- Arrest van 20 april 2012

20/04/2012 - 2010-AR-1283

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Vlaamse Codex voor Ruimtelijke Ordening (VCRO) - stakingsbevel - procedure kortgeding

Deze uitdrukkelijk door de wetgever voorziene procedure verloopt volgend de "vormen van het kortgeding" en wordt derhalve ook door de voorzitter van de rechtbank beslecht, maar heeft in wezen niets met het kort geding te maken.

De rechtspleging in kortgeding wordt in de VCRO (voorheen het DORO) weliswaar aangewend om een snelle procesgang te verzekeren doch de voorzitter behandelt hierbij geen voorlopige maatregelen zoals in het kortgeding, doch de grond van de zaak.

Eveneens in tegenstelling tot het kort geding, komt hier ook de urgentie niet bij te pas vermits het gaat om een specifieke procedure die haar oorsprong als dusdanig niet vindt in de urgentie. De decreetgever schrijft enkel voor dat men voor de specifiek genoemde vordering de procedure van het kortgeding moet volgen.

Het gewoonlijk gebruiken van een stuk grond in de zin van artikel 4.2.1.5° VCRO is een gewoontemisdrijf en behelst geen oprichtings- of instandhoudingsmidrijf. Dit gewoonlijk kan worden gestookt.

Er is conform het arrest van het Grondwettelijk Hof van 8 maart 2012 geen R.P.V. verschuldigd door het Vlaamse Gewest. De vraag rijst of indien de overtreden tot een R.P.V. zou moeten worden veroordeeld zulks geen schending uitmaakt van artikel 10 en 11 G.W.

Er wordt dienaangaande een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep

te Gent

9e kamer

________

terechtzitting

van

20-04-2012

gedeeltelijk

tussenarrest

art. 27 §1

Wet 06/01/1989

Grondwettelijk Hof

(prejudiciële vraag)

2010/AR/1283

in de zaak van:

1. D............ P............., loonondernemer,

ingeschreven met KBO-nummer 0675.093.472,

en zijn echtgenote

2. T............. K............., zonder beroep,

samenwonende te .................................,

appellanten,

hebbende als raadsman mr. VAN HEUVEN Dirk, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24

hebbende als raadsman mr. BELEYN Jan, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24

tegen:

Het VLAAMS GEWEST,

vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de heer Vlaams Minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,

met kabinet te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat 7

velt het Hof het volgend arrest:

1.

Het hof nam kennis van de bestreden beschikking d.d. 15 oktober 2009, gewezen door de waarnemend voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper, zetelend zoals in kort geding (aldaar gekend onder B.R.K. nr. 09/97C).

Het hof heeft de partijen, bij monde van hun raadslieden, gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands.

Zowel de door hen neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.

2.

Bij dagvaarding d.d. 7 juli 2009 hebben de appellanten in toepassing van artikel 154, lid 6 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna genoemd DORO), thans artikel 6.1.47, lid 6 van de Vlaamse Codex voor Ruimtelijke Ordening (hierna verkort VCRO) tegen de geïntimeerde de opheffing gevorderd van het schriftelijke stakingsbevel van 9 juni 2009 en de medegaande bekrachtigingbeslissing van 11 juni 2009 met betrekking tot hun activiteiten op een terrein gelegen te ............, ........, kadastraal bekend 3de afdeling, sectie G, nrs. 804 B, 805 E en 805 F.

Tevens vorderden zij dat de voorzitter hun voorbehoud inzake schadevergoeding zou willen noteren.

Tenslotte vorderden zij de geïntimeerde te doen veroordelen tot de kosten van het geding (nader begroot aan hun zijde).

De geïntimeerde concludeerde voor de eerste rechter tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering van de appellanten met verwijzing van laatstgenoemden tot de gedingkosten (nader begroot aan zijn zijde).

3.

De eerste rechter heeft middels de bestreden beschikking d.d. 15 oktober 2009 (onder nadere motivering):

- zich onbevoegd verklaard om in kort geding over de vordering te oordelen in zoverre die vordering ertoe strekt een voorbehoud te horen verlenen m.b.t. eventuele schadevergoeding;

- de vordering voor het overige ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Tevens werden de appellanten veroordeeld tot de kosten van geding (zoals nader begroot) en werd vastgesteld dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is, niettegenstaande verzet of hoger beroep en zonder borgtocht, overeenkomstig artikel 1039 Ger.W..

4.

4.a. Middels hun verzoekschrift tot hoger beroep en hun in deze instantie neergelegde conclusies verzoeken de appellanten dat het hof hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en derhalve de vordering tot opheffing van de stakingmaatregel ontvankelijk en gegrond zou verklaren, na desgevallend eerst volgende prejudiciële vraag te hebben gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 4.2.1,5° VCRO, samen gelezen met artikel 6.1.1 VCRO het in de artikelen 10-11 G.W. geconsacreerde gelijkheidsbeginsel (non-discriminatiebeginsel), wanneer één en ander zo geïnterpreteerd moet worden dat de miskenning van de vergunningsplicht ex artikel 4.2.1,5° VCRO een "gewoontemisdrijf" uitmaakt (waarvan de strafrechtelijke en burgerrechtelijke verjaringstermijn maar kan aanvangen nadat aan de kwalijke gewoonte een einde gesteld werd), terwijl de miskenning van de vergunningsplicht vermeld in de overige punten waarvan sprake in artikel 4.2.1. VCRO als een aflopend misdrijf moet beschouwd worden (waarvan de strafrechtelijke en burgerrechtelijke verjaringstermijn onmiddellijk na het stellen van een geviseerde handeling kan aanvangen)?"

Tevens verzoeken zij dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding van de beide instanties (nader begroot aan hun zijde).

Zij handhaven voormelde vordering in hun in deze instantie neergelegde conclusies.

4.b. De geïntimeerde verzoekt dat het hof:

- het hoger beroep van de appellanten onontvankelijk minstens ongegrond zou verklaren;

- de bestreden beschikking van de eerste rechter integraal zou bevestigen en de oorspronkelijke vordering van de appellanten als dusdanig onontvankelijk, minstens ongegrond zou verklaren;

- de appellanten zou veroordelen tot de kosten van het geding (nader begroot aan zijn zijde op de kosten van de beide instanties).

5.

5.a. De bestreden beschikking werd betekend aan de appellanten op 15 april 2010.

Het hoger beroep, ingesteld middels verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof alhier op 11 mei 2010, is derhalve tijdig.

Evenzeer werd dit hoger beroep regelmatig naar de vorm ingesteld.

Alhoewel door de geïntimeerde wordt verzocht dat het hof het hoger beroep "onontvankelijk" zou verklaren, wordt door hem geen motivering van deze exceptie aangebracht m.a.w. wordt door hem desbetreffend geen enkel middel uit het materiële recht of het formele recht aangehaald.

Gelet op het bovenstaande en gelet op het ontbreken van ambtshalve in te roepen excepties van onontvankelijkheid is het principaal hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren.

5.b. Het hof stelt vast dat alhoewel de geïntimeerde verzoekt dat het hof de bestreden beschikking integraal zou bevestigen, hij ook verzoekt dat het hof "de oorspronkelijke vordering van de appellanten onontvankelijk minstens ongegrond" zou verklaren.

Voor zover de appellant aldus (impliciet) incidenteel hoger beroep instelt tegen de bestreden beslissing nu de eerste rechter:

- zich onbevoegd verklaarde om in kort geding over de vordering te oordelen in zoverre die vordering ertoe strekt een voorbehoud te horen verlenen m.b.t. eventuele schadevergoeding;

- de vordering voor het overige ontvankelijk doch ongegrond verklaarde;

is dit (impliciet) incidenteel hoger beroep, bij gebrek aan tegenspraak en ambtshalve op te werpen excepties, eveneens ontvankelijk te verklaren.

6.

6.a. De dienende feiten werden door de eerste rechter op een passende wijze weergegeven in de bestreden beschikking en worden alsdusdanig niet door de partijen betwist.

Het volstaat derhalve te verwijzen naar de uiteenzetting van de eerste rechter desbetreffend.

Samengevat kan worden gesteld dat het aangevochten stakingsbevel d.d. 9 juni 2009 met medegaande bekrachtigingsbeslissing d.d. 11 juni 2009 betrekking hebben op:

- de aanleg van verschillende verhardingen op het perceel gelegen te ................, kadastraal bekend 3de afdeling, sectie G, nrs. 804 B, 805 E en 805 F, eigendom van de appellanten;

- het gebruik van bedoeld perceel als stapelplaats voor allerhande materialen afkomstig van afbraakwerken;

en dit zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning.

6.b. Aanvullend (want van nà de bestreden beschikking) dient hieraan nog te worden toegevoegd dat:

- de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur op 28 april 2010 een herstelvordering formuleerde c.q. opstelde lastens de appellanten, houdende het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand;

- deze herstelvordering onder toepassing van artikel 6.1.7 e.v. VCRO door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur voor een voorafgaandelijk advies werd overgemaakt aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid;

- de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid op 28 mei 2010 een eensluidend advies verleende over de voor advies voorgelegde herstelvordering;

- de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur alsdan overeenkomstig artikel 6.1.41, §4 VCRO overging tot het inleiden van de herstelvordering bij het parket van de Procureur des Konings te Ieper;

- de Procureur des Konings te Ieper bij brief d.d. 9 juli 2010 aan de raadsman van de geïntimeerde liet weten dat het vooronderzoek in deze zaak nog aan de gang was en geen toelating werd verleend om inzage noch een afschrift van het strafdossier werd afgeleverd zolang het dossier niet afgesloten was.

Het hof merkt op dat iedere verdere inlichting betrekkelijk de stand van het strafdossier en van de herstelvordering nà 9 juli 2010 ontbreekt.

7.

7.a. Het hoger beroep van de appellanten is beperkt tot de beslissing van de eerste rechter waarbij hun vordering tot opheffing van het schriftelijke stakingsbevel van 9 juni 2009 en de medegaande bekrachtigingbeslissing van 11 juni 2009 ontvankelijk werd verklaard, doch werd afgewezen als ongegrond.

Zij hebben geen beroep ingesteld tegen het onderdeel van de bestreden beschikking waar de eerste rechter zich onbevoegd verklaarde om te oordelen over hun vordering ertoe strekkende hen een voorbehoud te horen verlenen m.b.t. eventuele schadevergoeding.

7.b. Waar de geïntimeerde (middels impliciet incidenteel hoger beroep) concludeert tot de onontvankelijkheid van de vordering van de appellanten zoals aangebracht voor de eerste rechter worden door hem (eens te meer) geen middelen uit het materiële recht of het formele recht aangehaald ter ondersteuning van de door hem opgeworpen exceptie.

Gelet op het bovenstaande en gelet op het ontbreken van ambtshalve in te roepen excepties van onontvankelijkheid werd de vordering van de appellanten (voor zover betrekking hebbende op de opheffing van het schriftelijke stakingsbevel van 9 juni 2009 en medegaande bekrachtigingbeslissing van 11 juni 2009) terecht ontvankelijk verklaard, zodat het (impliciet) incidenteel hoger beroep van de appellant als ongegrond is af te wijzen.

8.

Voorafgaandelijk laat het hof het volgende gelden.

Artikel 6.1.47, lid 1 VCRO (voorheen artikel 154, lid 1 DORO) voorziet dat de in het artikel 6.1.5 VCRO (voorheen artikel 148 DORO) bedoelde ambtenaren, agenten of officieren van de gerechtelijke politie ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik, mondeling kunnen bevelen wanneer zij vaststellen dat het werk de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen zoals bedoeld in artikel 6.1.1 VCRO (voorheen artikel 146 DORO) of wanneer niet voldaan is aan de verplichting van artikel 4.7.19, § 4 VCRO (voorheen artikel 114 §2 DORO).

Dit bevel is een preventieve maatregel en is mede gefundeerd op de idee van de beveiliging van de macht van de (bodem)rechter om het herstel te bevelen (de herstelvordering toe te kennen).

Krachtens artikel 6.1.47, lid 6 VCRO (voorheen artikel 154, lid 6 DORO) kan de betrokkene in kortgeding de opheffing van de maatregel vorderen tegen het Vlaamse Gewest, waarbij verder wordt bepaald dat de vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handelingen werden uitgevoerd.

Deze voormelde bepaling van artikel 6.1.47 VCRO (voorheen artikel 154 DORO) moet worden gelezen in de context van art. 159 Grondwet, krachtens hetwelk de hoven en rechtbanken geen gevolg geven aan de bestuurshandelingen die niet met de wetten overeenstemmen.

Krachtens die laatste bepaling behoort het tot de bevoegdheid van de kortgedingrechter om de in toepassing van artikel 154 DORO (thans artikel 6.1.47 VCRO) aangevochten maatregel ten gronde te toetsen op haar externe en interne wettigheid en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding of machtsafwending berust (vgl. Cass., 16 januari 2009, nr. C.06.0480.N).

M.a.w. heeft de voorzitter in kortgeding daarbij, zonder daarbij de opportuniteit van het stakingsbevel te beoordelen, wel de mogelijkheid en de plicht om zich uit te spreken over de onwettigheid van dit stakingsbevel (voor zover betwist).

Deze materiële bevoegdheid van de voorzitter is een specifieke toegekende bevoegdheid, die enkel geldt voor de door de wetgever specifiek bedoelde vordering nl. in casu de vordering tot opheffing van het bekrachtigd bevel tot staking van de werken of handelingen waarvan wordt beweerd dat ze een inbreuk uitmaken op de VCRO (voorheen het DORO).

In het kader van deze beoordeling is de kortgedingrechter dus bevoegd om na te gaan zowel of de bedoelde werken of handelingen vergunningsplichtig zijn als om te oordelen over de vraag of een vergunning al dan niet conform werd uitgevoerd.

De kortgedingrechter moet tevens nagaan of de door het bevoegde bestuur getroffen maatregel, nl. de bekrachtiging van het kwestieuze stakingbevel, uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen.

Mocht bij de beoordeling van dit laatste blijken dat de maatregel van de overheid steunt op motieven die vreemd zijn aan de ruimtelijke ordening of op een opvatting van goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is, dan moet de kortgedingrechter overgaan tot opheffing.

De redelijkheidsbeoordeling impliceert dat rekening wordt gehouden met de ernst van de overtreding maar ook dat wordt onderzocht of de maatregel voor de overtreder niet disproportioneel bezwarend is.

Dit laatste betekent dat wordt afgewogen of het stakingbevel als kennelijk onredelijk moet worden bestempeld omdat het erdoor bekomen voordeel voor de goede ruimtelijke ordening geenszins opweegt tegen de last die daaruit voor de overtreder voortvloeit.

De kortgedingrechter oordeelt daarbij alleen of het bestuur in redelijkheid is kunnen komen tot de beslissing om de kwestieuze maatregel te treffen. Rekening houdend met de beleid- en beoordelingvrijheid van het bestuur kan de kortgedingrechter die beslissing slechts marginaal toetsen.

Wanneer de kortgedingrechter de maatregel o.g.v. "kennelijke onredelijkheid" opheft brengt dit enkel de wijze tot uitdrukking waarop de bestuurlijke beslissing op zijn redelijkheid wordt beoordeeld, namelijk met de terughoudendheid die de discretionaire bevoegdheid van het bestuur vereist.

Het behoort evenwel niet aan de kortgedingrechter om de opportuniteit van de kwestige maatregel te beoordelen.

De handhaving van de stedenbouwkundige voorschriften en van de goede ruimtelijke ordening, waartoe de kwestieuze maatregel zoals voorzien door artikel 6.1.47 VCRO (voorheen artikel 154 DORO) wordt opgelegd is een zaak van het bestuur die hierover met de nodige beleids- en beoordelingsvrijheid beslist.

Dit is sinds de Stedenbouwwet van 1962 zo en nergens blijkt dat de decreetgever met dat stelsel heeft willen breken.

Daarbij weze tevens opgemerkt dat wanneer de kortgedingrechter d.m.v. de voormelde afweging tot de beoordeling zou komen dat de aangevochten maatregel in geen geval is te verantwoorden door de vereisten van een goede ruimtelijke ordening, geenszins de opportuniteit van de overheidsbeslissing beoordeeld wordt doch enkel de kwestieuze maatregel getoetst wordt op haar wettigheid.

Het weze tenslotte opgemerkt dat deze uitdrukkelijk door de wetgever voorziene procedure wel verloopt volgens de "vormen van het kortgeding" en derhalve ook door de voorzitter van de rechtbank wordt beslecht, maar in wezen niets met het kort geding te maken heeft.

De rechtspleging in kortgeding wordt in de VCRO (voorheen het DORO) weliswaar aangewend om een snelle procesgang te verzekeren doch de voorzitter behandelt hierbij geen voorlopige maatregelen zoals in het kortgeding, doch de grond van de zaak.

Eveneens in tegenstelling tot het kort geding, komt hier ook de urgentie niet bij te pas vermits het gaat om een specifieke procedure die haar oorsprong als dusdanig niet vindt in de urgentie.

De decreetgever schrijft enkel voor dat men voor de specifiek genoemde vordering de procedure van het kortgeding moet volgen.

9.

De appellanten formuleren navolgende grieven tegen de bestreden beschikking:

- er is in hunnen hoofde geen sprake van een misdrijf, minstens niet van een gewoontemisdrijf en er kan hoogstens sprake zijn van een verjaard misdrijf waarvan de staking werd bevolen;

- in casu is het preventief doel van het stakingsbevel niet aanwezig, temeer een stakingsbevel niet dient om het louter voortzetten of louter voortduren van een stedenbouwmisdrijf tegen te gaan;

- het stakingsbevel vertoont een kennelijk onredelijk karakter.

Het hof ontmoet deze grieven als volgt.

1. Artikel 6.1.47 DORO (voorheen artikel 154 DORO) voorziet in de mogelijkheid van een stakingsbevel van zodra er sprake is van een inbreuk zoals bedoeld in artikel 6.1.1 VCRO (voorheen artikel 146 DORO).

Mede in acht genomen het feit dat een stakingsbevel gefundeerd is op de idee van de beveiliging van de macht van de (bodem)rechter om het herstel te bevelen (de herstelvordering toe te kennen) dient nagegaan te worden of het stakingsbevel wel degelijk gegrond is/was op een inbreuk op artikel 6.1.1 VCRO (voorheen artikel 146 DORO) (zie in dit verband ook artikel 6.1.41 en artikel 6.1.43 VCRO, voorheen artikel 149, §1 en artikel 152 DORO i.v.m. de herstelvordering ten gronde).

Het staat buiten betwisting en blijkt uit het opgesteld proces-verbaal dat de appellanten het bedoeld perceel gebruiken voor de opslag van allerhande materiaal, materieel en afval. Er werd immers vastgesteld dat rondom de loods allerhande materialen zijn gestapeld afkomstig van afbraakwerken, waaronder betonnen citernes, tractorbanden, stenen, aarde, elektriciteitsdraden, golfplaten, diverse containers, buizen enz. ...

Het staat eveneens buiten betwisting dat de appellanten hiervoor over geen stedenbouwkundige vergunning beschikken.

Artikel 4.2.1,5° a) en b) VCRO (voorheen artikel 99, §1, en 5° a) en b) DORO) bepaalt:

"Niemand mag zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning:

(...)

5° een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor:

a) het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande materialen, materieel of afval;

b) het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens."

c) (...)"

terwijl artikel 6.1.1, eerste lid 1° VCRO (voorheen artikel 146, lid 1 DORO) bepaalt:

"Met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 5 jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met één van deze straffen alleen, wordt de persoon gestraft die

1° de bij de artikelen 4.2.1 en 4.2.15 bepaalde handelingen hetzij zonder voorafgaande vergunning, hetzij in strijd met de vergunning, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning, uitvoert, voortzet, of in stand houdt."

Aldus is het voormeld gewoonlijk gebruik van een grond zonder vergunning strafbaar.

Het stakingsbevel behelst het "gebruik voor opslag van allerhande materialen/aanleggen van verschillende verhardingen. Dit alles zonder stedenbouwkundige vergunning."

Het hof treedt de pertinente beoordeling van de eerste rechter bij waar hij oordeelde dat de inbreuk waarop het stakingsbevel is gebaseerd geen instandhoudingsmisdrijf uitmaakt, maar wel een gewoontemisdrijf, hetgeen blijkt uit de samenlezing van de strafbaarstelling van het "uitvoeren of voortzetten" (artikel 6.1.1, eerste lid 1° VCRO, voorheen artikel 146, lid 1 DORO) en van de opsomming van de vergunningsplichtinge handelingen in artikel 4.2.1. VCRO (voorheen artikel 99 VCRO).

M.a.w. niet de instandhouding van de aanleg of inrichting van het terrein is het voorwerp van het bekrachtigde stakingsbevel maar wel het gebruik van dat terrein, zodat het gaat om een gewoontemisdrijf.

Deze beoordeling wordt in deze instantie op generlei wijze ontkracht door de appellanten.

Het hof voegt hieraan nog het volgende toe.

a. De appellanten laten gelden dat zij het bedoeld perceel reeds sedert 1988 gewoonlijk zouden gebruiken voor het opslaan van allerlei materialen en afval zodat hiervoor geen vergunning noodzakelijk is/was gezien:

• in de Stedenbouwwet van 1962 (en meer bepaald in artikel 44 van deze wet) deze vergunningsplicht niet was voorzien;

• het "gewoonlijk gebruik" pas vanaf 1 mei 2000, datum van inwerkingtreding van het DORO, vergunningsplichtig is.

Naar het oordeel van de appellanten heeft de decreetgever door de (nieuwe) vergunningsplicht in te schrijven bij een bepaling die een voorafgaande vergunningsplicht voorschrijft, duidelijk aangegeven dat zich voor het eerder reeds gestarte gewoonlijk gebruik geen vergunning opdrong.

Zelfs in geval in casu het "gewoonlijk gebruik" vanaf 1988 zou kunnen aangenomen worden, dan nog kan dit standpunt van de appellanten niet worden onderschreven.

Het feit dat deze handelingen niet vergunningsplichtig waren vóór 1 mei 2000 is terzake zonder belang gezien zij immers wel vergunningsplichtig waren toen het bevel tot staken werd gegeven.

Anders dan de appellanten voorhouden blijkt niet dat de decreetgever alleen het aanleggen of inrichten, of het aanvangen van een nieuw gewoonlijk gebruik vergunningsplichtig heeft willen maken. De decretale tekst staat die lezing niet toe en het feit dat appellanten mogelijkerwijze vóór de inwerkingtreding van artikel 99, §1, 5e a) en b) DORO (thans artikel 4.2.1,5° a) en b) VCRO) het terrein reeds hadden aangelegd, ingericht en gebruikt voor het opslaan neemt niet weg dat hoe dan ook het gebruik voor het opslaan sinds de inwerkingtreding van voormelde bepaling wel vergunningsplichtig is (vgl. Brussel 27 april 2009, inzake 2009/AR/102, www.juridat.be.).

Dit werd recent bevestigd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 6 december 2011 (arrest P.11.0599/N2) (onderlijning door het hof):

"Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 44 Stedenbouwwet, artikel 42 §1, 5°, Stedenbouwdecreet 1996, de artikelen 99, §1, 4° a en 5° b, en 146 Stedenbouwdecreet 1999, en de artikelen 4.2.1,5° a en b, en 6.1.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en artikel 2, eerste lid Strafwetboek, alsmede de miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken en de motiveringsplicht zoals vervat in artikel 149 Grondwet: nog vóór het invoeren van een vergunningsplicht en de strafbaarstelling sedert 1 mei 2000 gebruikte eiser het betrokken kadastraal perceel voor het stallen van voertuigen en de opslag van materiaal; het in stand houden van werken of handelingen die op het ogenblik van hun uitvoering of voortzetting niet vergunningsplichtig waren, maar het nadien ingevolge het ingrijpen van de decreetgever wel werden, zijn op grond van het legaliteitsbeginsel en artikel 2, eerste lid Strafwetboek niet strafbaar; het arrest beantwoordt eisers conclusie niet.

3. Volgens artikel 2 Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende. Zij heeft geen terugwerkende kracht.

4. Handelingen die voordien niet vergunningsplichtig waren, worden dit wel vanaf het ogenblik dat de wet dit vereist, en waarbij het niet voldoen aan deze verplichting vanaf dan ook strafbaar kan worden gesteld.

In zoverre het middel op een andere rechtsopvatting berust, faalt het naar recht."

b. Zoals boven aangehaald betreft het stakingsbevel het "gebruik voor opslag van allerhande materialen/aanleggen van verschillende verhardingen. Dit alles zonder stedenbouwkundige vergunning."

Het middel van de appellanten dat uitgaat van een vermoeden van vergunning tot maart 1994 gezien:

• krachtens artikel 4.2.14 §2 VCRO bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze werden gebouwd in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, voor de toepassing van de codex worden geacht vergund te zijn (tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van een constructie);

• voor het in werking treden van het gewestplan de loutere bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad niet volstond, doch dit plan in al zijn onderdelen ook in de gemeentehuizen ter beschikking diende te liggen waarbij het gewestplan elke verbindende en verordende kracht ontbeert (en dus niet in werking kan zijn getreden) zolang het niet in zijn totaliteit in alle betrokken gemeenten werd neergelegd;

• aldus moet aangenomen worden dat het gewestplan maar in werking is getreden op 24 maart 1994, zijnde de datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 24 februari 1994 dat uitvoering gaf aan artikel 100 van het decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1993 waarbij bepaald werd dat enkel de bestemmingsvoorschriften en bestemmingsplannen ter inzage (dienden te) liggen op het gemeentehuis;

is, voor zover dit zou kunnen worden onderschreven, in deze niet relevant nu boven reeds werd aangenomen dat de middels het stakingbevel gewraakte handelingen slechts vergunningsplichtig waren vanaf 1 mei 2000.

Krachtens artikel 4.2.1,5° VCRO (voorheen artikel 99, §1, 5° DORO) mag niemand zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning "een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor ....".

Naar het oordeel van het hof stelt deze bepaling duidelijk dat het inrichten dan wel het aanleggen dient gekaderd te zijn in het gewoonlijk gebruik van het betrokken perceel voor de handelingen die onder punt a), b) en c) van dit artikel worden opgenoemd.

Zulks wordt niet in de weg gestaan door het feit dat (onder nader bepaalde door de rechtspraak ontwikkelde voorwaarden) een verharding op zich een "bouwwerk" kon zijn in de zin van artikel 99, §1, lid 2 DORO, dan wel thans een "constructie" kan zijn in de zin van artikel 4.1.1, 3° VCRO.

Er is een algemene vergunningsplicht voor dergelijke constructies onder toepassing van artikel 4.2.1,1° VCRO (voorheen artikel 99, §1, lid 2 DORO) terwijl artikel 4.2.1,5° VCRO een bijzondere vergunningplicht oplegt voor het aanleggen en inrichten van de grond met het oog op het gewoonlijk gebruik ervan in de zin van punt a), b) en c) van deze bepaling.

M.a.w. het feit dat de decreetgever:

• enerzijds een algemene vergunningsplicht heeft vooropgesteld voor het aanbrengen van verhardingen op het terrein hetzij te beschouwen als een constructie in de zin van artikel 4.2.1.,1° a) VCRO, hetzij te beschouwen als een het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat in de zin van artikel 4.2.1.,1° b) VCRO;

• anderzijds een bijzondere vergunningsplicht heeft in het leven geroepen voor het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond in de zin van artikel 4.2.1.,5° VCRO;

duidt er naar het naar het oordeel van het hof op dat wanneer het gebruik samengaat met de aanleg of de inrichting van het perceel (m.a.w. wanneer het inrichten en aanleggen kadert in het gewoonlijk gebruik van het perceel voor stapelen van allerlei materiaal en materieel) er in de bepaling van artikel 4.2.1,5° VCRO geen onderscheid kan gemaakt worden tussen enerzijds het "gewoonlijk gebruiken" en anderzijds het "inrichten" dan wel het "aanleggen" (welke drie handelingen zonder nadere specificatie worden opgesomd naast het predikaat "gewoonlijk").

c. Het hof wijst erop dat met "gewoonlijk gebruik" het decreet geen vergunningsplicht beoogt voor de toevallige opslag van goederen of materialen, maar dit een gebruik van de grond vereist dat een zekere regelmaat vertoont en in de tijd moet duren alvorens een vergunning noodzakelijk is. Het misdrijf bestaat van zodra door meerdere handelingen van gebruik zonder dat daartoe de nodige vergunning verkregen werd, het gewoonlijk gebruik ontstaat, hetgeen de rechter onaantastbaar in feite beoordeelt (Cass. 6 december 2011, boven aangehaald).

Dat in deze er sprake is van meerdere handelingen van gebruik is niet voor ernstige betwisting vatbaar en blijkt uit de vaststellingen door de verbalisanten en uit de verklaring van de eerste appellant aan de verbalisanten.

Het misdrijf wordt aldus voortgezet in de zin van artikel 6.1.1, lid 1, 1° VCRO en de verjaring loopt niet zolang blijvend handelingen tot gebruik, zonder een tussentijdse onderbreking die tot verjaring leidt, worden gesteld.

Aldus wordt door de appellanten eveneens ten onrechte voorgehouden dat er maar sprake is van een vergunningsplicht indien een grond gewoonlijk gebruikt wordt, hetgeen een in de tijd afbakenbaar gebeuren is, waarna er sprake is van instandhouding, ook al omvat het verder gebruik van het terrein voor o.m. de opslag van materiaal, actieve daden.

Hierop voortbouwend stellen zij dat de grond reeds in 1987-1988 gewoonlijk gebruikt werd voor de opslag van materiaal en er nadien instandhouding is.

Evenwel staat de omstandigheid dat enkel het "gewoonlijk gebruik" van een grond voor opslag van allerlei materialen, materieel of afval, een stedenbouwkundige vereist, maar niet de daarop volgende positieve daden van opslag van materialen, er niet aan in de weg dat door het blijvend stellen van deze positieve daden zonder voorafgaande vergunning het misdrijf wordt voortgezet.

Het in stand houden van niet-vergund maar vergunningsplichtig gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond zoals bedoeld in artikel 4.2.1,5° a) V.C.R.O. bestaat aldus enkel uit een verzuim, dit is een onthouding van de dader om door enige handeling aan het bestaan van de gecreëerde toestand van onrechtmatig gebruik van de grond een einde te maken (Cass. 6 december 2011, boven aangehaald).

d. Tenslotte is er geen reden om in te gaan op de in ondergeschikte door de appellanten gevraagd prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof.

De geïntimeerde voert aan dat er een miskenning zou zijn van het gelijkheidsbeginsel (schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet) doordat alle overige inbreuken op de stedenbouwwetgeving, zoals o.m. het illegaal bouwen van een pand, in aanmerking komen voor strafrechtelijke en burgerrechtelijke verjaring (en na complementering niet meer vatbaar zouden zijn voor een stakingsbevel) terwijl het enkele gebruik van een grond ten eeuwigen dage strafbaar en vervolgbaar zou blijven.

Naar het oordeel van het hof kan er evenwel geen ongrondwettige discriminatie voorhanden zijn inzake de verjaring van misdrijven tussen:

• enerzijds diegenen die zich inzake stedenbouw schuldig maken aan een oprichtingsmisdrijf of een instandhoudingsmisdrijf (voor zover dit laatste nog strafbaar is m.n. in ruimtelijk kwetsbaar gebied);

• anderzijds diegenen die zich inzake stedenbouw schuldig maken aan een gewoontemisdrijf.

Het gaat om onderscheiden categorieën bouwovertreders waarbij er een duidelijk verschil is tussen een aflopend misdrijf, een voortdurend misdrijf en een gewoontemisdrijf naar verjaring toe. Tegenover verschillende categorieën bouwovertreders staat een verschillende behandeling en bij gebrek aan gelijkaardige categorieën en/of bij gebrek aan indiciën/redenen van niet verantwoord(baar) verschil in behandeling, dient ter zake besloten te worden dat er in deze geen indiciën zijn van een ongrondwettige discriminatie, zodat het Grondwettelijk Hof niet dient geadieerd te worden middels een prejudiciële vraag.

De decreetgever heeft geoordeeld dat het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond onder de in artikel 4.2.1,5° VCRO (voorheen artikel 99, §1, 5° DORO) bepaalde modaliteiten strafbaar is en heeft hieraan een andere invulling gegeven (ook op het vlak van verjaring) dan aan een oprichtingmisdrijf dan wel aan een instandhoudingsmisdrijf (waarbij bij dit laatste er nog een onderscheid werd gemaakt of het betrokken werk/goed al dan niet in ruimtelijk kwetsbaar gebied is gelegen).

De appellanten gaan overigens uit van de verkeerde veronderstelling dat het gewoontemisdrijf een voortdurend misdrijf is, terwijl het gewoontemisdrijf bestaat uit het herhaaldelijk plegen van op zichzelf straffeloze handelingen en het voortdurend misdrijf uit het schuldig verzuim om aan de wederrechtelijke handelingen een einde te stellen.

Zij verliezen daarbij tevens uit het oog dat er ook verjaring kan zijn inzake het gewoontemisdrijf. Enkel loopt de verjaring niet zolang blijvend handelingen tot gebruik, zonder een tussentijdse onderbreking die tot verjaring leidt (omdat de onderbreking minstens gelijk dan wel groter is dan de verjaringstermijn), worden gesteld.

Er doen zich naar het oordeel van het hof dan ook geen redenen voor om in te gaan op het verzoek van de appellanten tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

2. Tevergeefs voeren de appellanten tevens een gebrek aan van preventief karakter van het bekrachtigde stakingsbevel.

Een stakingsbevel kan inderdaad niet gebruikt worden als een "voorlopige straf", doch is een preventieve maatregel (Cass., 27 mei 2007, nr. C.06.0567.N) meer bepaald om te verhinderen dat de wederrechtelijke toestand van de uitvoering van werken of handelingen zonder of in strijd met een stedenbouwkundige vergunning zou verergeren of problematischer zou worden.

Er moet dus door een stakingsbevel kunnen worden vermeden dat (strafbare) handelingen voortgezet worden.

De eerste rechter oordeelde, gelet op de weerhouden stedenbouwkundige inbreuk als gewoontemisdrijf (dat bestaat zolang "de gewoonte" wordt voortgezet), omtrent dit preventief karakter terecht als volgt:

"Bijgevolg kan het aan de eisers gegeven stakingsbevel perfect worden ingekaderd binnen de preventieve functie waartoe het werd ingesteld. De stakingsvordering strekt immers tot het stopzetten van een illegale en (tot op het ogenblik van de stakingsvordering) nog steeds strafbare activiteit. De stakingsvordering strekte aldus niet louter tot de stopzetting van de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf maar tot de stopzetting van dat stedenbouwmisdrijf zelf."

Het hof onderschrijft deze beoordeling van de eerste rechter die in deze instantie niet wordt weerlegd door de appellanten en voegt hieraan nog het volgende toe.

Het stakingsbevel heeft inderdaad een preventief karakter dat ertoe strekt de macht van de rechter om het herstel te bevelen veilig te stellen, maar is ook bedoeld om inbreuken op de wettelijke regels inzake ruimtelijke ordening zoals bedoeld in artikel 6.1.1 VCRO te voorkomen of te stoppen.

Een "gewoonlijk gebruik" in de zin van artikel 4.1.2.,5° VCRO (voorheen artikel 99, §1, 5° DORO) kan aldus worden stilgelegd of gestaakt in zoverre de goede ruimtelijke ordening zulks vereist.

Uit de voorgelegde stukken (inzonderheid de foto's en meer bepaald de luchtfoto's) blijkt dat de opstapeling van allerhande materialen op het bedoelde perceel rommelig en storend is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied dat gekenmerkt wordt door een verspreide bebouwing en dat deze wederrechtelijke toestand verder uitdeint op het kwestieuze perceel.

Zulks heeft een negatieve impact op de goede ruimtelijke ordening zoals ten andere thans ook reeds werd beoordeeld door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid in zijn advies d.d. 28 mei 2010 (n.a.v. de door de appellant geformuleerde herstelvordering ten gronde).

Aldus dient besloten te worden dat het geviseerd gewoontemisdrijf een afbreuk doet aan de goede plaatselijke ruimtelijk ordening zodat ten preventieve titel terecht een stakingsbevel werd opgelegd.

De appellanten weten zulks in deze niet te ontkrachten.

3. Tenslotte dient gesteld dat er geen sprake is van enige "kennelijke onredelijkheid" noch van enige "disproportionaliteit" van het bestreden stakingbevel.

De inbreuken zijn duidelijk, bewust en volhardend gedurende vele jaren.

Het stakingbevel was onmiddellijk noodzakelijk m.b.t. de handhaving van de stedenbouwkundige voorschriften en van de goede ruimtelijke ordening.

Immers, dit optreden kadert in het beleid zelf dat op preventief optreden gericht is: het precies doen ophouden van een (reeds jarenlang volgehouden) wederrechtelijke toestand met verregaande gevolgen, gelet op de zone waarin de inbreuken gepleegd worden (agrarisch waardevol gebied volgens het gewestplan Ieper-Poperinge vastgesteld bij K.B. van 14 augustus 1979) en was dan ook volkomen verantwoord, gepast en redelijkerwijze verantwoord.

De beweerde verregaande gevolgen van het stakingbevel voor de appellanten, m.n. het bemoeilijken van hun werkzaamheden, kunnen daartegen op geen enkele wijze opwegen.

Immers, zij eigenden zich een onrechtmatig voordeel toe door het begaan van een inbreuk en streefden er vervolgens naar, nadat zij iedereen voor een voldongen feit hebben gesteld, om het daaruit behaalde profijt als argument te gebruiken om de wederrechtelijke situatie te laten voortbestaan.

Het gebeurlijke nadeel dat de geïntimeerden zouden lijden door het feit dat de exploitatie van hun bedrijf aldaar bemoeilijkt zou worden is dus uitsluitend aan hun eigen (risicovol) optreden te wijten.

Het al dan niet treffen van bepaalde maatregelen behoort uitsluitend tot de opportuniteitsbeoordeling vanwege de administratie, terwijl het feit dat "mogelijks" een regulariserende oplossing in het verschiet zou liggen evenmin ertoe kan doen besluiten dat er in deze sprake zou zijn een "kennelijke onredelijkheid".

Ook op dit punt dient derhalve besloten te worden dat de middelen van de appellanten falen.

Besluitend dient, gelet op hetgeen boven werd geoordeeld, gesteld te worden dat de vordering van de appellanten terecht door de eerste rechter als ongegrond werd afgewezen derwijze dat hun hoger beroep desbetreffend ongegrond is.

10.

10.a. Artikel 1017, lid 1 Ger.W. bepaalt:

"Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt."

Overeenkomstig artikel 1018, lid 1, 6° Ger.W. bevatten de kosten ook de rechtsplegingvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W..

Artikel 1022 Ger.W. (vóór de wijziging ervan bij de wet van 21 februari 2010 "tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van de het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand in handelstransacties"), voorziet:

"De rechtsplegingvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van de Vlaamse Balies en van de Orde des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met:

- de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

- de complexiteit van de zaak;

- de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

- het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij."

Bij voormelde wet van 21 februari 2010 werd in artikel 1022 Ger.W. een achtste lid toegevoegd, dat bepaalt:

"Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat:

1° wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, §1;

2° wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, §2".

Krachtens artikel 6 van deze wet van 21 februari 2010, zal deze die nieuwe bepaling in werking treden op een datum die de Koning zal bepalen.

Op heden is er nog geen uitvoeringsbesluit genomen.

10.b. Gelet op bovenstaande bepalingen, en bij gebrek aan overeenkomst tussen de partijen in de zin van artikel 1017, lid 1 Ger.W., dienen de appellanten principieel verwezen te worden in de kosten van de beide instanties, waaronder de rechtsplegingvergoedingen.

Bij arrest nr. 43/2012 van 8 maart 2012 van het Grondwettelijk Hof werd evenwel als volgt voor recht gezegd:

"Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, schendt de artikelen10 en 11 van de Grondwet in zoverre een rechtsplegingvergoeding ten laste van het Vlaamse Gewest kan worden gelegd wanneer de stedenbouwkundig inspecteur in het ongelijk wordt gesteld bij zijn op grond van artikel 6.1.43 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voor de burgerlijke rechtbank ingestelde herstelvordering."

Het Grondwettelijk Hof motiveerde deze beslissing inzonderheid als volgt:

"(...)

B.8. De thans in het geding zijnde herstelvordering wordt door de stedenbouwkundig inspecteur uitsluitend ingesteld in het algemeen belang, met het oog op het vrijwaren van de goede ruimtelijke ordening.

Weliswaar zijn de leden van het openbaar ministerie magistraten van de rechterlijke orde, terwijl de stedenbouwkundig inspecteurs ambtenaren zijn dit tot de uitvoerende macht behoren, zoals de Ministerraad terecht opmerkt. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 151 van de Grondwet, dat de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in de individuele opsporing en vervolging waarborgt, blijkt evenwel dat:

"Het openbaar ministerie onafhankelijk is wanneer het de strafvordering instelt en dus bij het vervolgen van misdrijven, wezen het dat het openbaar ministerie hier (...) geen rechterlijk ambt uitoefent maar veeleer een ambt van de uitvoerende macht en aldus onderworpen is aan het gezag en het toezicht van de minister van Justitie om de strafvervolging te bevelen (artikel 274 en volgende: het positief injunctierecht), evenals naar de bevoegdheid van de minister van Justitie om de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te stellen " (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1675/1, p. 4)."

Het verschillende statuut van de stedenbouwkundige inspecteurs en van de leden van het openbaar ministerie kan derhalve niet volstaan om het in het geding zijnde verschil in behandeling te beantwoorden.

Zoals de leden van het openbaar ministerie dienen de stedenbouwkundige inspecteurs hun vordering in volle onafhankelijkheid te kunnen uitoefenen, zonder rekening te houden met het financieel risico verbonden aan het proces.

B.9 De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord."

Krachtens artikel 28 van de Bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989 (zoals gewijzigd door artikel 6 van de Bijzondere wet van 21 februari 2010) moeten het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk andere rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Waar weliswaar voormelde prejudiciële vraag werd gesteld in het kader van een herstelvordering die door de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur onder toepassing van artikel 6.1.43 VCRO (voorheen artikel 151 DORO) werd gebracht voor "de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in burgerlijke aangelegenheden"; terwijl in deze het gaat om een procedure ex artikel 6.1.47, laatste lid VCRO (voorheen artikel 154, laatste lid DORO) waarbij de betrokkene in kort geding voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handelingen werden uitgevoerd de opheffing van de maatregel (zijnde een overeenkomstig artikel 6.1.47, lid 1 t.e.m. 5 VCRO - voorheen artikel 154, lid 1 t.e.m. 5 DORO -uitgevaardigd en door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur bekrachtigd bevel tot onmiddellijke staking) kan vragen, betreft het hier een identieke situatie en zijn de wetsbepalingen die het hof dient toe te passen dezelfde als die middels het voormeld arrest d.d. 8 maart 2012 aan de grondwettigheidtoetsing werden onderworpen.

Net zoals bij het instellen van een herstelvordering treedt ook met betrekking tot de bekrachtiging van een stakingsbevel de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur op in het algemeen belang, met dien verstande dat bij de herstelvordering de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur zelf procespartij is, terwijl de decreetgever inzake een bekrachtigd stakingsbevel heeft voorzien dat de opheffing ervan dient te worden gevorderd tegen het Vlaams Gewest.

Gelet op de artikelen 4, tweede lid en 26 §2, tweede lid, 2° van de Bijzondere wet op het Grondwettelijk Hof gaat overigens de draagwijdte van een prejudicieel arrest verder dan de grenzen bepaald in artikel 28 van dezelfde wet en dient rekening gehouden te worden met de weerslag die de beslissing kan hebben op andere situaties dan die welke het voorwerp was van de prejudiciële vraag (vgl. Arbitragehof, nr. 18/91, B.9, nr. 83/93, B.6).

Wanneer dus dezelfde grondwettigheidsvraag aan de orde is dient het hof zich te voegen naar de oplossing die het Grondwettelijk Hof heeft gegeven aan een vraag met hetzelfde onderwerp en dient de ongrondwettig bevonden bepaling buiten beschouwing gelaten te worden.

Concreet betekent zulks dat, voor zover het hof de vordering van de appellanten zoals aangebracht voor de eerste rechter, gegrond zou hebben bevonden, de geïntimeerde niet kon worden verwezen in c.q. veroordeeld worden tot een rechtsplegingvergoeding aan de zijde van de appellanten.

10.c. Waar de vordering van de appellanten evenwel ongegrond dient te worden verklaard dienen zij in principe te worden verwezen in de rechtsplegingvergoeding gevallen aan de zijde van de geïntimeerde (cf. supra 10.a.).

Aldus komt men tot de situatie dat in een louter burgerlijk geschil aangaande de herstelmaatregelen in de zin van artikel 6.1.41 e.v. VCRO de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur dan wel het Vlaams Gewest als procespartij niet kan worden verwezen in een rechtsplegingvergoeding indien zij in het ongelijk worden gesteld, terwijl de betrokkene lastens wie voor de burgerlijke rechter een herstelvordering wordt geformuleerd dan wel die voor de burgerlijke rechter een vordering tot opheffing van een bekrachtigd stakingsbevel instelt als procespartij wel zou dienen verwezen te worden in een rechtsplegingvergoeding (naar gelang het geval) opzichtens de gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur dan wel het Vlaams Gewest.

Evenzeer dient vastgesteld te worden dat wanneer een herstelmaatregel inzake de ruimtelijke ordening voor de strafrechter wordt gevoerd diegene opzichtens wie deze herstelmaatregel gevorderd wordt (de beklaagde) niet kan worden veroordeeld opzichtens de herstelvorderende overheid (meer bepaald de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur) indien de gevorderde herstelmaatregel gegrond wordt verklaard.

Artikel 162bis Sv. bepaalt:

"Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, veroordeelt hen tot het betalen aan de burgerlijke partij van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard en die in het ongelijk wordt gesteld, zal veroordeeld worden tot het aan de beklaagde betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis."

Dit artikel beperkt de verhaalbaarheid van de rechtsplegingvergoeding in strafzaken tot de verhoudingen tussen eendeels de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, anderdeels de burgerlijke partij.

Het Hof van Cassatie oordeelde in zijn arrest d.d. 24 mei 2011 (www.cass.be, 21 juni 2011, concl. DUINSLAEGER, P., Pas. 2011, afl. 5, 1499, TROS-Nieuwsbrief 2011, samenvatting LINDEMANS, D., afl. 12, 4, noot LINDEMANS, D.) o.m. dat:

- de herstelmaatregel niet zoals de schadevergoeding, de vergoeding van schade aan particuliere belangen beoogt, maar ertoe strekt een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang geschaad wordt;

- het optreden van de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur die een wettelijke opdracht in het algemeen belang uitoefent en geen particulier belang nastreeft, niet kan gelijkgeschakeld worden met het optreden van een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis Sv., zodat wanneer de herstelvordering van de stedenbouwkundig inspecteur ongegrond wordt verklaard, hij niet kan veroordeeld worden tot het betalen van een rechtsplegingvergoeding aan de beklaagde.

Gezien aldus de herstelvorderende overheid niet als een burgerlijke partij kan worden aanzien kan de betrokkene (de beklaagde) opzichtens wie de herstelmaatregel in een strafzaak gegrond wordt bevonden niet gehouden zijn tot de betaling van de rechtsplegingvergoeding in de zin van artikel 1022 Ger.W..

Gelet op het bovenstaande rijst terzake de vraag of de bepaling van artikel 1017, lid 1 Ger.W., gelezen in samenhang met de artikelen 1018 Ger.W. en 1022 Ger.W., zoals op heden van toepassing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in de interpretatie dat in een geschil voor de burgerlijke rechter aangaande handhavingsmaatregelen zoals bepaald in Titel VI, Hoofdstuk I, afdeling 5 en afdeling 7 van de VCRO, de herstelvorderende overheid die een herstelvordering heeft ingeleid dan wel het Vlaams Gewest tegen wie de opheffing van een bekrachtigd stakingsbevel wordt gevorderd als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017, lid 1 Ger.W. niet kan worden verwezen in een rechtsplegingvergoeding, terwijl de betrokkene lastens wie de herstelvordering wordt ingesteld dan wel zelf de opheffing vordert van een bekrachtigd stakingsbevel als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017, lid 1 Ger.W. wel dient verwezen te worden in een rechtsplegingvergoeding, daar waar:

- artikel 1017, lid 1 Ger.W. het enkel heeft over "de in het ongelijk gestelde partij" zonder dat daarbij een onderscheid gemaakt wordt of deze in het ongelijk gestelde partij al dan niet optreedt in het algemeen belang;

- in strafzaken een betrokkene c.q. beklaagde die opzichtens hem een herstelvordering gegrond ziet verklaard worden niet gehouden is tot het betalen van een rechtsplegingvergoeding aan de herstelvorderende overheid.

Wanneer het Grondwettelijk Hof bevestigend zou antwoorden op de prejudiciële vraag zou dit als gevolg hebben dat de appellanten niet kunnen worden verwezen in een rechtsplegingvergoeding ten voordele van de geïntimeerde.

Het hof dient derhalve het Grondwettelijk Hof te verzoeken uitspraak te doen over de ambtshalve opgeworpen en hierboven nader omschreven prejudiciële vraag.

10.d. De beslissing omtrent de kosten in de beide instanties wordt aangehouden.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF

recht doende op tegenspraak.

In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch wijst het thans in die zin reeds af als ongegrond dat de bestreden beschikking integraal wordt bevestigd, behoudens waar werd geoordeeld over de gedingkosten.

Houdt de beslissing omtrent de gedingkosten in de beide instanties aan en vooraleer hierover uitspraak te doen, stelt aan het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag:

"Schendt de bepaling van artikel 1017, lid 1 Ger.W., gelezen in samenhang met de artikelen 1018 Ger.W. en 1022 Ger.W., zoals op heden van toepassing, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat in een geschil voor de burgerlijke rechter aangaande handhavingsmaatregelen, zoals bepaald in Titel VI, Hoofdstuk I, afdeling 5 en afdeling 7 van de VCRO, de herstelvorderende overheid die een herstelvordering heeft ingeleid dan wel het Vlaams Gewest tegen wie de opheffing van een bekrachtigd stakingsbevel wordt gevorderd als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017, lid 1 Ger.W. niet kan worden verwezen in een rechtsplegingvergoeding, terwijl de betrokkene lastens wie de herstelvordering wordt ingesteld dan wel zelf de opheffing vordert van een bekrachtigd stakingsbevel als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017, lid 1 Ger.W. wel dient verwezen te worden in een rechtsplegingvergoeding, daar waar:

- artikel 1017, lid 1 Ger.W. het enkel heeft over "de in het ongelijk gestelde in partij" zonder dat daarbij een onderscheid gemaakt wordt of deze in het ongelijk gestelde partij al dan niet optreedt in het algemeen belang;

- in strafzaken een betrokkene c.q. beklaagde die opzichtens hem een herstelvordering gegrond ziet verklaard worden niet gehouden is tot het betalen van een rechtsplegingvergoeding aan de herstelvorderende overheid.".

Zegt dat een door de voorzitter en de door de griffier van deze kamer ondertekende expeditie van de beslissing tot verwijzing naar het Grondwettelijk Hof zal worden verzonden overeenkomstig artikel 27 § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof.

Zegt dat met deze beslissing overeenkomst artikel 30 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof de procedure en de termijnen van procedure en verjaring opschort tot de datum waarop het arrest van het Grondwettelijk Hof ter kennis wordt gebracht van het hof alhier.

Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

De heer H. Verhaest Kamervoorzitter,

Mevrouw M. Beerens Raadsheer,

De heer A. Colpaert Raadsheer,

en uitgesproken door de Kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op twintig april tweeduizend en twaalf,

bijgestaan door

Mevrouw M. Vercruysse Griffier.

Vrije woorden

  • Stakingsvordering VCRO Gewoonlijk gebruik in de zin van art. 4.2.1.5° a) en b) VCRO Prejudiciële vraag i.v.m. RPV inzake herstelvordering voor de burgerlijke rechten