- Arrest van 28 oktober 2013

28/10/2013 - 2012AR802

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het hof stelt vooreerst vast dat appellant nalaat om de rechtsgrond van zijn vordering te vermelden, doch deze, blijkens de door/namens hem ter onderbouwing daarvan ontwikkelde argumenten, kennelijk gesteund is op art. 1382 - 1383 B.W.. Het komt appellant aldus als eiser toe om een fout, onvoorzichtigheid of nalatigheid in hoofde van geïntimeerde aan te tonen en tevens te bewijzen dat hij daardoor schade heeft geleden.

Het staat als dusdanig niet ter betwisting dat in de eerste druk van de cursus "Administratieve vorming Kringen 1: Module 1 gezinshuishouding", geschreven door tweede geïntimeerde en uitgegeven door eerste geïntimeerde, de in het artikel "Mensen met schulden", Knack, jaargang 26/1996 blz. 12 geciteerde uitspraak van appellant "een moordenaar komt er soms met 20 jaar vanaf, maar wij krijgen levenslang" werd opgenomen met vermelding van zijn naam en voornaam, zonder dat geïntimeerden hem om zijn toestemming daartoe hebben gevraagd.

Geïntimeerden stellen desbetreffend dat er in casu geen sprake is van een "geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens" in de zin van de Privacywet, dat de persoonsgegevens (naam en voornaam) van appellant ook niet werden opgenomen in een bestand, noch daarvoor bestemd zijn/waren en zich ten slotte de vraag stelt of appellant wel identificeerbaar is in de zin van artikel 1, § 1 van deze Wet, wat dan, volgens hen, niet het geval is.

Het hof treedt geïntimeerden bij in hun stelling dat de Privacywet in casu niet van toepassing is. De daarin geviseerde bewerkingen betreffen de verzameling van gegevens, de bewaring, het gebruik, de wijziging, de mededeling en leiden tot toepassing van deze Wet zodra de verwerking gebeurt aan de hand van geautomatiseerde procédés, die betrekking hebben op alle informatietechnologieën.

In casu is er evenwel geen sprake van een geautomatiseerd procédé.

De Wet op bescherming van persoonsgegevens is daarenboven slechts gedeeltelijk van toepassing voor uitsluitend journalistieke doeleinden, waarbij een aantal bepalingen juist niet worden toegepast om te zorgen voor een evenwicht op het vlak van het recht van vrije meningsuiting.

Deze Wet geldt ten slotte voor gegevensbanken, waarvan er in casu evenwel geen sprake is, terwijl verder nog wordt vastgesteld dat voor een bestand in de zin van deze Wet vereist is dat de inhoud

-dit zijn de persoonsgegevens- gestructureerd is volgens bepaalde criteria die de gegevens toegankelijk maken, hetgeen te dezen dan toch zeker niet het geval is, nu de naam en voornaam van appellant enkel worden vermeld in een onderwijshandboek en bijhorende CD-Rom.

Gezien de Privacywet in casu dus niet van toepassing is, kan geïntimeerden bezwaarlijk een miskenning daarvan als fout in oorzakelijk verband met de beweerdelijk door appellant geleden schade worden verweten.

Door zich in een artikel over overmatige schuldenlast in een tijdschrift, omwille van de alsdan hem eigen zijnde redenen, met naam en voornaam te laten opnemen, terwijl hij er dan toch voor had kunnen opteren om zijn boodschap in verband met overmatige schuldlast anoniem te verspreiden, heeft appellant er destijds ook zelf voor gekozen om zijn persoonlijke situatie publiek te maken en mocht het hem dan ook duidelijk zijn dat dit niet beperkt was in tijd.

Het kan geïntimeerden in die omstandigheden niet als fout of onzorgvuldigheid dan wel miskenning van het, volgens appellant, in zijnen hoofde bestaande ‘recht op vergetelheid' worden verweten dat zijn verhaal door hen met dezelfde doelstelling werd overgenomen en weergegeven in een onderwijshandboek en op de bijhorende CD-ROM.

Appellant beroept zich dan verder nog op een aantal door hem weergegeven bepalingen van de Grondwet, het EVRM en het BUPO-verslag, doch blijft alsnog in gebreke om de beweerde inbreuk daarop door geïntimeerden concreet aan te duiden en ter overtuiging/onderbouwing daarvan enige argumentatie te ontwikkelen.


Arrest - Integrale tekst

2012/AR/802 - 1 bis kamer

C G, wonende te ,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. C. P.,

tegen het vonnis van de 2e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 13 januari 2012, gekend onder rolnummer 11/150/A

tegen

1. UITGEVERIJ D. B. NV, met maatschappelijke zetel te

2. V F., met maatschappelijke zetel

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Mr. R. M. loco Mr. F. I., advocaat

*****

Gelet op de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder:

- het bestreden vonnis, dat op 13 januari 2012 werd gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en, volgens verklaring van de raadslieden van partijen ter zitting van dit hof d.d. 16 september 2013, niet betekend werd,

- het verzoekschrift in hoger beroep, dat op 12 maart 2012 ter griffie van dit hof neergelegd werd.

I. De feiten - voorwerp van de vordering - voorgaanden

De feiten, die ten grondslag liggen van de betwisting tussen partijen, en het voorwerp van de naar aanleiding daarvan door appellant ten laste van geïntimeerden gestelde vorderingen werden in het bestreden vonnis voldoende en correct weergegeven, zodat het hof daarvoor daarnaar verwijst.

De eerste rechter heeft met betrekking tot de door appellant ingeroepen schending van de privacywet vooreerst vastgesteld dat, gezien geïntimeerden niet betwistten dat het opnemen in een handboek en op een CD-rom van de naam van appellant en één van de door hem in een artikel over overmatige schuldenlast in het weekblad Knack geciteerde uitspraak "Een moordenaar komt er soms met twintig jaar vanaf, maar wij krijgen levenslang" een verwerking van persoonsgegevens uitmaakt, deze Wet van toepassing is.

Waar geïntimeerden zich dan evenwel in hun verweer beriepen op de uitzondering, voorzien in art. 3, §3 van deze Wet, stelde de eerste rechter dat appellant desbetreffend ten onrechte en overigens ook zonder duidelijke motivering betwistte dat er sprake zou zijn van uitsluitend journalistieke, artistieke of literaire doeleinden, daar, naar zijn oordeel, een schoolhandboek onbetwistbaar als (semi)wetenschappelijke literatuur te bestempelen is.

Volgens de eerste rechter verder stelde, ontslaat deze uitzondering de auteur dan wel niet van een aantal fundamentele verplichtingen en dit conform art. 4 Privacywet, hetgeen op zijn minst een zekere zorgzaamheid en terughoudendheid bij de verwerking van persoonsgegevens inhoudt, doch gaf appellant niet aan in welke mate geïntimeerden hierin tekort gekomen zijn.

Hij stelde dienaangaande vast dat geïntimeerden enkel geciteerd hebben wat appellant, blijkens het artikel in Knack, zelf had gezegd, was de aanleiding van diens financiële problemen correct weergegeven en werd de aldus door hem zelf in het openbaar gebrachte informatie slechts gebruikt in het kader van eenzelfde opzet als het aanvankelijk artikel in Knack, te weten: het waarschuwen voor de problematiek van de overmatige schuldenlast.

Volgens de eerste rechter verder nog stelde hadden geïntimeerden daarenboven blijkbaar meer dan correct en in de geest van art. 12 van de Privacywet gereageerd op de vraag van appellant om de publicatie te stoppen, vermits deze laatste alleszins niet betwistte dat zijn naam niet meer voorkomt in een (eventuele) herdruk en dat de on-lineversie off-line is gehaald.

In de mate dat appellant zich dan verder nog beriep op de Grondwet, het EVRM- en het BUPO-verdrag, stelde de eerste rechter dat hij niet aangaf in welke mate de daarbij door hem aangehaalde bepalingen tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden dan zijn bovenstaande beoordeling op basis van de Privacywet en er dan ook geen fout in hoofde van geïntimeerden kon worden weerhouden.

Ter zake het middel dat appellant meende te kunnen putten uit het aanvankelijk aanbod van geïntimeerden om een financiële compensatie te betalen, stelde de eerste rechter dat hierop bewust niet werd ingegaan en het duidelijk was dat dit aanbod na dagvaarding door geïntimeerden niet gehandhaafd werd.

Dergelijk aanbod was, volgens de eerste rechter, klaarblijkelijk bedoeld om snel tot een vergelijk te komen en impliceerde dit geen schulderkenning, nu het duidelijk was dat geïntimeerden pas later juridisch advies hebben ingewonnen en het hen niet ten kwade kan worden geduid oplossingsgericht te denken, wanneer zij met een ingebrekestelling uitgaande van een advocaat geconfronteerd worden.

De vorderingen van appellant werden aldus bij het bestreden vonnis toelaatbaar, doch ongegrond verklaard en appellant veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten, begroot aan de zijde van geïntimeerden op 2.200,00 EUR.

II. Vorderingen in hoger beroep

Het hoger beroep van appellant strekt ertoe om zijn vorderingen alsnog gegrond te horen verklaren.

Hij vordert aldus om geïntimeerden solidair, minstens in solidum, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 25.000,00 EUR, meer gerechtelijke intresten en vraagt verder wederom om hem akte te verlenen van zijn verzoek aan eerste geïntimeerde om te kennen te geven in welke oplage Kringen 1 Module 1, handleiding, is verschenen teneinde hem in staat te stellen zijn schade te begroten en hem tevens het nodige voorbehoud te verlenen teneinde zijn schade-eis definitief vast te leggen na voorlegging van de stukken door geïntimeerden.

Appellant vraagt verder nog om geïntimeerden:

- het verbod op te leggen om de cursus en de CD-rom van kringen 1 Module 1, handleiding met de vermelding van de door hem aangehaalde passages op blz. 194 alinea 2 en 3 van deze cursus en cd-rom, minstens met vermelding van zijn voornaam en familienaam, zijnde C G, of enige verwijzing naar zijn persoon, nog uit te geven, te verspreiden of tentoon te stellen, te koop te stellen of er enige publicatie dan ook en dit onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 EUR per tentoon gestelde of verkochte cursus en CD-rom op welke plaats deze ook tentoon gesteld of verkocht worden aangeboden, vermeerderd met de kosten van elke vaststelling met onmiddellijke -ingang vanaf het ogenblik van betekening;

- te bevelen alle reeds in omloop zijnde exemplaren met de vermelding van G C van de cursus en CD-rom Module 1 Kringen 1 terug te trekken binnen de 12 u na betekening van het tussen te komen bevelschrift onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 EUR per aangetroffen exemplaar van deze cursus en CD-rom, op welke plaats en in wiens handen ook, vermeerderd met de kosten van vaststelling met onmiddellijke ingang vanaf het ogenblik van betekening;

- elk afzonderlijk aan te stellen als bewaarder van de bij hem of haar aangetroffen exemplaren van de cursus en CD-rom, met verbod enig exemplaar uit handen te geven onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 EUR per uit handen gegeven exemplaar van de cursus en CD-rom,

- te veroordelen tot de kosten van het geding.

Geïntimeerden besluiten tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep van appellant en vragen om bijgevolg deze laatste ervan af te wijzen en het bestreden vonnis integraal te bevestigen.

Zij vorderen verder de veroordeling van appellant tot de kosten van het geding, welke zij dan, omwille de, volgens hen, door appellant veroorzaakte kennelijk onredelijke situatie, in hoger beroep begroten op 4.400,00 EUR, zijnde het maximum bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen.

III. Beoordeling

Ontvankelijkheid

-----------------------

Het door/namens appellant naar vorm en termijn regelmatig ingestelde hoger beroep is ontvankelijk.

Ten gronde

-------------

Het hof stelt vooreerst en volledigheidshalve met geïntimeerden vast dat appellant nalaat om de rechtsgrond van zijn vordering te vermelden, doch deze, blijkens de door/namens hem ter onderbouwing daarvan ontwikkelde argumenten, kennelijk gesteund is op art. 1382 - 1383 B.W..

Het komt appellant aldus als eiser toe om een fout, onvoorzichtigheid of nalatigheid in hoofde van geïntimeerde aan te tonen en tevens te bewijzen dat hij daardoor schade heeft geleden.

Appellant doet desbetreffend gelden dat uit het aangetekend antwoordschrijven van eerste geïntimeerde op de haar door zijn toenmalige raadsman verstuurde aangetekende ingebrekestelling van 15 februari 2010 blijkt dat geïntimeerden erkennen dat zij een fout hebben begaan door zijn naam te hebben gepubliceerd zonder zijn toestemming en deze erkenning van fout een buitengerechtelijke bekentenis is, welke zijn bewijswaarde heeft.

Appellant kan hierin evenwel niet worden gevolgd.

Het feit dat eerste geïntimeerde in haar schrijven erkende dat zij appellant eerst om toestemming hadden dienen te vragen vooraleer zijn naam in het boek gepubliceerd werd, zij daarin dan haar verontschuldigingen en deze van tweede geïntimeerde aanbood en ten slotte nog als financiële compensatie voor de geleden schade voorstelde om een bedrag van 250,00 EUR te betalen, kan als dusdanig niet worden aanzien als een bekentenis, welke het genoegzaam bewijs van zijn vordering oplevert.

Een (buiten)gerechtelijke bekentenis kan enkel betrekking hebben op feiten en rechtsfeiten en slaat niet op rechtsvragen of oplossingen, die in rechte aan een geschil dienen te worden gegeven en daartoe aan het oordeel van de rechter worden onderworpen.

Het hof is op zijn beurt van oordeel dat uit voormeld schrijven van eerste geïntimeerde enkel blijkt dan wel kan worden afgeleid dat zij geopteerd heeft voor een snelle en voor appellant aanvaardbare minnelijke oplossing, waarbij impliciet het risico van een verkeerde beoordeling van het aansprakelijkheidsprobleem werd aanvaard.

Het staat als dusdanig niet ter betwisting dat in de eerste druk van de cursus "Administratieve vorming Kringen 1: Module 1 gezinshuishouding", geschreven door tweede geïntimeerde en uitgegeven door eerste geïntimeerde, de in het artikel "Mensen met schulden", Knack, jaargang 26/1996 blz. 12 geciteerde uitspraak van appellant "een moordenaar komt er soms met 20 jaar vanaf, maar wij krijgen levenslang" werd opgenomen met vermelding van zijn naam en voornaam, zonder dat geïntimeerden hem om zijn toestemming daartoe hebben gevraagd.

Appellant doet, zoals in eerste aanleg, wederom gelden dat, door aldus te hebben gehandeld, geïntimeerden een inbreuk hebben gepleegd op de Privacywet, de Grondwet, het EVRM en BUPO-verdrag.

Anders dan in eerste aanleg, betwisten geïntimeerden thans wel uitdrukkelijk dat de Privacywet van toepassing is.

Zij stellen desbetreffend dat er in casu geen sprake is van een "geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens" in de zin van deze wet, dat de persoonsgegevens (naam en voornaam) van appellant ook niet werden opgenomen in een bestand, noch daarvoor bestemd zijn/waren en zich ten slotte de vraag stelt of appellant wel identificeerbaar is in de zin van artikel 1, § 1 van deze Wet, wat dan, volgens hen, niet het geval is.

Het hof treedt geïntimeerden bij in hun stelling dat de Privacywet in casu niet van toepassing is.

De daarin geviseerde bewerkingen betreffen de verzameling van gegevens, de bewaring, het gebruik, de wijziging, de mededeling en leiden tot toepassing van deze Wet zodra de verwerking gebeurt aan de hand van geautomatiseerde procédés, die betrekking hebben op alle informatietechnologieën.

In casu is er evenwel geen sprake van een geautomatiseerd procédé.

De Wet op bescherming van persoonsgegevens is daarenboven slechts gedeeltelijk van toepassing voor uitsluitend journalistieke doeleinden, waarbij een aantal bepalingen juist niet worden toegepast om te zorgen voor een evenwicht op het vlak van het recht van vrije meningsuiting.

Deze Wet geldt ten slotte voor gegevensbanken, waarvan er in casu evenwel geen sprake is, terwijl verder nog wordt vastgesteld dat voor een bestand in de zin van deze Wet vereist is dat de inhoud

-dit zijn de persoonsgegevens- gestructureerd is volgens bepaalde criteria die de gegevens toegankelijk maken, hetgeen te dezen dan toch zeker niet het geval is, nu de naam en voornaam van appellant enkel worden vermeld in een onderwijshandboek en bijhorende CD-Rom.

Gezien de Privacywet in casu dus niet van toepassing is, kan geïntimeerden bezwaarlijk een miskenning daarvan als fout in oorzakelijk verband met de beweerdelijk door appellant geleden schade worden verweten.

De daaromtrent of op grond daarvan door appellant ter onderbouwing van zijn vordering ontwikkelde argumentatie mist dan ook elke relevantie en het daarin door appellant in ondergeschikte orde gevraagde getuigenverhoor is niet dienend en verder niet aan de orde.

Appellant kan evenmin worden bijgetreden, waar hij stelt dat, door ongevraagd het citaat met vermelding van zijn naam en voornaam in het handboek op te nemen, geïntimeerden niet met de nodige zorgzaamheid en terughoudendheid hebben gehandeld en daarbij ook zijn ‘recht op vergetelheid' werd miskend.

In 1996 heeft appellant, als voorzitter van de onder meer door hem opgerichte vzw D., zijn medewerking verleend aan een artikel in Knack, jaargang 26/1996, geschreven door journalist C. D. S. over overmatige schuldenlast en daarbij zijn alsdan precaire, benarde financiële situatie, de oorzaak daarvan en de daarmee gepaard gaande gevoelens van aanhoudende onrust en onmacht uiteengezet.

In het door tweede geïntimeerde samengestelde en door eerste geïntimeerde uitgegeven schoolhandboek en op de bijhorende CD-Rom werd enkel en ook op correcte wijze weergegeven wat appellant in voormeld artikel had gezegd/uiteengezet over zijn hachelijke financiële toestand en werd deze informatie gebruikt met dezelfde doelstelling als deze, waarmee het artikel destijds in Knack door journalist D. S. met zijn medewerking werd geschreven, nl. waarschuwen voor overmatige schuldenlast en hetgeen zulks teweeg brengt/kan brengen.

De naam -maar dan met accent- en de voornaam van appellant werden daarbij dan wel vermeld, doch niet de bron, waardoor dan toch, naar oordeel van dit hof, in het midden werd gelaten of het al dan niet om een fictieve naam ging en appellant dus ook moeilijk(er) identificeerbaar was.

Door zich in een artikel over overmatige schuldenlast in een tijdschrift, omwille van de alsdan hem eigen zijnde redenen, met naam en voornaam te laten opnemen, terwijl hij er dan toch voor had kunnen opteren om zijn boodschap in verband met overmatige schuldlast anoniem te verspreiden, heeft appellant er overigens destijds ook zelf voor gekozen om zijn persoonlijke situatie publiek te maken en mocht het hem dan ook duidelijk zijn dat dit niet beperkt was in tijd.

Het kan geïntimeerden in die omstandigheden niet als fout of onzorgvuldigheid dan wel miskenning van het, volgens appellant, in zijnen hoofde bestaande ‘recht op vergetelheid' worden verweten dat zijn verhaal door hen met dezelfde doelstelling werd overgenomen en weergegeven in een onderwijshandboek en op de bijhorende CD-ROM.

In het aldus door geïntimeerden weergegeven relaas van de door hem zelf publiek gemaakte financiële perikelen werd/wordt ten slotte ook, in tegenstelling tot appellant voorhoudt, geenszins de indruk gewekt dat hij een mislukkeling is/was.

Appellant beroept zich dan verder nog op een aantal door hem weergegeven bepalingen van de Grondwet, het EVRM en het BUPO-verslag, doch blijft alsnog in gebreke om de beweerde inbreuk daarop door geïntimeerden concreet aan te duiden en ter overtuiging/onderbouwing daarvan enige argumentatie te ontwikkelen.

De feiten, beweringen, beschouwingen en argumenten van appellant ten spijt, dient dan ook, omwille van hetgeen voorafgaat, te worden besloten dat de gehekelde weergave zonder zijn toestemming in het schoolhandboek en op de CR-Rom van de door hemzelf in het artikel in het tijdschrift Knack gegeven toelichting over zijn financiële situatie geen fout of onzorgvuldigheid in hoofde van geïntimeerden uitmaakt en zijn vordering aldus elke grondslag mist.

Het hoger beroep van appellant is aldus ongegrond en het bestreden vonnis dienvolgens te bevestigen, waar het de vordering van appellant ongegrond verklaart.

IV. De kosten

De bij het bestreden vonnis gewezen beslissing met betrekking tot de kosten is niet voor enige kritiek vatbaar en dus eveneens te bevestigen.

Appellant dient verder ook, als de thans wederom in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep.

In tegenstelling tot geïntimeerden doen gelden, is er, naar oordeel van dit hof, in casu geen reden om het bedrag van de hen door appellant te betalen rechtsplegingvergoeding te vereffenen op het door hen gevorderde maximumbedrag van 4.400,00 EUR.

De omstandigheid dat de argumentatie van appellant in hoger beroep nagenoeg identiek is aan deze, welke hij ter onderbouwing van zijn vorderingen deed gelden en geïntimeerden zich hierdoor geconfronteerd zien met nutteloze advocatenkosten laat niet toe om te besluiten tot het kennelijk onredelijk karakter van de situatie, welke inderdaad niet slaat op de hypothese van procesmisbruik.

De rechtsplegingvergoeding is aldus in hoofde van geïntimeerden te vereffenen op het basisbedrag van 2.200,00 EUR.

V. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en, binnen de perken ervan, erop recht doende ten gronde:

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, vereffend aan de zijde van geïntimeerde op 2.200,00 EUR rechtsplegingvergoeding.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 28 oktober 2013 door

V. LENDERS Voorzitter

E. CLEYMANS Griffier

E. CLEYMANS V. LENDERS

Vrije woorden

  • Privacywet: niet van toepassing Wet op bescherming persoonsgegevens Bewijs van fout, schade en oorzakelijk verband (neen)