- Arrest van 28 januari 2013

28/01/2013 - 2011AR812

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De betwisting tussen de partijen betreft in de eerste plaats de vraag of bij het bestreden tussenvonnis op verzoek van de geïntimeerde al dan niet terecht werd overgegaan tot de aanstelling van een college van deskundigen.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt moet worden uitgegaan van de regel dat de rechter soeverein de opportuniteit van een onderzoeksmaatregel beoordeelt, mits althans het eruit voortvloeiende bewijs wettig is en hij het recht op bewijs niet miskent.

Het recht op bewijs, dat voortvloeit uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en uit artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, is het recht van elke procespartij om enerzijds de bewijzen waarover zij beschikt voor te leggen en anderzijds te verzoeken dat de bewijzen waarover zij nog niet beschikt, zouden worden vergaard aan de hand van de nodige onderzoeksmaatregelen.

Dat recht op bewijs verhindert onder meer dat de rechter een onderzoeksmaatregel zou weigeren omdat de aangevoerde feiten niet bewezen zouden worden of omdat niet reeds andere bewijsmiddelen zouden worden aangebracht.

Het hof is van oordeel dat het gevorderde medisch deskundigenonderzoek hier opportuun is.

Bij toepassing van artikel 1068, tweede lid Ger. W. wordt de zaak terug verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te

Antwerpen.


Arrest - Integrale tekst

2011/AR/812

P. E., mond-, kaak- en aangezichtschirurg, geboren te ... en wonende te ...;

appellant,

vertegenwoordigd door mr. Marie Peerenboom loco mr. Philippe De Smet, advocaat te 1180 Brussel, Winston Churchilllaan 251/1;

tegen het vonnis van de 6e B kamer van de rechtbank van eerste aan-

leg te Antwerpen van 17 januari 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/6348/A;

tegen:

I. D., kinderverzorgster, geboren te ... en wonende te ...;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Nadia Arnols loco mr. Ludo Lenière, advocaat te 2018 Antwerpen, Kielsevest 2-4 bus 1;

en tevens:

E. V. D., anesthesist, geboren te ... en wonende te ...;

mede inzake zijnde partij,

vertegenwoordigd door mr. Wendy Weckhuysen loco mr. Eric Clijmans, advocaat te 2000 Antwerpen, Schermersstraat 30;

* * * * *

1. De feiten

1.1. De feiten die ten grondslag liggen aan de vordering van de geïnti-meerde worden op juiste wijze uiteengezet in het bestreden vonnis. Het hof verwijst naar deze uiteenzetting en beschouwt ze als hernomen.

1.2. De feiten kunnen als volgt worden samengevat:

- I. D. onderging op 6 augustus 2009 een heelkundige ingreep waarbij haar vier wijsheidstanden werden geëxtraheerd door de appellant. De ingreep gebeurde onder algemene narcose uitgevoerd door de partij mede inzake.

- Na de ingreep ondervond de geïntimeerde een bewegingsbeperking en krachtverlies van de linkerarm, pijn aan hals en schouder links, hoofdpijn en paresthesieën linker hand.

- De geïntimeerde is van oordeel dat een fout in hoofde van de appellant en de partij mede inzake aan de basis liggen van deze lichamelijke klachten.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij exploot van 26 september 2010 dagvaardt de geïntimeerde dr. E. V. D. en dr. P. E. teneinde hen solidair, de ene bij gebreke van de andere te veroordelen tot betaling van een provisioneel bedrag van 3.000,00 EUR, ondergeschikt in aanstelling van een gerechtdeskundige.

2.2. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te

Antwerpen van 17 januari 2011:

- verklaart de vordering van de geïntimeerde toelaatbaar en als volgt gegrond:

- stelt een college van deskundigen aan met als opdracht:

"Na behoorlijke verwittiging van partijen, hun raadslieden en de rechtbank, en na kennisname van de stavingsstukken van partijen en van alle stukken die zij nuttig zal achten, I. D., wonende te ..., te on-derzoeken ;

Medisch advies te geven of de tussenkomsten van E. V. D. en P. E. werden uitgevoerd volgens de regels van de geneeskunde en of een normaal volgens de regels van de geneeskunde te verwachten resul-taat werd bereikt, hierbij rekening houdende met de afspraken tussen arts en patiënt;

Voor zover dit niet volgens de regels der kunst zou zijn gebeurd, de gevolgen ervan te beschrijven:

Medisch advies te geven over de duur en de graad van de tijdelij-

ke invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid, de consolidatiedatum, de graad van de blijvende invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid of, in-dien in de toekomst een verder evolutie van de blijvende invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid te verwachten is, een datum te bepalen voor mogelijke herziening, en de esthetische schade (met foto's) te bepalen,

Na te gaan of er zich na consolidatie nog medische of paramedische zorgen opdringen; desgevallend deze zorgen te beschrijven en de termijn te bepalen gedurende dewelke ze nodig zullen zijn,

Te antwoorden op alle nuttige vragen."

- houdt de beslissing over de gedingkosten aan;

- verzendt het overige van de zaak naar de bijzondere rol.

2.3. De appellant tekent tegen dit vonnis hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 16 maart 2011.

Het hoger beroep is gericht tegen I. D. E. V. D. wordt mede inzake geroepen.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. De appellant vordert in zijn op 14 november 2011 ter griffie neergelegde conclusies om:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw recht doende:

- de vordering tot aanstelling van een deskundige ongegrond te ver-klaren;

- in ondergeschikte orde de aan het college gegeven opdracht aan te passen als volgt:

"na de partijen en hun technische raadslieden rechtsgeldig te hebben opgeroepen conform de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek:

- Kennis te nemen van het volledige medische dossier van mevrouw D. m.b.t. de ingreep en de opvolging hierna;

- Een beschrijving te geven van de ingreep uitgevoerd door Dr.

E. en Dr. V. D. bij mevrouw D.;

- Advies te geven over de vraag of de toegepaste medische zorgen werden uitgevoerd volgens de regels van de kunst, rekening hou-dend met de concrete omstandigheden en met de stand van de wetenschap ten tijde van de ingreep; dit zowel voor de medische ingreep als de opvolging;

Enkel en alleen indien het College van Deskundigen een nalatigheid of fout zouden weerhouden:

Een beschrijving te geven van de onzorgvuldigheden/ nalatigheden die werden begaan en hierbij een dubbel onderscheid te maken met name:

- Een eerste onderscheid makend naargelang het optreden van elk van de verschillende actoren

- Een tweede onderscheid makend tussen de normale gevolgen van de eventueel vooraf bestaande toestand/ aandoening van me-vrouw D., de normale gevolgen van de behandelingen, de gevolgen van eventuele niet-foutieve complicaties van de behandeling en opvolging en de gevolgen van de begane onzorgvuldigheden en/ of nalatigheden;

Mevrouw D. te onderzoeken en:

- Een beschrijving te geven van de schade opgelopen door mevrouw D. in noodzakelijk verband met de begane onzorgvuldigheden/

nalatigheden, steeds met in acht neming van hierboven beschreven dubbel onderscheid;

- De duur en graden van de tijdelijk invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid te bepalen in noodzakelijk oorzakelijk verband met de begane onzorgvuldigheden/nalatigheden, steeds met in acht neming van het hierboven beschreven dubbel onderscheid;

- De consolidatiedatum te bepalen;

- Desgevallend de graad van blijvende invaliditeit/arbeidsongeschiktheid te bepalen noodzakelijk oorzakelijk verband met de begane onzorgvuldigheden/nalatigheden, steeds met in acht neming van het hierboven beschreven dubbel onderscheid;

- Advies te verlenen aan de Rechtbank over alle andere mogelijke schade geleden door mevrouw D. in noodzakelijk oorzakelijk ver-band met de begane onzorgvuldigheden/nalatigheden, steeds met in acht neming van het hierboven beschreven dubbel onderscheid;

- Te antwoorden op alle schriftelijke vragen van de partijen in verband met de opdracht;

Hiervan een omstandig gemotiveerd voorverslag op te stellen, in voorlezing te geven aan de partijen, de partijen de gelegenheid te bieden om hierop opmerkingen te formuleren en, na te hebben geantwoord op de eventuele opmerkingen, een gemotiveerd eindverslag neer te leggen binnen de 6 maanden na de aanstelling, dit alles met naleving van de voorschriften van het Gerechtelijk Wetboek."

- de geïntimeerde te veroordelen tot de gedingkosten.

3.2. De geïntimeerde vordert in haar op 16 januari 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellant te veroordelen tot de gedingkosten.

3.3. De partij mede inzake heeft niet geconcludeerd.

4. Beoordeling

4.1. De tijdigheid, de regelmatigheid en de toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellant tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij zijn op 16 maart 2011 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep.

4.2. De grond van de betwisting

4.2.1. Het hoger beroep

4.2.1.1. Volgens de appellant heeft de eerste rechter onterecht gevolg gegeven aan de vordering van de geïntimeerde om een deskundige aan te stellen. De geïntimeerde zou niet het bewijs van een fout in zijnen hoofde geleverd hebben. Er zou zelfs geen begin van bewijs van fout geleverd zijn, noch zouden er "aanwijsbare gegevens bestaan van de aansprakelijkheid" in zijnen hoofde. De geïntimeerde zou een "fishing expedition" (zijnde een allesomvattend onderzoek in het wilde weg naar alle mogelijke oorzaken van een vastgestelde complicatie) naar alle mogelijke oorzaken van de niet-gewenste gevolgen van de ingreep beogen.

Ondergeschikt vordert de appellant een wijziging van de aan het college gegeven opdracht. De eerste rechter zou aan het college gevraagd hebben na te gaan of de ingreep al dan niet letsels heeft veroorzaakt, terwijl deze de schade zou moeten vaststellen die zou zijn ontstaan in causaal verband met een fout of nalatigheid in zijnen hoofde.

4.2.1.2. De betwisting tussen de partijen betreft bijgevolg in de eerste plaats de vraag of bij het bestreden tussenvonnis op verzoek van de ge-intimeerde al dan niet terecht werd overgegaan tot de aanstelling van een college van deskundigen.

4.2.1.3. Bij de beoordeling van dit geschilpunt moet worden uitgegaan van de regel dat de rechter soeverein de opportuniteit van een onderzoeksmaatregel beoordeelt, mits althans het eruit voortvloeiende bewijs wettig is en hij het recht op bewijs niet miskent (vgl. Cass. 17 september 1999, Arr. Cass. 1999, 1122; Cass. 4 maart 1999, Arr. Cass. 1999, 313).

Het recht op bewijs, dat voortvloeit uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en uit artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, is het recht van elke procespartij om enerzijds de bewijzen waarover zij beschikt voor te leggen en anderzijds te verzoeken dat de bewijzen waarover zij nog niet beschikt, zouden worden vergaard aan de hand van de nodige onderzoeksmaatregelen (vgl. Cass. 25 september 2000, Arr. Cass. 2000, 1424). Dat recht op bewijs verhindert onder meer dat de rechter een onderzoeksmaatregel zou weigeren omdat de aangevoerde feiten niet bewezen zouden worden of omdat niet reeds andere bewijsmiddelen zouden worden aangebracht (vgl. Cass. 17 september 1999, Arr. Cass. 1999, 1122; Cass. 18 maart 1991, Arr. Cass. 1990-1991, 747; Cass. 16 september 1996, Arr. Cass. 1996, 754; Cass. 5 december 1994, Pas. 1994, I, 1053).

Uit het voorgaande volgt dat de appellant niet kan worden bijgetreden waar hij laat gelden dat "indien geïntimeerde de aanstelling van een deskundige vraagt, zij moet bewijzen dat een fout werd begaan of minstens dat er aanwijsbare gegevens van een mogelijke fout (begin van bewijs), van een mogelijke schade en van een mogelijk causaal verband zouden bestaan" en dat de geïntimeerde zou moeten overgaan tot voorlegging "van een medisch verslag, zij het éénzijdig, waarin een arts van dezelfde specialisatie als de aangesproken arts, het aandurft om zwart op wit te stellen dat zijn collega, wiens aansprakelijkheid in vraag wordt gesteld, daadwerkelijk een fout/nalatigheid heeft begaan, op voorwaarde uiteraard dat de Rechtbank uit dit verslag inderdaad de nodige objectieve en medische aanwijzingen kan putten om een college van deskundigen aan te stellen".

4.2.1.4. Er wordt niet beweerd dat het bewijs dat uit het gevorderde deskundigenonderzoek kan volgen niet wettelijk toegelaten zou zijn. De wettigheidstoets kan de appellant bijgevolg geen hulp bieden.

4.2.1.5. Blijft de opportuniteitstoets waarbij vereist wordt enerzijds dat de feiten die men met de beoogde onderzoeksmaatregel wil bewijzen voldoende precies en pertinent zijn, en anderzijds dat de beoogde maatregel nuttig, geschikt en proportioneel is.

De appellant laat in dat verband gelden dat het gevorderde medisch deskundigenonderzoek geen betrekking zou hebben op feiten die afdoende precies en pertinent zijn. Meer bepaald zou de geïntimeerde wel in het algemeen gewagen van een professionele fout van hem en de partij mede inzake, doch nalaten te specificeren waarin die fout dan wel precies zou bestaan.

Het standpunt van de appellant wordt niet bijgetreden.

Uit het door de geïntimeerde voorgelegde verslag op 14 juni 2010 opgesteld door hun raadsgeneesheer, dr. M. V. L., blijkt dat de feiten die zij aanvoeren wel degelijk bepaald en ter zake dienend zijn. In dat verslag staat meer bepaald te lezen:

"(...)

Er blijken echter verschillende spieren te zijn aangetast behorende tot de C4-C5 innervatie, wat pleit voor een actief radiculair lijden.

Er zijn echter geen per-operatieve dossiergegevens voorgelegd die spreken van een verkeerd maneuver of houding tijdens de anesthesie, maar dit is misschien onopgemerkt geweest.

Betrokkene had geen enkele klacht ter hoogte van de schouders of cervikale wervelzuil toen zij werd geanesthesieerd, en wel na het ontwaken.

Het oorzakelijk verband met de ingreep, namelijk of er sprake kan zijn van een plexus brachialisletsel opgelopen of ontstaan door druk of trek op de linker schouder tijdens de narcose op 06/08/2009, is waarschijnlijk.

(...)"

Het hof is van oordeel dat het gevorderde medisch deskundigenonderzoek hier opportuun is. Om het met de woorden van de appellant zelf te zeggen: "er (bestaan) aanwijsbare gegevens ... van aansprakelijkheid ...". Van een speculatieve vordering van de geïntimeerde of van een "fishing expedition" is geen sprake.

4.2.1.6. Het bestreden vonnis wordt bevestigd, ook wat de gegeven opdracht betreft. Het standpunt van de appellant dat de "Eerste Rechter stelt dat de geneesheer deskundige dient over te gaan of de ingreep al dan niet letsels heeft veroorzaakt" strijdt met de hiervoor geciteerde door de eerste rechter aan het college van deskundigen gegeven opdracht.

4.2.1.7. Bij toepassing van artikel 1068, tweede lid Ger. W. wordt de zaak terug verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te

Antwerpen.

4.2. De gedingkosten

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt de appellant veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het (geïndexeerde) basistarief van 1.320,00 EUR (niet in geld waardeerbare vordering).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellant toelaatbaar, maar on-gegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- verwijst de zaak terug naar de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen;

- veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de geïntimeerde vereffend als volgt:

- de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.320,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ACHTEN-

TWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Vrije woorden

  • Recht op bewijs

  • onderzoeksmaatregel

  • deskundigenonderzoek-wettigheidstoets

  • opportuniteitstoets