- Arrest van 31 januari 2012

31/01/2012 - 2009-AR-1268

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer het hof vaststelt dat een aanslag werd gevestigd via het maken van een procedurefout en die fout door de taxatiedienst slechts (bewust) kan begaan zijn omdat anders de tijd zou ontbreken om nog binnen de wettelijke aanslagtermijn een aanslag te vestigen, steunt de vernietiging van de aanslag op een reden van verjaring en is de vordering tot geldig- en invorderbaarverklaring van de subsidiaire aanslag ongegrond.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

31-01-2012

BELASTINGEN

Na tussenarrest

dd.11.5.2010

Nr.2009/AR/1268

in de zaak van:

V.........Y.........,

wonende te ........................................,

appellant van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, dd. 12.1.2009,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. MAUS Michel, advocaat te 9052 ZWIJNAARDE, Bollebergen 2A bus 20

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. TETAERT Valérie loco mr.

PEERAER Marleen, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 977

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 11 mei 2010 de aanslag die voor het aanslagjaar 2000 op naam van de appellant was gevestigd onder kohierartikel 250.843 vernietigd en de zaak, gelet op artikel 356 WIB92, gedurende zes maanden op de rol aangehouden.

Op 26 oktober 2010 heeft de geïntimeerde overeenkomstig artikel 356 WIB92 een conclusie ter griffie neergelegd waarin gevorderd wordt voor dat aanslagjaar 2000 een subsidiaire aanslag onder kohierartikel 707.410.874 geldig en invorderbaar te verklaren.

De appellant vraagt dat het hof die subsidiaire aanslag nietig en ongegrond zou verklaren. Minstens vraagt hij de nietigheid van de opgelegde belastingverhoging uit te spreken.

De appellant vraagt de geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de reeds betaalde belastingen meer interesten.

Minstens vraagt de appellant om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

Schenden de bepalingen van artikel 356 WIB92 het gelijkheidsbeginsel vastgesteld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in die zin begrepen, dat artikel 356 WIB92 toelaat dat de administratie in geval van nakende verjaring, en in elk geval waarbij de administratie ingevolge de evolutie van de aanslagtermijnen minder dan zes maanden de tijd heeft om de aanslag te vestigen, toch met miskenning van de procedurele vereisten van artikel 346 WIB92 of van artikel 351 WIB92 een aanslag in de inkomstenbelastingen kan gaan vestigen, in de wetenschap dat de administratie na een vernietiging van de aanslag door een rechter, ingevolge de bepalingen van artikel 356 WIB92 opnieuw over een termijn van zes maanden kan beschikken om de procedurele inbreuken te herstellen en een subsidiaire aanslag te vestigen, en er aldus een ongelijke behandeling ontstaat tussen de belastingen ten aanzien van wie de administratie de bepalingen van artikel 346 en 351 WIB92 wel heeft gerespecteerd en de belastingen ten aanzien van wie de administratie de bepalingen van artikel 346 en 351 WIB92 niet heeft gerespecteerd.

De appellant vraagt ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

2. De feitelijke gegevens

In het tussenarrest van 11 mei 2010 werden de feiten weergegeven; de partijen maken op dat punt geen opmerkingen; ze worden hierna volledigheidshalve integraal hernomen.

De appellant is sinds 1 juli 1987 gevestigd als zelfstandig haarkapper. Sinds de start van zijn zelfstandige activiteit werd de appellant herhaalde malen onderworpen aan een fiscale controle.

In 2002 werd de appellant opnieuw onderworpen aan een fiscale controle. De controle had betrekking op de inkomsten voor de aanslagjaren 2000 en 2001.

De controleambtenaar heeft op 10 september 2002 een plaatsbezoek bij de appellant uitgevoerd. In het verslag van dit plaatsbezoek worden een aantal opmerkingen gemaakt met betrekking tot de boekhoudstukken.

Op 10 september 2002 heeft de taxatiedienst aansluitend op dit plaatsbezoek aan de appellant een schrijven gericht waarbij de appellant verzocht werd om verschillende stukken te willen binnenbrengen op het kantoor van de taxatiedienst. Op 8 november 2002 heeft de appellant hieraan voldaan en vervolgens heeft een onderhoud plaatsgevonden tussen de controleambtenaar en mevrouw V.......H.........., de boekhouder van de appellant.

Op 14 november 2002 werd aan de appellant een bericht van wijziging van de aangifte overgemaakt voor het aanslagjaar 2000. In dit bericht deelde de taxatiedienst aan de appellant mee dat de boekhouding van de appellant volgens haar om de volgende redenen niet bewijskrachtig is:

1. Het dagontvangstenboek bevat slechts 1 totaal per dag voor wat betreft de heren, de dames en de verkochte producten.

2. Wat betreft de globale inschrijvingen van het dagontvangstenboek werden geen verantwoordingsstukken opgemaakt.

3. De belastingplichtige bezit een agenda/afsprakenboek met vermelding "Redkin". Uit deze agenda's werden echter dagelijks pagina's gescheurd en vernietigd. De agenda's betreffende de gecontroleerde periode konden bijgevolg niet voorgelegd worden.

4. De aanwezige prijslijst was in Euro uitgedrukt. De prijslijsten die betrekking hebben op de gecontroleerde periode (en in Bef. uitgedrukt werden) werden door de belastingplichtige niet bewaard. Toen de belastingplichtige hiermee geconfronteerd werd, verklaarde deze dat de prijzen niet veranderd zijn.

In het bericht van wijziging deelde de administratie aan de appellant mee dat hij forfaitair zou worden aangeslagen overeenkomstig de bepalingen van artikel 342 WIB92. De brutowinst van de appellant werd voor aanslagjaar 2000 verhoogd van 1.168.744 frank (28.972,41 euro) naar 2.691.851 frank (66.729,24 euro), hetzij een verhoging van 1.523.107 frank (37.756,84 euro).

In het bericht van wijziging van aangifte werd eveneens meegedeeld dat een belastingverhoging van 10% zou worden opgelegd.

Op 2 december 2002 heeft er vervolgens een onderhoud plaats¬gevonden tussen de controleambtenaar en de boekhouder van de appellant, waarbij deze laatste zich niet akkoord verklaarde met het voornemen van de taxatiedienst.

Op 4 december 2002 heeft de appellant bij monde van mevrouw V..... H........ een fax verstuurd aan de administratie. In antwoord op deze fax heeft de administratie eveneens op 4 december 2002, een voorstel geformuleerd aan de appellant. In dit voorstel werd voorgesteld om de bruto¬winsten voor de gecontroleerde periode als volgt te wijzigen:

- aanslagjaar 2000 : 1.620.770 frank (40.177,84 euro) in de plaats van 1.168.744 frank (28.972,41 euro), verschil 452.026 frank (11.205,43 euro);

- aanslagjaar 2001 : 2.061.988 frank (51.115,35 euro) in de plaats van 1.221.190 frank (30.272,51 euro); verschil 840.798 frank (20.842,84 euro).

Op 6 december 2002 stuurde mevrouw V..... H....... op haar beurt een voorstel tot berekening van de omzetverhoging voor zowel aanslagjaar 2001 als aanslagjaar 2002. Volgens de boekhouder van de appellant kon er hoogstens sprake zijn van een meerwinst voor aanslagjaar 2000 van 188.244 frank (4.666,45 euro) en voor aanslagjaar 2001 van 223.051 frank (5.529,29 euro) (stuk 34 geïnt.).

Mevrouw V...... H........ reageerde nogmaals in het algemeen per brief van 11 december 2002, aangetekend verstuurd op 12 december 2002 (stuk 23/11-12 en stuk 35 geïnt.). Ze zette uiteen waarom de voorgestelde cijfers niet konden aanvaard worden en ze stelde dat een verder onderhoud zich opdrong.

Op 17 december 2002 heeft de taxatiedienst een kennisgeving van aanslag van ambtswege aan de appellant verstuurd met betrekking tot het aanslagjaar 2000, om reden dat niet binnen de gestelde termijn zou zijn geantwoord op het bericht van wijziging van 14 november 2002.

Op 18 december 2002 werd aan de appellant een bericht van wijziging overgemaakt met betrekking tot het aanslagjaar 2001. Dit bericht van wijziging bevat dezelfde motivering als het bericht van wijziging voor het aanslagjaar 2000. Met betrekking tot aanslagjaar 2001 werd aangekondigd dat de appellant forfaitair zou worden aangeslagen overeenkomstig artikel 342 WIB92. De brutowinst voor aanslagjaar 2001 werd verhoogd van 1.221.190 frank (30.272,51 euro) naar 2.626.076 frank (65.098,72 euro), hetzij een verhoging van 1.404.886 frank (34.826,21 euro). Er werd tevens een belastingverhoging van 50% aangekondigd.

Op 20 december 2002 werd de aanvullende aanslag van ambtswege voor aanslagjaar 2000 onder kohierartikel 250.843 gevestigd. Het aanslagbiljet werd op 24 december 2002 aan de appellant toegestuurd.

Op het bericht van wijziging voor het aanslagjaar 2001 werd door de boekhouder van de appellant op 15 januari 2003 gereageerd. In deze reactie werd verwezen naar het eerder antwoord dat op 11 december 2002 aan de administratie werd toegestuurd.

Op 27 januari 2003 stuurde de administratie een kennisgeving tot taxatie aan de appellant voor wat betreft aanslagjaar 2001.

De administratie heeft de aanslag voor het aanslagjaar 2001 vervolgens op 23 april 2003 op naam van de appellant gevestigd onder kohierartikel 734.266.792. Het aanslagbiljet werd op 25 april 2003 aan de appellant verstuurd.

Tegen de aanslag voor het aanslagjaar 2000 heeft de appellant op 19 maart 2003 bezwaar ingediend.

Op 4 juni 2003 werd bezwaar ingediend tegen de aanslag voor het aanslagjaar 2001.

De bezwaarschriften voor het aanslagjaar 2000 en het aanslagjaar 2001 werden aangevuld met een aanvullend bezwaar op 9 september 2003.

In zijn directeursbeslissing van 20 september 2004 wees de geïntimeerde het bezwaar af als ongegrond.

Met een verzoekschrift van 20 december 2004 stelde de appellant zijn vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent.

De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 12 januari 2009 de vordering van de appellant afgewezen, zoals hoger vermeld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

Zoals hoger vermeld heeft het hof in zijn tussenarrest van 11 mei 2010 de aanslag die voor het aanslagjaar 2000 op naam van de appellant was gevestigd onder kohierartikel 250.843 vernietigd en de zaak, gelet op artikel 356 WIB92, gedurende zes maanden op de rol aangehouden.

De vernietiging van die aanslag steunde op de volgende redengeving:

3.1.2. Nietigheid van de aanslag over het aanslagjaar 2000 wegens miskenning van de bepalingen van artikel 351 W.I.B.92

De appellant betwist de toepassing van de procedure van de ambtshalve vestiging van de aanslag op grond van artikel 351 WIB92. Volgens de appellant had hij bij monde van zijn boekhouder, mevrouw V...... H....... reeds op 4 december 2002, 6 december 2002 en op 11 december 2002 op het bericht van wijziging van 14 november 2002 geantwoord. Bovendien argumenteert de appellant dat er ook reeds op 2 december 2002 een onderhoud is geweest tussen de taxatiedienst en mevrouw V...... H....... waarbij het bericht van wijziging van 14 november 2002 werd besproken. De taxatiedienst houdt volgens de appellant ten onrechte voor dat mevrouw V.... H....... niet gevolmachtigd zou zijn.

Zoals de eerste rechter terecht vaststelde, staat ten eerste onbetwistbaar vast dat mevrouw V......H......., zelfs bij herhaling, binnen de gevraagde termijn schriftelijk gereageerd heeft op het bericht van wijziging van de aangifte van 14 november 2002 (zie het feitenrelaas onder randnr. 2.). Ten tweede blijkt uit de stukken dat mevrouw V.... H......... tot dan toe steeds als mandataris van de appellant had opgetreden. Zij vermeldde steeds dat ze ondertekende "bij volmacht". Zelfs tijdens controles van voorgaande jaren ondertekende mevrouw Van Hespen "bij volmacht" akkoordverklaringen voor de appellant (zie stuk 18 app.). De controleambtenaar had voordien nooit de voorlegging van een schriftelijke volmacht gevraagd, terwijl een mondeling mandaat volkomen rechtsgeldig is. Het feit dat in het tussenvoorstel van 4 december 2002 door de controleagent staat "Indien het akkoord niet door de belastingplichtige zelf wordt ondertekend, gelieve een volmacht toe te voegen." houdt nog niet in dat de geïntimeerde betwistte dat mevrouw V..... H...... mandaat had om de appellant te vertegenwoordigen in het kader van de betwisting van de aangiften.

De controleambtenaar heeft dan ook ten onrechte op 17 december 2002 een kennisgeving van aanslag van ambtswege in de zin van artikel 351 WIB92 verstuurd met als (enige) motivering dat de appellant niet binnen de wet gestelde termijn op het bericht van wijziging van 14 november 2002 had geantwoord. De verduidelijking dat noch de appellant, noch een door hem rechtsgeldig gevolmachtigde tijdig hebben geantwoord, doet daaraan niets af. Een mondeling mandaat volstond en alleen voor het geval met het tussenvoorstel zou voor akkoord getekend worden door mevrouw V.... H...... - wat niet het geval was - was tot dan toe de voorlegging van een schriftelijke volmacht gevraagd.

De geïntimeerde formuleert hier ten onrechte een grief tegen het bestreden vonnis.

Van zodra de belastingadministratie beroep doet op de ambtshalve aanslag van artikel 351 WIB92 wordt immers de bewijslast omgekeerd, zoals bepaald in artikel 352 WIB92. Dat brengt de belastingplichtige hoe dan ook in een zwakkere positie dan wanneer de bewijslast bij de administratie blijft rusten. Concreet heeft het in elk geval de controleambtenaar toegelaten om de forfaitair berekende belastbare grondslag die eerder in het bericht van wijziging van 14 november 2002 was meegedeeld, te behouden zonder te moeten antwoorden op de opmerkingen die mevrouw V.... H...... in haar brief van 11 december 2002 had verwoord. Indien de controleambtenaar niet een kennisgeving van aanslag van ambtswege had verstuurd, dan had hij een kennisgeving van beslissing tot taxatie zoals bedoeld in artikel 346, 5de lid WIB92 moeten versturen. Dat zou betekend hebben dat de controleambtenaar moest hebben meegedeeld met welke opmerkingen die mevrouw V...... H....... had gemaakt hij niet kon akkoord gaan en welke motieven hij daarvoor had. Concreet blijkt dat mevrouw V....H...... in haar brief van 11 december 2002 enerzijds heeft ingeroepen dat het belastingforfait voor kappers niet zonder meer toegepast kon worden op de appellant (gelet op de specifieke omstandigheden waarin hij werkte en de typische eigenschappen van zijn kapsalon), in het bijzonder wat het aantal typediensten betreft. Anderzijds heeft de gevolmachtigde van de appellant gesteld dat uit het bericht van wijziging van de aangifte niet kon worden achterhaald hoe de omzetverhogingen werden vastgesteld en gevraagd een detail van de berekeningen over te maken. Niet in het minst omdat de verjaring dreigde (het antwoord van mevrouw V...... H...... kan op 12 december 2002 zijn ontvangen; de laatste datum voor uitvoerbaarverklaring was 31 december 2002), was het voor de controleambtenaar een gemakkelijkheidskeuze om toepassing te maken van artikel 351 WIB92, keuze die bovendien niet wettelijk verantwoord was.

Anders dan de eerste rechter, is het Hof daarom van oordeel dat de schending van artikel 351 WIB92 de bestreden aanslag voor het aanslagjaar 2000 nietig maakt.

Op 13 juli 2010 heeft de geïntimeerde aan de appellant een kennisgeving van beslissing tot taxatie verstuurd met betrekking tot het aanslagjaar 2000, waarin de geïntimeerde antwoord geeft op de opmerkingen die mevrouw V...... H.......... in haar brief van 11 december 2002 geformuleerd had. De geïntimeerde behield zijn standpunt uit het bericht van wijziging van de aangifte van 14 november 2002 (wat betekent dat de brutowinst van het kapsalon van de appellant op 2.691.851 frank (66.729,24 euro) moest gebracht worden in plaats van de aangegeven 1.168.744 frank (28.972,41 euro) waardoor het nettoresultaat van 288.537 frank (7.152,65 euro) naar 1.811.644 frank (44.909,48 euro) werd verhoogd). Als antwoord op de opmerkingen van de boekhouder van de appellant van 11 december 2002 werd het volgende geantwoord:

• op de eerste opmerking, met betrekking tot de specifieke situatie van het kapsalon (bijzonder cliënteel uit pseudoartistieke kringen), werd geantwoord dat het forfait integraal en ondeelbaar moet worden toegepast, waarbij het bewijs van andere beroepsinkomsten door de belastingplichtige moet geleverd worden met bewijskrachtige gegevens, terwijl de gevoerde boekhouding, zoals uiteengezet in het bericht van wijziging van de aangifte, niet bewijskrachtig zou zijn;

• op de tweede opmerking, als zou uit het bericht van wijziging van de aangifte van 14 november 2002 niet kunnen worden achterhaald hoe de omzetverhoging wordt vastgesteld en op de vraag om een detail van de berekening over te maken, heeft de geïntimeerde geantwoord door er op te wijzen dat bij dat bericht van wijziging van de aangifte een bijlage was bijgevoegd met de gedetailleerde berekening en de geïntimeerde heeft die berekening integraal herhaald in de kennisgeving van beslissing tot taxatie.

De appellant heeft op die kennisgeving van beslissing tot taxatie niet gereageerd.

Op 12 oktober 2010 heeft de geïntimeerde voor het aanslagjaar 2000 op naam van de appellant een subsidaire aanslag toegewezen aan kohierartikel 707.410.874 en in een conclusie van 26 oktober 2010 die aanslag aan het hof voorgelegd met toepassing van artikel 356 WIB92 om hem geldig en invorderbaar te horen verklaren.

Uit het bijgevoegde stuk 51 blijkt dat het bedrag van de te betalen hoofdsom gelijk is aan 22.856,82 euro en dat daarin een belastingverhoging van 10 procent werd aangerekend.

De appellant heeft laten weten dat hij de subsidiaire aanslag betwist, waarna de zaak in staat werd gesteld voor pleidooi.

3. De betwistingen tussen de partijen

3.1. Kan een subsidiaire aanslag worden gevestigd?

De appellant voert aan dat de voorwaarden niet vervuld zijn om een subsidiaire aanslag overeenkomstig artikel 356 WIB92 te vestigen omdat de vorige aanslag door het hof werd vernietigd om een reden van verjaring. Volgens de appellant heeft de taxatieambtenaar op 17 december 2002 een kennisgeving van aanslag van ambtswege in de zin van artikel 351 WIB92 verstuurd met als (enige) maar onterechte motivering dat de appellant niet binnen de gestelde termijn op het bericht van wijziging van de aangifte van 14 november 2002 had geantwoord om te ontsnappen aan zijn verplichting om op zijn beurt te antwoorden op de opmerkingen die mevrouw V.....H....... wel degelijk in haar brief van 11 december 2002 had verwoord. Vermits er vanaf 11 december, in volle kerstperiode, zo stelt de appellant, nog slechts 20 dagen waren om zowel een gemotiveerde kennisgeving van beslissing tot taxatie te maken en de aanslag in te kohieren en te laten uitvoerbaar verklaren, zou de taxatieambtenaar bewust een verkeerde procedure gevolgd hebben om aan de verjaring te ontsnappen.

Volgens de appellant heeft het hof dat reeds erkend in zijn tussenarrest van 11 mei 2010 door te stellen dat de taxatieambtenaar een gemakkelijkheidskeuze maakte.

Door op die manier tewerk te gaan, zou de taxatieambtenaar de aanslag weliswaar blootgesteld hebben aan vernietiging, maar zou hij daarbij het voordeel hebben beoogd om ingeval van vernietiging en toepassing van artikel 355 of 356 WIB92 in plaats van slechts 20 dagen een nieuwe termijn van 6 maanden of 180 dagen te genieten om op de opmerkingen van mevrouw V.....H........te antwoorden.

Minstens ziet de appellant een onverantwoorde ongelijkheid in behandeling, reden waarom hij aan het hof vraagt de hoger weergegeven prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.

Beoordeling

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 11 mei 2010 de aanslag vernietigd omdat de taxatiedienst ten onrechte er is van uitgegaan dat er geen (geldig) antwoord was gekomen op het bericht van wijziging van de aangifte van 14 november 2002 door meer bepaald het antwoord van de boekhouder van de appellant (mevrouw V.....H.........) te negeren, impliciet stellende dat de boekhouder geen volmacht had voorgelegd.

Het hof heeft in zijn tussenarrest duidelijk uiteengezet dat de taxatiedienst nog nooit betwist had dat de boekhouder van de appellant als zijn gemandateerde optrad (en zich als zodanig ook uitdrukte) en dit gedurende meerdere jaren, terwijl een mondeling mandaat volstond. Dat de taxatiedienst na ontvangst van het antwoord van de boekhouder (gedateerd op 11 december 2002, aangetekend verstuurd op 12 december 2002 om 9u00 's morgens — zie stuk 23/12 geïnt. — en kennelijk door de taxatiedienst op 13 december 2002 ontvangen) het mandaat van die boekhouder plots betwistte, kan door het hof niet anders verklaard worden dan door een gebrek aan tijd om het dossier nogmaals ten gronde te onderzoeken, wat nodig was om een kennisgeving van beslissing tot taxatie te kunnen opstellen en een aanslag te vestigen vóór het verstrijken van de aanslagtermijn op 31 december 2002. Zoals in het tussenarrest al werd aangenomen, heeft de taxatiedienst, omdat de verjaring dreigde, een gemakkelijkheidskeuze gemaakt door artikel 351 WIB92 toe te passen, met name door een kennisgeving van aanslag van ambtswege te versturen op 17 december 2002.

Zelfs al kan worden aangenomen dat er in wezen vanaf 13 december 2002 nog 19 kalenderdagen waren vóór 1 januari 2003, toch waren daarvan slechts een beperkt aantal dagen ook werkdagen. Er mag worden aangenomen dat de taxatiediensten in die periode nog meerdere dossiers moeten afwerken, wat de overtuiging van het hof versterkt dat, mocht de taxatiedienst in werkelijkheid de tijd hebben gehad om het antwoord van de boekhouder van de appellant nog te beantwoorden in een kennisgeving van beslissing tot taxatie, hij dat ook zou gedaan hebben en het mandaat van mevrouw V..... H........ niet zou betwist hebben.

Het staat dan ook vast dat de vernietiging van de aanslag voor het aanslagjaar 2000, gevestigd onder kohierartikel 250.843, vastgesteld door het hof in zijn tussenarrest van 11 mei 2010, gesteund was op een opzettelijke procedurefout met de bedoeling de verjaring te vermijden en dat zonder deze procedurefout de aanslag niet tijdig zou kunnen gevestigd worden.

In dergelijke omstandigheden kan de appellant er zich op beroepen dat de betreffende aanslag vernietigd werd om redenen van verjaring.

Overeenkomstig de eerste zin van artikel 356 WIB92 beschikt de geïntimeerde in dat geval niet over de mogelijkheid om een subsidiaire aanslag te vestigen.

De vordering van de geïntimeerde tot geldig- en invorderbaarverklaring van de subsidiaire aanslag, is dan ook ongegrond.

3.2. De overige middelen en argumenten van de appellant

Gelet op de conclusie onder randnummer 3.1., moeten de overige middelen en argumenten van de appellant niet beantwoord worden.

4. De gerechtskosten

De gerechtskosten hebben betrekking op de zaak waarin zowel de aanslag voor het aanslagjaar 2000 als de aanslag voor het aanslagjaar 2001 ter betwisting stonden.

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen, moeten zij elk hun eigen gerechtskosten van de beide aanleggen dragen. In dat geval heeft het geen zin om de rechtsplegingsvergoeding te bepalen. Andere gerechtskosten zijn er niet.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart de vordering tot geldig- en invorderbaarverklaring van de aanslag in de personenbelasting en de aanvullende belastingen voor het aanslagjaar 2000 op naam van de appellant, toegewezen aan artikelnummer 707.410.874, ongegrond;

vernietigt het bestreden vonnis van de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 12 januari 2009 waar het oordeelde over de gerechtskosten, doet in dat verband opnieuw recht en veroordeelt elk van de partijen tot het betalen van haar eigen gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant: nihil

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op EENENDERTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN TWAALF.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Vrije woorden