bewijzen.

In deze omstandigheden wordt de genotsderving door het hof in billijkheid begroot op een totaal bedrag van 2.500 euro.

De totale schade wegens gebruiksderving en kosten van opkuis kelder wordt dan ook door het hof begroot op 2.500 euro (genotsderving) + 297,47 euro (kosten opkuis zoals objectief door de deskundige begroot op 12.000 BEF) = totaal 2.797,47 euro.

Het incidenteel beroep is op dit punt deels gegrond.

27. De eerste rechter kende aan tweede geïntimeerde een vergoeding voor morele schade van 1.250 euro toe. Geïntimeerden halen medische attesten aan die gewag maken van een aantasting van haar gezondheid door de blijvende verontreiniging.

Het lijden van een morele schade door tweede geïntimeerde wordt aan de hand van de voorgelegde stukken aangetoond. De eerste rechter heeft deze schade op redelijke en billijke wijze begroot op 1.250 euro. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn op dit punt ongegrond.

5°. Vrijwaring

28. Appellant A. vordert de N.V. Vivium in haar hoedanigheid van verzekeraar Burgerlijke Aansprakelijkheid te veroordelen om hem te vrijwaren voor elk bedrag dat verschuldigd zou zijn aan geïntimeerden, in hoofdsom, interest en kosten.

N.V. Vivium betwist niet tot dekking gehouden te zijn van de gevolgen van het schadegeval van begin 1999. Te dezen wordt partij A. slechts veroordeeld tot vergoeding van de schade die hij, zoals blijkt uit de boven vermelde uiteenzetting, op grond van artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek, aan geïntimeerden is verschuldigd. De aansprakelijkheid van de verzekerde van N.V. Vivium wordt wel degelijk bewezen.

De verzekeringsmaatschappij toont niet aan dat haar verzekerde is tekort gekomen aan enige verplichting om alle redelijke maatregelen te nemen om de gevolgen van het schadegeval te voorkomen en te beperken. N.V. Vivium is vrijwel onmiddellijk in het geding vrijwillig tussengekomen en het wordt geenszins aangetoond dat een verzwaring van de schade het gevolg is van een nalatigheid in hoofde van verzekerde A..

De vordering in vrijwaring is dan ook gegrond.

6°. De gerechtskosten

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van appellanten, in hun hoedanigheid van hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partijen.

Partijen begroten hun rechtsplegingsvergoeding op het basistarief zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Het basistarief bedraagt na indexatie 1.320 euro

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 2009/AR/2700 en 2010/AR/853 samen;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis enkel in zover appellanten in solidum veroordeeld worden tot betaling aan geïntimeerden van 1.041,15 euro voor gebruiksderving en kosten van opkuis kelder. Opnieuw rechtsprekende, enkel op dit punt, veroordeelt appellanten in solidum tot betaling aan geïntimeerden van 2.797,47 euro.

Verklaart het incidenteel beroep voor het overige ongegrond en bevestigt voor het overige het bestreden vonnis.

Verklaart de vordering tot vrijwaring van partij A. ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt dienvolgens de N.V. Vivium om de heer H; A. te vrijwaren voor iedere veroordeling ten voordele van geïntimeerden H.-C., in hoofdsom, interest en kosten.

Veroordeelt appellanten A. en VIVIUM in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van geïintimeerden H.-C. op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

21/02/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Bodemverontreiniging. Lekkende brandstoftant of matzouttank. Aansprakelijkheid. Fout. Schade, met inbegrip van morele schade. OVAM.