- Arrest van 13 maart 2013

13/03/2013 - 2004AR2169

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 58 WLVO houdt geen rechtstreekse vordering in van de pandhoudende/hypothecaire schuldeisers t.o.v. de brandverzekeraar van hun schuldenaar bij brand van het onderpand

Artikel 58 WLVO houdt wel in dat de brandverzekeraar zich nog enkel geldig kan kwijten van zijn schuld tegenover zijn verzekerde, schadelijder ingevolge brand van het verzekerd goed, door betaling van de verzekeringsvergoeding aan de pandhouder/hypothecaire schuldeiser

De verjaring die is ingetreden tussen de brandverzekeraar en zijn verzekerde, schadelijder ingevolge brand, kan door de verzekeraar met toepassing van artikel 66 §1 WLVO niet worden tegengeworpen aan de pandhoudende/hypothecaire schuldeiser van de verzekerde.


Arrest - Integrale tekst

2004/AR/2169 (2004/AR/901 - 2004/AR/2154 - 2004/AR/2156)

1. AMLIN CORPORATE INSURANCE, voorheen FORTIS CORPORATE INSURANCE NV, met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II laan 9,

2. MERCATOR VERZEKERINGEN NV, voorheen AVERO BELGIUM INSURANCE NV, met maatschappelijke zetel te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Posthofbrug 16,

3. AXA BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25,

4. ALLIANZ BELGIUM NV, voorheen AGF BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Lakenstraat 35,

appellanten,

allen vertegenwoordigd door Mr. DUYCK Geert, advocaat te 1050 BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 51

tegen het vonnis van de Rechtbank van koophandel te Antwerpen van 02 februari 2004

tegen

1. Meester TRUYEN Chistiane, met kantoor te 2018 ANTWERPEN, Paleisstraat 64, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement NV KREVIMO, met zetel te 2030 ANTWERPEN, Houtdokkaai 25 A

geïntimeerde, thans niet meer verschenen

2. AG INSURANCE NV, voorheen FORTIS INSURANCE BELGIUM NV, met maatschapelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 53, KBO-nummer 0404.494.849

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. Bertje SCHEERS en Mr. SCHUERMANS Luc, advocaten te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112

3. AXA BELGIUM NV, voorheen AXA ROYALE BELGE, met maatschappelijke zetel te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25, KBO-nummer 404.483.367

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. Bertje SCHEERS en Mr. SCHUERMANS Luc, advocaten te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112

4. AVERO BELGIUM INSURANCE, voorheen, J. HAENECOUR & CO NV, met maatschappelijke zetel te 1200 SINT-LAMBRECHTS-WOLUWE, Woluwelaan 65, KBO-nummer 0459.005.681,

geïntimeerde, thans niet meer verschenen,

5. BDM NV, voorheen MINERVA UNDERWRITER NV, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Entrepotkaai 5,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. Bertje SCHEERS en Mr. SCHUERMANS Luc, advocaten te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112

6. FIDEA NV, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Van Eycklei 14, KBO-nummer 0406.006.069

geïntimeerde, thans niet meer verschenen,

In aanwezigheid van:

1. GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN, met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Entrepotkaai 1, KBO-nummer 0248.399.380

thans niet meer verschenen,

2. VIVIUM NV, voorheen ZURICH VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Koningstraat 153, KBO-nummer 861.405.827

thans niet meer verschenen,

3. EDC & HUINCK WINES AND SPIRITS NV, met maatschappelijke zetel te 2030 ANTWERPEN, Houtdokkaai 25 B, KBO-nummer 424.404.692

thans niet meer verschenen,

4. GEBROEDERS DELHAIZE EN CO ''DE LEEUW'' NV, met maatschappelijke zetel te 1080 BRUSSEL, Ossegemstraat 53, KBO-nummer 402.206.045

thans niet meer verschenen.

***

1. De feiten en de voorafgaande rechtspleging

1.1. Het geschil betreft de brand die hangar 25 A Houtdok-Noordkaai te Antwerpen op 10/06/1997 heeft getroffen. In deze hangar oefende de nv Krevino, thans failliet, haar bedrijfsactiviteit uit, zijnde voornamelijk het opslaan en bottelen van wijnen en sterke dranken.

1.2. Het hof heeft de hogere beroepen tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 02/02/2004 in zijn tussenarrest van 10/05/2006 samengevoegd.

Het hof heeft in zijn tussenarresten van 10/05/2006 en van 09/05/2007 recht gesproken over de hogere beroepen en de incidentele beroepen, behoudens ten dele wat de eisen betreft die de nv Amlin Corporate Insurance en haar medeverzekeraars, zijnde de verzekeraars van de voormalige nv Generale Bank als hypothecaire en pandhoudende schuldeiser van de failliete nv Krevino, hadden ingesteld tegen de nv AG Insurance en medeverzekeraars, zijnde de brandverzekeraars van het gebouw (samen met Fidea e.a), van de koopwaar en van het verpakkingsmaterieel van de nv Krevino. De nv Amlin Corporate Insurance en haar medeverzekeraars vorderden als gesubrogeerde in de rechten van hun verzekerde, die ze hadden vergoed.

Het hof oordeelde in het tussenarrest van 09/05/2007 dat de voorgelegde verklaringen, gegevens en bevindingen het waarschijnlijk maakten dat de koopwaar en het verpakkingsmaterieel van Krevino door de brand vernietigd werden, maar ook dat daardoor nog niet werd voldaan aan het bewijs van de omvang van de schade zoals die door de nv Amlin Corporate Insurance en haar medeverzekeraars werd voorgehouden ten belope van een hoofdsom van euro 1 412 993,06 (57.000.000,- : 40,3399).

Het hof heeft vervolgens een deskundigenonderzoek bevolen naar de omvang van de schade aan de goederen van de nv Krevino, koopwaar en verpakkingsmaterieel, ingevolge de brand van 10/06/1997 in hangar 25A Houtdok-Noordkaai te Antwerpen en met de opdracht een cijfermatige raming van de verliezen op te stellen.

Bedrijfsrevisor André Clybouw werd als gerechtdeskundige aangesteld.

1.3. Respectievelijk in de tussenarresten van 02/03/2010 en van 20/06/2010 werd aan de gerechtsdeskundige een termijnverlenging voor de uitvoering van zijn opdracht toegestaan en werd een provisie op zijn erelonen en onkosten toegekend.

1.4. De gerechtsdeskundige heeft zijn opdracht uitgevoerd en heeft zijn eindverslag neergelegd ter griffie van het hof op 17/01/2011.

Zijn eindadvies luidt:

"1. Wat betreft de voorraad koopwaar, niet inbegrepen de verpakking (glas, blik, etiketten, karton, enz.) en exclusief de voorraad ethylalcohol, zijn geen gegevens op datum van het schadegeval bekend. Op beredeneerde wijze hebben we de waarde geschat op basis van:

 de laatste voorafgaand aan het schadegeval gekende voorraadhoeveelheid, zoals die blijkt uit een controledocument van het Ministerie van Financiën

 de gemiddelde literprijs per liter zoals deze bepaald werd uit de door Krevino aan de verzekeraar (...) over januari 1997 gedane opgave in het kader van de abonnementsverzekering.

Deze parameters zijn elk op hun gebied de beschikbare informatie die het dichtst bij de datum van het schadegeval liggen. De schade aan de voorraad dranken bedraagt aldus 13.796.011 BEF ( euro 341 994,18) (...).

2. De voorraad ethylalcohol werd niet in de berekening betrokken gelet op de termen van punt 3.17 van het aanstellingsvonnis (noot van het hof: het hof nam in zijn tussenarrest van 09/05/2007 aan dat de partij ethylalcohol geen eigendom was van Krevino maar wel van de bv Annex).

3. Wat betreft de paletiseermachine die eigenlijk de volledige bottellijn omvat, is er nog geen beslissing gevallen over het al dan niet onder de polis vallen van dit element. In het corpus van het verslag zijn daaromtrent elementen gereveleerd. Vanzelfsprekend komt het aan het hof toe om uitspraak te doen op het punt van de verzekeringsdekking. Indien arrest geveld wordt dat de bottellijn niet onder het begrip ‘verpakkingsmaterieel' voorzien in de bijzondere voorwaarden van de polis valt en dus niet door deze polis gedekt wordt dan is die schade nihil. Indien arrest geveld wordt dat de bottellijn wel onder het begrip ‘verpakkingsmaterieel' valt en dus door deze polis gedekt wordt dan kan die schade m.i. geraamd worden op 9.933.713 BEF ( euro 246 250,31) (...).

4. Wat betreft de verpakkingsmiddelen zoals glas, blik, etiketten en karton bestaan geen gegevens op datum van het schadegeval noch gegevens over vorige perioden. Wij hebben een redenering opgebouwd op basis van de verhouding tussen de verzekerde bedragen. De vraag is dan hoe gevonnist zal worden op punt 3 hiervoor. Indien de bottellijn niet onder de dekking valt dan weerhoud ik een schadebedrag van 2.759.202,- BEF ( euro 60 398,83). Indien de bottellijn wel onder de dekking valt dan weerhoud ik een schadebedrag van 1.389.258,- BEF ( euro 34 438,81) (...)".

1.5. Na het deskundigenonderzoek hebben partijen hun eisen en hun verweer opnieuw ingediend.

1.5.1. De nv Amlin Corporate Insurance, de nv Mercator Verzekeringen, de nv Axa Belgium en de nv Allianz Belgium, hierna nog enkel Amlin en medeverzekeraars genoemd, vorderden de veroordeling van de hiernavermelden tot de betaling van volgende sommen:

- de nv AG Insurance, onder de polis ‘gebouw', van de som van euro 247 893,56, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 16/06/1997, minstens met de gerechtelijke interesten vanaf 25/05/2001 tot aan de gehele betaling,

- de nv Axa Belgium, onder de polis ‘gebouw', van de som van euro 34 860,02, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 16/06/1997, minstens met de gerechtelijke interesten vanaf 25/05/2001 tot aan de gehele betaling,

- de nv AG Insurance en BDM, onder de polis ‘inboedel', van de som van euro 557 760,40, vermeerderd met de vergoedende interesten vanaf 16/06/1997, minstens met de gerechtelijke interesten vanaf 25/05/2001 tot aan de gehele betaling.

Ondergeschikt verzochten Amlin en medeverzekeraars gerechtsdeskundige Clybouw een bijkomende opdracht te geven m.b.t. de waardebepaling van de partij ethylalcohol in de hangar aanwezig op het ogenblik van brand.

Amlin en medeverzekeraars verzochten AG en medeverzekeraars te veroordelen tot de proceskosten van beide aanleggen, inbegrepen de expertisekosten. De rechtsplegingsvergoedingen werden begroot naar rato van het hoogste tarief.

1.5.2. De nv AG Insurance, de nv Axa Belgium en de nv BDM, hierna nog enkel AG en medeverzekeraars genoemd, vorderden dat het hof de eisen van Amlin en medeverzekeraars, zoals ingediend in eerste aanleg bij verzoekschrift van 25/05/2001, ontoelaatbaar zou verklaren wegens schending van art. 700 (oud) van het Gerechtelijk Wetboek.

Zij vorderden deze eisen minstens verjaard en alleszins grotendeels ongegrond te verklaren.

Zij verzochten Amlin en medeverzekeraars te veroordelen tot de proceskosten van beide aanleggen.

1.6. Het hof heeft vervolgens het tussenarrest van 28 maart 2012 uitgesproken.

Het hof oordeelde dat de eisen van Amlin en medeverzekeraars op regelmatige wijze aanhangig werden gemaakt door middel van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst van 25 mei 2001.

Het hof oordeelde eveneens dat de exceptie van de verjaring regelmatig werd ingediend door AG en medeverzekeraars en dat het hof zich over deze exceptie nog niet had uitgesproken, ook niet door de eis van Amlin en medeverzekeraars in het tussenarrest van 10 mei 2006 toelaatbaar te verklaren.

Alvorens uitspraak te doen over de grond van de verjaringsexceptie, zoals ingediend door AG en medeverzekeraars, alsook over de grond van de eisen van Amlin en medeverzekeraars besliste het hof tot de heropening van de debatten teneinde partijen te horen in hun middelen en verweer ten aanzien van de volgende kwesties:

- of de exceptie van de verjaring de vordering van Krevino op haar verzekeraars (AG en medeverzekeraars) betreft en niet rechtstreeks de verhouding raakt tussen AG en medeverzekeraars en de in de rechten van de hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser van Krevino, gesubrogeerde verzekeraars (Amlin en medeverzekeraars),

- of de vordering van Krevino op haar verzekeraars (AG en medeverzekeraars) verjaard is,

- of deze verjaring tegenwerpbaar is aan de in de rechten van de hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser van Krevino, gesubrogeerde verzekeraars (Amlin en medeverzekeraars).

1.7. De zaak werd na heropening van debatten behandeld ter terechtzitting van 22 januari 2013. De zaak werd in haar geheel hernomen wegens de gewijzigde samenstelling van de zetel.

2. De eisen in hoger beroep na heropening van de debatten.

2.1. Amlin en medeverzekeraars vorderen dat zou worden gezegd voor recht:

- dat de exceptie van de verjaring de vordering van Krevino op haar verzekeraars (AG en medeverzekeraars) betreft en niet rechtstreeks de verhouding raakt tussen AG en medeverzekeraars en de in de rechten van de hypothecaire en pandhoudende schuldeiser Krevino gesubrogeerde verzekeraars (Amlin en medeverzekeraars),

- dat de verzekeraars van Krevino deze exceptie niet kunnen tegenwerpen aan de in de rechten van de hypothecaire en pandhoudende schuldeiser van Krevino gesubrogeerde verzekeraars (Amlin en medeverzekeraar),

- dat, zelfs indien voormelde exceptie wel tegenwerpelijk zou zijn, de vordering van Krevino op haar voormelde verzekeraars niet verjaard is.

Amlin en medeverzekeraars vorderen verder de veroordeling van AG en medeverzekeraars zoals voormeld sub 1.5.1.

2.2. AG en medeverzekeraars hernemen hun syntheseconclusie van 8 september 2011, ingediend voor het tussenarrest van 28 maart 2012 en vorderen er de toewijzing van de voordelen van zoals voormeld sub 1.5.2.

2.3. De overige nog betrokken partijen hebben na de heropening van de debatten geen verweer voorgedragen.

3. Beoordeling

De rechtsverhouding tussen AG en medeverzekeraars enerzijds, en Amlin en medeverzekeraars anderzijds - exceptie van de verjaring.

3.1. AG en medeverzekeraars hebben de exceptie van de verjaring ingeroepen met toepassing van art. 34, §1, 1ste lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst, toepasbaar op alle rechtsvorderingen die voortkomen uit de verzekeringsovereenkomst. AG en medeverzekeraars gaan er dus van uit dat de aanspraken die de hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser met toepassing van art. 58 Wet op de landverzekeringsovereenkomst wil laten gelden tegen de verzekeraar van zijn schuldenaar, slaan op afgeleide rechten, zijnde rechten afgeleid of voortkomend uit de verzekeringsovereenkomst tussen de verzekeraar en de schuldenaar van de hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser. Daaruit volgt, volgens AG en medeverzekeraars, dat zij de verjaring van de rechtsvordering van hun verzekerde Krevino kunnen tegenwerpen aan de hypothecaire en pandhoudende schuldeiser Generale Bank, in wiens rechten Amlin en medeverzekeraars gesubrogeerd zijn.

Amlin en medeverzekeraars houden voor dat het recht dat zij als gesubrogeerden in de rechten van de hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser krachtens art. 58 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst kunnen laten gelden op het subrogaat van het onderpand, inhoudt dat zij een eigen recht of een rechtstreekse vordering op de brandverzekeraars van Krevino, te weten AG en medeverzekeraars, kunnen uitoefenen. Zij voeren aldus een wettelijke grondslag (art. 58 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst) aan voor hun aanspraken.

AG en medeverzekeraars wijzen op de relativiteit van de overeenkomsten (art. 1165 van het Burgerlijk Wetboek) en op de afwezigheid van een rechtsband tussen hen en de hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser, in wiens recht Amlin en medeverzekeraars zijn gesubrogeerd. Zij betwisten dat de hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser van hun verzekerde Krevino tegen hen een eigen recht of een rechtstreekse vordering bezit en kan uitoefenen. Zij voeren aan dat ook art. 58 Wet op de landverzekeringsovereenkomst geen eigen recht noch een rechtstreekse vordering toekent aan de hypothecaire of bevoorrechte schuldeiser.

De exceptie van de verjaring van AG en medeverzekeraars moet aldus worden beoordeeld in het licht van de aard van de rechtsverhouding tussen hen en Amlin en medeverzekeraars.

3.2. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 28 maart 2012 de debatten heropend precies om partijen te horen in hun middelen en verweer, in eerste orde, m.b.t. de aard van de rechtsverhouding tussen Amlin en medeverzekeraars en AG en medeverzekeraars, om vervolgens, in tweede orde, te kunnen nagaan of de exceptie van de verjaring van AG en medeverzekeraars tegenwerpbaar is aan Amlin en medeverzekeraars en, in bevestigend geval, in derde en laatste orde, te onderzoeken of is aangetoond dat de beweerde verjaring is ingetreden en de uitoefening van de vordering van Amlin en medeverzekeraars in de weg staat.

3.3. De aard van de rechtsverhouding tussen Amlin en medeverzekeraars, enerzijds, en AG en medeverzekeraars, anderzijds.

3.3.1. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 28 maart 2012 reeds geoordeeld dat de verwijzing door Amlin en medeverzekeraars naar artikel 35, §4 Wet op de landverzekeringsovereenkomst niet ter zake dient omdat deze wetsbepaling slaat op de vorderingen die worden bedoeld in art. 34, §2 Wet op de landverzekeringsovereenkomst en die voortvloeien uit het eigen recht van de benadeelde tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar krachtens art. 86 Wet op de landverzekeringsovereenkomst. De hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser, wiens onderpand door brand teloor gaat, is ten aanzien van de brandverzekeraars van dat onderpand, geen benadeelde in de zin van art. 86 wet op de landverzekeringsovereenkomst, dat de aansprakelijkheidsverzekering betreft.

3.3.2. Krachtens art. 10 Hypotheekwet en art. 58 Wet op de landverzekeringsovereenkomst worden de vergoedingen, die door de verzekeraars verschuldigd zijn wegens het verlies of de beschadiging van een goed, aangewend voor de betaling van de bevoorrechte of hypothecaire schuldeisers, ieder volgens zijn rang, in zoverre die vergoedingen niet geheel worden aangewend voor het herstel of de vervanging van dat goed.

Art. 58, 1ste lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst betreft een zakelijke zaakvervanging of zakelijke subrogatie. Het zadel van de hypotheek of van het voorrecht, dat door een schadegeval teloor is gegaan, wordt vervangen door het surrogaat, zijnde de verzekeringsvergoeding waarop de schuldenaar van de door de hypotheek of het voorrecht beschermde schuldvordering ten aanzien van zijn verzekeraar gerechtigd is. Die verzekeringsvergoeding wordt aangewend voor de betaling van de hypothecaire of de bevoorrechte schuldeiser, tenminste indien de schuldenaar zijn teniet gegane goed niet herstelt of vervangt, in welk geval het herstelde of vervangen goed tot zekerheid blijft. Zonder deze herstelling of vervanging bevrijdt de verzekeraar zich enkel geldig van zijn verbintenis tot betaling aan zijn verzekerde door te betalen aan de hypothecaire of de bevoorrechte schuldeiser, behoudens in het geval dat de schuldeiser van de verzekerde, wiens voorrecht niet openbaar is gemaakt, geen voorafgaand verzet heeft gedaan (art. 58, 2de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst).

Het is niet betwist dat er in onderhavig geval nooit sprake is geweest noch kan zijn van de herstelling of van de vervanging van de volledig door de brand vernietigde goederen.

3.3.3. De zakelijke subrogatie beoogt het behoud van het zakelijk zekerheidsrecht van de hypothecaire, bevoorrechte of pandhoudende schuldeiser doch houdt in de regel geen rechtstreekse verbintenisrechtelijke verhouding in tussen de schuldeiser van die hypothecaire of bevoorrechte vordering, enerzijds, en de verzekeraar van zijn schuldenaar, anderzijds.

De betalingsaanspraak van de hypothecaire, bevoorrechte of pandhoudende schuldeiser tegen de derde, te dezen de brandverzekeraars van het onderpand, komt dan ook niet voort uit de zakelijke subrogatie zelf.

Het bestaan van een verbintenisrechtelijke verhouding door middel van een rechtstreekse vordering, die in beginsel door de wet zou kunnen verleend worden aan de hypothecaire of de bevoorrechte schuldeiser om tot een grotere bescherming van hun rechten te komen, wordt niet aangetoond door Amlin en medeverzekeraars.

De stelling dat een dergelijke rechtstreekse vordering impliciet zou zijn begrepen in art. 58 Wet op de landverzekeringsovereenkomst, kan niet worden gevolgd. Laatst vermeld wetsartikel houdt immers in dat de preferente schuldeiser zijn aanspraak op de verzekeringsvergoeding niet kan uitoefenen wanneer zijn schuldenaar overgaat tot de herstelling of de vervanging van het onderpand. Deze regeling is onverenigbaar met het bestaan van een eigen recht op een rechtstreekse vordering van de preferente schuldeisers. Door de herstelling of de vervanging van het onderpand zou de schuldenaar immers beschikken over een eigen recht dat de preferente schuldeiser dan in bezit zou hebben.

Door het zakelijk karakter van het recht van de preferente schuldeiser op zijn onderpand, dat onverminderd door zaakvervanging overgaat op het surrogaat, blijft het recht van de preferente schuldeiser beschermd zonder dat deze bescherming de doorbraak bij wijze van rechtstreekse vordering vereist van de relativiteit van de overeenkomst tussen de schuldenaar en de derde (verzekeraar), waaruit het surrogaat is voortgekomen.

Een rechtstreekse vordering van de pandhoudende schuldeiser, in wiens rechten Amlin en medeverzekeraars gesubrogeerd zijn, tegen de verzekeraars van het brandrisico van het onderpand geraakt niet bewezen. De subrogatoire vordering van de hypothecaire en de pandhoudende schuldeiser houdt geen rechtstreekse vordering tegen de verzekeraar van het onderpand in.

AG en medeverzekeraars, enerzijds, en de pandhoudende schuldeiser, in wiens rechten Amlin en medeverzekeraars gesubrogeerd zijn, anderzijds, zijn niettegenstaande de zakelijke subrogatie m.b.t. het onderpand ten opzichte van elkaar derden gebleven, waaraan het feit dat AG en medeverzekeraars zich tegenover hun verzekerde Krevino door betaling aan Amlin en medeverzekeraars geldig zullen kunnen kwijten van hun schuld niet in de weg staat.

3.4. De verjaring van de vordering van Krevino op haar verzekeraars, zijnde AG en medeverzekeraars.

3.4.1. De exceptie van de verjaring die door AG en medeverzekeraars is ingeroepen, moet aldus worden onderzocht en beoordeeld met betrekking tot de vordering van verzekerde Krevino ten opzichte van haar verzekeraars.

Amlin en medeverzekeraars verwijzen dan ook ten onrechte naar de stuiting van de verjaring ingevolge het verzet dat hun verzekerde, NV Generale Bank, als hypothecaire en pandhoudende schuldeiser van Krevino, deed door middel van haar brief van 16 juni 1997 ten aanzien van AG 1824, thans AG Insurance, tegen de uitkering van de verzekeringsvergoeding aan haar schuldenaar Krevino.

Zij houden voor dat dit verzet geldt als een aanmelding van het schadegeval zoals bedoeld in artikel 35, §3 Wet op de landverzekeringsovereenkomst. Zij verbinden daaraan het rechtsgevolg dat wordt vermeld in art. 35, §3 Wet op de landverzekeringsovereenkomst, te weten dat de verjaring wordt gestuit totdat de verzekeraar de wederpartij schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing. Zij besluiten dat AG en medeverzekeraars die beslissing om al dan niet de verzekeringswaarborg uit te keren nog niet hadden medegedeeld toen zij hun aanspraak op de verzekeringsprestatie indienden door middel van de vrijwillige tussenkomst van 25 mei 2001.

Dit verzet heeft het door Amlin en medeverzekeraars voorgehouden rechtsgevolg van stuiting van de verjaring niet kunnen hebben. Het enige rechtsgevolg dat aan voormeld verzet toekomt was dat Amlin en medeverzekeraars zich nog slechts geldig van hun schuld konden bevrijden op de wijze vermeld in art. 58 Wet op de landverzekeringsovereenkomst, tenminste als deze wijze van kwijting al niet vaststond ingevolge de publiciteit die met de hypotheek op het gebouw en met de inpandgeving van de handelszaak van Krevino aan de NV Generale Bank was gepaard gegaan.

3.4.2. AG en medeverzekeraars voeren terecht aan dat te dezen de gewone verjaringstermijn vermeld in artikel 34, §1 wet op de landverzekeringsovereenkomst van toepassing is. Vermits de brandschade aan de verzekerde goederen ontstond op 10 juni 1997, heeft de verjaringstermijn van drie jaar (art. 34, §1 Wet op de landverzekeringsovereenkomst) een aanvang genomen op deze datum. Verzekerde Krevino noch haar curator hebben enige daad van stuiting gesteld. De verjaring was dan ook bereikt op 10 juni 2000.

3.5. De tegenwerpelijkheid van de exceptie van de verjaring.

3.5.1. Het hof moet vervolgens nagaan of de verjaring die AG en medeverzekeraars kunnen doen gelden tegen haar verzekerde Krevino, kan worden tegengeworpen aan Amlin en medeverzekeraars die door hun subrogatie in de rechten van de NV Generale Bank in het bezit zijn van de subrogatoire vordering op de verzekeringsvergoedingen.

3.5.2. Amlin en medeverzekeraars verwijzen terecht naar artikel 66, §1 Wet op de landverzekeringsovereenkomst.

In de regel kunnen verweermiddelen uit de verzekeringsovereenkomst niet enkel worden tegengeworpen aan de verzekerde maar ook aan de preferente schuldeiser die zakelijke zekerheidsrechten kan laten gelden op het verzekerde object. Die preferente schuldeisers hebben immers tegen de verzekeraar niet meer rechten dan de verzekerde zelf.

Op deze regel vormt echter art. 66, § 1 Wet op de landverzekeringsovereenkomst een uitzondering die specifiek van toepassing is op de brandverzekering. Luidens dit wetsartikel kan door de brandverzekeraar geen verweermiddel of verval van recht, voortvloeiend uit een feit dat zich na het schadegeval heeft voorgedaan, worden tegengeworpen aan de schuldeiser die op de verzekerde goederen een recht van voorrang heeft dat de verzekeraar bekend is.

De verjaring is gesteund op het verloop van de tijd na het schadegeval en is derhalve een feit dat zich na het schadegeval heeft voorgedaan.

Het verweermiddel dat op de verjaring steunt, is derhalve niet tegenwerpelijk aan de preferente schuldeiser, zoals de pandhoudende schuldeiser NV Generale Bank, die in het bezit is van de subrogatoire vordering. Vermits Amlin en medeverzekeraars gesubrogeerd zijn in de rechten van de NV Generale Bank, is de exceptie van de verjaring ook niet tegen hen tegenwerpelijk.

3.6. Het hof besluit tot de afwijzing van de exceptie van de verjaring, zoals deze door AG en medeverzekeraars werd ingediend.

De omvang van de verzekeringsprestatie van AG en medeverzekeraars.

3.7. Schade aan gebouwen en aanverwanten.

3.7.1. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 9 mei 2007 met betrekking tot de raming van de brandschade aan het gebouw en het industrieel materieel van Krevino reeds tot volgende bedragen beslist:

- gebouw: na verrekening van 30% vetustiteit: euro 631 976,59 (hoofdsom),

- industrieel materieel: euro 648 835,71 (hoofdsom).

Het hof kwam tevens in voormeld tussenarrest tot het besluit dat de zekere brandschade aan het gebouw en het materieel alleszins de som overtrof ten belope waarvan door de NV Generale Bank een hypothecaire inschrijving op het onroerend goed in kwestie was genomen, t.t.z. de som van euro 619 733,80.

Het hof constateerde dat de schuldvordering van de hypothecaire schuldeiser Generale Bank, waarin Amlin en medeverzekeraars gesubrogeerd zijn ten belope van euro 1 115 520,90, in hoofdsom, de som overtrof van de hypothecaire zekerheid ( euro 619 733,80).

Met toepassing van art. 58 Wet op de landverzekeringsovereenkomst wordt de schadevergoeding, die verschuldigd is door de brandverzekeraars van het gebouw en het materieel (Fidea en medeverzekeraars - thans nog AG en medeverzekeraars) ingevolge zakelijke subrogatie aangewend tot de betaling van de hypothecaire schuldvorderingen doch slechts ten belope van de hypothecaire zekerheid, in dit geval ten belope van maximaal euro 619 733,80.

Met betrekking tot de beperking van de te verstrekken verzekeringswaarborg door de brandverzekeraars ingevolge de ontstentenis van wederopbouw of wedersamenstelling (60%), stelde het hof vast dat er door de brandverzekeraars niet werd aangetoond dat het surrogaat, waarvan zij zich met toepassing van art. 58 Wet landverzekeringsovereenkomst geldig konden kwijten door betaling aan de hypothecaire schuldeiser of aan zijn gesubrogeerden, meer beliep dan 60% van de aan de verzekerde Krevino toekomende vergoedingen.

Zo kwam het hof tot het besluit dat de eis van Amlin en medeverzekeraars met betrekking tot de brandschade aan het gebouw en het industrieel materieel gegrond was tegen de brandverzekeraars ten belope van de som van euro 619 733,80 (hoofdsom).

Vermits Fidea de verzekeringswaarborg moest verstrekken ten belope van 50% werd deze reeds veroordeeld tot de betaling van dit gedeelte van de vergoedingen ( euro 309 866,95).

De overige 50% vallen ten laste van de medeverzekeraars, te weten: 40% ten laste van AG ( euro 247 893,52), 10% ten laste van Axa Belgium ( euro 61 973,38). Het aandeel van Axa in de schadelast moet echter herleid worden met 25% vermits in het tussenarrest reeds werd beslist dat Axa niet kan veroordeeld worden tot betaling aan zichzelf.

3.7.2. De volgende betalingen van de brandverzekeraars komen toe aan de hypotheekverzekeraars:

- AG Insurance aan Amlin: euro 247 893,52 × 25% = euro 61 973,38 (hoofdsom),

- AG Insurance aan Mercator: euro 247 893,52 × 40% = euro 99 157,40 (hoofdsom),

- AG Insurance aan Axa Belgium: euro 247 893,52 × 25% = euro 61 973,38 (hoofdsom),

- AG Insurance aan Allianz Belgium: euro 247 893,52 × 10% = euro 24 789,35 (hoofdsom)

- Axa Belgium aan Amlin: euro 46 480,03 × 25% = euro 11 620,01 (hoofdsom),

Axa Belgium aan Mercator: euro 46 480,03 × 40% = euro 18 592,01 (hoofdsom),

- Axa Belgium aan Allianz Belgium: euro 46 480,03 × 10% = euro 4 648,00 (hoofdsom).

Het hof stelt vast dat Amlin en medeverzekeraars zich akkoord verklaren met deze verdeling van de lasten, zoals deze door AG en medeverzekeraars is voorgesteld.

3.8. Schade aan koopwaar en verpakking.

3.8.1. De schade door verlies van de voorraad dranken.

3.8.1.1. De gerechtsdeskundige heeft de schade door het verlies van de voorraad dranken geraamd op euro 341 994,18.

Amlin en medeverzekeraars sluiten zich bij deze raming aan.

AG en medeverzekeraars betwisten de raming en besluiten dat Amlin en medeverzekeraars onvoldoende bewijs leveren van de beweerde schade. Zij verwijzen naar een nota van bedrijfsrevisor M. De Bremme (bijlage 4 bij het deskundigenverslag Clybouw).

AG en medeverzekeraars hebben ook gewezen op een rekenfout in het voorverslag van de gerechtsdeskundige. Deze rekenfout werd recht gezet in het eindverslag.

Vaste gegevens over de juiste hoeveelheid van de dranken die door de brand werden vernietigd, en over de werkelijke prijs die Krevino voor deze dranken had betaald, ontbraken ingevolge de brand. De gerechtsdeskundige heeft een raming gemaakt op basis van volgende vaststaande gegevens.

Met betrekking tot de hoeveelheid dranken (wijnen en sterke dranken, andere dan de partij ethylalcohol) die door de brand van 10/06/1997 werden vernield, heeft de gerechtdeskundige zich gesteund op het proces-verbaal van inventarisatie van 12/05/1997 van de FOD Financiën (Accijnzen). De gerechtsdeskundige nam aan, bij ontstentenis van recentere cijfergegevens, dat de hoeveelheid van de aanwezige voorraad dranken op de dag van de brand gelijk was aan deze die in het proces-verbaal van 12/05/1997 werd vermeld, zijnde 384 290 liter.

Met betrekking tot de waarde van deze vernielde goederen heeft de gerechtsdeskundige verwezen naar de opgave die Krevino in januari 1997 zelf deed bij haar verzekeraars, te weten een hoeveelheid van 731 400 liter met een waarde van 26.255.500, - BEF ( euro 650 856,84). Hij heeft ook de voorraden van Krevino zoals vermeld in de jaarrekeningen op 31/12/1994 en 31/12/1995 in acht genomen. Hij besloot zodoende tot een gemiddelde waarde per liter van 26.255.500,- BEF : 731 400 = 35,90 BEF, of een totale waarde van 35,90 BEF x 384 290 = 13 796.011,- BEF ( euro 341 994,18).

De gerechtsdeskundige heeft de opmerking van bedrijfsrevisor De Bremme m.b.t. de invloed van de alcoholwaarde van de diverse dranken in voorraad op de totale waarde van die voorraad, niet tegengesproken. Daaraan staat echter niet in de weg dat het verlies van de drankenvoorraad zeker is en dat de gerechtsdeskundige tot de raming van de schadeomvang is kunnen komen. De gerechtdeskundige heeft zijn advies daarbij terecht gesteund op vaste gegevens (proces-verbaal van inventarisatie, de jaarrekeningen van Krevino, de aangifte van Krevino aan haar verzekeraars) om daaruit de omvang van het verlies af te leiden.

Amlin en medeverzekeraars die de vaststellingen en afleidingen van de gerechtsdeskundige overnemen, bewijzen aldus door een geheel van bepaalde, gewichtige en ernstige vermoedens de waarde van het verloren onderpand m.b.t. de drankenvoorraad van Krevino.

3.8.1.2. Krachtens de akte van inpandgeving van de handelszaak Generale Bank - Krevino van 15/09/1994 omvatte het pand o.m. het gereedschap, het materieel en de goederenvoorraad "ten belope van 50% van zijn waarde".

De vergoedingen die de verzekeraars van de koopwaar moeten betalen, kan dan ook slechts ten belope van 50% worden aangewend als surrogaat voor het verloren onderpand.

Zoals voormeld werd de waarde van de verloren koopwaar vastgesteld op euro 341 994,18, waarvan de brandverzekeraars bevrijdend aan de gesubrogeerde verzekeraar van de pandhoudende schuldeiser kunnen betalen: euro 341 994,18 x 50% = euro 170 997,10 (hoofdsom).

3.8.2. Schade door verlies van een partij ethylalcohol.

Amlin en medeverzekeraars maken aanspraak op de vergoeding van het verlies van een voorraad ethylalcohol die zou zijn opgeslagen geweest in het door brand geteisterde magazijn van Krevino. Zij ramen deze hoeveelheid op 440.000 liter met een waarde van 100, - BEF, of een totale waarde van 440.000 × 100, - BEF = 44 000 000,00 BEF, d.i. euro 1 090 731,51.

AG van medeverzekeraars betwisten thans dat zich de beweerde hoeveelheid ethylalcohol in de magazijnen van Krevino bevond op het ogenblik van de brand. Ondergeschikt betwisten zij dat zou bewezen zijn dat Krevino eigenares was van deze partij goederen. Meer ondergeschikt voeren zij aan dat Amlin en medeverzekeraars met betrekking tot deze goederen alleszins geen aanspraak kunnen maken op verzekeringsgelden.

In zijn tussenarrest van 09/05/2007 heeft het hof m.b.t. de partij ethylalcohol reeds de elementen aangewezen op grond waarvan werd besloten dat er zich op de dag van de brand wel degelijk een partij ethylalcohol van 440 000 liter bevond in het magazijn van Krevino en dat deze goederen door de brand werden vernield:

- de verklaring op 26/08/1997 van de afgevaardigde-bestuurder van Krevino in het strafdossier,

- de voorlopige voorraadlijst van Krevino van 27/06/1997,

- de verklaring op 16/09/1997 van Aleksandr Alebikov, zaakvoerder van Anex International in het strafdossier.

Het hof kwam op grond van dezelfde elementen tot het besluit dat de partij ethylalcohol niet aan Krevino maar aan Anex toebehoorde.

Ten overvloede wijst het hof thans nog op de bevindingen van de gerechtsdeskundige zowel m.b.t. de aanwezigheid van de partij ethylalcohol op het ogenblik van de brand als m.b.t. het eigendomsrecht desbetreffend (deskundigenverslag Clybouw, p. 10 en 11). Het onderzoek van de gerechtdeskundige wees uit dat de partij in kwestie zich in het magazijn Krevino bevond onder dekking van een T1-douanedocument (d.i. een transitdocument), dat de partij was aangekocht bij de Brusselse nv MMM Alcools en aan deze leverancier werd betaald door bv Anex International, dat de partij bestemd was voor de Russische markt, dat Krevino opdracht gaf aan douaneagent Van Aert voor de uitvoering van een "order van Anex". Krevino stond enkel in voor de tijdelijke opslag onder het regime van het entrepotverkeer (T1) en de afvulling.

Volgens Amlin en medeverzekeraars verhindert de omstandigheid dat Krevino geen eigenares was van de partij ethylalcohol niet dat de verzekeraars van de koopwaar tot vergoeding gehouden zijn vermits krachtens de polis ook de toevertrouwde goederen onder de dekking vallen (polis 03/0C.760.876/00, algemene polisvoorwaarden, art. 25, p. 19).

Deze dekking impliceert echter niet meteen dat de pandhoudende schuldeiser NV Generale Bank, in wiens rechten Amlin en medeverzekeraars gesubrogeerd zijn, aanspraak kon maken op het surrogaat voor de toevertrouwde goederen. Daartoe is het bewijs vereist dat deze toevertrouwde goederen deel uitmaakten van het onderpand van de pandhoudende schuldeiser. Dat bewijs wordt niet geleverd.

Het hof besluit dat de aanspraak van Amlin en medeverzekeraars in dit onderdeel van het geschil ongegrond is.

3.9. De paletiseermachine

Volgens het aanvankelijk advies van de gerechtsdeskundige waren onder de polis in kwestie "de koopwaar en het verpakkingsmateriaal" gedekt, wat, anders dan "verpakkingsmaterieel"¸ enkel zou verwijzen naar grondstof voor het werk (blikken, vaten, krimpfolie,e.a.) en niet naar gereedschappen of machines.

Amlin en medeverzekeraars hebben dit aanvankelijk advies betwist.

De gerechtsdeskundige heeft ten aanzien van de opmerkingen van Amlin en medeverzekeraars echter een antwoord verstrekt (deskundigenverslag, p. 23).

Amlin en medeverzekeraars verklaren zich in hun tweede syntheseconclusie van 10/10/2011, na het deskundigenonderzoek, te gedragen naar de wijsheid van het hof.

AG en medeverzekeraars maken het advies van de gerechtsdeskundige tot hun argumentatie.

Het hof besluit dat Amlin en medeverzekeraars het advies van de gerechtsdeskundige niet weerleggen en zij in gebreke blijven aan te tonen dat de paletiseermachine onder de verzekeringsdekking van de polis van AG en medeverzekeraars viel.

3.10. Het verpakkingsmaterieel.

3.10.1. Amlin en medeverzekeraars vorderen een vergoeding van euro 60 398,83 voor het verlies van "verpakkingsmiddelen".

AG en medeverzekeraars betwisten het gevorderde. Zij menen dat de schade niet bewezen is.

Het is zeker dat in het Krevino-magazijn verpakkingsmaterialen aanwezig waren, zonder welke de bedrijvigheid van het bottelen en verpakken van dranken onmogelijk zou zijn geweest (deskundigenverslag Clybouw, p. 13).

De weegbrieven die werden opgesteld van het weggevoerde afval na de brand leveren daarvan een effectief bewijs (bijlage 13 van het deskundigenverslag Clybouw).

De gerechtsdeskundige heeft vastgesteld dat na de brand onvoldoende documenten meer konden worden voorgebracht om de juiste omvang van de waarde van de vernielde verpakkingsmaterialen aan te tonen. Een raming naar redelijkheid en billijkheid dringt zich dan ook op. De gerechtsdeskundige heeft geadviseerd om daartoe de verhouding in acht te nemen tussen de verzekerde bedragen voor koopwaar en verpakkingsmaterieel zoals bedongen in de polis. Er blijkt tussen deze bedragen een verhouding te bestaan van 20%, wat, volgens het niet weerlegd advies van de gerechtsdeskundige, als redelijk en overeenstemmend met de gangbare praktijk voorkomt. Het hof treedt deze wijze van schaderaming te dezen bij.

De waarde van de koopwaar werd begroot op euro 341 994,18, waarvan 20% meer bedraagt dan het, blijkens hun syntheseconclusie van 10/10/2011 (p. 13) door Amlin en medeverzekeraars gevorderde bedrag van euro 60 398,83 (hoofdsom). Het gevorderde is geheel gegrond.

3.10.2. Krachtens de akte van inpandgeving van de handelszaak Generale Bank - Krevino van 15/09/1994 omvatte het pand o.m. het gereedschap, het materieel en de goederenvoorraad "ten belope van 50% van zijn waarde".

De vergoedingen die de verzekeraars van de verpakkingsmaterialen moeten betalen, kan dan ook slechts ten belope van 50% worden aangewend als surrogaat voor het verloren onderpand.

Zoals voormeld werd het gevorderde en thans toegekende bedrag voor de verloren verpakking vastgesteld op euro 60 398,83, waarvan de brandverzekeraars bevrijdend aan de gesubrogeerde verzekeraar van de pandhoudende schuldeiser kunnen betalen: euro 60 398,83 x 50% = euro 30 199,42 (hoofdsom).

3.11. De totale, door AG en medeverzekeraars te betalen som aan Amlin en medeverzekeraars, als gesubrogeerden in de rechten van de pandhoudende schuldeiser, wegens verlies van het onderpand door de brand en de zakelijke subrogatie bedraagt: euro 170 997,10 + 30 199,42 = euro 201 196,52 (hoofdsom).

3.12. De volgende betalingen van de brandverzekeraars komen dan toe aan de pandverzekeraars.

Het hof slaat daarbij acht op zijn beslissing bij tussenarrest van 10 mei 2006 waarbij de medeverzekeraar Avero, voordien Haenecour & C° en nadien nv Mercator Verzekeringen werd ontslagen van haar verzekeringsprestatie wegens schorsing van de polis ingevolge wanbetaling van Krevino.

Het hof houdt tevens rekening met zijn beslissing in het tussenarrest van 09/05/2007 m.b.t. de aanspraak die de nv Axa Belgium als medeverzekeraar onder de Amlin-polis indiende tegen haarzelf als medeverzekeraar onder de AG-polis. Het hof oordeelde dat de eisen van Axa niet toewijsbaar zijn in zoverre deze haar eigen veroordeling beogen.

Het hof treedt vervolgens de verdeling bij zoals die door AG en medeverzekeraars is voorgesteld en door Amlin en medeverzekeraars niet is betwist (hernemende syntheseconclusie van 09/12/2011), te weten:

- AG: 50/65ste

- Axa: 5/65ste

- BDM: 10/65ste

Amlin Mercator Allianz Axa

Aandeel 25% 40% 10% 25%

euro 201 196,52 euro 50 299,13 euro 80 478,61 euro 20 119,65 euro 50 299,13

AG - 50/65 euro 38 691,64 euro 61 906,62 euro 15 476,65 -

AXA - 5/65 euro 3 869,16 euro 6 190,66 euro 1 547,67 -

Mercator - - - -

BDM- 10/65 euro 7 738,33 euro 12 381,32 euro 3 095,33 -

De interesten.

3.13. Amlin en medeverzekeraars vorderen vergoedende interesten vanaf 16/06/1997, minstens vanaf 25/05/2001.

AG en medeverzekeraars houden voor dat Amlin en medeverzekeraars geen aanspraak kunnen maken op intresten. Zij voeren aan dat zij nooit tot betaling werden aangemaand door Krevino noch door de Generale Bank. Zij beweren dat aan het verzoekschrift tot vrijwillig tussenkomst van Amlin en medeverzekeraars van 23/05/2011 geen nuttig rechtsgevolg als aanmaning toekomt, omdat het een onregelmatige rechtsingang betrof.

Het hof heeft de regelmatigheid van deze rechtsingang echter reeds aanvaard in zijn tussenarrest van 28/03/2012.

Zij laten verder gelden dat Amlin en medeverzekeraars tekort zijn gekomen in de benaarstiging van de voortgang van het deskundigenonderzoek Clybouw, dat ze nochtans zelf hadden gevorderd. Amlin en medeverzekeraars betwisten dat zij door hun proceshouding de voortgang van het geding hebben vertraagd.

3.14. De oorspronkelijke vordering van de Generale Bank op Krevino betrof een geldschuld, met name de terugbetaling van kredieten. Amlin en medeverzekeraars zijn gesubrogeerd in de rechten van de Generale Bank en oefenen de vordering van de Generale Bank tegen schuldenaar Krevino uit tot de betaling van deze geldschuld. De omstandigheid dat Krevino failliet werd verklaard en bovendien het onderpand dat de hypothecaire en pandhoudende schuldeiser tot zekerheid strekte, door de brand teniet ging, heeft de aard van de schuld van Krevino als geldschuld niet gewijzigd. Deze schuld genereert conventionele intresten krachtens de kredietovereenkomsten Generale Bank-Krevino.

Amlin en medeverzekeraars maken krachtens de zakelijke subrogatie aanspraak op de betaling die AG en medeverzekeraars als verzekeraars van Krevino aan hun verzekerde verschuldigd is. Die schuld is geen geldschuld maar een waardeschuld. De aanspraak van Amlin en medeverzekeraars op het surrogaat van hun onderpand doet niet af aan de aard als waardeschuld die bestaat tussen AG en medeverzekeraars tegenover Krevino. Die aanspraak heeft niet tot gevolg dat AG en medeverzekeraars schuldenaar geworden zijn van de interesten die tussen Generale Bank/Amlin en medeverzekeraars en Krevino zijn gegenereerd.

AG en medeverzekeraars zijn aan hun verzekerde geen conventionele interesten, noch verwijlinteresten verschuldigd, maar wel, in het geval van vertraging bij de betaling, vergoedende interesten.

Gezien het strafonderzoek wegens vermoeden van opzettelijke brandstichting, kon Krevino ten aanzien van AG en medeverzekeraars aanspraak maken op interesten overeenkomstig art. 67, §2bis, 2° Wet op de landverzekeringsovereenkomst, d.i. vanaf de 30ste dag nadat de verzekeraar kennis gekregen heeft van de conclusies van het strafonderzoek. In onderhavig geval werd het strafonderzoek beëindigd bij beslissing van de raadkamer van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 14 februari 2001 en de daarbij besliste ontheffing van de onderzoeksrechter van zijn opdracht. AG en medeverzekeraars kregen kennis van het strafdossier door de mededeling van een kopie aan hun raadsman op 30/03/2001. Krevino kan aldus aanspraak maken op interesten vanaf 30/04/2001. Deze interesten behoren tot het surrogaat waarop de zakelijke subrogatie slaat.

Het betreft, zoals voormeld, vergoedende interesten op een waardeschuld. Vermits de waarden thans aangenomen worden op hun waarde ten tijde van het schadegeval is de wettelijke rentevoet toepasbaar om zowel het vertraag in de betaling als de muntontwaarding te compenseren.

Het hof acht de beweerde foutieve proceshouding van Amlin en medeverzekeraars niet bewezen, noch de schade die daardoor zou zijn aangericht aan de zijde van AG en medeverzekeraars.

De proceskosten.

3.15. Amlin en medeverzekeraars, enerzijds, en AG en medeverzekeraars anderzijds zijn omtrent enig geschilpunt in het ongelijk gesteld zodat het hof het raadzaam acht de proceskosten met toepassing van art. 1017, 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek om te slaan zoals hierna bepaald.

3.16. Partijen verzoeken tot een verhoogde rechtsplegingsvergoeding te beslissen. Ze vragen meer bepaald toepassing van het maximumtarief voor de schijf boven euro 1 000 000,00. Blijkens de laatst ingediende conclusie van Amlin en medeverzekeraars beliep hun vordering een som tussen euro 500 000,00 en euro 1 000 000,00.

Het hof oordeelt dat te dezen aan art. 1022, 3de lid van het Gerechtelijk Wetboek is voldaan meer bepaald aan het vereiste van de complexiteit van de zaak. De verhoogde rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend zoals hierna bepaald.

4. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof spreekt verder recht na de tussenarresten van 10/05/2006, van 09/05/2007, van 28/03/2012.

Het hof verklaart het hoger beroep van de nv AG Insurance, de nv Axa Belgium en de nv BDM inzake 2004/AR/2169 verder ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof spreekt verder recht over het geschil ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep (art. 1068, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek).

Het hof verklaart de eis van de nv Amlin Corporate Insurance, de nv Mercator Verzekeringen, de nv AXA Belgium en de nv Allianz Belgium gedeeltelijk gegrond.

Het hof veroordeelt:

- de nv AG Insurance tot de betaling aan de nv Amlin Corporate Insurance van de som van euro 61 973,38, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv AG Insurance tot de betaling aan de nv Mercator Verzekeringen van de som van euro 99 157,40, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv AG Insurance tot de betaling aan de nv Axa Belgium van de som van euro 61 973,38, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv AG Insurance tot de betaling aan de nv Allianz Belgium van de som van euro 24 789,35, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv Axa Belgium tot de betaling aan de nv Amlin Corporate Insurance van de som van euro 11 620,01, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv Axa Belgium tot de betaling aan de nv Mercator Verzekeringen van de som van euro 18 592,01, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv Axa Belgium tot de betaling aan de nv Allianz Belgium van de som van euro 4 648,00, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

en vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interesten vanaf de dag van onderhavige uitspraak tot op de dag van de betaling.

Het hof veroordeelt verder:

- de nv AG Insurance tot de betaling aan de nv Amlin Corporate Insurance van de som van euro 38 691,64, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv AG Insurance tot de betaling aan de nv Mercator Verzekeringen van de som van euro 61 906,62, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv AG Insurance tot de betaling aan de nv Allianz Belgium van de som van euro 15 476,65, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv Axa Belgium tot de betaling aan de nv Amlin Corporate Insurance van de som van euro 3 869,16, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv Axa Belgium tot de betaling aan de nv Mercator Verzekeringen van de som van euro 6 190,66, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv Axa Belgium tot de betaling aan de Nv Allianz Belgium van de som van euro 1 547,67, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv BDM tot de betaling aan de nv Amlin Corporate Insurance van de som van euro 7 738,33, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv BDM tot de betaling aan de nv Mercator Verzekeringen van de som van euro 12 381,32, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

- de nv BDM tot de betaling aan de nv Allianz Belgium van de som van euro 3 095,33, vermeerderd met de vergoedende interesten naar rato van de wettelijke rentevoet vanaf 30/04/2001 tot op de dag van de onderhavige uitspraak,

en vermeerderd met de gerechtelijke moratoire interesten vanaf de dag van de onderhavige uitspraak tot op de dag van de betaling.

Het hof wijst het meer en anders gevorderde af.

Het hof veroordeelt enerzijds de nv AG Insurance, de nv Axa Belgium, de nv BDM, samen tot 3/4de en anderzijds de nv Amlin Corporate Insurance, de nv Mercator Verzekeringen, de nv Axa Belgium en de nv Allianz Belgium samen tot 1/4de van de proceskosten in beide aanleggen.

Deze kosten bedragen in hun geheel:

- aan de zijde van de nv AG Insurance, de nv Axa Belgium, de nv BDM: de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 342,09 en in hoger beroep van euro 22 000,00.

- aan de zijde van de nv Amlin Corporate Insurance, de nv Mercator Verzekeringen, de nv Axa Belgium en de nv Allianz Belgium: de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 342,09 en in hoger beroep van euro 22 000,00 en de kosten van het deskundigenonderzoek van euro 5 734,67.

Het hof laat de proceskosten aan de zijde van de overige gedaagde of opgeroepen partijen in hoger beroep (C. Truyen qq. curator van het faillissement Krevino, de nv Fidea, het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen, de nv Vivium, de nv EDC & Huinck Wines en Spirits en de nv Gebroeders Delhaize & C° De Leeuw, ten laste van degene die ze gemaakt heeft.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 13 maart 2013 door

F. PEETERS Voorzitter

K. VAN HAELST Raadsheer

I. COUWENBERG Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

M. GIJSEMANS I. COUWENBERG

K. VAN HAELST F. PEETERS

Vrije woorden

  • Brandverzekering

  • artikel 58 WLVO

  • artikel 66 §1 WLVO rechtsverhouding tussen de pandhoudende/hypothecaire schuldeisers en de brandverzekeraar van hun schuldenaar bij brand van het onderpand

  • tegenwerpbaarheid van de verjaringsexceptie (neen)