- Arrest van 25 maart 2013

25/03/2013 - 2011AR1591

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 1315 B.W. bepaalt: "Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen.

Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht."

De appellanten moeten de verbintenis van de geïntimeerde bewijzen.

De geïntimeerde moet het bewijs leveren van de betaling.

Er bestaat onduidelijkheid, hetzij twijfel met betrekking tot de betalingsbewijzen die de geïntimeerde voorbrengt.

De onzekerheid of de twijfel die blijven bestaan na de bewijsvoering moeten in aanmerking worden genomen tegen degene die de bewijslast draagt (Cass. 1e kamer, AR C.98.0144.F, 17 september 1999).

Geïntimeerde slaagt niet in haar bewijslast (artikel 1315, 2° B.W.).


Arrest - Integrale tekst

2011/AR/1591

1. J. R., arbeider, geboren te ... op ... en wonende te ...;

2. L. O., zonder beroep, geboren te ... op ... en wonende te ...;

appellanten,

beiden zijn verschenen in persoon en werden bijgestaan door mr.

tegen het vonnis van de 10e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 25 maart 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/1752/A;

tegen:

BVBA YIN, met vennootschapszetel gevestigd te 2310 Rijkevorsel, Merksplassesteenweg 82 en ingeschreven in de kruispuntbank der on-dernemingen onder nr. 0808.215.084;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr.

* * * * *

Gelet op het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 25 maart 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgebracht, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 23 mei 2011.

1. De feiten

In het bestreden vonnis werden de ter zake doende feitelijke elementen alsook het voorwerp van de vorderingen uiteengezet, zodat het hof daarnaar verwijst.

Samengevat worden volgende feitelijke elementen in herinnering ge-bracht:

- door de geïntimeerde werd een handelshuis en feestzaal te ... gekocht van de appellanten voor de prijs van 550.000 EUR;

- er werd bedongen dat het saldo door de geïntimeerde maandelijks mocht worden afgekort;

- de appellanten hielden voor dat de geïntimeerde in gebreke bleef regelmatig afbetalingen te doen.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Op 21 mei 2010 werd dagvaarding uitgebracht op verzoek van de appellanten.

2.2. Bij vonnis van 23 juni 2010 werd de geïntimeerde bij verstek ver-oordeeld tot betaling van 134.714 EUR meer de gerechtelijke intrest vanaf 21 mei 2010 tot op de dag van de algehele betaling aan de wettelijke rentevoet en tot de kosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling.

2.3. Dit verstekvonnis werd betekend op 22 juli 2010.

2.4. Op 15 september 2010 werd dagvaarding in verzet uitgebracht op verzoek van de geïntimeerde.

2.5. Bij tussenvonnis van 4 februari 2011 werd de persoonlijke verschijning van partijen bevolen.

2.6. Op 28 februari 2011 werd een proces-verbaal van persoonlijke verschijning opgemaakt.

2.7. Bij bestreden vonnis van 25 maart 2011 werd:

- het verzet ontvankelijk en gegrond verklaard in de mate dat:

- het verstekvonnis van 23 juni 2010 gedeeltelijk werd vernietigd;

- opnieuw recht doende:

- de geïntimeerde werd veroordeeld tot betaling aan de appellanten van 17.054,34 EUR, meer de gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 21 mei 2010 tot de dag van de gehele betaling, be-houdens de gerechtskosten waar het verstekvonnis in dit onderdeel werd bevestigd;

- de geïntimeerde werd veroordeeld tot de kosten van het verzet.

3. De vorderingen en het verweer in hoger beroep

3.1. Op 23 mei 2011 werd voor de appellanten een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd.

3.2. De appellanten vragen bij conclusies neergelegd ter griffie van dit hof op 2 maart 2012 om:

- recht doende op het hoofdberoep:

- de geïntimeerde te bevelen om in toepassing van artikel 877 Ger.W. de originele kwitanties over te leggen;

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen;

- opnieuw recht doende:

- het verzet ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- akte te nemen van de uitbreiding van hun vordering;

- het verstekvonnis te wijzigen en de geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan hen van 177.271,74 EUR, zijnde de achterstand tot en met november 2010, meer de gerechtelijke intrest;

- het verstekvonnis te bevestigen wat de gerechtskosten betreft;

- recht doende op het incidenteel beroep:

- het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van hoger beroep.

3.3. De geïntimeerde vraagt bij conclusie neergelegd ter griffie op 27 april 2012 om:

- in hoofdorde:

- het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- in uiterst ondergeschikte orde:

- minstens de verwijlintrest overeenkomstig artikel 1153 lid 3 B.W. te herleiden tot aan de wettelijke rentevoet;

- de appellanten te veroordelen tot de kosten van het geding.

De geïntimeerde tekent impliciet incidenteel beroep aan wat de veroordeling tot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van 3.000 EUR betreft.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Er worden geen argumenten opgeworpen aangaande een mogelijk onontvankelijk hoger beroep.

Het hoger beroep komt, naar vorm en termijn, ontvankelijk voor.

4.2. Gegrondheid van het hoger beroep

4.2.1. De appellanten vragen dat het origineel van de kwitanties zouden worden voorgebracht.

De originele kwitanties bevinden zich in het bundel van de appellanten.

Het verzoek van de appellanten is zonder voorwerp.

4.2.2. De vordering van de appellanten - zoals thans herleid - strekt ertoe de geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van 162.271,74 EUR (conclusies neergelegd op 2 maart 2012 - blz. 8). De geïntimeer-

de deed immers in december 2010, januari en februari 2011 nog drie betalingen van telkens 5.000 EUR. In november 2010 bedroeg de achterstand, volgens de appellanten, 177.271,74 EUR en het was dit bedrag dat zij vorderden voor de eerste rechter (procedure op verzet). In het petitum van de conclusies van de appellanten werd echter het laatste bedrag van 177.271,74 EUR hernomen en niet het herleide bedrag van 162.271,74 EUR.

De appellanten blijven voorhouden dat de geïntimeerde misbruik maakt van alle documenten met betrekking tot de betalingen door betalingen dubbel aan te rekenen omdat zij op de lijst van de appellanten en/of op haar lijst en/of op de kwitanties vermeld staan als betaald.

De geïntimeerde houdt staande dat het achterstallig saldo in mei 2010 17.054,34 EUR bedroeg.

De eerste rechter volgde het standpunt van de geïntimeerde en veroor-deelde haar tot het saldo van 17.054,34 EUR, meer de gerechtelijke intrest vanaf 21 mei 2010 tot de gehele betaling.

Het hof komt tot een ander oordeel om de volgende redenen:

Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat uit het feit dat alle kwitanties op één dag werden uitgeschreven dit inderdaad - zoals de eerste rechter vaststelde - aantoont dat er een probleem was met het overzicht van de afbetalingen maar niet - zoals de eerste rechter vond - dat het ongeloofwaardig voorkomt dat de appellanten kwitanties hebben uitgeschreven ook voor de overschrijvingen.

Vermits er een probleem was met het overzicht van de afbetalingen, lijkt het logisch dat door de appellanten kwitanties voor alle betalingen werden uitgeschreven en dus ook voor de overschrijvingen. Het feit dat op één en dezelfde dag alle kwitanties werden uitgeschreven betekent dat partijen orde op zaken hebben willen stellen. Het is logisch dat dan voor alle betalingen kwitanties werden uitgeschreven en door partijen geen onderscheid werd gemaakt tussen contante betalingen en overschrijvingen.

Artikel 1315 B.W. bepaalt: "Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen.

Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht."

De appellanten moeten de verbintenis van de geïntimeerde bewijzen.

Zij bewijzen aan de hand van de notariële akte van 30 december 2008 dat de geïntimeerde een betalingsverbintenis voor het saldo van de verkoopprijs op zich nam van 456.000 EUR, te voldoen in 22 maandelijkse stortingen van 20.000 EUR betaalbaar voor de 25e van iedere maand en voor de eerste maal op 25 januari 2009.

De geïntimeerde moet het bewijs leveren van de betaling.

De kwitanties die voorliggen zijn volgens verklaring van partijen - afgelegd tijdens de persoonlijke verschijning van partijen voor de eerste rechter - op één dag door de geïntimeerde ontvangen. Tijdens het verhoor verklaarde de zaakvoerder van de geïntimeerde dat de vermelding "R. J. inzake aflossing pand" door de heer L. nadien op de kwitanties werden aangebracht.

Volgens de appellanten zijn sommige kwitanties dubbel met de over-schrijvingen.

Gelet op de concrete omstandigheden waarin de kwitanties werden op-gemaakt (alle op dezelfde dag wanneer er onduidelijkheid was betreffende de afrekening en de eenzijdige toevoegingen die nadien geschiedde) maakt dat er onduidelijkheid, hetzij twijfel bestaat met betrekking tot de betalingsbewijzen die de geïntimeerde voorbrengt.

De onzekerheid of de twijfel die blijven bestaan na de bewijsvoering moeten in aanmerking worden genomen tegen degene die de bewijslast draagt (Cass. 1e kamer, AR C.98.0144.F, 17 september 1999).

De geïntimeerde neemt de twijfel/onzekerheid die bestaat in verband met de kwitanties die volgens de appellanten dubbel zijn met de overschrijvingen niet weg.

De loutere bewering van de geïntimeerde dat er geen enkele reden zou zijn waarom de kwitanties zouden worden uitgeschreven voor bedragen die reeds via overschrijving werden ontvangen, is daarvoor onvoldoende.

Slotsom van voorgaande is dat de geïntimeerde niet slaagt in haar bewijslast (artikel 1315, 2° B.W.).

De overige argumenten en middelen van partijen nopen niet tot een andere besluitvorming van het hof.

De geïntimeerde wordt veroordeeld tot betaling van 162.271,74 EUR, meer de gerechtelijke intrest.

4.3. De geïntimeerde vraagt dat het hof - bij toepassing van artikel 1153, 3e B.W. - de bedongen intrest zou verminderen.

Bij notariële akte van 30 december 2008 werd een intrest aan 10% per jaar bedongen op het nog verschuldigde gedeelte van de verkoopprijs, telkenmale te voldoen bij elke maandelijkse betaling.

Uit de tekst van de notariële akte blijkt dat de intrest niet als een schadevergoeding wegens vertraging in uitvoering werd bedongen.

Er is dan ook geen aanleiding om toepassing te maken van artikel 1153, 3° B.W.

4.4. De geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan wat de rechtsplegingsvergoeding betrof. Gelet op het feit dat het gevorderde gedeeltelijk werd afgewezen door de eerste rechter, meent zij dat het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding diende berekend te worden volgens het bedrag zoals toegekend.

Gelet op voorgaande is het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het door de appellanten gevorderde wordt immers toegekend.

De geïntimeerde wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de kosten van het geding - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De basisrechtsplegingsvergoeding voor een vordering tussen 100.000,01 EUR en 250.000,00 EUR bedraagt 5.500 EUR.

De appellanten hebben in eerste aanleg de rechtsplegingsvergoeding begroot op een bedrag van 3.000 EUR en in hoger beroep op 5.500 EUR.

Er zijn geen redenen om af te wijken van het basisbedrag, zoals gevraagd door de appellanten.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verwerpt alle andersluidende en meeromvattende conclusies als ongegrond, niet ter zake dienstig en/of overbodig;

- verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk;

- verklaart het incidenteel beroep ongegrond;

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- hervormt het bestreden vonnis als volgt:

- verklaart het verzet ontvankelijk doch ongegrond;

- verleent akte aan de appellanten van de wijziging van hun vordering;

- verklaart de aangepaste vordering van de appellanten ontvankelijk en gegrond als volgt:

- veroordeelt de geïntimeerde om aan de appellanten te betalen de som van 162.271,74 EUR, meer de gerechtelijke intrest;

- veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van het geding, aan de

zijde van de appellanten vastgesteld als volgt:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 3.000 EUR

- rolrecht hoger beroep: 186 EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 5.500 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van VIJFENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Vrije woorden

  • Uitvoering verbintenis

  • artikel 1315 BW

  • bewijslast