- Arrest van 10 juni 2013

10/06/2013 - 2011AR2184

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Door de appellant wordt gesteld dat de eerste geïntimeerde bedrog pleegde. Zij zou de wijziging van het huwelijksvermogenstelsel hebben nagestreefd.

Krachtens artikel 1109 B.W. is geen toestemming geldig, indien zij door dwaling of bedrog is verkregen. (Hoofd)bedrog is oorzaak van nietigheid van de overeenkomst wanneer kunstgrepen of listen worden gebruikt met het doel en het resultaat bij iemand een verkeerde voorstelling van zaken op te wekken en hem aldus tot contracteren te brengen (artikel 1116, eerste lid B.W.). Krachtens artikel 1116, tweede lid B.W. wordt bedrog niet vermoed, maar moet het bewezen worden. De bewijslast rust op degene die zich beroept op bedrog (artikel 870 Ger. W.). Aan de appellant behoort het derhalve het bedrog aan te tonen. Aan die bewijslast kan de appellant voldoen door alle middelen van recht.

Van bedrog is geen sprake.

Het bewijs ligt voordat de notaris aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. Het tegenbewijs daarvan wordt door de appellant niet geleverd.

Het hof gaat niet in op het door de appellant gevraagde getuigenbewijs. Een aanbod van getuigenbewijs kan alleen worden toegelaten indien het betrekking heeft op bepaalde en ter zake dienende feiten (artikel 915 Ger. W.). Gelet op hetgeen hiervoor werd uiteengezet kunnen de door de appellant opgegeven feiten niet als dusdanig worden beschouwd.

Kosten geding:

De eerste geïntimeerde begroot eveneens de kosten van betekening van het bestreden vonnis als kosten van het geding. Deze kosten zijn geen kosten in de zin van artikel 1017 Ger. W. waarin de in het ongelijk gestelde partij verwezen wordt, maar kosten van tenuitvoerlegging in de zin van artikel 1024 Ger. W. Die kosten worden niet toegekend


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep Antwerpen - eerste kamer

2011/AR/2184

G. M., zaakvoerder, geboren te ... op ... en wonende te ...;

appellant,

verschenen in persoon en bijgestaan door mr. Marc Agten, advocaat te 3960 Bree, Malta 9;

tegen het vonnis van de 5e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 16 mei 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 09/2080/A;

tegen:

1. A. H., handelsbediende, geboren te ... op ... en wonende ...;

vertegenwoordigd door mr. René Van Leeuwen, advocaat te 3650

Dilsen-Stokkem, Rijksweg 384;

2. K. S., notaris, kantoor houdende te ...;

vertegenwoordigd door mr. Henriette Stassen loco mr. Koen Geelen, advocaat te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131;

3. CVBA DELOITTE ACCOUNTANCY, met vennootschapszetel gevestigd te 1831 Machelen, Berkenlaan 8B en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0443.578.822;

vertegenwoordigd door mr. Glenn Hansen loco mr. Jürgen Egger,

advocaat te 1831 Diegem, Berkenlaan 8A;

geïntimeerden,

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die ten grondslag liggen aan de vorderingen van de appellant worden op juiste wijze uiteengezet in het bestreden vonnis. Het hof verwijst naar deze uiteenzetting en beschouwt ze als hernomen.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij exploot van 28 augustus 2009 dagvaardt G. M., de appellant, A. H., de eerste geïntimeerde, notaris K. S., de tweede geïntimeerde, en de CVBA Deloitte Belastingconsulenten, geen partij in hoger beroep, voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

Bij exploot van 9 juni 2010 dagvaardt de appellant, de CVBA Deloitte

Accountancy, de derde geïntimeerde, in tussenkomst.

2.2. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 16 mei 2011:

- verklaart de vordering van de appellant tegen de geïntimeerden en de CVBA Deloitte Belastingconsulenten toelaatbaar maar ongegrond;

- verklaart de tegenvordering van de CVBA Deloitte Belastingconsulenten wegens tergend of roekeloos geding toelaatbaar maar ongegrond;

- veroordeelt de appellant tot de gedingkosten van de hoofdvorde-

ring en tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van telkens 7.333,33 EUR aan de geïntimeerden;

- veroordeelt de CVBA Deloitte Belastingconsulenten tot de kosten

van de tegenvordering en slaat de rechtsplegingsvergoedingen tussen haar en de appellant om.

2.3. De appellant tekent tegen dit vonnis hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 18 juli 2011.

De tweede geïntimeerde tekent, zij het in ondergeschikte orde, tegen dit vonnis incidenteel beroep aan bij conclusies neergelegd ter griffie van het hof op 5 maart 2012.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. De appellant vordert in zijn op 29 juni 2012 ter griffie neergelegde conclusies om:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw recht doende:

- te zeggen voor recht, in hoofdorde, dat de notariële akte tot wijziging van het huwelijksvermogenstelsel M.-H. en de notariële akte van 20 juni 2007, zijnde de bevestigingsakte van de wijziging van het hu-welijksvermogenstelsel vernietigd worden, meer het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 24 april 2007, verschenen in het Belgisch Staatsblad op 20 juni 2007 en dat de vernietiging van dit vonnis zal gepubliceerd worden in het Belgisch Staatsblad;

- te zeggen voor recht dat de geïntimeerden in solidum veroordeeld worden om aan de appellant te betalen 648.385,80 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 19 oktober 2006 tot de datum van het arrest en met de gerechtelijke intrest vanaf dan;

- de eerste geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van 29.567,047 EUR aan de appellant, te vermeerderen met de moratoire intrest vanaf 3 juli 2009;

- in ondergeschikte orde, de appellant toe te laten om alle feitelijk-heden (o.a. het door de derde geïntimeerde enkel verschaffen van informatie aan de eerste geïntimeerde, het eenzijdig mailverkeer van de tweede geïntimeerde aan de eerste geïntimeerde, het bewust niet meedelen van informatie aan de appellant, ...) te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen;

- de geïntimeerden te veroordelen tot al de kosten van het geding.

3.2. De eerste geïntimeerde vordert in haar op 19 juli 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellant te veroordelen tot al de kosten van het geding.

3.3. De tweede geïntimeerde vordert in zijn op 5 maart 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellant te veroordelen tot al de kosten van het geding;

- in ondergeschikte orde, hem akte te verlenen van zijn incidenteel beroep tegen het bestreden vonnis in zoverre dit vonnis van oordeel is dat de vordering in staat van wijzen is in relatie tot de procedure vereffening-verdeling die lopende is tussen de appellant en de eerste geïntimeerde, op dit punt het vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende:

• vast te stellen dat de huidige procedure niet in staat van wijzen is tot er zekerheid is of er door de partijen M. en/of H. beweringen en zwarigheden geformuleerd zijn op de staat van vereffening van notaris v. S. van 5 december 2010 en de behandeling ten gronde van huidig dossier uit te stellen tot hierover zekerheid is bekomen en partijen hiervan inzage hebben gekregen;

• vast te stellen dat de huidige procedure samenhangend is in overeenstemming met artikel 30 Ger. W. met de vereffenings- en verdelingsprocedure die hangende is tussen de partijen M. en H. zodat het wenselijk is dat beide zaken samen zouden worden behandeld en berecht; dienvolgens huidig dossier over te maken aan de voorzitter (bedoeld wordt: de Eerste Voorzitter) voor een nieuwe toewijzing aan een kamer waardoor de gezamenlijke behandeling van de beide procedures mogelijk wordt.

3.4. De derde geïntimeerde vordert in haar op 21 december 2012 ter griffie neergelegde conclusies:

- het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellant te veroordelen tot al de kosten van het geding.

4. Beoordeling

4.1. De tijdigheid, de regelmatigheid en de toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, betekend bij akte van 20 juni 2011, en stelt vast dat:

- door de appellant tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij zijn op 18 juli 2011 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep;

- door de tweede geïntimeerde tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze in ondergeschikte orde incidenteel beroep werd aangetekend bij zijn op 5 maart 2012 ter griffie van het hof neergelegde conclusies.

4.2. De grond van de betwisting

4.2.1. Door de appellant wordt gesteld dat de eerste geïntimeerde bedrog pleegde. Zij zou de wijziging van het huwelijksvermogenstelsel hebben nagestreefd om, na een reeds door haar geplande echtscheiding van de appellant ingegeven door een buitengerechtelijke relatie, eigenaar te worden van de helft van de aandelen van de NV Wafelbakkerij M., terwijl zij, in geval van het behoud van het vorige huwelijksvermogenstelsel, bij echtscheiding, slechts eigenaar zou blijven van één aandeel van de NV Wafelbakkerij M.

Volgens de appellant zouden de tweede en de derde geïntimeerde medeplichtig zijn aan dit bedrog. Zij zouden buiten zijn medeweten met de appellant de "constructie" hebben opgezet om hem de helft van zijn aandelen te ontfutselen.

4.2.2. Krachtens artikel 1109 B.W. is geen toestemming geldig, indien zij door dwaling of bedrog is verkregen.

(Hoofd)bedrog is oorzaak van nietigheid van de overeenkomst wanneer kunstgrepen of listen worden gebruikt met het doel en het resultaat bij iemand een verkeerde voorstelling van zaken op te wekken en hem aldus tot contracteren te brengen (artikel 1116, eerste lid B.W.). Krachtens artikel 1116, tweede lid B.W. wordt bedrog niet vermoed, maar moet het bewezen worden. De bewijslast rust op degene die zich beroept op bedrog (artikel 870 Ger. W.). Aan de appellant behoort het derhalve het bedrog aan te tonen. Aan die bewijslast kan de appellant voldoen door alle middelen van recht.

4.2.3. Bij bedrog is in eerste orde vereist dat in hoofde van degene die zich daarop beroept een verkeerde voorstelling van zaken wordt bewezen.

Net zoals de eerste rechter oordeelt het hof dat de appellant faalt dit te bewijzen.

Integendeel, de inhoud van de notariële akte van 19 oktober 2006 (die blijkens de inhoud ervan voorafgaand en tijdig in ontwerp aan de appellant werd verzonden en die aan hem werd voorgelezen, wat welbepaalde vermeldingen en de wijzigingen die aan het ontwerp werden aangebracht betreft, en die werd toegelicht) toont aan dat de zaken in de akte zelf, niet verkeerd maar duidelijk en ondubbelzinnig werden voorgesteld:

- de partijen creëren een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, dat enkel kon worden ontbonden bij overlijden, de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, door de gerechtelijke scheiding van goederen of door een conventionele wijziging van het huwelijksvermogenstelsel;

- het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen bestaat uitsluitend uit de door de appellant ingebrachte aandelen van de NV Wafelbakkerij M. (402) en het door de eerste geïntimeerde ingebrachte aandeel van de NV Wafelbakkerij M.;

- in geval van ontbinding door echtscheiding of de scheiding van tafel en bed zullen de partijen dit toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen verdelen ieder voor de helft, onverminderd de vergoedingsregeling conform artikel 1432 en volgende B.W.

De appellant wist bij de ondertekening van de notariële akte van 19 oktober 2006 bijgevolg waaraan en waaraf, hetgeen wordt bevestigd door zijn medewerking aan de uitvoering ervan:

- de appellant ondertekende het verzoekschrift strekkende tot homologatie van de wijziging van het stelsel en bekrachtigde de wijziging van het stelsel bij de akte van 20 juni 2007;

- de appellant bracht zijn 402 aandelen in het toegevoegd gemeenschappelijk vermogen in, hetgeen blijkt uit de onderhandse akte van 22 juni 2007 waarbij de appellant met de eerste geïntimeerde als "onverdeelde eigenaars", de 403 aandelen van de NV Wafelbakkerij M. verkochten.

Het hof besluit dat, bij gebrek aan bewijs van een verkeerde voorstelling van zaken, van bedrog in hoofde van de eerste geïntimeerde geen sprake is.

4.2.4. Gelet op het voorgaande kan het standpunt van de appellant dat hij door de notaris misleid zou zijn niet aanvaard worden.

De rechten en verplichtingen van de partijen ingevolge de wijziging van hun huwelijksvermogenstelsel worden in begrijpelijke taal uiteengezet in de notariële akte van 19 oktober 2006.

Bovendien erkent de appellant in fine van de notariële akte van 19 oktober 2006 dat hij het ontwerp van de akte tijdig ontving en dat ze door de tweede geïntimeerde werd toegelicht. Waarmee het bewijs voorligt dat de notaris aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. Het tegenbewijs daarvan wordt door de appellant niet geleverd.

In de gegeven omstandigheden kan het hof niet aannemen dat de appellant op het moment van de ondertekening van de notariële akte niet zou geweten hebben dat hij zijn aandelen van de NV Wafelbakkerij M. inbracht in het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen en dat dit, in geval van een echtscheiding, voor de helft zou toekomen aan de eerste geïntimeerde.

4.2.5. Aangezien er van bedrog in hoofde van de eerste geïntimeerde geen sprake is, kan er van enige medeplichtigheid aan dit bedrog in hoofde van de derde geïntimeerde evenmin sprake zijn.

De derde geïntimeerde heeft niet meer of niet minder gedaan dan advies verstrekt over de verschillende mogelijkheden om de aandelen van de NV Wafelbakkerij M. te herverdelen tussen de appellant en de eerste geïntimeerde. Na dit advies werd geopteerd voor de wijziging van het huwelijksvermogenstelsel om het beoogde doel te bereiken. Deze wijziging van het huwelijksvermogenstelsel is volstrekt legaal.

4.2.6. Het kan de derde geïntimeerde evenmin ten kwade geduid worden dat ze het advies alleen meedeelde aan de eerste geïntimeerde. Het wordt immers niet betwist dat ook voor andere opdrachten die de derde geïntimeerde uitvoerde voor de appellant en de eerste geïntimeerde, de correspondentie dienaangaande enkel met de eerste geïntimeerde verliep. De derde geïntimeerde mocht er dan ook van uitgaan dat kennis-geving van het advies aan de eerste geïntimeerde volstond.

Bovendien werd het betrokken advies gefactureerd aan de NV Wafelbakkerij M., zodat de appellant, bestuurder van deze NV, zich had kunnen informeren over de inhoud van het advies.

De beweringen van de appellant dat de eerste en de derde geïntimeerde alles achter zijn rug zouden bedisseld hebben, kan, in de gegeven omstandigheden, evenmin worden aanvaard.

4.2.7. Het hof gaat niet in op het door de appellant gevraagde getuigenbewijs. Een aanbod van getuigenbewijs kan alleen worden toegelaten indien het betrekking heeft op bepaalde en ter zake dienende feiten (artikel 915 Ger. W.). Gelet op hetgeen hiervoor werd uiteengezet kunnen de door de appellant opgegeven feiten niet als dusdanig worden beschouwd.

4.2.8. Het hof besluit dat de vorderingen van de appellant ongegrond blijven.

4.3. De eerste geïntimeerde begroot eveneens de kosten van betekening van het bestreden vonnis als kosten van het geding. Deze kosten zijn geen kosten in de zin van artikel 1017 Ger. W. waarin de in het ongelijk gestelde partij verwezen wordt, maar kosten van tenuitvoerlegging in de zin van artikel 1024 Ger. W. Die kosten worden niet toegekend.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellant tot de gedingkosten in hoger beroep, vastgesteld als volgt:

aan de zijde van de eerste geïntimeerde:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 11.000,00 EUR

aan de zijde van de tweede geïntimeerde:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.333,00 EUR

aan de zijde van de derde geïntimeerde:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 11.000,00 EUR

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover raadsheer R. LYEN mede beraadslaagd heeft en die thans wettig verhinderd is, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens artikel 785 Ger. W., tekenen de raadsheer, dd. voorzitter en de andere raadsheer die mede hebben beraadslaagd en de griffier.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van TIEN JUNI TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Vrije woorden

  • Artikel 1109 BW

  • artikel 1116 BW

  • artikel 870 Ger.W.

  • artikel 915 Ger.W. Omvang en begroting gerechtskosten : kosten betekening (art. 1024 Ger.W.)