- Arrest van 14 mei 2012

14/05/2012 - 2009AR1111

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Verklaringen van de begiftigden omtrent waardepapieren bij het opmaken van de notariële boedelbeschrijving van de opengevallen nalatenschap van een overleden schenker dienen voldoende precies te zijn om in aanmerking te kunnen komen als berouw in geval van heling van waardepapieren. Dergelijke verklaringen mogen dus niet te vaag, te algemeen en te duister zijn.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/1111

INZAKE VAN :

1) De heer J. H.,

2) Mevrouw M. H.,

3) Mevrouw L. B.,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 18 december 2007,

vertegenwoordigd door Meester Léonce ERALY, advocaat te 3150 H., Provinciesteenweg 11

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer F. A., wonende..., in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen Mevrouw J. H., overleden op 28 december 2004,

2) De heer H. H., wonende

3) De heer W. H.,

in hun hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen de heer A. H., overleden op 28 december 2004,

4) De heer H. G.,

5) Mevrouw M. G., in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van wijlen Mevrouw M. H., overleden op 16 mei 2008,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester BRUYNINCKX loco Meester Nicolas VANDEBROEK, advocaat te 3000 LEUVEN, C. Meunierstraat 125,

6) Mevrouw J. V., ...in haar hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen mevrouw B. H., overleden op 8 juni 2003,

7) Mevrouw M. W., in hun hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen mevrouw S. H., overleden op 11 december 2003,

8) De heer M. W., wonende te , in hun hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen mevrouw S. H., overleden op 11 december 2003,

9) Mevrouw M. D., Weggevoerdenstraat 199, , in haar hoedanigheid van wettige erfgenaam van wijlen mevrouw J. D., overleden op 20 april 2004,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Jan SWENNEN, advocaat te 2580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5,

SAMENVATTING

I. ARTIKEL 792 BW. BOEDELBESCHRIJVING. HELING. BEROUW. VEREISTE VAN EEN NAUWKEURIG VERLARING IN DE BOELBESCHRIJVING OM AAN DE SANCTIE VAN DE HELING TE KUNNEN ONTKOMEN.

II. OMVANG VAN DE SANCTIE VAN DE HELING. VRUCHTEN EN INTRESTEN VAN DE GEHEELDE GOEDEREN.

I. Verklaringen van de begiftigden omtrent waardepapieren bij het opmaken van de notariële boedelbeschrijving van de opengevallen nalatenschap van een overleden schenker dienen voldoende precies te zijn om in aanmerking te kunnen komen als berouw in geval van heling van waardepapieren. Dergelijke verklaringen mogen dus niet te vaag, te algemeen en te duister zijn.

II. In geval van heling is het zo dat niet alleen de verduisterde goederen in aanmerking komen voor de sanctie van respectievelijk artikel 792 B.W. of 1448 B.W. maar dat de heler ook aansprakelijk is voor de vruchten en intresten die de ontvreemde gelden hadden kunnen opbrengen vanaf de datum van het wegmaken van deze goederen zonder dat een ingebrekestelling hiertoe vereist is.

...

I. De feiten.

1.1. De relevante feiten in deze zaak zijn de volgende:

- 24 januari 1934: datum van het huwelijkscontract tussen de aanstaande echtgenoten A. C. - H. A., verleden voor notaris Hubert DAVIDTS met standplaats te W..

Het huwelijkscontract bevat een keuze voor het stelsel van de gemeenschap van aanwinsten zoals voorzien in de toenmalige artikelen 1498 en 1499 B.W.

Het hield ook volgende overlevingsrechten in:

- een clausule van aanbedeling van de ganse gemeenschap in volle eigendom aan de langstlevende echtgenoot;

- een wederkerige contractuele erfstelling van de eerst stervende echtgenoot aan de langstlevende echtgenoot, van het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap van de eerst stervende.

- 19 oktober 1993: datum van het overlijden van C. A. - testamentloos - nalatende als enige reservataire erfgenaam zijn echtgenote A. H..

De overledene liet geen afstammelingen na.

- 4 juli 1994: datum van het overlijden van Mevrouw A. H. te Leuven.

Zij overleed ook testamentloos en liet evenmin afstammelingen na.

Zij liet na als wettige erfgenamen - blijkens de aangifte van haar nalatenschap - acht personen, zijnde:

- haar broer en drie zusters, namelijk A., B., S. en M. H.;

- de twee kinderen van haar vooroverleden broer M. H., namelijk J. en M. H.;

- het enige kind van haar vooroverleden zuster M. H., namelijk L. B.;

- het enige kind van haar vooroverleden zuster E. H., namelijk J. D..

- 22 november 1994: datum van de twee aangiften van nalatenschap, enerzijds van A. C. en anderzijds van A. H..

- 23 november 1995: datum van de vrijwillige verschijning van de erfgenamen van A. H. voor de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven ter inleiding van de procedure van de gerechtelijke - vereffening verdeling van de nalatenschap van A. H..

- 12 april 1996: datum van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, waarbij:

o de gerechtelijke vereffening - verdeling van de nalatenschap van Mevrouw A. H. werd bevolen;

o de notarissen A. L. te R. en D. te W. werden aangesteld als notarissen - vereffenaars, en notaris L. te H. als notaris -vertegenwoordiger bij toepassing van artikel 1209, derde lid Ger. W.

1.2. De notariële fase van de gerechtelijke verdeling verliep als volgt:

- 11 juni 1996: datum van de notariële boedelbeschrijving van de roerende goederen die deel kunnen uitmaken van de nalatenschap van wijlen A. H..

Het betrof een boedelbeschrijving op verklaring aangezien de enige woning reeds openbaar (68.170, 72 euro ) was verkocht op 3 november 1994 en de inboedel ervan was verdeeld.

De erfgenamen wensten op deze verdeling terug te komen zonder nadrukkelijk de reden hiervoor te melden.

Op bladzijde vier van deze boedelbeschrijving staat verder een verzending/renvooi, luidend als volgt: "J. H. en M. H. erkennen wel kasbons ontvangen te hebben van de echtgenoten A. C. - A. H., tijdens het leven van beiden, maar dit behoort niet tot de onverdeeldheid tussen partijen." Het betreft kasbons ter waarde van 48.359,61 euro die J. H. erkent geïnd te hebben en waarvan hij de helft van de opbrengst aan M. H. heeft gegeven. (...)

Er is tevens een probleem met de obligaties Kredietbank International Finance - voor een totaal bedrag van 14.873, 61 euro - die bij geen enkele van de erfgenamen werden teruggevonden zodat verzet werd aangetekend tegen de uitbetaling van deze effecten .

-15 september 2003: datum van de staat van vereffening van de eerste boedelnotaris A. L..

De boedelnotaris legt uit dat zij de schenking (voormeld bedrag van 48.359, 61 euro ) gedaan aan J. H. en gedeeld met M. H. als volgt beschouwt:

1° als schenkingen gedaan ieder voor de helft door A. C. en A. H. gezien het om gemeenschapsgoederen ging;

2° als schenkingen beiden gedaan als voorschot op het erfdeel (en dus niet buiten erfdeel) dat voor de helft dient ingebracht te worden in de nalatenschap van A. H., bij toepassing van artikel 843 B.W.

3° er intresten op de in te brengen schenkingen verschuldigd zijn bij toepassing van artikel 856 B.W. en dit vanaf het overlijden van de schenker.

-16 september 2003: datum van de - afwijkende - nota opgemaakt door de tweede boedelnotaris, J. D. te W..

Deze notaris is van oordeel dat het volledige bedrag van 48.359,61 euro enkel in de nalatenschap van A. H. ingebracht moet worden en dat op dit volledige bedrag de wettelijke intrest is verschuldigd tot de sluiting van de vereffening.

-21 oktober 2003; datum van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden; de opmerkingen van M. H. en J. H. werden in bijlage gevoegd.

-2 maart 2004: datum van het advies van de eerste boedelnotaris A. L.

1.3. In de loop van de procedure zijn dan de volgende erfgenamen overleden:

- Op 8 juni 2003 overleed B. H.; geding werd voor haar hervat door Mevrouw V.;

- Op 11 december 2003 overleed S. H. , nalatend M. en M. W, die het geding hebben hervat;

- Op 20 april 2004 overleed Mevrouw J. D., en werd het geding hervat door M. D.;

- Op 28 december 2004 overleed A. H., nalatend J., H. en W. H., die het geding hebben hervat;

- Op 24 juni 2007 overleed J. H. en de heer A. is tot gedinghervatting overgegaan;

- Op 16 mei 2008 overleed M. H.. Haar wettelijke erfopvolgers zijn: H. G. en M. G. (attest van erfopvolging uitgaande van het registratiekantoor van H., de dato 26 mei 2008). Zij hebben het geding hervat.

II. Wat de procedurele precedenten betreft:

- 18 december 2007: datum van het eindvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven waarin beslist werd dat:

- J. en M. H. gehouden zijn tot inbreng van 48.358, 61 euro , als activa uitsluitend in de nalatenschap van wijlen A. H. plus de wettelijke intresten vanaf 4 juli 1994 (= datum van het overlijden van A. H.);

- Alle andere beweringen en zwarigheden afgewezen worden;

- De zaak terug naar boedelnotaris A. L. te R. verzonden wordt om de staat van vereffening aan te passen, rekening houdend met de ingenomen standpunten door de boedelrechter;

- De rechtsplegingsvergoedingen gecompenseerd worden en voor het overige de partijen geen gerechtskosten hebben;

- Het vonnis voorlopig uitvoerbaar is.

- 28 april 2009: datum van het indienen van het verzoekschrift tot hoger beroep.

III. Discussie:

3.1.Wat het bedrag van 48.359, 61 euro betreft.

3.1.1. Boedelnotaris L. is van oordeel (...) dat:

- dit bedrag teruggaat tot kasbons ontvangen door J. H. tijdens het leven van de echtgenoten C. - H. waarvan hij vervolgens de opbrengst deelde met M. H.;

- bij toepassing van artikel 843 B.W. iedere erfgenaam inbreng dient te doen aan de mede - erfgenamen van al hetgeen hij van de overledene, bij schenking onder de levenden, rechtstreeks of onrechtstreeks, heeft ontvangen;

- de heer J. H. verklaarde aan de gerechtelijke politie de kasbons ontvangen te hebben doch tot op heden het bewijs niet is geleverd dat voormelde kasbons geschonken werden, zeker niet dat ze geschonken werden "bij vooruitmaking of met vrijstelling van inbreng";

- de helft van voormelde kasbons dient bijgevolg ingebracht te worden in de nalatenschap van mevrouw A. H., voorwerp van de onverdeeldheid tussen partijen;

- intresten zijn verschuldigd - bij toepassing van artikel 856 B.W. - vanaf de dag van het overlijden.

3.1.2. De tweede boedelnotaris, Jan D. te W., is daarentegen een gans andere mening toegedaan.

Hij is van oordeel dat het volledige bedrag van 48.359,61 euro uitsluitend in de nalatenschap van A. H. ingebracht moet worden.

Dit bedrag zou niet in aanmerking komen voor de vereffening van de nalatenschap van beide erflaters A. C. en A. H. omdat het niet door hen beide gegeven werd.

3.1.3. De boedelrechter was van oordeel dat Jan en M. H. gehouden zijn tot inbreng van 48.358,61 euro als activa uitsluitend in de nalatenschap van wijlen A. H. plus de wettelijke intresten vanaf 4 juli 1994 (datum van het overlijden van A. H.).

Op dit punt volgt de boedelrechter het standpunt van notaris D. en niet dat van notaris L..

3.1.4. De zienswijze en de argumentatie van boedelnotaris L. dient in deze echter gevolgd te worden.

Het bedrag van 48.358,61 euro heeft inderdaad betrekking op schenkingen (aan J. H. waarvan hij de opbrengst nadien deelde met M. M.) van gemene goederen gedaan door A. C. en A. H. samen.

De schenkingen gedaan door beide voornoemde schenkers gelden als voorschot op het erfdeel in de nalatenschappen van A. C. en A. H. en dit bij toepassing van artikel 843 B.W., bij gebreke aan afdoend tegenbewijs.

Er zijn geen naar recht voldoende, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin van artikel 1353 B.W. om te besluiten tot een duidelijke afwijking van artikel 843. B.W. en het daarin vervatte vermoeden iuris tantum (weerlegbaar vermoeden).

Derhalve gelden deze schenkingen, overeenkomstig het gemeenrecht, als voorschot op erfdeel zonder vrijstelling van inbreng (artikel 843 B.W.).

Intresten zijn verschuldigd - bij toepassing van artikel 856 B.W. - vanaf de data van het respectieve overlijden van de schenkers (art. 856 B.W.).

3.1.5. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd.

3.2. Wat de roerende goederen betreft:

3.2.1. De boedelrechter was terecht van oordeel dat op de minnelijke verdeling van de inboedel en de overige kasbons - gebeurd met onderlinge toestemming - niet kan worden teruggekomen.

In deze wordt bovendien ook nog verwezen naar artikel 816 B.W.

3.2.2. Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

3.3. Betreffende de waardepapieren waarop verzet is aangetekend:

3.3.1. De consorten H. en B. werpen op dat indien een waarborg dient te worden verleend, dit dient te gebeuren met de beschikbare gelden.

3.3.2. Deze waarborg wordt niet meer vereist sinds 2005.

3.4. Het recel (artikel 792 B.W.), ingesteld door de geïntimeerden tegen de appellanten, m.b.t. de som van 48.359, 61 euro :

3.4.1. Op bladzijde vier van de boedelbeschrijving werd een verzending (renvooi) opgenomen, luidend als volgt: "J. H. en M. H. erkennen wel kasbons ontvangen te hebben van de echtgenoten A. C. - A. H., tijdens het leven van beiden, maar dat dit niet behoort tussen de onverdeeldheid tussen partijen."

Boedelnotaris L. is van oordeel dat het recel in hoofde van Jan en Marieke H. niet is bewezen gelet juist op voornoemd renvooi in de boedelbeschrijving zodat artikel 792 B.W. niet van toepassing is.

Geïntimeerden zijn het niet eens met deze stelling.

3.4.2. Artikel 792 B.W. bepaalt: "De erfgenamen die goederen van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen; al verwerpen zij deze, toch blijven zij zuiver erfgenaam, zonder op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken aanspraak te kunnen maken."

De wetgever zelf geeft geen definitie van het begrip ‘heling'. Om van heling van goederen van de nalatenschap in de zin van de artikel 792 B.W. en/of artikel 1448 B.W. te kunnen spreken, moeten in principe de volgende vier voorwaarden cumulatief zijn vervuld, met name: (a) het wegmaken of verborgen houden van goederen (b) die respectievelijk tot de nalatenschap of gemeenschap behoren, (c) met bedrieglijk inzicht en (d) door respectievelijk een erfgenaam of echtgenoot .

Het bedrieglijke inzicht betreft een bedrog dat erop gericht is de gelijkheid tussen respectievelijk de erfgenamen (bij toepassing van artikel 792 B.W.) of de echtgenoten (bij toepassing van artikel 1448 B.W.) te verstoren of de schuldeisers van respectievelijk de nalatenschap of de gemeenschap te bedriegen.

Het bedrog waarbij een erfgenaam - ten nadele van de mede-erfgenamen - de gelijkheid van de verdeling tracht te verbreken door zich goederen van de erfenis toe te eigenen of van de overledene verkregen giften verborgen te houden, moet bestaan op het tijdstip van de verdeling met de mede-erfgenamen.

In principe kan de heler de sanctie van de artikelen 792 of 1448 B.W. vermijden indien hij berouw vertoont en wanneer dat berouw tijdig en spontaan is. De erfgenaam - die de goederen van een nalatenschap weggemaakt of verborgen heeft - kan m.a.w. de in voornoemde bepalingen bedoelde sanctie niet ontlopen, tenzij hij uiterlijk vóór het afsluiten van de in artikel 1175 Ger. W. bedoelde boedelbeschrijving uit eigen beweging op de leugenachtige verklaring is teruggekomen, zonder daartoe door de omstandigheden te zijn gedwongen. De ultieme kans voor de heler om de goederen alsnog aan te geven in de massa, is bijgevolg het moment van het afsluiten van de inventaris.

In de boedelbeschrijving dienen de erfgenamen immers melding te maken van alle goederen die de erflater hun heeft geschonken, ongeacht of de schenking al dan niet voor inbreng of inkorting vatbaar was. Eigenlijk zijn de partijen ertoe gehouden om alle goederen te vermelden die een invloed hebben op de samenstelling van de opengevallen nalatenschap.

3.4.3. In deze dient vastgesteld te worden dat Jan en M. H. daadwerkelijk met bedrieglijk inzicht goederen (48.359,61 euro plus intresten) van de nalatenschap hebben weggemaakt of verborgen gehouden.

Zij hebben immers noch tijdig noch spontaan gewag gemaakt van deze goederen.

Het is slechts na het strafonderzoek dat zij op precieze wijze melding hebben gemaakt van die waardepapieren die J. H. inmiddels verzilverd had tegen voormelde som. Hun opvallend stilzwijgen tegenover de mede - erfgenamen heeft tot gevolg dat zowel Jan als M. schuldig zijn aan heling gelet op de afwezigheid van een spontane bekentenis.

Tengevolge van het strafonderzoek konden ze immers niet anders dan melding te maken van de kwestieuze waardepapieren. De bekentenis is dus niet uit eigen beweging gebeurd maar door de omstandigheden opgedrongen.

3.4.4. Ten overvloede wordt hieraan nog toegevoegd dat de verklaring van Jan en M. H. voorwerp van de randmelding/renvooi in de notariële boedelbeschrijving, te vaag, te algemeen en te duister is om in aanmerking te komen.

Zij hebben het immers alleen over "kasbons", zonder enige verdere precisering zoals bijvoorbeeld de naam van de emittent ervan. Er wordt ook niet expliciet en duidelijk gewag gemaakt van waardepapieren met een tegenwaarde van 48.358, 61 euro .

Het is niet duidelijk of deze verzending/renvooi betrekking heeft op kasbons van dezelfde dan wel van verschillende aard, of het over veel dan wel weinig waardepapieren gaat.

De partijen bij de boedelbeschrijving krijgen hierbij dus geen uitsluitsel vanwege Jan en M. H. inzake de concrete goederen die in hun bezit zijn en waarvan ze menen dat ze niet moeten aangegeven worden. De inhoud van het renvooi/verzending kan bijgevolg niet gelden als bewijs van berouw of inkeer en - a fortiori - van een tijdig bewijs van een spontane bekentenis vanwege de heler.

Een notariële boedelbeschrijving dient trouwens volledig en waarheidsgetrouw te zijn. Zij is niet enkel een louter bewarende maatregel maar een bewijskrachtige akte tot de juistheid waarvan de partijen wettelijk verplicht zijn bij te dragen.

Daarenboven blijkt uit artikel 1212 Ger. W. dat de procedure van de gerechtelijke verdeling ertoe strekt de boedelnotaris in staat te stellen alle rekeningen die de deelgenoten elkaar verschuldigd zijn, op te maken. M. en J. H. hebben bij de boedelbeschrijving niet gehandeld volgens de letter en de geest van deze voorschriften.

3.4.5. Dit verzwijgen en de afwezigheid van een tijdig en spontaan berouw hebben tot gevolg dat de sanctie van artikel 792 B.W. op voornoemden wel dient toegepast te worden wat de som van 48.359,61 euro betreft en de intresten hierop.

De erfgenaam - respectievelijk echtgenoot - die enig goed uit de opengevallen nalatenschap/ontbonden gemeenschappelijk vermogen heeft weggemaakt of verborgen gehouden in de zin van artikel 792 B.W. of 1448 B.W. verliest zijn aandeel niet alleen in dat goed, maar ook in de intresten die de verduisterde goederen konden opbrengen sinds de datum van de verduistering.

In geval van heling is het zo dat niet alleen de verduisterde goederen in aanmerking komen voor de sanctie van respectievelijk artikel 792 B.W. of 1448 B.W. maar dat de heler ook aansprakelijk is voor de vruchten en intresten die de ontvreemde gelden hadden kunnen opbrengen vanaf de datum van het wegmaken van deze goederen zonder dat een ingebrekestelling hiertoe vereist is.

3.4.6. Voor zoveel als nodig wordt nog onderlijnd dat een strafrechtelijke buitenvervolgingstelling - zoals in deze het geval is - geenszins de toepassing van artikel 792 B.W. houdende de civiele sanctie bij heling uitsluit.

De boedelnotaris dient met het bovenstaande rekening te houden bij het aanpassen van zijn ontwerp van vereffening - verdeling overeenkomstig artikel 1223 Ger. W.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt hervormd.

(...)

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

(...)

Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel van geïntimeerden ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate.

Hervormt het bestreden vonnis als volgt:

- zegt voor recht dat de som van 48.359, 61 euro , plus de intresten, geschonken zijn door A. H. en haar echtgenoot samen, dat het schenkingen betreft als voorschot op erfdeel die ingebracht dienen te worden overeenkomstig artikel 843 B.W. en geen schenkingen buiten erfdeel en dat intresten verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 856 B.W.;

- zegt voor recht dat artikel 792 B.W. inzake de heling wel van toepassing is op J. en M. H;

(...)

Verwijst de zaak opnieuw naar notaris L. met standplaats te R. om de staat van vereffening aan te passen, rekening houdende met de beslissingen genomen in huidig arrest.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

14/05/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Heling. Recel. Berouw. Vereisten voor berouw. Boedelbeschrijving