- Arrest van 27 mei 2013

27/05/2013 - 2010AR2409

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Bij artikel 1285, eerste lid B.W. wordt voorgeschreven: "Kwijtschelding of ontslag bij overeenkomst ten voordele van een van de hoofdelijke medeschuldenaars, bevrijdt al de overigen, tenzij de schuldeiser zich uitdrukkelijk zijn rechten tegen hen heeft voorbehouden".

De overeenkomst van dading houdt een afstand in door de appellanten, niet slechts van hun hoger beroep tegen het bestreden vonnis, doch bovendien van de rechtsvordering tot schadeloosstelling tegenover de tweede geïntimeerde waarover zij naar aanleiding van de feiten waarvan sprake beweerden te beschikken. Die overeenkomst van dading houdt dus wel degelijk een kwijtschelding of ontslag in zoals bedoeld bij artikel 1285, eerste lid Ger. W.

Voor de toepassing van artikel 1285, eerste lid B.W. is niet vereist dat de kwijtschelding of het ontslag van schuld ten kosteloze titel geschiedt.

De primaire gevolgen van de (passieve) hoofdelijkheid gelden ook in de verhouding tussen de schuldeiser en de in solidum gehouden schuldenaars.

Zuiver persoonlijke verweermiddelen die enkel door één van de in solidum gehouden schuldenaars kunnen worden ingeroepen, kunnen toch de positie beïnvloeden van de andere in solidum gehouden schuldenaars. Dat is onder meer het geval voor de regel van artikel 1285, eerste lid B.W., krachtens dewelke de kwijtschelding door de schuldeiser toegestaan aan één van de schuldenaars ook bevrijdend werkt voor de andere schuldenaars, behalve wanneer de schuldeiser zijn rechten tegenover hen uitdrukkelijk heeft voorbehouden.

De regel van artikel 1285, eerste lid B.W., waarbij de wet een kwijtschelding die een schuldeiser heeft toegekend aan één van zijn schuldenaars tegen de kwijtschelder zelf doet gelden, is immers uitgevaardigd ter bescherming van de rechten die de passieve hoofdelijkheid toekent aan elk van de hoofdelijke medeschuldenaars

Wanneer twee schuldenaars in solidum veroordeeld worden, kan de schuldenaar die de schuld integraal heeft betaald, voor hetgeen hij heeft betaald boven zijn bijdragend aandeel, een verhaal uitoefenen op zijn medeschuldenaar. De schuldeiser kan de schuld van één van de in solidum gehouden schuldenaars niet kwijtschelden en aldus de rechtspositie van de andere in solidum gehouden schuldenaars verzwaren (door hen hun recht op verhaal te ontnemen), zonder daarvan de gevolgen te dragen.

Ingevolge de overeenkomst van dading is ook de eerste geïntimeerde in principe bevrijd van zijn beweerde schuld tegenover de appellanten. Het hof is van oordeel dat, bij gebrek aan uitdrukkelijk voorbehoud door de appellanten van hun rechten tegen de eerste geïntimeerde, laatstgenoemde integraal bevrijd is. Krachtens artikel 1285, tweede lid B.W. kan de schuldeiser weliswaar het saldo van de schuld invorderen na aftrek van het aandeel van degene aan wie kwijtschelding van de schuld werd verleend, maar dit enkel in geval de schuldeiser zich zijn rechten tegen de andere schuldenaar uitdrukkelijk heeft voorbehouden. Dat laatste is niet bewezen.


Arrest - Integrale tekst

2010/AR/2409

1. BVBA ADVOCATENKANTOOR R R, burgerlijke professionele vennootschap in de vorm van een éénpersoonsvennootschap met beperk-te aansprakelijkheid opgericht op 31 december 1991, met vennootschapszetel

en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen

2. R. R., advocaat, geboren te ... op ... en wonende te ...;

appellanten,

de tweede appellante is verschenen in persoon en werd bijgestaan door mr. Walter Van Steenbrugge, advocaat te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2, die tevens verschenen is voor de eerste appellan-te;

tegen het vonnis van de 6e B kamer van de rechtbank van eerste aan-

leg te Antwerpen van 16 maart 2010, aldaar gekend onder nr. A.R. 08/4727/A;

tegen:

1. M. S., advocaat, geboren op ... en wonende ...;

de eerste geïntimeerde is verschenen in persoon en werd bijgestaan door mr. Frederik Erdman, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei 25-27 bus 16;

2. DE ORDE VAN ADVOCATEN VAN DE BALIE TE ANTWERPEN, rechtspersoon van publiek recht, met vennootschapszetel gevestigd te 2000 Antwerpen, gerechtsgebouw, Bolivarplaats 20/15;

thans niet meer inzake ingevolge eindarrest van 12 maart 2012;

geïntimeerden,

* * * * *

1. Wat betreft de feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen en het procesverloop in het verleden, verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 12 maart 2012.

2. In uitvoering van dat tussenarrest zijn de partijen overgegaan tot

de neerlegging ter griffie van aanvullende besluiten, inzonderheid inzake de mogelijke toepasselijkheid ter zake van de bepaling van artikel 1285, eerste lid B.W.

3. Bij hun op 17 december 2012 ter griffie neergelegde "rectificatieve syntheseberoepsconclusies" vorderen de appellanten:

- hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen;

- hun oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren en dienvolgens te zeggen voor recht dat de terugneming van de inbrengen te bevelen is wegens einde van de maatschap en de eerste geïntimeerde te veroor-delen tot betaling:

i. aan de eerste appellante van een provisionele schadevergoeding ten bedrage van 300.000,00 EUR, ondergeschikt tot beloop van een naar billijkheid te begroten bedrag, minstens ten bedrage van 1,00 EUR;

ii. aan de tweede appellante van een provisionele schadevergoeding ten bedrage van 1,00 EUR;

- alvorens nader ten gronde te oordelen:

i. overeenkomstig artikel 871 Ger. W. de eerste geïntimeerde te

veroordelen tot voorlegging van zijn volledige boekhouding sinds 2000, minstens sinds 2003, dit binnen de twee maand na het

arrest en de zaak vervolgens voor verdere behandeling vast te stellen op vaste datum met voorafgaande bepaling van een pro-cesagenda;

ii. zo niet, een (door de eerste geïntimeerde te provisioneren) expert-accountant aan te stellen om de materiële schade te begroten die de appellanten hebben moeten ondergaan ingevolge de aangeklaagde gang van zaken, meer bepaald de materiële schade die

is voortgevloeid uit het feit dat eind oktober 2003, minstens per

31 december 2003, geen correcte vereffening heeft kunnen plaatsvinden van de maatschap, en in dat geval de zaak voor verdere behandeling te verzenden naar de bijzondere rol;

- de oorspronkelijke tegeneis van de eerste geïntimeerde ongegrond te verklaren;

- en de eerste geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

4. Bij zijn op 25 januari 2013 ter griffie neergelegde "syntheseconclusie in hoger beroep na heropening van de debatten" vordert de eerste geïn-timeerde:

- zijn incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens de oorspronkelijke vordering van de appellanten niet ontvankelijk te verklaren; ondergeschikt, het hoger beroep van de appel-lanten ongegrond te verklaren, met veroordeling van de appellanten tot de kosten van de beide aanleggen;

- zijn oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens de tweede appellante, minstens de eerste appellante, te veroordelen tot betaling van het definitieve bedrag van 5.985,57 EUR en van het provisionele bedrag van 79.967,13 EUR, beide bedragen onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding en vermeerderd met de gerechtelijke intrest sedert 6 februari 2009;

- en de appellanten te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.

5. Beoordeling

5.1. Aangaande de oorspronkelijke vorderingen van de appellan-ten

5.1.1. De oorspronkelijke vorderingen van de appellanten tegen de eerste geïntimeerde strekken ertoe laatstgenoemde te doen veroordelen

tot betaling van schadeloosstelling wegens contractuele wanprestaties, derde-medeplichtigheid aan contractbreuk en quasi-delictuele fouten. De eerste geïntimeerde betwist de gegrondheid van die oorspronkelijke vorderingen van de appellanten, in eerste orde op grond van artikel 1285, eerste lid B.W. Van hun kant betwisten de appellanten de toepasselijkheid ter zake van die wetsbepaling.

5.1.2. Bij artikel 1285, eerste lid B.W. wordt voorgeschreven:

"Kwijtschelding of ontslag bij overeenkomst ten voordele van een van de hoofdelijke medeschuldenaars, bevrijdt al de overigen, tenzij de schuldeiser zich uitdrukkelijk zijn rechten tegen hen heeft voorbehouden".

5.1.3. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat op 22 maart 2011, dus hangende de onderhavige procedure in hoger beroep, tussen de appellanten en de tweede geïntimeerde, een overeenkomst van dading werd gesloten, waarbij wordt bedongen wat volgt:

"...

1. Eerste en tweede appellanten verzaken tegenover tweede geïntimeerde aan het hoger beroep dat zij instelden tegen het vonnis dat op 16/03/2010 door kamer 6B van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen werd uitgesproken en berusten tegenover tweede geïnti-meerde dus in dit vonnis.

2. Eerste en tweede appellanten verzaken tevens uitdrukkelijk aan de mogelijkheid om tweede geïntimeerde aansprakelijk te stellen voor schade die zij beweren naar aanleiding van hun samenwerking met mr. M. S. of naar aanleiding van de stopzetting van die samenwerking geleden te hebben.

3. Tweede geïntimeerde aanvaardt deze verzaking en doet afstand van de rechtsplegingsvergoeding van 15.000,- euro die haar ingevolge dit vonnis ten laste van eerste en tweede geïntimeerden werd toegekend.

4. Onderhavige overeenkomst is een dading waarop de artikelen 2044 tot en met 2058 van het burgerlijk wetboek van toepassing zijn.

...".

5.1.4. Kwijtschelding of ontslag van schuld is een rechtshandeling waarbij de schuldeiser afziet van zijn rechten tegenover de schuldenaar.

In het raam van de onderhavige procedure, dit ook nog in hoger beroep, hebben de appellanten steeds de veroordeling gevorderd van de tweede geïntimeerde tot betaling van schadevergoeding. De hierboven geciteerde overeenkomst van dading houdt een afstand in door de appellanten, niet slechts van hun hoger beroep tegen het bestreden vonnis van 16 maart 2010, doch bovendien van de rechtsvordering tot schadeloosstelling tegenover de tweede geïntimeerde waarover zij naar aanleiding van de feiten waarvan sprake beweerden te beschikken. Die overeenkomst van dading houdt dus wel degelijk een kwijtschelding of ontslag in zoals bedoeld bij artikel 1285, eerste lid Ger. W.

De appellanten worden niet bijgetreden waar zij laten gelden dat, omwil-le van het feit dat de schuld van de tweede geïntimeerde niet werd vastgesteld bij vonnis houdende veroordeling, het hier niet zou gaan om een schuld, doch enkel om een schuldvordering, zodat artikel 1285, eerste lid B.W. ter zake niet van toepassing zou zijn. De toegeving van de appellanten, essentieel onderdeel van de overeenkomst van dading van 22 maart 2011, bestaat in hun verzaking aan die schuldvordering, zodat het bestaan van een schuld in hoofde van tweede geïntimeerde door de

appellanten niet meer in vraag kan worden gesteld, ook niet in het raam van het resterende geschil met de eerste geïntimeerde.

Ook het feit dat de kwijtschelding van schuld hier onder bezwarende titel is geschied, kan niets veranderen aan wat voorafgaat. Voor de toepassing van artikel 1285, eerste lid B.W. is niet vereist dat de kwijtschelding of het ontslag van schuld ten kosteloze titel geschiedt (vgl. Cass. 15 december 2000, Arr. Cass. 2000, 2002).

5.1.5. Terecht merken de appellanten op dat de geïntimeerden geen hoofdelijke schuldenaars zijn. De appellanten hebben inderdaad steeds de in solidumveroordeling van de geïntimeerden tot betaling van schadevergoeding gevorderd. Maar, voor de toepassing van artikel 1285, eerste lid B.W. maakt dat geen verschil.

De primaire gevolgen van de (passieve) hoofdelijkheid gelden immers ook in de verhouding tussen de schuldeiser en de in solidum gehouden schuldenaars. Aldus kunnen zuiver persoonlijke verweermiddelen die enkel door één van de in solidum gehouden schuldenaars kunnen worden ingeroepen, toch de positie beïnvloeden van de andere in solidum gehouden schuldenaars. Dat is onder meer het geval voor de regel van artikel 1285, eerste lid B.W., krachtens dewelke de kwijtschelding door de schuldeiser toegestaan aan één van de schuldenaars ook bevrijdend werkt voor de andere schuldenaars, behalve wanneer de schuldeiser zijn rechten tegenover hen uitdrukkelijk heeft voorbehouden.

De eerste geïntimeerde benadrukt terecht dat zulks niet meer dan logisch en billijk is. De regel van artikel 1285, eerste lid B.W., waarbij de wet een kwijtschelding die een schuldeiser heeft toegekend aan één van zijn schuldenaars tegen de kwijtschelder zelf doet gelden, is immers uitgevaardigd ter bescherming van de rechten die de passieve hoofdelijkheid toekent aan elk van de hoofdelijke medeschuldenaars. Vandaar dat het niet geoorloofd zou zijn dat sommige partijen deze gevolgen zouden kunnen wijzigen in het nadeel van de andere partijen en zonder hun toe-stemming, zij het onder de dekmantel van een tussen hen gesloten overeenkomst (vgl. Cass. 18 september 1941, Pas. 1941, I, 343, noot). Hetzelfde geldt bij in solidum aansprakelijkheid. Wanneer twee schuldenaars in solidum veroordeeld worden, kan de schuldenaar die de schuld integraal heeft betaald, voor hetgeen hij heeft betaald boven zijn bijdragend aandeel, een verhaal uitoefenen op zijn medeschuldenaar. De schuldeiser kan de schuld van één van de in solidum gehouden schuldenaars niet kwijtschelden en aldus de rechtspositie van de andere in solidum gehouden schuldenaars verzwaren (door hen hun recht op verhaal te ontnemen), zonder daarvan de gevolgen te dragen.

5.1.6. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat, ingevolge de overeenkomst van dading van 22 maart 2011, ook de eerste geïntimeerde in principe bevrijd is van zijn beweerde schuld tegenover de appellanten. Dat de

appellanten nooit afstand zouden hebben willen doen van hun aanspraken tegenover de eerste geïntimeerde, is irrelevant. Hetzelfde geldt voor de argumentatie van de appellanten dat de hier tegenover de geïntimeerden ingeroepen fouten geen gemeenschappelijke fouten betreffen, doch wel afzonderlijke fouten met een ander voorwerp.

Van niet-bevrijding van de eerste geïntimeerde kan alleen sprake zijn, wanneer de appellanten zich hun rechten tegenover hem uitdrukkelijk hebben voorbehouden. Met de eerste geïntimeerde is het hof van oordeel dat de appellanten, die daarvan de bewijslast dragen, niet aantonen dat zij hier een dergelijk uitdrukkelijk voorbehoud hebben geformuleerd. In de overeenkomst van dading van 22 maart 2011 is daarvan met geen woord sprake. Wat meer bepaald in punt 2 van die overeenkomst wordt bedongen, toont het tegendeel niet aan. Ook de verwijzing in punt 4 naar de artikelen 2044 tot en met 2058 B.W. bewijst geen uitdrukkelijk voorbehoud. Wat in latere besluiten door de appellanten werd geschreven, doet niets ter zake.

Anders dan de appellanten is het hof van oordeel dat, bij gebrek aan uitdrukkelijk voorbehoud door de appellanten van hun rechten tegen de eerste geïntimeerde, laatstgenoemde integraal bevrijd is. Krachtens artikel 1285, tweede lid B.W. kan de schuldeiser weliswaar het saldo van

de schuld invorderen na aftrek van het aandeel van degene aan wie kwijtschelding van de schuld werd verleend, maar dit enkel in geval de schuldeiser zich zijn rechten tegen de andere schuldenaar uitdrukkelijk heeft voorbehouden. En, zoals gezegd, is dat laatste hier niet bewezen.

5.1.7. Slotsom van wat voorafgaat is dat de oorspronkelijke vorderin-

gen van de appellanten, voor zover gericht tegen de eerste geïntimeerde, ongegrond blijven. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bijgevolg bevestigd, zij het om andere redenen.

5.2. Aangaande de oorspronkelijke tegenvorderingen van de eerste geïntimeerde

5.2.1. Bij oorspronkelijke tegeneis vordert de eerste geïntimeerde van

de tweede appellante, minstens van de eerste appellante, betaling van:

- het definitieve bedrag van 5.985,57 EUR;

- het provisionele bedrag van 79.967,13 EUR,

beide bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intrest sedert

6 februari 2009.

Ter staving van die tegenvordering voert de eerste geïntimeerde aan enerzijds dat de tweede appellante "gelden die voor (hem) bestemd wa-ren, afgeleid heeft van hun oorspronkelijk doel" en anderzijds dat hij "schade (heeft) geleden door de initiatieven van (tweede appellante), zowel ten overstaan van de overheden van de orde van advocaten, de Raad van State, de verschillende rechtbanken en hoven, en de cliënten". Van hun kant vragen de appellanten die oorspronkelijke tegenvordering van de eerste geïntimeerde ongegrond te verklaren.

5.2.2. Het hof stelt vast:

- dat de appellanten die tegenvordering van de eerste geïntimeerde wel betwisten, doch dat verweer in feite noch in rechte beargumenteren;

- dat de eerste geïntimeerde de betaling van een provisioneel bedrag vordert en in dat verband onder meer de noodzaak benadrukt van voorafgaande voorlegging door de tweede appellante van "alle bankuittreksels".

5.2.3. In de gegeven omstandigheden bestaat er aanleiding toe, alvorens nader te oordelen over de tegenvordering van de eerste geïntimeerde en onder voorbehoud van alle rechten van de partijen, over te gaan tot de aanstelling van een deskundige (accountant) met opdracht hierna nader aangeduid. In die zin wordt het incidenteel beroep van de eerste geïntimeerde gegrond verklaard.

6. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, na herneming van de zaak gelet op de gewijzigde samenstelling van de zetel.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellanten en het incidenteel beroep van de eerste geïntimeerde ontvankelijk;

- wijst het hoger beroep van de appellanten af als ongegrond;

- verklaart het incidenteel beroep van de eerste geïntimeerde gegrond als volgt:

- bevestigt het bestreden vonnis, behalve voor zover daarbij wordt geoordeeld over de oorspronkelijke tegeneis van de eerste geïntimeerde en over de gedingkosten;

- oordeelt in dat verband opnieuw als volgt:

Het hof stelt, alvorens nader te oordelen over de oorspronkelijke tegenvordering van de eerste geïntimeerde en onder voorbehoud van alle rechten van de partijen, aan als deskundige: E. D., accountant, kantoor houdende te ....

Het hof gelast deze deskundige met de opdracht de partijen te aanhoren, kennis te nemen van hun bundels, alle nodige of nuttige inlichtingen in te winnen, zelfs bij derden, om in een gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag, neer te leggen ter griffie van dit hof:

- de feitelijke elementen aan te duiden die het hof moeten toelaten te oordelen of en, in bevestigend geval, in welke mate de tweede appellante gelden die voor de eerste geïntimeerde bestemd waren, heeft afgeleid van hun oorspronkelijk doel;

- alle schade van welke aard ook te beschrijven die de eerste geïntimeerde heeft geleden ingevolge die gebeurlijke tekortkomingen van de tweede appellante;

- de omvang van die schade te ramen,

dit alles met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 962 tot 991bis Ger. W., hetgeen onder meer inhoudt dat:

- alle verrichtingen tegensprekelijk dienen te gebeuren en alle partijen dienen opgeroepen te worden om daaraan deel te nemen, tenzij de partijen hem hiervan uitdrukkelijk zouden vrijstellen, gelet op het

uiterst technisch karakter van sommige verrichtingen;

- een eventuele verzoening tussen de partijen schriftelijk wordt vast-gelegd en samen met de staat van kosten en erelonen ter griffie van dit hof wordt neergelegd;

- een voorverslag, omvattende alle elementen van de besluitvorming én een ontwerp van besluiten, zal dienen opgemaakt te worden, dat aan alle partijen in voorlezing dient verstuurd te worden, met redelijke termijn voor het formuleren van opmerkingen;

- indien na ontvangst van de opmerkingen, nieuwe verrichtingen onontbeerlijk zijn, de deskundige daarom verzoekt conform artikel 973, §2 Ger. W.;

- het eindverslag elke tijdige opmerking van de partijen, geformuleerd na de toezending van het voorverslag, dient te beantwoorden.

Het hof zegt verder dat dit arrest door de griffier bij dit hof binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden.

Het hof zegt dat de deskundige over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest zal beschikken om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren.

Het hof zegt dat verder als volgt dient te worden gehandeld, dit vanaf punt 2. na voorafgaand contact met de voormelde deskundige:

1. de deskundige zal, na de kennisgeving overeenkomstig het tweede lid van artikel 972 Ger. W. of, in voorkomend geval, na kennisgeving van de consignatie van het voorschot overeenkomstig artikel 987 Ger. W., binnen de vijftien dagen zelf de plaats, de dag, en het uur bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten en zal dit per aangetekende brief meedelen aan de partijen en per gewone brief aan hun raadslieden, tenzij hij door de partijen wordt vrijgesteld van de verplichting om per aangetekende post te corresponderen;

2. de kans is klein dat er beroep moet gedaan worden op technische raadgevers;

3. er zal een uurtarief gehanteerd worden tussen 110 EUR en 130 EUR (exclusief btw);

4. het bedrag van het voorschot dat door de geïntimeerden binnen de maand te rekenen vanaf heden ter griffie dient te worden geconsig-neerd op het rekeningnummer IBAN BE46 6792 0091 0036 - BIC PCHQ BE BB met referentie van het rolnummer van de zaak en de naam van de partij voor wie de provisie wordt betaald, of bij een kredietinstelling die de partijen gezamenlijk hebben gekozen, wordt bepaald op 3.000 EUR (exclusief btw);

5. er wordt bevolen dat de partij die de gelden geconsigneerd heeft, hiervan onmiddellijk een bewijs van betaling aan de deskundige dient te bezorgen;

6. het redelijk deel van voormeld voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige, wordt bepaald op 1.500 EUR, exclusief btw, ambtshalve door de griffier bij dit hof over te maken aan de deskundige indien het voorschot geconsigneerd is ter griffie van dit hof;

7. aan de instelling waar de gelden geconsigneerd zijn, wordt bevolen een bedrag van 1.500 EUR, exclusief btw, vrij te geven aan de des-kundige ter dekking van de kosten van de deskundige;

8. deze vrijgave wordt bevolen binnen de vijftien dagen na de consignatie;

9. de deskundige wordt bevolen een afzonderlijke en ondertekende staat van kosten en ereloon neer te leggen, waarin afzonderlijk wordt vermeld:

- uurloon

- verplaatsingskosten

- verblijfskosten

- algemene kosten

- bedragen die aan derden zijn betaald

- verrekening van de vrijgegeven bedragen

10. de termijn voor het neerleggen van het eindverslag wordt bepaald op zes maanden te rekenen vanaf de datum waarop de deskundige zijn werkzaamheden zal hebben aangevat, onverminderd artikel 974, §2 Ger. W. ("de deskundige kan zich daartoe vóór het verstrij-ken van die termijn tot de rechter wenden met opgave van de redenen waarom de termijn zou moeten worden verlengd").

Het hof zegt dat het de deskundige toekomt het hof in kennis te stellen van het verloop van het onderzoek zoals bepaald is in artikel 972bis Ger. W.

Het hof zegt dat het de deskundige verboden is een rechtstreekse betaling van een partij in het geding te aanvaarden (artikel 509quater S.W.: "Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding").

Het hof verzendt de zaak met het oog op haar verdere afhandeling naar de bijzondere rol.

Het hof schort de uitspraak over de kosten van de beide aanleggen op.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover raadsheer R. LYEN mede beraadslaagd heeft en die thans wettig verhinderd is, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens artikel 785 Ger. W., tekenen de raadsheer, dd. voorzitter en de andere raadsheer die mede hebben beraadslaagd en de griffier.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZEVENEN-TWINTIG MEI TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Vrije woorden

  • Kwijtschelding

  • overeenkomst van dading- passieve hoofdelijkheid-in solidum gehouden schuldenaars