- Arrest van 24 juni 2013

24/06/2013 - 2011AR2054

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Appellante meent dat geïntimeerde als notaris een overtreding van de algemene zorgvuldigheidsnorm bedoeld bij artikel 1383 B.W. begaan heeft.

Als notaris gelast met een gedwongen openbare verkoop van een appartement zou hij een gebrek aan voorzorg hebben begaan door gedurende de periode van het hoger bod na de eerste zitdag de eigenaar van dat appartement in het bezit te hebben gesteld van de sleutel van dat goed (teneinde hem toe te laten nog bepaalde persoonlijke spullen uit dat goed af te halen), minstens door die eigenaar zonder enige begeleiding de toegang tot dat goed te hebben verschaft.

Op de eerste zitdag was J. R. nog steeds eigenaar van het betrokken onroerend goed die krachtens artikel 1572 Ger. W. als gerechtelijk sekwester ook het bezit daarvan behield tot bij de verkoop en conform artikel 1962 B.W. de verplichting had daarvoor te zorgen als een goede huisvader met verbod daaraan beschadigingen aan te brengen (artikel 1574 Ger. W.).

De notaris was bijgevolg geen bewaarnemer van het appartement en al evenmin bewaarder daarvan in de zin van artikel 1384, eerste lid B.W. aangezien hij als gerechtelijk mandataris niet optrad voor eigen rekening. In de gegeven omstandigheden kon de notaris de betrokkene op dat ogenblik de toegang tot zijn onroerend goed niet ontzeggen, noch die toegang onderwerpen aan de voorwaarde van begeleiding.

Bij gebrek aan bewijs van de aan de geïntimeerde verweten onzorgvuldigheid, is hier niet voldaan aan alle toepassingsvoorwaarden van artikel 1383 B.W.

Op de vereiste van het bestaan van vergoedbare schade en van oorzakelijk verband wordt dan ook niet verder ingegaan.

De quasi-delictuele aansprakelijkheidsvordering van de appellante tegen de geïntimeerde is ongegrond.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep Antwerpen - eerste kamer

2011/AR/2054

BVBA ALGEMENE HUISVESTING, afgekort BVBA A.H.V., met vennootschapszetel gevestigd te 2140 Borgerhout-Antwerpen, Joe Englishstraat 63 bus 11 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0432.176.768;

appellante,

vertegenwoordigd door mr. Marc Matthyssens, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei 17;

tegen het vonnis van de 8e B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 7 april 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/2550/A;

tegen:

W. S., erenotaris, wonende te ...;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Eric Van Rooy, advocaat te 2000 Antwerpen, Oudaan 22-24;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- bij beschikking van de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 20 augustus 2009 wordt de geïntimeerde gelast met de publieke verkoop van het appartement, gelegen te Antwerpen, ..., eerste verdieping (in "residence ..."), met een oppervlakte van 125 m², dit ten laste van de eigenaar van dat appartement, J. R.;

- op de eerste zitdag van 8 december 2009 wordt het appartement voor de prijs van 89.000,00 EUR toegewezen aan de appellante, dit onder opschortende voorwaarde van afwezigheid van hoger bod;

- na de termijn van vijftien dagen laat de geïntimeerde aan de appellante weten dat geen hoger bod werd geformuleerd; bij proces-verbaal van afwezigheid van hoger bod van 24 december 2009 wordt het appartement bijgevolg definitief toegewezen aan de appellante;

- op 4 januari 2010 betaalt de appellante aan de geïntimeerde de verkoopprijs, vermeerderd met de kosten (samen: 106.446,97 EUR), waarvoor haar een notarieel getuigschrift wordt verleend;

- dezelfde dag begeeft de appellante zich naar het aangekochte appartement;

- de appellante laat gelden dat zij alsdan heeft moeten vaststellen dat de keuken zich niet meer bevond in de toestand zoals zij deze gezien had vóór de aankoop (meer bepaald volledig ingericht op maat volgens de joodse voorschriften): meer bepaald zou de keuken volledig ontmanteld geweest zijn, stukgeslagen en grotendeels verdwenen, derwijze dat zij een volledig nieuwe keuken zou hebben moeten in-stalleren;

- de appellante acht de geïntimeerde daarvoor aansprakelijk op grond van de artikelen 1382-1383 B.W.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 7 april 2011 op tegenspraak verleend door de 8e B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen:

- wordt de vordering van de appellante toelaatbaar, maar ongegrond verklaard;

- en wordt de appellante veroordeeld tot de gedingkosten.

2.2. Bij haar op 6 juli 2011 ter griffie neergelegd "verzoekschrift tot hoger beroep" tekent de appellante hoger beroep aan tegen het hier-boven bedoelde vonnis van 7 april 2011.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, §2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 29 april 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van haar op 7 mei 2012 ter griffie neergelegde "syntheseberoepsconclusie" vraagt de appellante:

- haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen;

- haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens de geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan haar van het bedrag van 14.355,73 EUR, vermeerderd met de vergoedende in-trest vanaf 8 februari 2009 "tot heden", met de gerechtelijke intrest sedertdien en met de gedingkosten.

3.2. Bij zijn op 13 juli 2012 ter griffie neergelegde "tweede aanvullende en syntheseberoepsbesluiten" vordert de geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van de beide instanties.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 7 april 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De appellante vordert van de geïntimeerde schadeloosstelling op grond van de artikelen 1382-1383 B.W. De geïntimeerde betwist dat ter zake aan de toepassingsvoorwaarden van die wetsbepalingen zou zijn voldaan.

4.2.2. Degene die schadevergoeding vordert bij toepassing van de artikelen 1382-1383 B.W. moet bewijzen dat door degene die hij aansprakelijk acht een fout/onzorgvuldigheid werd begaan in oorzakelijk verband met de schade op vergoeding waarvan hij aanspraak maakt. De appellante draagt bijgevolg de bewijslast van een fout of een gebrek aan voorzorg van de geïntimeerde, van vergoedbare schade en van oorzakelijk verband tussen beide. Aangezien het hier gaat om het bewijs van rechtsfeiten, kan de appellante aan die bewijslast voldoen door alle middelen van recht, getuigen en feitelijke vermoedens inbegrepen.

4.2.3. Aangaande de beweerde fout/onzorgvuldigheid van de geïntimeer-de

4.2.3.1. De fout/onzorgvuldigheid waarvoor een schadeverwekker op

basis van de artikelen 1382-1383 B.W. aansprakelijk kan zijn, bestaat in een gedraging die, ofwel, behoudens onoverwinnelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een rechtsnorm, waarbij de betrokkene verplicht is iets niet te doen of iets op bepaalde manier wel te doen (artikel 1382 B.W.), ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van de normaal zorgvuldige en omzichtige persoon, die in dezelfde concrete om-standigheden verkeert (artikel 1383 B.W.).

4.2.3.2. De appellante verwijt hier aan de geïntimeerde geen schending van een rechtsnorm in de zin van artikel 1382 B.W., doch wel een over-treding van de algemene zorgvuldigheidsnorm bedoeld bij artikel 1383 B.W. Meer bepaald zou de geïntimeerde als notaris gelast met een ge-dwongen openbare verkoop van een appartement een gebrek aan voorzorg hebben begaan door gedurende de periode van het hoger bod na de eerste zitdag op 15 december 2009 de eigenaar van dat appartement in het bezit te hebben gesteld van de sleutel van dat goed (teneinde hem toe te laten nog bepaalde persoonlijke spullen uit dat goed af te halen), minstens door die eigenaar zonder enige begeleiding de toegang tot dat goed te hebben verschaft.

4.2.3.3. De algemene zorgvuldigheidsnorm bedoeld bij artikel 1383 B.W. vereist dat men zijn handelwijze niet alleen bepaalt in functie van het eigen belang, maar dat men tevens voorzorgen neemt om schade aan andermans persoon of goederen te voorkomen. De vraag welke mate van voorzorg men moet in acht nemen om anderen niet te schaden, wordt daarbij beantwoord aan de hand van de abstracte vergelijking van de gedraging van de betrokkene met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldig en omzichtig persoon (de goede huisvader) geplaatst in dezelfde concrete externe omstandigheden. Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader (vgl. Cass. 26 juni 1998, Arr. Cass. 1998, 773).

4.2.3.4. Met de eerste rechter is ook het hof van oordeel dat de geïntimeerde door te handelen als gezegd geen onzorgvuldigheid heeft begaan. Op 15 december 2009 was J. R. nog steeds eigenaar van het betrokken onroerend goed die krachtens artikel 1572 Ger. W. als gerechtelijk sekwester ook het bezit daarvan behield tot bij de verkoop en conform artikel 1962 B.W. de verplichting had daarvoor te zorgen als een goede huisvader met verbod daaraan beschadigingen aan te brengen (artikel 1574 Ger. W.). De geïntimeerde was bijgevolg geen bewaarnemer van het appartement en al evenmin bewaarder daarvan in de zin van artikel 1384, eerste lid B.W. aangezien hij als gerechtelijk mandataris niet optrad voor eigen rekening. In de gegeven omstandigheden kon de geïntimeerde de betrokkene op dat ogenblik de toegang tot zijn onroerend goed niet ontzeggen, noch die toegang onderwerpen aan de voorwaarde van begeleiding. Aan de geïntimeerde valt in dat verband niets te verwijten, zeker vermits uit niets blijkt dat voordien reeds problemen met de eigenaar zouden zijn gerezen. Dat een normaal zorgvuldig en omzichtig notaris in de gegeven omstandigheden anders zou hebben gehandeld, is niet bewezen.

De bewering van de appellante dat een beslagene wiens onroerend goed gedwongen publiek wordt verkocht "a fortiori als ter kwader trouw moet worden aanzien", wordt niet bijgetreden. Het tegendeel vloeit voort uit de voormelde wetsbepalingen. De omstandigheid dat de geïntimeerde voordien een slotenmaker had moeten aanspreken voor het openmaken van de deur en het aanmaken van nieuwe sleutels, verandert daaraan niets. Ook het feit dat tegen dezelfde eigenaar voordien reeds een gedwongen openbare verkoping had plaatsgevonden, is in dat verband irrelevant.

Al evenmin relevant is de omstandigheid dat, bij gebrek aan hoger bod, de verkoopovereenkomst tot stand komt met terugwerkende kracht. Dat neemt immers niet weg dat op 15 december 2009 er nog geen zekerheid was omtrent de afwezigheid van enig hoger bod en dat, hangende de op-schortende voorwaarde van hoger bod, het eigendomsrecht nog niet aan de appellante was overgedragen (vgl. Cass. 27 juni 2008, JLMB 2009, 105).

Ook het feit dat het bezichtigen van het pand in het raam van de gedwongen openbare verkoping wel steeds heeft plaatsgehad in aanwezigheid van een aangestelde van de geïntimeerde, doet niets ter zake. Anders dan J. R. waren de kandidaat-kopers immers geen eigenaar van dat appartement.

Terecht laat de geïntimeerde tenslotte gelden dat hij ter zake weliswaar de hoedanigheid had van naamloos of neutraal bewindvoerder, doch zulks enkel tegenover de bij de procedure van onroerend beslag betrokken partijen en dus niet ten aanzien van de appellante, louter koper van het appartement (vgl. Cass. 16 april 2009, Arr. Cass. 2009, 1022).

4.2.3.5. Bij gebrek aan bewijs van de aan de geïntimeerde verweten on-zorgvuldigheid, is hier niet voldaan aan alle toepassingsvoorwaarden van artikel 1383 B.W. Op de vereiste van het bestaan van vergoedbare schade en van oorzakelijk verband wordt dan ook niet verder ingegaan.

4.2.3.6. Slotsom van wat voorafgaat is dat de quasi-delictuele aansprakelijkheidsvordering van de appellante tegen de geïntimeerde ongegrond blijft. Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

4.2.4. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de appellante veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep (artikel 1017, eerste lid Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het (geïndexeerde) basistarief van 1.210,00 EUR (in geld waardeerbare vordering in de schijf gaande van 10.000,01 EUR tot 20.000,00 EUR).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep en vereffent die aan de zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.210,00 EUR

Dit arrest werd gewezen door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. SCHROEYERS plaatsvervangend raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. SCHROEYERS

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

De raadsheer, dd. voorzitter van de eerste kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig artikel 782bis, eerste lid Ger. W. in openbare zitting van VIERENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND DERTIEN.

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS M. BLEYENBERGH

Vrije woorden

  • Gedwongen openbare verkoop

  • - notaris

  • geen bewaarnemer

  • geen bewaarder (artikel 1384, lid 1 BW)

  • artikel 1383 BW (neen)

  • artikel 1572 Ger.W. artikel 1962 BW

  • artikel 1574 Ger.W.