- Arrest van 11 september 2012

11/09/2012 - 2007AR37

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt immers een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2007/AR/37

INZAKE VAN :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 23 november 2006,

vertegenwoordigd door Meester Jan UYTTERSPROT, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3,

1ste kamer

TEGEN :

1) De EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Tweekerkenstraat 14,

2) De naamloze vennootschap ZURICH INTERNATIONAL BELGIË, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Lloyd Georgelaan 7,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester DUPONT loco Meester Lino VERBEKE, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Diksmuide Heerweg 126,

SAMENVATTING:

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt immers een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof verder over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 23 november 2006.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Bij arrest van 16 november 2010 heeft het hof in de samenhangende zaak 07/AR/1224 het hoger beroep van de NV EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ en de NV ZURICH INTERNATIONAL BELGIE ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

In de zaak 2007/AR/37 heeft het hof het hoger beroep van de BELGISCHE STAAT ontvankelijk verklaard, en de heropening van de debatten bevolen om partijen toe laten gegevens voor te leggen met betrekking tot de data en wijze van vergoeding van de verzekerden van de NV EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ en de NV ZURICH INTERNATIONAL BELGIE

De zaak is opnieuw gepleit gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel.

2 Het onderwerp van de vordering

Na heropening concludeert de BELGISCHE STAAT opnieuw tot de ongegrondheid van de vordering; de NV EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ en de NV ZURICH INTERNATIONAL BELGIE (verder aangeduid als EUROPESE respectievelijk ZURICH) concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

3 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

3.1 De grond van het hoger beroep

3.1.1 De grond van de vordering

In het arrest van 16 november 2010 heeft het hof beslist dat het in de omstandigheden van de zaak onzorgvuldig was van de procureur des Konings te Turnhout om niet op 22 januari 2001 mee te delen dat het containerchassis was teruggevonden, en dat voor de beoordeling van het verband tussen fout en schade moet onderzocht worden of de verzekeraars anders hadden kunnen handelen indien zij waren ingelicht op 22 januari 2001.

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt immers een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt. Alleen de schade die het gevolg is van het niet op 22 januari 2001 inlichten van het terugvinden moet dus door de BELGISCHE STAAT vergoed worden.

Voor zo veel als nodig zij beklemtoond dat EUROPESE en ZURICH als eisende partijen de bewijslast dragen (artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

3.1.1.1 De lading

EUROPESE vraagt met betrekking tot het melkpoeder in hoofdsom 6.197,34 EUR.

Het gedeelte daarvan dat betrekking heeft op de vergoeding aan de verzekerde voor het gestolen en niet teruggevonden melkpoeder, kan echter niet beschouwd worden als schade die volgt uit de fout van de BELGISCHE STAAT. De fout bestaat erin dat de procureur des Konings te Turnhout niet op 22 januari 2001 heeft meegedeeld dat het containerchassis was teruggevonden. Ook zonder die fout zou dat deel van het melkpoeder verdwenen gebleven zijn. EUROPESE begroot de waarde van dit gedeelte niet.

Ook de minderwaarde van de wel teruggevonden lading kan niet beschouwd worden als schade die volgt uit de fout van de BELGISCHE STAAT.

EUROPESE kan niet aantonen wanneer zij haar verzekerde heeft betaald. Zij stelt dat de stukken daarover reeds gearchiveerd zijn en dat de betalingen niet teruggevonden kunnen worden. De mogelijke gebreken van het archiefsysteem kunnen niet tot nadeel strekken van de BELGISCHE STAAT.

EUROPESE stelt dat zij alleszins heeft betaald na 16 maart 2001, datum van het verslag van de schadeschatters CORNET & KINSBERGEN SURVEYS NV.

EUROPESE stelt dat het teruggevonden melkpoeder werd teruggenomen door de producent, BELGOMILK, zij het tegen een minderwaarde van 3 USD per karton. Zij verwijst daarvoor naar het verslag van de schadeschatters CORNET & KINSBERGEN SURVEYS NV.

Anders dan geïntimeerde voorhouden, kan het verslag van CORNET & KINSBERGEN nog voorwerp uitmaken van discussie. Het arrest van 16 november 2010 heeft niets beslist over de waarde ervan, en de motivering van de beslissing tot heropening betreft duidelijk het volledige debat over de schade en het oorzakelijk verband ("De BELGISCHE STAAT laat gelden dat de schade waarvoor de verzekeraars vergoeding vorderen niet het gevolg is van de fout, omdat de schade ook zonder de fout zou zijn geleden. Om de geldigheid van dat argument te beoordelen, moet onderzocht worden of de verzekeraars anders hadden kunnen handelen indien zij waren ingelicht op 22 januari 2001. Het is dus nuttig te weten wanneer de verzekeraars hun verzekerde hebben vergoed.(...)")

Terecht werpt de BELGISCHE STAAT op dat het verslag van CORNET & KINSBERGEN SURVEYS getiteld is als "voorlopige berichtgeving"; het blijkt niet dat daarop een definitief bericht of verslag is gevolgd. De voorlopige berichtgeving kondigt met betrekking tot "rapportering" nochtans aan "afwachten om reden van ontbrekende documenten", namelijk factuur en vordering.

Even terecht meent de BELGISCHE STAAT dat geen bewijs wordt geleverd van de minderwaarde. CORNET & KINSBERGEN SURVEYS vermeldt dat de teruggevonden partij werd teruggenomen door BELGOMILK, die ze heeft geleverd aan de oorspronkelijke afnemer, die "reeds geruime tijd" een vervangpartij melkpoeder had ontvangen, maar met een minderwaarde van 3 USD per karton. Over de terugname door BELGOMILK en de verkoop aan de oorspronkelijke afnemer worden geen stukken voorgelegd. Mogelijk waren dat de stukken aangeduid als ontbrekende documenten, factuur en vordering.

De raming van de schade door CORNET & KINSBERGEN SURVEYS is evenmin duidelijk. De minderwaarde van 3 USD per karton wordt vermeld, en "de totale schade omvang inclusief de manco bedraagt ongeveer 5.000 USD", zonder enige berekening of verduidelijking. Het "ongeveer" duidt niet op een concrete berekening maar suggereert een forfaitaire raming, of een voorlopige raming, in afwachting van stukken die een en ander zouden bevestigen. De 5.000 USD wordt door CORNET & KINSBERGEN SURVEYS evenzeer bij benadering omgezet in 250.000 BEF, wat dan het exacte bedrag is geworden van de vordering in hoofdsom van EUROPESE (6.197,34 EUR).

Doorslaggevend is evenwel het feit dat EUROPESE niet bewijst dat de minderwaarde het gevolg is van de fout van de BELGISCHE STAAT. Het staat vast dat de oorspronkelijke levering niet is doorgegaan, en dat de afnemer een vervangende levering heeft ontvangen. CORNET & KINSBERGEN SURVEYS schrijft op 16 maart 2001 dat dit "reeds geruime tijd" geleden was. EUROPESE kan niet meedelen wanneer de vervanglevering is gebeurd. Daardoor bewijst zij ook niet dat de vervanglevering niet zou zijn gebeurd indien de fout van de BELGISCHE STAAT niet was begaan, dat wil zeggen indien de procureur des Konings te Turnhout op 22 januari 2001 had meegedeeld dat het containerchassis was teruggevonden. Ook in dat geval zou de producent dus met een teruggezonden partij geconfronteerd geweest zijn, die hij op een snelle wijze en met een prijsvermindering had moeten plaatsen.

Dat het chassis en de lading (grotendeels) waren teruggevonden is pas meegedeeld bij brief van de procureur des Konings te Antwerpen van 27 februari 2001, dit is vijf weken later dan had gekund, op 22 januari 2001. Uit niets blijkt dat de minderwaarde van (beweerdelijk) 3 USD niet ook zou zijn aangerekend indien de lading vijf weken eerder was aangeboden aan BELGOMILK.

Het optreden van een minderwaarde van de niet geleverde lading kan aldus niet met zekerheid beschouwd worden als een gevolg van de late verwittiging door de procureur des Konings, en moet dus beschouwd worden als een gevolg van de diefstal, waarvan het risico contractueel werd gedragen door de EUROPESE.

De EUROPESE vordert 547,42 EUR als vergoeding voor enquêtekosten. Dit is het bedrag dat zij heeft betaald aan de BVBA Wim Dekeyser die zij had aangesteld voor de afhandeling van de schade. Zij stelt dat zij Wim Dekeyser niet zou hebben moeten aanstellen indien de procureur des Konings te Turnhout op 22 januari 2001 het terugvinden had gemeld, of dat zijn tussenkomst uiterst beperkt zou zijn gebleven.

Terecht werpt de BELGISCHE STAAT op dat de verzekeraar geen externe adviseur had hoeven aan te stellen voor het opvolgen van zijn dossier. Overigens vormen onderzoekskosten in wezen een bedrijfslast die eigen is aan de verzekeraar. Verder is geheel onduidelijk wat de invloed kan zijn van de latere melding op de opdracht en de kostprijs van Wim Dekeyser. Ook voor deze kosten wordt dus niet het verband aangetoond met de fout van de BELGISCHE STAAT.

De vordering van de EUROPESE is dus ongegrond.

3.1.1.2 Het chassis

ZURICH vordert een vergoeding met betrekking tot het chassis van in hoofdsom 6.023,81 EUR. Zij stelt dat zij op 2 maart 2001 aan haar verzekerde 650.000 BEF heeft betaald (een waarde van 700.000 BEF min een vrijstelling van 50.000 BEF), en dat zij het teruggevonden chassis heeft verkocht voor 407.000 BEF, zodat haar schade 650.000 - 407.000 = 243.000 BEF bedraagt, dit is 6.023,81 EUR.

Ten onrechte werpt de BELGISCHE STAAT op dat ZURICH op 2 maart 2001 al op de hoogte moest zijn van het terugvinden van het chassis. De brief van de procureur des Konings te Antwerpen van 27 februari 2001 was gericht aan de transporteur en niet aan ZURICH; het kan niet aan ZURICH verweten worden dat zij daar op 2 maart 2001 nog geen rekening mee heeft gehouden.

ZURICH laat gelden dat zij zonder de fout (en dus met een melding van het terugvinden op 22 januari 2001) de verzekerde niet had moeten vergoeden, omdat de verzekerde het chassis zou hebben teruggenomen.

De BELGISCHE STAAT werpt terecht op dat dit recht om niet te vergoeden en de plicht van de verzekerde om het teruggevonden goed terug te nemen afhangt van contractuele voorwaarden die niet worden bewezen. ZURICH kan inderdaad niet de polis voorleggen. Zij legt alleen algemene voorwaarden voor die volgens haar van dezelfde periode zijn; een deel daarvan dateert evenwel van juli 1989 en een ander deel van november 2002; zij bewijst niet dat de inhoud daarvan overeenstemt met die welke golden in huidig geval. Bij gebrek aan concrete overeenkomst moet daarom teruggegrepen worden naar het beginsel dat de verplichting van de diefstalverzekeraar ontstaat bij de diefstal, het verlies. De verplichting tot betaling van de 650.000 BEF was dus niet afhankelijk van enig terugvinden. ZURICH voert ook niet aan, laat staan bewijst, dat ingeval van een melding op 22 januari in plaats van op 27 februari 2001 de verkoopwaarde van het chassis hoger zou zijn geweest en haar verlies dus kleiner.

ZURICH toont dus niet het bestaan aan van schade die in oorzakelijk verband staat met de fout van de BELGISCHE STAAT.

ZURICH vordert een vergoeding voor enquêtekosten van 374,93 EUR. Ook voor deze kosten wordt niet het verband aangetoond met de fout van de BELGISCHE STAAT; het hof herneemt zijn motivering hierboven met betrekking tot de overeenkomstige schadepost van EUROPESE.

4 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 1.210,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Het arrest van 16 november 2010 verder uitwerkend;

Verklaart het hoger beroep van DE BELGISCHE STAAT gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vorderingen, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vorderingen van de NV EUROPESE GOEDEREN- EN REISBAGAGEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ en de NV ZURICH INTERNATIONAL BELGIE ongegrond

Veroordeelt geïntimeerden tot de betaling van de kosten van beide aanleggen, die voor eerste aanleg begroot door de eerste rechter, en die in hoger beroep begroot

- in hoofde van appellant op euro 1.396 (186 rolrecht + 1.210 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/9/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Artikel 1382 BW. Burgerlijke aansprakelijkheid bij onrechtmatige daad. Oorzakelijk verband: begrip. Conditio sine qua non

  • regel

  • Toepassing. Diefstal.