- Arrest van 26 juni 2012

26/06/2012 - 2008AR3125

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een afstand van rechten inzake inbreng en inkorting met betrekking tot nalatenschappen die nog niet zijn opengevallen is een overeenkomst inzake niet-opengevallen nalatenschappen die absoluut nietig is bij toepassing van de artikelen 6 en 1130 BW.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2008/AR/3125

INZAKE VAN :

Mevrouw J. J.,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 27 mei 2008,

vertegenwoordigd door Meester Marc VAN EECKHOUDT, advocaat te 1082 BRUSSEL, Dr. Schweitzerplein 18,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer F. J.,

2) Mevrouw F. B.,

3) Mevrouw C. J., 77,

4) Mevrouw M. J., 1,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester VAN BOXLAER loco Meester Luc DELEU, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30 ,

Artikel 1130 BW. Overeenkomsten over niet opengevallen nalatenschappen. Nietigheid. Overeenkomsten inzake inbreng of inkorting in nog niet opengevallen nalatenschappen: nietigheid

Een afstand van rechten inzake inbreng en inkorting met betrekking tot nalatenschappen die nog niet zijn opengevallen is een overeenkomst inzake niet-opengevallen nalatenschappen die absoluut nietig is bij toepassing van de artikelen 6 en 1130 BW.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 27 mei 2008.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis werd betekend op 19 november 2008. Appellante heeft hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 15 december 2008. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De relevante feiten kunnen samengevat worden als volgt:

Op 19 december 1930 gaan E. J. en S. V. bij akte verleden voor notaris Maurice V. te S. een huwelijkscontract aan houdende het toenmalige wettelijk stelsel van gemeenschap van al de roerende goederen en de aanwinsten .

Het huwelijkscontract hield volgende overlevingsrechten in:

a) een beding van ongelijke verdeling van de gemeenschap (artikel 2 van het huwelijkscontract): de gemeenschap komt toe aan de langstlevende: in volle eigendom voor de roerende gemene goederen en voor ½ volle eigendom + ½ vruchtgebruik voor wat de gemene onroerende goederen betreft;

b) een contractuele erfstelling (artikel 4 van het huwelijkscontract): in geval van bestaan van kind of kinderen uit het huwelijk geboren wordt het grootst beschikbaar deel zowel in eigendom als in vruchtgebruik geschonken aan de langstlevende van de echtgenoten.

De echtgenoten hadden vier kinderen: P., F., M. en J. J.. P. J. is inmiddels overleden en laat als erfgenamen na zijn echtgenote F. B., en dochter C. J..

Tussen een of beide ouders en enkele van hun kinderen én enkele schoonkinderen kwamen vijf notariële akten tot stand, namelijk:

- een notariële verkoopakte van 11 november 1959;

- een notariële verkoopakte van 23 oktober 1963;

- een notariële verkoopakte van 24 oktober 1967;

- een notariële schenkingsakte van 27 juni 1974;

- een notariële schenkingsakte van 1 september 1977 .

Bij akte van 11 november 1959 verleden voor notaris M. W. te G., gebeurt verkoop aan F. J. en diens echtgenote G. M., van de volle eigendom van een perceel bouwgrond, gelegen te S., wijk E, ex nr. 289a, behorende aan E. J. als eigen goed. De verkoopprijs bedraagt 60.000 BEF, te betalen binnen de zes maanden na het overlijden van de verkoper op last van er hem vanaf de akte interest op te betalen aan 3 % per jaar betaalbaar de elfde november van ieder jaar.

Bij akte van 23 oktober 1963 verleden voor notaris M. W. te G., gebeuren twee verkopen, namelijk:

- a) aan P. J. en diens echtgenote F. B., van een perceel bouwgrond gelegen te S., wijk E, ex 289b, behorende aan E. J., als eigen goed.

- b) aan F. J. en diens echtgenote G. M. van een perceel bouwgrond gelegen te S., wijk E, ook ex 289b, behorende aan E. J., als eigen goed.

De verkoopprijs bedraagt 82.650 BEF, voor de verkoop aan de echtgenoten J.- B., en 21.450 BEF voor die aan de echtgenoten J.- M.. De verkoopprijzen zijn te betalen binnen de zes maanden na het overlijden van de verkoper op last van er hem vanaf de akte interest op te betalen aan 3 % per jaar betaalbaar de drieëntwintigste oktober van ieder jaar.

Bij akte van 24 oktober 1967 verleden voor notaris M. W. te G., gebeurt een verkoop aan F. E. BULTE en zijn echtgenote M. A. J. van een perceel land gelegen te S., wijk G, nr. 73a, behorende aan E. J. en zijn echtgenote als gemeenschapsgoed als gevolg van aankoop tijdens hun huwelijk. De verkoopprijs bedraagt 110.000 BEF, die de verkopers zich verbinden te betalen binnen de zes maanden na het overlijden van de langstlevende der verkopers "aan hunne onderlinge nalatenschappen", op last van ondertussen interest te betalen aan 3 % per jaar betaalbaar de vierentwintigste oktober van ieder jaar.

Bij akte van 27 juni 1974 verleden voor notaris G. te S., gebeurt schenking door E. J. en zijn echtgenote S. V., aan J. J., echtgenote van P. V., van een perceel boomgaard gelegen te S., behorende aan E. J. en zijn echtgenote als gemeenschapsgoed als gevolg van aankoop tijdens hun huwelijk. Deze schenking wordt gedaan "vooruit, bij buitendeel en met ontslag van terugbrengst". In deze akte komen P., F. en M. J. tussen. Zij erkennen kennis te hebben van de schenking en deze ten volle goed te keuren en te bekrachtigen en zich nooit tegen de uitwerking ervan te zullen verzetten en te verzaken aan het voordeel van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek.

Op dezelfde dag noteert de notaris een onderhandse verklaring van Mevrouw J. J. aansluitend bij de notariële akte, luidend als volgt: "Ondergetekende Mevrouw J. J., bijgestaan en gemachtigd door haar echtgenoot, de heer P. V., samenwonende te S., Markt, verklaart dat zij heden bij akte verleden voor notaris G., te L., een perceel bouwgrond heeft gekregen, en dat zij door die gifte volledig gelijkgeschakeld is met haar twee broeders en haar zuster, welke van hun kant elk een perceel grond hebben aangekocht van hun ouders, met beding te betalen na overlijden der ouders. Zij verklaart derhalve niets meer te vorderen hebben uit dien hoofde van haar broers en zuster. L., de 27 juni 1974." (volgt de handtekening)

Bij akte van 1 september 1977 verleden voor notaris N. te G. gebeurt schenking door E. J. aan P. J. en aan F. J., elk een perceel tuin te L. in volle eigendom, elk geschat op 150.000,00 BEF. De schenkingen worden gedaan "bij vooruitmaking, buiten erfdeel en met vrijstelling van inbreng". De geschonken goederen zijn eigen goederen van E. J..

Op 20 december 1977 overlijdt E. J. testamentloos te Halle.

Wat de gemene goederen van de ontbonden huwgemeenschap betreft, verkrijgt de weduwe alle roerende goederen in volle eigendom; wat de gemene onroerende goederen betreft, verkrijgt ze ½ volle eigendom en ½ vruchtgebruik. Ingevolge de contractuele erfstelling verkrijgt zij ¼ volle eigendom en ¼ vruchtgebruik van de nalatenschap van haar echtgenoot (oud artikel 1094 BW).

Op 21 juni 2002 overlijdt S. M. V. testamentloos te Pepingen.

In de aangifte van haar nalatenschap, verklaren de vier kinderen dat de aangifte alleen met fiscaal oogmerk is opgemaakt, en dat alle burgerlijke rechten voorbehouden blijven.

Op 5 september 2006 dagvaarden F. J., F. B., C. J. en M. J. appellant tot uitonverdeeldheidtreding.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Bij vonnis van 6 november 2006, op verstek ten aanzien van appellante, beveelt de rechtbank de vereffening-verdeling van de ontbonden gemeenschap J. - V. en van de nalatenschappen van E. J. en S. V.; notaris W. wordt aangesteld als boedelnotaris en notaris P. tot notaris-vertegenwoordiger (art. 1209, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek).

Appellante tekent verzet aan op 20 december 2006, waarbij zij vraagt dat ook notaris H. zou aangesteld worden als boedelnotaris en dat reeds uitspraak wordt gedaan over tussen de partijen gerezen betwistingen, vooraleer de boedelnotarissen zullen overgaan tot vereffening-verdeling.

Een tussenvonnis van 18 maart 2008 beveelt de heropening van de debatten voor neerlegging van stukken.

3.2

Bij vonnis van 27 mei 2008 (het vonnis waartegen hoger beroep) beslist de eerste rechter dat notaris W. de enige boedelnotaris blijft. Hij oordeelt dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek waarop geïntimeerde zich beroepen niet vervuld zijn. Hij zegt voor recht dat de verkopen bij de vermelde drie notariële verkoopakten van 1959, 1963 en 1967 beschouwd moeten worden als schenkingen met vrijstelling van inbreng en dat de waarde van de goederen deel zal uitmaken van de fictieve massa. Voor de waardebepaling van de onroerend goed voorwerp van de schenkingen kan de notaris zich laten bijstaan door een deskundige voor een schatting van de waarde bij de schenking en bij het overlijden van de schenkers.

3.3

In hoger beroep vraagt appellante, naar luid van haar aanvulling op conclusie van 21 november 2011, een andere notaris te benoemen dan notaris W., minstens een tweede notaris te benoemen, die de penhouder zal zijn. Verder vraagt zij reeds voor recht te zeggen dat de notariële verkoopakten van 1959, 1963 en 1964 in werkelijkheid schenkingen zijn, dat de schenkingen ingevolgde de contractuele erfstelling nietig zijn, en dat de tegenwaarde van de goederen, voorwerp van deze schenkingen ingebracht moet worden naar de tegenwaarde ervan op het ogenblik van de verdeling. Ondergeschikt vraagt zij te zeggen dat de schenkingen zonder vrijstelling van inbreng zijn, en de inbreng er van te bevelen in natura aan de waarde bij de verdeling met aanrekening op de individuele reserve van de begiftigde.

Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

4.1.1 De ontvankelijkheid van de vordering

Zoals boven vermeld vordert appellante de nietigheid uit te spreken van de verkopen gedaan bij notariële akten. Op de zitting van 20 februari 2012 legt appellante het bewijs neer van de kantmelding van haar vordering met toepassing van artikel 3 Hypotheekwet.

4.1.2 De grond van de vordering

Zoals vermeld vragen geïntimeerden de bevestiging van het bestreden vonnis.

Zij betwisten derhalve niet meer het beginsel dat de rechter reeds bij de aanvang van de bijzondere rechtspleging van de gerechtelijke vereffening-verdeling een aantal reeds hangende betwistingen zelf beslecht. Artikel 1209, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt inderdaad: "De rechtbank beslist over alle geschillen die bij haar aanhangig worden gemaakt, met dien verstande dat zij de oplossing kan uitstellen tot het vonnis van homologatie is gewezen." De boedelrechter kan dus de reeds bestaande en aanhangig gemaakte geschillen zelf te beslechten, of hij kan verkiezen dat ze eerst worden voorgelegd aan de gerechtelijk aangestelde notaris-vereffenaar, die dan zijn wettelijke verplichtingen van inlichting en raadgeving aan alle deelgenoten kan naleven en zijn opdracht van bemiddeling en verzoening. De rechter kan daarbij ook rekening houden met het vereiste van de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6.1. EVRM.

Appellante vordert de nietigheid uit te spreken van de verkopen, die volgens haar schenkingen waren, en de goederen, voorwerp van deze schenkingen, toe te voegen aan de te verdelen massa. Geïntimeerden werpen op dat haar vordering, die zij vordering tot inkorting noemen, verjaard is.

De vordering van appellante is gesteund op artikel 1083 van het Burgerlijk Wetboek. Dat bepaalt: "De schenking die gedaan wordt in de bij het vorig artikel bepaalde vorm, is onherroepelijk, doch slechts in die zin dat de schenker niet meer om niet mag beschikken, over de in de schenking begrepen goederen, behalve over geringe bedragen, tot beloning of anderszins." Dit betekent dat de contractuele erfstelling vervat in een huwelijkscontract of wijzigingakte (artikelen 1392 tot 1394 van het Burgerlijk Wetboek) eenzijdig onherroepelijk is. Een gezamenlijke herroeping bij wijzigingsakte is wel mogelijk.

Met betrekking tot de in de contractuele erfstelling begrepen goederen verbiedt artikel 1083 van het Burgerlijk Wetboek giften (schenkingen (onder welke vorm ook) en testamenten) uitgaande van de insteller. Het verbiedt geen akten te bezwarenden titel gedaan door de insteller zoals verkoop, ruil, enz.

De tekst van artikel 1083 van het Burgerlijk Wetboek is niet uitdrukkelijk met betrekking tot de sanctie; aangenomen wordt dat de sanctie bestaat in de inkorting/inkortbaarheid zoals de inkorting doorgevoerd bij overschrijding van het beschikbaar deel ter bescherming van het voorbehouden erfdeel van reservataire erfgenamen (artikel 913 e.v. van het Burgerlijk Wetboek) en dus niet een nietigheid . Overigens vraagt appellante in haar conclusie van 8 juni 2009 ook niet de inbreng in natura maar de inbreng van de tegenwaarde, wat spoort met een vordering tot inkorting.

Uit het bovenstaande volgt reeds dat de aldus begrepen vordering van appellante ook niet onderworpen is aan de vereisten van artikel 3 Hypotheekwet.

Geïntimeerden werpen op dat de vordering tot inkorting maar kon worden ingesteld tot 30 jaar na het overlijden van E. J. op 20 december 1977. De vordering uit artikel 1083 van het Burgerlijk Wetboek kwam toe aan de weduwe V., die overleden is in 2002, en aan haar rechtsopvolgers waaronder appellante. Binnen de 30 jaar na het openvallen van de nalatenschap van E. J. is gedagvaard tot uitonverdeeldheidtreding, en aan die dagvaarding moet de stuitende werking van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek toegekend worden, zodat de verjaringstermijn van artikel 2262 van het Burgerlijk Wetboek nog niet verstreken is.

Ten onrechte houden geïntimeerden voor dat de weduwe V. afstand heeft gedaan van de vordering tot inkorting op grond van artikel 1083 van het Burgerlijk Wetboek omdat zij de devolutie van de nalatenschap van haar echtgenoot niet heeft betwist. Uit de aangifte van de nalatenschap die zij mee heeft ondertekend en die vermeldt dat nalatenschap toekomt voor ¼ volle eigendom en ¼ vruchtgebruik aan haar, en voor het overige aan haar vier kinderen, moet aangenomen worden dat zij de contractuele erfstelling van haar echtgenoot aanvaard heeft.

Er kan geen gevolg verbonden worden aan de onderhandse verklaring van appellante van 27 juni 1974, dat zij door de schenking van die dag volledig gelijkgeschakeld was met haar twee broers en haar zuster en dat zij van niets meer te vorderen had. Een afstand van rechten inzake inbreng en inkorting met betrekking tot nalatenschappen die nog niet zijn opengevallen is een overeenkomst inzake niet-opengevallen nalatenschappen die absoluut nietig is bij toepassing van de artikelen 6 en 1130 van het Burgerlijk Wetboek.

In de nalatenschap van E. J. is het gewoon beschikbaar deel ¼ volle eigendom (artikel 913 van het Burgerlijk Wetboek). Het oude bijzonder beschikbaar deel voor de langstlevende echtgenote S. V. is evenwel nog groter: ¼ volle eigendom plus ¼ vruchtgebruik (oud artikel 1094 van het Burgerlijk Wetboek, voor de wijziging bij wet van 14 mei 1981). Dit bijzonder grootst beschikbaar deel had E. J. door de contractuele erfstelling vervat in het huwelijkscontract reeds onherroepelijk weggeschonken aan zijn langstlevende echtgenote S. V., en dus uitgeput.

Deze beperking die volgt uit de contractuele erfstelling woog uiteraard niet meer op de langstlevende, mevrouw V..

De schenking van 1974 kan dus, in de mate dat zij moet worden toegerekend aan E. J., voor de helft dus, onderworpen worden aan de sanctie van artikel 1083.

Met betrekking tot de schenking van 27 juni 1974 beroept appellante zich op artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, gelet op de tussenkomst van de vermoedelijke mede-erfgenamen en hun goedkeuring in de akte ("In deze akte zijn tussengekomen P., F. en M. J. die erkennen kennis te hebben van de schenking en deze ten volle goed te keuren en deze te bekrachtigen en zich nooit tegen de uitwerking ervan te verzetten en te verzaken aan het voordeel van artikel 918 BW"). Zij stelt dat de goederen voorwerp van deze akte geacht worden nooit deel te hebben uitgemaakt van het vermogen van de schenkers. De toepassingsvoorwaarden van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek zijn evenwel in casu niet vervuld. Er is immers in de voormelde akte van 27 juni 1974, noch een voorbehoud van vruchtgebruik, noch een last van lijfrente of een andere bedongen levenslange last (zoals de last van verzorging en onderhoud) bedongen. Het door appellante geviseerde gevolg van artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek doet zich dus niet voor.

De schenking 1977 door E. J. aan twee zonen kan onderworpen worden aan de sanctie van artikel 1083.

Geïntimeerden erkennen in hun conclusie in hoger beroep uitdrukkelijk dat de verkopen van 1959, 1963 en 1967 schenkingen waren. Dit moet beschouwd worden als een gerechtelijke bekentenis die een volledig bewijs oplevert tegen geïntimeerden (artikel 1356 van het Burgerlijk Wetboek).

De vermomde schenkingen van 1959 en 1963 door E. J. zijn derhalve, in de mate dat ze gedaan zijn aan de schoonkinderen (dus telkens voor de helft), aan te rekenen op het beschikbaar deel, nu deze schoonkinderen geen erfgenamen zijn van E. J., en dus ‘derden' zijn. Deze schenkingen aan de schoonkinderen zijn volledig inkortbaar op grond van artikel 1083 BW, nu het beschikbaar deel in de nalatenschap van E. J. reeds was uitgeput door de contractuele erfstelling.

De vermomde schenking van 24 oktober 1967 komt voor de helft in aanmerking bij de vereffening van de nalatenschap van E. J. en voor de andere helft bij de vereffening van de nalatenschap van S. V.. Wat de helft van E. J. betreft moet de schenking aan de echtgenotes van zijn twee zonen aangerekend worden op het beschikbaar deel van diens nalatenschap; deze schenkingen aan de schoonkinderen zijn volledig inkortbaar op grond van artikel 1083 van het Burgerlijk Wetboek.

De vermomde schenkingen van 1959, 1963 en 1967 moeten begrepen worden te zijn gedaan als voorschot op het erfdeel, omdat de akten niet uitdrukkelijk bepalen of inhouden dat de schenking buiten erfdeel is gedaan (art. 843 en 919 van het Burgerlijk Wetboek). Het louter feit dat een schenking vermomd werd als een verkoop houdt geenszins automatisch in dat deze schenking werd gedaan buiten erfdeel; nagegaan moet worden wat de werkelijke wil van de schenker is. In casu blijkt uit de achtereenvolgende rechtshandelingen eerder dat E. J. aan elk kind een schenking wou doen, wat het wettelijk vermoeden van schenking als voorschot op erfdeel niet weerlegt. Ook de boven vermelde verklaring van appellante van 27 juni 1974, die nietig is, maar als feitelijk element bestaat, wijst in deze richting.

Er is geen reden tot aanstelling van een tweede boedelnotaris. Uit de praktijk is immers gebleken dat de aanstelling van twee boedelnotarissen vaak tot verscheidene (bijkomende) problemen leidt, wat de wetgever heeft doen besluiten in de wet van 13 augustus 2011 tot hervorming van de rechtspleging van de gerechtelijke verdeling, tot de principiële aanstelling van slechts één boedelnotaris.

Appellante verduidelijkt noch staaft haar bewering dat notaris W. partijdig zou zijn; er is dus geen reden tot vervanging.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR. Gelet op de aard van de zaak worden de kosten ten laste gelegd van de massa (artikel 870 van het Burgerlijk Wetboek).

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vorderingen, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Zegt voor recht:

de schenkingen in de vijf voormelde notariële akten zijn gedaan als voorschot op het erfdeel in de mate dat ze uitgaan van een van de ouders of van beide ouders aan een of meer van hun gemeenschappelijke kinderen;

in de mate dat ze uitgaan van E. J. zijn deze schenkingen, bij overschrijding van de individuele reserve van elk kind, vernietigbaar/inkortbaar bij toepassing van artikel 1083 BW;

in de mate dat ze uitgaan van S. V. en gedaan aan kinderen van haar, zijn de schenkingen gedaan als voorschot op het erfdeel waarop artikel 1083 BW niet van toepassing is, maar wel de principes van gemeenrecht inzake inbreng, en desnoods inkorting (art. 843 e.v.) en artikel 921 e.v. BW

al de schenkingen gedaan door een of beide van deze ouders aan hun schoonkinderen zijn aan te rekenen op het beschikbaar deel van de fictieve massa van elke respectieve opengevallen nalatenschap van E. J. en S. V., en de schenkingen uitgaande van E. J. zijn allemaal vernietigbaar/volledig inkortbaar ingevolge artikel 1083 BW; en wat de schenkingen uitgaande van S. V. betreft is artikel 1083 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.

Legt de kosten ten laste van de massa.

Begroot de kosten van het hoger beroep :

- in hoofde van appellant op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1320 rechtsplegingsvergoeding,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

26/06/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Vrije woorden

  • I. Overeenkomsten. Niet-opengevallen nalatenschap. Absolute nietigheid. II. Contractuele erfstelling in het huwelijkscontract. Wijzigbaarheid?