- Arrest van 11 september 2012

11/09/2012 - 1997AR19

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Sterkmaking is een beding waarbij een contractspartij aan de medecontractant belooft ervoor te zorgen dat een derde iets zal doen, d.i. zich tegenover de medecontractant zal verbinden.

Ingeval van overlijden van die derde vervalt het beding tot sterkmaking en kan de medecontractant zich daar niet meer op beroepen om toch de uitvoering van de overeenkomst af te dwingen.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 1997/AR/19

INZAKE VAN :

1) De heer F. N D., en zijn echtgenote

2) Mevrouw M. T.,

samenwonende te ...,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 3 september 1996,

vertegenwoordigd door Meester Geert DE CUYPER, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

1ste kamer

TEGEN :

De heer E. V., wonende ...

Hypotheekwet

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Tom COECKELBERG, advocaat te 2800 MECHELEN, Schuttersvest 23/3,

ARTIKEL 1120 BW. STERKMAKING. OVERLIJDEN VAN DE PERSOON VOOR WIER MEN ZICH STERK MAAKT. GEVOLGEN VAN DIT OVERLIJDEN OP DE STERKMAKING. VERVAL VAN DE STERKMAKING

Sterkmaking is een beding waarbij een contractspartij aan de medecontractant belooft ervoor te zorgen dat een derde iets zal doen, d.i. zich tegenover de medecontractant zal verbinden.

Ingeval van overlijden van die derde vervalt het beding tot sterkmaking en kan de medecontractant zich daar niet meer op beroepen om toch de uitvoering van de overeenkomst af te dwingen.

_______________________________________________

Gelet op de procedurestukken buiten deze reeds vermeld in het tussenarrest van 30 oktober 2002:

• de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 15 april 2010;

• de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 8 juni 2010;

• de aanvullende syntheseconclusie na tussenarrest van appellanten neergelegd ter zitting van 4 juni 2012 met akkoord van geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 4 juni 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

De zaak wordt, voor zoveel als nodig, ab ovo hernomen gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel.

I. Procedurele precedenten.

1.1. In het tussenarrest van 30 oktober 2002 werden de relevante feiten en de vorderingen van partijen reeds uiteengezet en deze uiteenzetting wordt in huidig arrest als hernomen beschouwd.

In voornoemd tussenarrest werd vervolgens de heropening van de debatten bevolen teneinde partijen toe te laten de stukken van de rechtspleging tot homologatie voor te brengen.

Thans blijkt dat deze stukken niet kunnen voorgelegd worden.

1.2. Hieruit leiden appellanten (= kopers) af dat de heer V. V. zijn verbintenis tot sterkmaking niet is nagekomen omdat hij nooit een procedure heeft opgestart tot homologatie en stellen zij dat zij ingevolge het verkoopscompromis van 6 december 1990 de rechtmatige eigenaars zijn geworden van de litigieuze goederen.

Zij vroegen initieel geïntimeerde te veroordelen tot het verlijden van de notariële verkoopakte overeenkomstig de modaliteiten van voornoemd compromis voor notaris R. met standplaats te Z. binnen de 20 dagen na betekening van het tussen te komen arrest en bij gebreke hiervan te zeggen voor recht dat het tussen te komen arrest zou gelden als titel.

Gezien het litigieuze perceel inmiddels onteigend werd, vragen zij in hun laatste conclusie te zeggen voor recht dat de door de onteigende overheid in de Deposito - en Consignatiekas betaalde onteigeningsvergoeding dient vrijgegeven te worden in hun voordeel en dit onder aftrek van de overeengekomen verkoopsom van 18.592,04 euro (= 750.000 BEF).

Zij vorderen tevens geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ad. 14.250 euro ten provisionele titel plus de gerechtelijke intresten (= genotsderving omdat zij gedurende 19 jaar niet hebben kunnen beschikken over het bepaald perceel grond).

1.3. Geïntimeerde werpt op dat het niet is omdat de gevraagde stukken niet werden teruggevonden dat er geen procedure tot homologatie werd ingeleid.

Hij beroept zich tevens op overmacht.

Hij vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren en bijgevolg te zeggen voor recht dat hij de rechtmatige eigenaar is van het bewuste perceel en dienvolgens - bij wijze van incidenteel beroep - te zeggen voor recht dat de door de onteigende overheid betaalde onteigeningsvergoeding in de Deposito - en Consignatiekas in zijn voordeel mag vrijgegeven worden.

II. Bespreking.

2.1. In de onderhandse overeenkomst van 6 december 1990 werd vermeld dat de kopers de volle eigendom en het genot zullen hebben van het verkochte goed te rekenen van het ondertekenen van de authentieke akte en dat de notariële akte verleden zal worden binnen de 10 maanden na de homologatie door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en dit bij eerste verzoek van de aankoper aan notaris V. te X. daartoe onwederroepelijk door beide partijen aangesteld.

Bij deze verkoop trad op als verkoper de vader van geïntimeerde - die inmiddels overleden is - die zich sterk maakte voor zijn echtgenote die op dat ogenblik verbleef in een psychiatrisch centrum.

2.2. Op 10 juni 1991 deelde notaris V. aan de kopers o.a. mede dat het dossier (= homologatieprocedure) ondertussen, via meester Vanderhasselt te X., op de rechtbank te Brussel neergelegd was voor de verdere procedure.

Na de heropening van de debatten heeft notaris VB., als opvolger van notaris V., het dossier van haar voorganger geraadpleegd waaruit zij volgende stukken meedeelde:

- een brief van het psychiatrisch centrum van 19 november 1990 gericht aan notaris V. waarin medegedeeld werd dat de echtgenote van de heer V. V. minder bekwaam was om een notariële akte te tekenen;

- een brief van 25 april 1991 van notaris V aan meester VH. waarbij stukken werden medegedeeld m.b.t. de onbekwaamverklaring van mevrouw V. - V.;

- de brief van 10 juni 1991 waarvan hoger sprake.

2.3. Uit voornoemde stukken blijkt dat notaris V. wel degelijk opdracht heeft gegeven aan meester VH. om een homologatieprocedure in te stellen en derhalve uitvoering heeft gegeven aan de voorwaarden vermeld in de onderhandse akte van 6 december 1990.

Het is niet duidelijk welk gevolg meester V. aan dit verzoek vanwege de instrumenterende notaris heeft gegeven gezien hijzelf over geen stukken meer beschikt en verder onderzoek bij de griffie van Mechelen en Brussel zonder resultaat is gebleven.

Hoe dan ook heeft de rechtsvoorganger van geïntimeerde - ten gepaste tijde - het nodige gedaan opdat de homologatieprocedure zou kunnen opgestart worden gezien de opdracht van de instrumenterende notaris aan meester VH.

Het feit dat de homologatieprocedure uiteindelijk geen gunstig verloop heeft gekend, maakt voor geïntimeerde een overmachtsituatie uit. De nodige stappen waren gezet om deze procedure op te starten en vanaf het ogenblik dat het dossier in handen was van Meester VH kon en mocht de rechtsvoorganger van geïntimeerde ervan uitgaan dat het nodige werd gedaan voor het bekomen van de gevraagde homologatie.

Bijgevolg kan aan de rechtsvoorganger van geïntimeerde geen enkele fout worden verweten.

2.4. De redenering van appellanten kan evenmin gevolgd worden waar ze stellen dat na het overlijden van mevrouw Ve. de koop toch doorgang kon vinden indien de omzetting was gevraagd van het vruchtgebruik.

De rechtsvoorganger van geïntimeerde heeft zich enkel sterk gemaakt voor zijn echtgenote wat de verkoop van een welbepaald perceel betreft en geen enkele partij kan gedwongen worden - na overlijden van een contractspartij - om bepaalde erfrechtelijke beslissingen te nemen.

Sterkmaking is een beding waarbij een contractspartij aan de medecontractant belooft ervoor te zorgen dat een derde iets zal doen, d.i. zich tegenover de medecontractant zal verbinden.

Ingeval van overlijden van die derde vervalt het beding tot sterkmaking en kan de medecontractant zich daar niet meer op beroepen om toch de uitvoering van de overeenkomst af te dwingen.

2.5. Bijgevolg is geïntimeerde - ingevolge rechtsopvolging - eigenaar geworden van het bewuste perceel, voorwerp van de onderhandse akte van 6 december 1990.

Hij is niet gehouden tot enige schadevergoeding gezien noch in zijne hoofde noch in hoofde van zijn vader enige fout kan worden aangehouden.

Appellanten beweren sedert jaren de onroerende voorheffing te hebben betaald op het desbetreffende perceel. Zij leggen weliswaar een aantal aanslagbiljetten neer waaruit echter niet blijkt dat ze die heffing ook effectief hebben betaald. Zolang overigens geen authentieke akte wordt verleden, is een verkoop niet tegenstelbaar aan derden, waaronder de belastingsadministratie. Appellanten vragen overigens enkel genotsderving omdat ze over het perceel in kwestie gedurende 19 jaar niet hebben kunnen beschikken en niet de terugvordering van de zogenaamde ten onrechte betaalde onroerende voorheffing.

Gezien het desbetreffende perceel inmiddels onteigend is, komt het door de onteigenaar gestorte bedrag in de Deposito - en Consignatiekas toe aan geïntimeerde.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

2.6. Beide partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op 1.200 euro of 1.320 euro , zijnde het al dan niet geïndexeerd basisbedrag.

Het bedrag van 1.320 euro komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Het tussenarrest van 30 oktober 2002 hierbij volledig hernemend en verder uitwerkend,

Verklaart de vordering - zoals aangepast - ongegrond.

Zegt voor recht dat geïntimeerde de eigenaar is van het onroerend goed gelegen te Meise aan de Boskantstraat, 2e afdeling, sectie B, nr. 304/K/2, met een oppervlakte van 47a 13ca, gekadastreerd als bouwland.

Zegt voor recht dat de door de onteigende overheid in de Deposito - en Consignatiekas betaalde onteigeningsvergoeding dient vrijgegeven te worden in het voordeel van geïntimeerde.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van henzelf op euro 1.505,92 ( 185,92 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/09/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Sterkmaking. Overlijden van de derde voor wie men zich sterk maakt. Gevolgen van dit overlijden.