- Arrest van 28 februari 2012

28/02/2012 - 2008AR2467

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De vermenging in hoofde van eenzelfde persoon, van de hoedanigheden enerzijds van enige pachter en anderzijds,ingevolge en bij het overlijden van diens vader, van medeverpachter), is tijdelijk (en dus niet definitief) en is dus geen reden om het bestaan van een pacht en van het voorkooprecht over het gehele goed te weigeren. Immers, wanneer de oorzaak van de schuldvermenging ophoudt, herrijst de vordering volledig en houden de gevolgen van de schuldvermenging op. Dus wanneer het goed te koop wordt aangeboden en het mede-eigenaarschap van de pachter kan ophouden bij een verkoop aan een derde, herrijst de pacht en het voorkooprecht van de pachter volledig.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2008/AR/2437 - 2008/AR/2467

I. A.R. nr. 2008/AR/2437

INZAKE VAN :

1) Mevrouw M. J. en haar echtgenoot

2) De heer P. G.,

wonende te

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 1 april 2008,

vertegenwoordigd door Meester MEERT loco Meester Vincent DE DONDER, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Sint-Gillislaan 36,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer A. J.,

2) Mevrouw L. V.,

3) Mevrouw K. J.,

4) De heer W. J.,

eerste tot en met vierde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester MOONS loco Meester Patrick COCKX, advocaat te 9255 BUGGENHOUT, Vitsstraat 78,

5) De heer A. J., en zijn echtgenote

6) Mevrouw M. P.,

vijfde en zesde geïntimeerden, niet verschijnende, noch iemand voor hen;

7) De heer H. J.,

zevende geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Conny MOONS, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Dr. E. Van Winckellaan 14,

8) De heer P.J.,

achtste geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Guido B., advocaat te 1840 L., Patattestraat 65,

EN II. A.R. nr. 2008/AR/2467

INZAKE VAN :

1) De heer H. J., vertegenwoordigd door Meester Conny MOONS, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Dr. E. Van Winckellaan 14,

2) De heer A. J.,

3) Mevrouw L. V.,

4) Mevrouw K. J.,

5) De heer W. J.,

vertegenwoordigd door Meester MOONS loco Meester Patrick COCKX, advocaat te 9255 BUGGENHOUT, Vitsstraat 78,

6) De heer A. J., en zijn echtgenote

7) Mevrouw M. P.,

samenwonende te

niet verschijnende, noch iemand voor hen;

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 1 april 2008,

TEGEN :

1) De heer P. J.,

eerste geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Guido B., advocaat te 1840 L., Patattestraat 65,

2) Mevrouw M. J. en haar echtgenoot

3) De heer P. G.,

wonende te 9255 BUGGENHOUT, Vierbunderstraat 32,

tweede en derde geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester MEERT loco Meester Vincent DE DONDER, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Sint-Gillislaan 36,

INHOUD/SAMENVATTING

1. Artikel 53 Landpachtwet van 4 november 1969. Afstand van het voorkooprecht. Vorm. Bewijs. Stilzwijgende verzaking?

Een door alle deelgenoten gesloten akkoord dat uitsluitend de verkoop van de onroerende goederen van de nalatenschap betreft impliceert geen enkele verzaking vanwege een deelgen aan diens gebeurlijke rechten als pachter van deze goederen en, meer bepaald, aan zijn voorkooprecht. Het document betekent enkel en alleen dat iedereen instemt met de verkoping zonder dat nog een bevel tot verkoping in de zin van artikel 1211 of 1220 van het Gerechtelijk Wetboek zou moeten bekomen worden. Maar de minnelijk aangewezen verkoophoudende notaris blijft natuurlijk nog ertoe gehouden te onderzoeken of er voorkeurrechten of voorkooprechten bestaan, waaronder desgevallend het voorkooprecht van de pachter in de zin van de artikelen 48 e.v. van de Landpachtwet van 4 november 1969. Overigens, afstand van recht (van pacht of louter van het voorkooprecht) wordt niet vermoed.

2. Gerechtelijke verdeling. Bevel tot gerechtelijke verkoping: impact op het bewijs van een pacht en van een voorkooprecht.

De genotsituatie komt ter sprake tijdens de vereffening en verdeling, maar nog niet noodzakelijk op het ogenblik de rechtbank de vereffening en verdeling beveelt en de notarissen hiertoe aanstelt overeenkomstig artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek. De (eventuele of beweerde) pachter/onverdeelde mede-eigenaar is helemaal niet verplicht op het ogenblik van het eerste vonnis dat de gerechtelijke verdeling beveelt, een voorbehoud te maken in verband met zijn rechten als pachter en rechten van voorkoop.

3. ARTIKEL 1300 BW. VERBINTENISSENRECHT.

SCHULDVERMENING. TIJDELIJKE SCHULDVERMENGING.

De vermenging in hoofde van eenzelfde persoon, van de hoedanigheden enerzijds van enige pachter en anderzijds,ingevolge en bij het overlijden van diens vader, van medeverpachter), is tijdelijk (en dus niet definitief) en is dus geen reden om het bestaan van een pacht en van het voorkooprecht over het gehele goed te weigeren. Immers, wanneer de oorzaak van de schuldvermenging ophoudt, herrijst de vordering volledig en houden de gevolgen van de schuldvermenging op. Dus wanneer het goed te koop wordt aangeboden en het mede-eigenaarschap van de pachter kan ophouden bij een verkoop aan een derde, herrijst de pacht en het voorkooprecht van de pachter volledig.

4. LANDPACHT. - ARTIKEL 1 VAN DE WET VAN 4 NOVEMBER 1969 - TOEPASSINGSVELD - FOKKEN VAN BRABANTSE TREKPAARDEN

Het fokken van Brabantse trekpaarden in het kader van een bijkomende beroepsactiviteit en niet ten titel van loutere hobby, kan een landbouwactiviteit zijn in de zin van artikel 1 van de landpachtwet.

...

I. Procedure

1. De hogere beroepen zijn gericht tegen het bestreden vonnis waarbij de eerste rechter:

- de vordering van P. J. ontvankelijk en gegrond verklaart in de hierna volgende mate:

- voor recht zegt dat P. J. dient te worden beschouwd als pachter en dat hij derhalve de bescherming van de pachtwet geniet, met betrekking tot vijf percelen, voorwerp van de onverdeeldheid tussen partijen (twee landbouwgronden en drie weilanden (nader in het vonnis omschreven);

- de zaak aldus naar de boedelnotaris, meester X., verwijst teneinde haar opdracht verder te zetten;

- de zaak voor het overige naar de bijzondere rol verzendt en de gerechtskosten ten laste van de massa legt waarbij de rechtsplegingsvergoedingen gecompenseerd worden.

2. Appellante M. J. alsook appellanten A. J. en consorten en appellant H. J. vorderen, met de hervorming van het bestreden vonnis, om de oorspronkelijke vordering van P. J. af te wijzen als onontvankelijk, minstens als ongegrond en om uitdrukkelijk te bevestigen dat de boedelnotaris wordt gelast met de openbare verkoop van alle onroerende goederen afhangende van de nalatenschappen van wijlen mevrouw A. B. en wijlen de heer F. J..

M. J. en H. J. vragen om de gerechtskosten van beide aanleggen ten laste van de massa te leggen.

A. J. vraagt dit eveneens maar met dien verstande dat P. J. moet worden veroordeeld tot betaling van de rechtsplegingsvergoedingen.

De hogere beroepen werden tijdig en regelmatig ingesteld en zijn ontvankelijk.

3. P. J. besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep, indien ontvankelijk en tot de bevestiging van het bestreden vonnis in zoverre het voor recht zegt dat hij de bescherming van de pachtwet geniet, met betrekking tot de vijf percelen, voorwerp van de onverdeeldheid tussen partijen (twee landbouwgronden en drie weilanden, nader in het vonnis omschreven).

Bij incidenteel beroep vraagt hij te zeggen dat de rechtsingang onontvankelijk is.

P. J. vraagt minstens vooraleer recht te doen aan hemzelf navolgende eed op te leggen: "Ik zweer dat sedert 1993 tussen mijn vader en mezelf een pachtovereenkomst werd afgesloten volgens de voorwaarden: onmiddellijke betaling van een bedrag ad 30.000 BEF of 743,68 euro van hand tot hand en jaarlijks: 5.000 BEF of 123,94 euro aangaande de gronden in eigendom van vader F. J. en 12.000 BEF of 297,47 euro inzake de gepachte gronden en ik dit jaarlijks ook gedaan heb."

Hij vraagt verder hem alleszins te machtigen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen om het bewijs te leveren van het feit dat hij sedert 1993 de landbouwgronden, gelegen rond het hoevegebouw Kruisheide 20 te Malderen, exploiteerde, in akkoord met vader F. J. en pachtte aan de volgende voorwaarden, te weten 123,94 euro jaarlijks pachtgeld alsmede onmiddellijke betaling van 743,68 euro van hand tot hand alsmede 297,47 euro inzake de door pachter F. J. gepachte gronden t.a.v. derden.

P. J. vraagt minstens voor recht te zeggen dat hij op basis van de wet landbouwbedrijvigheid een voorkeurrecht heeft aangaande de litigieuze onroerende goederen en derhalve te handelen overeenkomstig deze wet en een deskundige te gelasten met de schatting van de omschreven onroerende goederen op datum van zijn aanstelling. Afzonderlijk dient tevens opdracht gegeven te worden na te gaan of het overnamerecht der landbouwgronden enige invloed heeft op de verkoopwaarde van het hoevegebouw.

Hij vraagt ten slotte om de gerechtskosten van beide aanleggen ten laste van de massa te leggen.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. A., H., G. (inmiddels overleden), P., M. en A. J. zijn / waren de kinderen en erfgenamen van F. J., landbouwer van beroep, geboren op 22 mei 1923 en overleden op 9 januari 2004.

A. J. was gehuwd onder het stelsel van de algehele gemeenschap (blijkens huwelijkscontract op 9 februari 1944 verleden voor notaris Etienne Maes, notaris te Puurs) met A. B., overleden op 25 maart 2003.

G. J. is op 1 oktober 2004 overleden en hij liet uit zijn huwelijk met L. V. twee kinderen na: K. en W. J..

5. Volgende onroerende goederen hangen van de nalatenschappen af:

- een hoeve op en met grond en aanhorigheden, gelegen te L., Kruisheide 20, gekadastreerd Sectie C, nummer 112/G, met een oppervlakte van 26 aren, 78 centiaren;

- een perceel landbouwgrond "Waterlee", gekadastreerd Sectie C, nummer 97/A, met een oppervlakte van 48 aren 96 centiaren;

- een perceel landbouwgrond "Waterlee", gekadastreerd Sectie C, nummer 100/F, met een oppervlakte van 48 aren 09 centiaren;

- een perceel weiland "Waterlee", gekadastreerd Sectie C, nummer 111/E, met een oppervlakte van 74 aren 74 centiaren;

- een perceel weiland "Waterlee", gekadastreerd Sectie C, nummer 111/F, met een oppervlakte van 53 aren 54 centiaren;

- een perceel weiland "Kruisheide", gekadastreerd Sectie C, nummer 90/A, met een oppervlakte van 34 aren 40 centiaren.

De aankoopakte van 12 juli 1978 (m.b.t. het perceel weiland nummer 111/F) vermeldt dat de echtgenoten J.-B. het perceel aankochten dat aan hen "verhuurd is zonder geschreven pachtovereenkomst".

6. Bij exploot van 15 december 2004 hebben A. J., L. V., K. en W. J. een vordering tot uitonverdeeldheidtreding ingesteld tegen A. J. en echtgenote M. P., H. J., P. J., M. J. en echtgenoot P. G..

7. Bij vonnis van 11 februari 2005 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vereffening en verdeling bevolen van de nalatenschap van beide voormelde ouders ( F. J. en A. B.), waarbij notaris Mevrouw X., met standplaats te L., aangesteld werd tot boedelnotaris en waarbij notaris Z., met standplaats te W., aangesteld werd als notaris-vertegenwoordiger in de zin van artikel 1209, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

8. Op 8 februari 2006 stelde de boedelnotaris haar proces-verbaal van opening der werkzaamheden op.

Op 23 oktober 2006 volgt het proces-verbaal van de voortzetting van de werkzaamheden. Het bevat de opgave van de betwisting tussen de deelgenoten inzake het al of niet bestaan van een landpacht en voorkooprecht op de voormelde vijf percelen grond, gevolgd door de zienswijze van de boedelnotaris op deze betwisting en waarbij de boedelnotaris besluit tot de afwezigheid van een landpacht en van voorkooprecht. De boedelnotaris vraagt dat de rechtbank voor recht zou zeggen dat hij kan overgaan tot de openbare verkoping zonder voorhoud te moeten maken inzake het bestaan van een recht van landpacht en voorkooprecht in hoofde van P. J..

De boedelnotaris is volgens haar advies de volgende zienswijze toegedaan en van oordeel:

- dat P. J. niet het vereiste bewijs van betaling van pachtgeld (tijdens het leven van zijn vader) bewijst;

- dat P. J. niet het bewijs levert dat de paardenfokkerij vooral bestemd is voor de verkoop;

- dat P. J., als voltijds NMBS bediende, niet het bewijs levert dat de uitbating van een landbouwbedrijf het overwegend deel van de beroepsactiviteit van de exploitant moet uitmaken;

- dat de fiscale en sociale documenten voorgelegd door P. J. dateren van na het overlijden van zijn vader;

- dat P. J. het bedrijfsmatig karakter niet aantoont door middel van boekhouding of documenten in het kader van de directe belastingen.

De boedelnotaris vraagt derhalve de machtiging om te mogen verkopen zonder toepassing van de landpachtwet noch van een wettelijk overnamerecht voorzien in de wet op de kleine nalatenschappen en voorzien in de wet op de continuïteit van de landbouwbedrijven.

9. De eerste rechter heeft geoordeeld, wat de ontvankelijkheid van de vordering betreft,

- dat de vordering ontvankelijk is, nu uit de neergelegde stukken blijkt dat te dezen feitelijk voldaan is aan artikel 1219 §2 van het Gerechtelijk Wetboek inzake het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden,

- en dat de heer P. J. geen afstand heeft gedaan van zijn vorderingen inzake pacht en voorkooprecht.

Ten gronde oordeelde de eerste rechter dat P. J. wel diende beschouwd te worden als pachter en dat hij derhalve de bescherming geniet van de Pachtwet met betrekking tot de twee percelen landbouwgrond en drie percelen weiland en hij motiveerde hoofdzakelijk:

*) Wat de aard van de exploitatie door P. J. betreft:

- dat het niet (louter) om een hobby gaat, maar wel om een exploitatie (van trekpaarden) met bedrijfskarakter, wat blijkt uit meerdere documenten als ondernemer van een landbouwexploitatie;

- dat het irrelevant is dat deze exploitatie niet de hoofdactiviteit van P. J. is, vermits hij er toch veel tijd insteekt;

- dat de uitzonderingen vervat in artikel 2 van de landpachtwet in casu niet zijn verwezenlijkt;

- dat P. J. een specifiek ras kweekt geschikt voor toepassing in de landbouw, ook al geschiedt de inzet thans nog maar op zeer beperkte schaal en dikwijls enkel met de bedoeling het ras in stand te houden.

*) De rechtbank is verder van oordeel dat P. J. een afdoend bewijs van betaling van pachtgelden levert (middels hulp bij en het runnen van het bedrijf van diens ouders), al was er geen geschrift opgesteld.

*) In tegenstelling tot het advies van de boedelnotaris en van de overige partijen acht de rechtbank het bewezen dat P. J. pachter is in de zin van de landpacht en dus ook het wettelijk voorkooprecht als pachter heeft.

*) De rechtbank stelt dat bij het overlijden van de verpachter (de ouders J.), de landpacht verder liep zodat P. J. pachter is gebleven van de andere onverdeelde mede-eigenaars.

De rechtbank besloot dat P. J. wel degelijk pachter is van de voormelde percelen en hij het wettelijke voorkooprecht van de pachter (art. 1 en 48 e.v. Pachtwet) heeft zodat de verkoping dient plaats te vinden met vrijwaring van deze pacht- en voorkooprechten van P. J.. Verder achtte de rechtbank dat het in de huidige stand van het geding niet nodig is in te gaan op de vordering van P. J. in ondergeschikte orde, inzake de toepassing van de wet van 1988 inzake de erfregeling van landbouwbedrijven; deze vordering wordt naar de bijzondere rol verwezen.

III. Bespreking

1°. Ontvankelijkheid

10. Partij P. J. blijft de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke rechtsingang betwisten. De boedelnotaris zou in deze de geschikte procedure zoals beschreven in artikel 1219 van het Gerechtelijk Wetboek niet hebben gevolgd.

De eerste rechter heeft echter volledig terecht vastgesteld dat de neergelegde p.v.'s aan de finaliteit van artikel 1219 van het Gerechtelijk Wetboek voldoen daar waar:

o uit de p.v.'s kan worden afgeleid dat de vereffening en verdeling geen voortgang kan vinden, indien de aan de orde zijnde problematiek niet voorafgaandelijk wordt beslecht (dit is een voorwaarde voor het aanhangig maken van een tussengeschil);

o op grond van de neergelegde p.v.'s het debat juridisch duidelijk kan worden afgelijnd, met name het lot van de voormelde onroerende goederen;

o in de neergelegde p.v.'s het standpunt van alle partijen door de boedelnotaris wordt uiteengezet en er ook een antwoord en een advies van de boedelnotaris wordt in opgenomen.

Appellant op incidenteel beroep P. J. toont geenszins een schendig van zijn rechten van verdediging aan. Hij heeft overigens bij de rechtbank - en thans voor het hof - zijn middelen uitvoerig kunnen uiteenzetten, waarmee de eerste rechter duidelijk rekening heeft gehouden nu hij diens rechten als pachter heeft erkend. Alle partijen hebben overigens uitvoerig voor de boedelnotaris hun standpunt kunnen verdedigen, hetgeen uit de aangehechte briefwisseling blijkt. Hieruit kon de boedelnotaris afleiden dat zij met een fundamenteel probleem was geconfronteerd dat door de rechtbank diende te worden beslecht.

11. Van hun kant betwisten appellanten de ontvankelijkheid van de vordering van P. J..

Zij stellen dat de overeenkomst van 9 augustus 2004 betrekking heeft op alle goederen van de nalatenschap. P. J. verzet zich niettemin tegen de openbare verkoop van de zes voormelde goederen. Appellanten repliceren dat P. J. deze overeenkomst, die hij zonder voorbehoud ondertekende, te goeder trouw moet uitvoeren. P. J. is echter blijven stilzwijgen na de dagvaarding tot uitonverdeeldheidtreding en heeft pas eind 2005 het bestaan van een pachtovereenkomst ingeroepen. Hij heeft bovendien geen hoger beroep ingesteld tegen het eerste vonnis waarbij de vereffening en verdeling wordt bevolen en de boedelnotaris werd aangesteld en o.m. gelast met de openbare verkoop van de onroerende goederen. Appellanten besluiten dat P. J. zijn rechten op basis van de Landpachtwet en wet op de erfregeling van landbouwbedrijven zou hebben verbeurd.

Het door appellanten aangehaalde akkoord betreft uitsluitend de verkoop van de onroerende goederen uit de nalatenschap. Dit impliceert geen enkele verzaking van P. J. aan gebeurlijke rechten als pachter van deze goederen en, meer bepaald, aan zijn voorkooprecht. Het document betekent enkel en alleen dat iedereen instemt met de verkoping zonder dat nog een bevel tot verkoping in de zin van artikel 1211 of 1220 van het Gerechtelijk Wetboek zou moeten bekomen worden. Maar de minnelijk aangewezen verkoophoudende notaris blijft natuurlijk nog ertoe gehouden te onderzoeken of er voorkeurrechten of voorkooprechten bestaan, waaronder desgevallend het voorkooprecht van de pachter in de zin van de artikelen 48 e.v. van de Landpachtwet van 4 november 1969. Overigens, afstand van recht (van pacht of louter van het voorkooprecht) wordt niet vermoed. Het voormelde geschrift bevat geen ondubbelzinnige afstand vanwege P. J. inzake diens voorkooprecht. Overigens is artikel 53 van de landpachtwet duidelijk: dergelijke afstand kan slechts bij notariële akte of bij verklaring voor de vrederechter. Elke andere wijze van afstand is nietig krachtens artikel 56, tweede lid van de Landpachtwet van 4 november 1969.

De omstandigheid dat de boedelnotaris o.m. gelast werd "voor zoveel als nodig" over te gaan tot de verrichtingen van verkoop en dat P. J. zich hiertegen niet verzette en geen hoger beroep instelde, betekent evenmin dat hij verzaakte aan enige rechten. P. J. hoefde geen voorbehoud te maken na de uitspraak van de rechtbank die de vereffening en verdeling beval. De overname op basis van de wet van 1900 en 1988 is immers een verdelingsverrichting, meer bepaald een wijze van verdeling, niet in natura, maar in waarde (artikel 826, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, dat primeert op artikel 827 van het Burgerlijk Wetboek inzake de niet-gevoeglijke verdeling van bepaalde goederen, en de openbare verkoping ervan).

De genotsituatie komt ter sprake tijdens de vereffening en verdeling, maar nog niet noodzakelijk op het ogenblik de rechtbank de vereffening en verdeling beveelt en de notarissen hiertoe aanstelt overeenkomstig artikel 1207 van het Gerechtelijk Wetboek. De (eventuele of beweerde) pachter/onverdeelde mede-eigenaar is helemaal niet verplicht op het ogenblik van het eerste vonnis dat de gerechtelijke verdeling beveelt, een voorbehoud te maken in verband met zijn rechten als pachter en rechten van voorkoop. Uit artikel 1209, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek volgt duidelijk dat dit geschil op een ander ogenblik kan worden voorgelegd dan het tijdstip waarop de uitonverdeeldheidtreding wordt gevorderd of bevolen.

Het wordt bijgevolg niet aangetoond dat P. J. op definitieve wijze afstand heeft gedaan van zijn rechten als pachter.

12. De stelling van appellanten als zou P. J. na het overlijden van de ouders J.-B. (= de vermeende verpachters) geen bescherming meer als pachter genieten is ten slotte, zoals de eerste rechter vaststelt, verkeerd.

Het hof acht, zoals de eerste rechter in zijn bestreden vonnis dat, in tegenstelling met het advies van de boedelnotaris en de stellingen van de overige deelgenoten, het voldoende aangetoond is dat P. J. reeds pachter was tijdens het leven van diens vader (zie hieronder). De vermenging van hoedanigheden (pachter en vervolgens nadien, ingevolge en bij het overlijden van de vader, één van de medeverpachters), is tijdelijk (en dus niet definitief) en is dus geen reden om het bestaan van een pacht en van het voorkooprecht over het gehele goed (alle gerechtigheden) te weigeren. Immers, wanneer de oorzaak van de schuldvermenging ophoudt, herrijst de vordering volledig en houden de gevolgen van de schuldvermenging op. Dus wanneer het goed te koop wordt aangeboden en het mede-eigenaarschap van de pachter kan ophouden bij een verkoop aan een derde, herrijst de pacht en het voorkooprecht van de pachter volledig.

De tijdelijke vermenging van de hoedanigheden van pachter en één van de medeverpachters in hoofde van P. J. heeft op zichzelf niet tot gevolg dat diens vorderingen onontvankelijk of ongegrond zouden zijn.

Appellanten betwisten bijgevolg ten onrechte de ontvankelijkheid van de vordering van geïntimeerde P. J..

13. Appellant H. J. beroept zich dan op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken om te besluiten dat de conclusie van geïntimeerde nietig zou zijn nu een tekst in de Franse taal wordt geciteerd ter staving van de argumentatie, zonder vertaling.

H. J. laat na te verduidelijken welk de betwiste passus uit de conclusie van P. J. is.

Een akte van rechtspleging wordt geacht geheel in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid van de akte, in die taal zijn gesteld . Het litigieuze citaat in de Franse taal heeft op zich geen pertinentie voor de beoordeling van het voorgedragen middel en het hof mag daar volledig abstractie van maken. Er dient dan ook geen nietigheid te worden uitgesproken.

2°. Ten gronde

14. P. J. die zich op het bestaan van een landpachtovereenkomst beroept dient hiervan het bewijs te leveren.

Bij ontstentenis van een schriftelijk bewijs kan degene die een landeigendom exploiteert het bewijs leveren van het bestaan van een pacht en van de pachtvoorwaarden door alle middelen, met inbegrip van getuigen en vermoedens (artikel 3 van de wet van 4 november 1969 inzake de landpachtovereenkomsten).

Hij die een landeigendom exploiteert, dient, om het bestaan van een landpachtovereenkomst in de zin van artikel 1 van de voormelde wet, te bewijzen, het bewijs te leveren:

o van het bestaan van een huur of pachtprijs (art. 1709 van het Burgerlijk Wetboek);

o van een huur van onroerende goederen die hoofdzakelijk gebruikt worden in zijn landbouwbedrijf. Onder landbouwbedrijf wordt verstaan de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop (artikel 1, 1° van de Landpachtwet van 4 november 1969).

15. P. J. moet de betaling van een pachtprijs bewijzen (art. 1709 van het Burgerlijk Wetboek). Welnu: "Zodra er sprake is van een werkelijke, zij het geringe tegenprestatie, is er een huurovereenkomst." Verder is het zo "...dat de huurprijs niet noodzakelijk in geld moet worden bepaald. De tegenprestatie vanwege de huurder kan ook bestaan in het leveren van een vaste hoeveelheid waren in natura of in het leveren van werkprestaties."

In zijn bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter als volgt:

"De rechtbank acht de stukken die P. J. bijbrengt met betrekking tot de betaling van de pachtprijs als voldoende bewijskrachtig, waarbij de overige partijen trouwens niet ernstig betwisten dat P. J., op het ogenblik dat de vader van de partijen nog leefde, deze hem hielp en op een gegeven ogenblik de facto het bedrijf uitbaatte en waarbij het aannemelijk is dat er tussen P. J. en zijn ouders destijds geen geschrift werd opgesteld met betrekking tot de pacht".

Het hof deelt deze zienswijze, in acht genomen de respectieve geboortedatum en de leeftijd van de ouders, en het feit dat de vader op de leeftijd van tachtig jaar stierf.

De betaling van een pachtprijs vloeit dus voort, tijdens het leven van de vader, uit het runnen van de exploitatie en vervolgens uit de stortingen van 300,00 euro aan notaris X., waarvan de bewijzen worden voorgelegd, zelfs al maakte deze notaris voorbehoud met betrekking tot de reden van deze sommen.

16. Verder is het hof van oordeel dat de door P. J. vele en diverse bijgebrachte stukken voldoende naar rechte het bewijs inhouden dat er te dezen een landpachtovereenkomst in de zin van artikel 1 van de landpachtwet bestaat; deze stukken vormen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek, van het bestaan van een landpachtovereenkomst. Immers:

*) De landbouwproducten zijn in casu de voortbrengselen van de veeteelt, meer bepaald van Brabantse trekpaarden, welke dieren ook nuttig zijn in het kader van landbouwactiviteiten, zoals het ploegen van landbouwgronden . In casu gaat het niet om paarden voor de ruitersport noch om pony's louter aangewend in het kader van sport of ontspanning.

*) Deze Brabantse trekpaarden worden gefokt in het kader van een bijkomende beroepsactiviteit en niet ten titel van loutere hobby. Zij worden immers ook verkocht (stukken onder nummers 9, 12 en 17). De activiteit van P. J. overschrijdt kennelijk een (loutere) hobby. Geïntimeerde P. J. legt immers een reeks stukken over die wijzen op een beroepsmatige aanwending van de vijf percelen: uit al deze stukken blijkt ten genoege van recht dat de activiteit ontwikkeld door P. J. op de betwiste gronden ruimschoots het fokken van bovenbedoelde trekpaarden als loutere hobby overschrijden:

- het hebben van een BTW - nummer,

- vrachtwagen, tractor,

- kosten van de veearts,

- betaling van pacht aan derden,

- de briefwisseling met de Vlaamse Landmaatschappij inzake het mestdecreet en de Mestbank,

- de aanvraag voor het registeren van een fokkerijbenaming,

- de dek/inseminatieovereenkomst,

- stuk 1 in verband met uitgaven in het kader van de paardenkweek,

- de stukken in verband met hooi, haver, bemesting, sproeistof,

- de verklaringen van meer dan dertig personen (zie de geschriften van 7 januari 2006).

Al deze stukken gezamenlijk wijzen op een aanvullend beroep of bijkomende beroepsactiviteit van landbouwer. De betrokkene P. J. heeft overigens ook een attest van de landbouwschool (stuk 16). Opdat er van landpacht zou sprake zijn, is het niet vereist dat de betrokken uitbater de landbouwactiviteit als hoofdberoep uitoefent. Er kan sprake zijn van landpacht wanneer de uitbater de landbouwactiviteit als nevenactiviteit of als aanvullend beroep uitoefent, mits het maar op een bedrijfsmatige wijze gebeurt, wat te dezen het geval is.

17. Er worden bovendien geen afdoende vermoedens naar voor gebracht die zouden wijzen op het tegendeel, namelijk de afwezigheid van een beroepsmatige aanwending van de geëxploiteerde gronden. Het ontbreken van een hele reeks documenten inzake boekhouding, directe belastingen en landbouwtelling vormt geen doorslaggevend argument dat de beroepsmatige aanwending van de geëxploiteerde gronden uitsluit.

De kwestieuze gronden worden in casu hoofdzakelijk aangewend voor de landbouw (weiden voor fokken van trekpaarden).

Het wordt ook niet bewezen dat de activiteit van P. J. bestaande in het fokken van trekpaarden niet zou kunnen leiden tot winst, maar gedoemd zou zijn om verlieslatend of hoogstens kostendekkend te zijn.

Appellanten bewijzen evenmin dat de gronden onder artikel 2 van de landpacht inzake de uitzonderingen op deze wet zouden vallen.

Het Hof oordeelt en besluit derhalve uit al het voormelde dat het bestaan van een pachtovereenkomst voldoende naar rechte is bewezen bij toepassing van artikel 3 landpachtwet en artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek.

De hogere beroepen zijn bijgevolg ongegrond...

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol onder nummers 2008/AR/2437 en 2008/AR/2467 samen;

Verklaart de hogere beroepen en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond....

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/02/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. JANSSENS DE BISTHOVEN

Vrije woorden

  • Schuldvermening. Tijdelijke schuldvermenging. Pachter wordt medeverpachter ingevolge overlijden van de verpachter. Landpacht. Voorkoop