- Arrest van 5 maart 2013

05/03/2013 - 2009AR2095

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De eigenaar van een onroerend goed die door een niet - foutief feit het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars verbreekt, door het opleggen aan een naburige eigenaar van een stoornis die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, waardoor het verbroken evenwicht hersteld wordt.

Enkel bovenmatige hinder (= het abnormaal karakter van de hinder) komt voor compensatie in aanmerking.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2009/AR/2095

INZAKE VAN :

1) Mevrouw A. L., wonende te

2) Mevrouw D. M., wonende

in hun hoedanigheid van wettige rechtsopvolgers van wijlen de heer Louis M., overleden op 2 april 2009,

beiden woonstkiezende op het adres van hun raadsman Meester Sven VERNAILLEN, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 24 februari 2009,

vertegenwoordigd door Meester DE LEENER loco Mr Sven VERNAILLEN, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer G. CO., EN

2) Mevrouw T. CA.,

wonende te

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Michel CORYN, advocaat te 3000 LEUVEN, Rijschoolstraat 1/19,

De eigenaar van een onroerend goed die door een niet - foutief feit het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars verbreekt, door het opleggen aan een naburige eigenaar van een stoornis die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, waardoor het verbroken evenwicht hersteld wordt.

Enkel bovenmatige hinder (= het abnormaal karakter van de hinder) komt voor compensatie in aanmerking.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 24 februari 2009, beslissing die betekend werd op 25 juni 2009;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 24 juli 2009;

• de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 15 oktober 2010;

• de "conclusie3" van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 14 en 15 december 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 januari 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellanten strekte ertoe (1) te horen zeggen voor recht dat de door geïntimeerden aangelegde betonnen verharding in strijd is met artikel 99 van de Stedenbouwwetgeving, (2) geïntimeerden te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 1 euro wegens mingenot geleden door dat wederrechtelijk handelen en (3) geïntimeerden te horen veroordelen tot afbraak van deze wederrechtelijk aangelegde betonnen verharding, minstens voor wat betreft het deel van de verharding dat hun recht van overgang doorkruist, en de plaats te herstellen in haar oorspronkelijke staat binnen 1 maand na betekening van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 150 euro per dag vertraging.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vordering met dien verstande dat zij thans vragen een deskundige aan te stellen om de door hen geleden schade verder te begroten.

1.4. Geïntimeerden vragen de bevestiging van het bestreden vonnis en dringen derhalve niet meer aan wat de door hen in eerste instantie ingeroepen exceptie van niet - bevoegdheid betreft.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellanten eigenaar zijn van een landbouwbedrijf in X

Zij hebben een conventioneel recht van overgang op het perceel van geïntimeerden om hun achterliggend ingesloten perceel te kunnen bereiken.

2.3. Volgens appellanten zouden geïntimeerden eind april 2008 een betonnen verharding (= betonnen blokken met gaten) hebben aangebracht over de volledige breedte van hun perceel die het recht van overgang kruist.

In de loop van 2008 zouden geïntimeerden de betonnen stenen inmiddels vervangen hebben door dolomiet.

III. Bespreking.

3.1. De eerste rechter oordeelde dat (1) zonder in te gaan op het beweerde bouwmisdrijf huidige appellanten niet aantoonden dat zij enige schade hadden opgelopen of dreigden op te lopen doordat een pad van zand en dolomiet hun recht van overgang kruist en dat zij bovendien evenmin m.b.t. die beweerde schade de aanstelling van een deskundige vroegen (= 1382 e.v. B.W.) en (2) er geen verstoring van het evenwicht bewezen was (= 544 B.W.).

3.2. Het enige wat appellanten bijbrengen, zijn foto's die aantonen dat een pad van zand en dolomiet werd aangebracht dat hun recht van overgang kruist.

Uit de foto's neergelegd door geïntimeerden blijkt dan weer dat landbouwmachines geen enkele hinder ondervinden van dat pad en er zonder enige moeite vlot overheen geraken.

Appellanten hebben overigens nooit enige klacht geuit tegen geïntimeerden over het feit dat zij ingevolge de aanleg van dat pad hun hooiland niet meer konden bewerken. De bijgebrachte foto's bewijzen andermaal het tegendeel.

Appellanten hebben het tenslotte over hun koeien die zouden weigeren over dat pad te lopen en/of zich zouden kwetsen aan hun hoeven. Er staat alleen vast dat het ingesloten perceel door appellanten gebruikt wordt als hooiland. Het bewijs wordt niet geleverd van de aanwezigheid van koeien en nog minder van koeien die van en naar een weiland moeten worden gebracht.

3.3. Het komt aan appellanten toe van minstens een begin van bewijs voor te leggen van de door hen beweerde schade.

Een dergelijk begin van bewijs ligt niet voor en de beweringen van appellanten worden allen weerlegd door de fotoreportage neergelegd door geïntimeerden waarover geen dispuut wordt gevoerd.

Gezien vaststaat dat appellanten geen enkel bewijs voorleggen van de schade die ze zouden hebben geleden door de aanleg van het kwestieuze pad bestaat er dan ook geen aanleiding om na te gaan of geïntimeerden een fout hebben begaan in de zin van artikel 1382 e.v. B.W.

3.4. Appellanten beroepen zich tevens op artikel 544 B.W.

De eigenaar van een onroerend goed die door een niet - foutief feit het evenwicht tussen de rechten van naburige eigenaars verbreekt, door het opleggen aan een naburige eigenaar van een stoornis die de maat van de gewone buurschapsnadelen overschrijdt, is hem een rechtmatige en passende compensatie verschuldigd, waardoor het verbroken evenwicht hersteld wordt.

Enkel bovenmatige hinder (= het abnormaal karakter van de hinder) komt voor compensatie in aanmerking.

Appellanten bewijzen evenmin dat het pad in kwestie voor hen een bovenmatige hinder met zich meebrengt.

Ook de voorwaarden voor de toepassing van artikel 544 B.W. zijn in deze niet verwezenlijkt.

3.5. In tegenstelling met wat appellanten vorderden voor de eerste rechter vragen zij thans de aanstelling van een gerechtelijke deskundige met als opdracht na te gaan welke de definitieve schade is in hunnen hoofde.

Hoger werd reeds aangetoond dat appellanten zelfs geen begin van bewijs voorleggen van schade die door hen zou zijn geleden.

Zij leggen geen schadestukken neer - terwijl voorgehouden wordt dat schade is toegebracht aan hun landbouwmachines en aan de hoeven van het vee - en beperken hun schade - eis tot 1 euro ten provisionele titel.

Vooraleer een deskundige wordt aangesteld, moeten appellanten aannemelijk maken dat zij inderdaad schade zouden kunnen geleden hebben.

Het komt niet aan een deskundige toe dit begin van bewijs te leveren.

In de gegeven omstandigheden is er dan ook geen reden om een gerechtelijke deskundige aan te stellen.

3.6. Het bestreden vonnis wordt dan ook integraal bevestigd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat hier aan voorafgaat.

3.7. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 euro wat het niet - geïndexeerd basisbedrag is voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn .

Na indexatie wordt dit 1.320 euro.

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerden samen die de in het gelijk gestelde partijen zijn die vertegenwoordigd worden door eenzelfde raadsman.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot,

- in hoofde van henzelf op euro 1.506 (186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

05/03/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Art. 544 BW. Burenhinder. Vereiste van bovenmatige burenhinder als voorwaarde voor compensatie