- Arrest van 5 maart 2013

05/03/2013 - 2012KR97

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat voor alle gerechtscolleges, in hoger beroep, de taal gebruikt wordt waarin de bestreden beslissing is gesteld.

Artikel 38 van diezelfde wet bepaalt verder dat aan elke in het Nederlands gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of de kennisgeving moet gedaan worden in het Franse taalgebied, een Franse vertaling toegevoegd zal worden. Van dit voorschrift mag echter afgeweken worden, indien de partij aan wie de betekening moet gedaan worden, voor de rechtspleging de taal heeft gekozen of aanvaard, in dewelke de akte, het vonnis of het arrest is gesteld.

In artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst van 1 oktober 2010 zijn in casu partijen overeengekomen dat ingeval van geschillen de rechtbanken van Brussel bevoegd zijn en dat de taal het Nederlands zou zijn. Voor de rechtspleging hebben geïntimeerden dus het Nederlands aanvaard als taal van de procedure gelet op voornoemd artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2012/KR/97

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap WIND ENERGY POWER, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1500 HALLE, Edingensesteenweg 196, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0864.995.025,

appellante tegen een beschikking uitgesproken door de rechtbank van koophandel te Brussel op 17 april 2012,

vertegenwoordigd door Meester Wim VANDENBERGHE, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 930,

1ste kamer

TEGEN :

1) De naamloze vennootschap ALTERNATIVE GREEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 6860 LEGLISE, rue des Cooses, Louftémont 6, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0899.460.115, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Alain DE JONGE, advocaat te 1702 GROOT-BIJGAARDEN, A. Gossetlaan 54 bus 11,

2) De B.V.B.A. VAN MARCKE, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 6860 LEGLISE, rue des Cooses, Louftémont 6, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0893.857.374, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Alain DE JONGE, advocaat te 1702 GROOT-BIJGAARDEN, A. Gossetlaan 54 bus 11,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Alain DE JONGE, advocaat te 1702 GROOT-BIJGAARDEN, A. Gossetlaan 54 bus 11,

Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat voor alle gerechtscolleges, in hoger beroep, de taal gebruikt wordt waarin de bestreden beslissing is gesteld.

Artikel 38 van diezelfde wet bepaalt verder dat aan elke in het Nederlands gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of de kennisgeving moet gedaan worden in het Franse taalgebied, een Franse vertaling toegevoegd zal worden. Van dit voorschrift mag echter afgeweken worden, indien de partij aan wie de betekening moet gedaan worden, voor de rechtspleging de taal heeft gekozen of aanvaard, in dewelke de akte, het vonnis of het arrest is gesteld.

In artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst van 1 oktober 2010 zijn in casu partijen overeengekomen dat ingeval van geschillen de rechtbanken van Brussel bevoegd zijn en dat de taal het Nederlands zou zijn. Voor de rechtspleging hebben geïntimeerden dus het Nederlands aanvaard als taal van de procedure gelet op voornoemd artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van Koophandel te Brussel, zetelend in kort geding, op 17 april 2012, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 30 april 2012;

• de conclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 1 oktober 2012;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 23 oktober 2012.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 januari 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe (samengevat):

1. een vervreemdingsverbod op te leggen aan geïntimeerden ten aanzien van iedere andere persoon dan appellante m.b.t. alle opstellingsplaatsen en aanverwanten nodig voor de plaatsing en exploitatie van windturbines in het Spypark gelegen op een welbepaalde plaats te Jemeppe - sur Sambre tot er definitieve uitspraak is ten gronde of een minnelijk akkoord afgesloten wordt over het overnamerecht van appellante m.b.t. 2 van de 3 windturbineopstellingsplaatsen;

2. aan geïntimeerden een verbod op te leggen om op welke wijze ook bindende afspraken te maken met derden m.b.t. Spypark en dit tot er definitieve uitspraak is ten gronde of een minnelijk akkoord afgesloten wordt over het overnamerecht van appellante m.b.t. 2 van de 3 windturbineopstellingsplaatsen;

3. een gerechtelijk sekwester aan te stellen teneinde alle nodige schikkingen te treffen en er op toe te zien dat de hier voren gevraagde maatregelen nagekomen worden en uit dien hoofde het beheer waar te nemen van het Spypark en van de beslissingen genomen m.b.t. de punten 1 en 3;

4. aan appellante en de sekwester toelating te verlenen om in het bevoegde hypotheekkantoor kantmelding te maken van de uit te spreken beschikking;

5. bevel op te leggen aan geïntimeerden om aan appellante alle nodige informatie - waarvan het minimum wordt opgesomd - m.b.t. het Spypark over te maken onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per dag vertraging vanaf de 2e dag na betekening van de tussen te komen beschikking.

1.2. Geïntimeerden stelden een tegenvordering in en vroegen (1) appellante te veroordelen zich te onthouden van het verhinderen - op welke wijze ook - van de verkoop van de windturbines door geïntimeerde sub 1 aan derden, onder voorbehoud dat zij het voorkeurrecht van appellante moet naleven, dit alles onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per daad of handeling die dergelijke verkoop mocht trachten te verhinderen en (2) hen akte te verlenen van hun voorbehoud schadevergoeding te zullen vorderen van appellante mocht geïntimeerde sub 1 de kans missen om de windturbines in de nabije toekomst te verkopen.

1.3. De eerste rechter heeft zowel de hoofdvordering als de tegenvordering toelaatbaar doch ongegrond verklaard.

1.4. In hoger beroep vraagt appellante haar vordering zonder voorwerp te verklaren gezien de windturbine - opstellingsplaatsen inmiddels door geïntimeerde sub 1 overgedragen werden aan EDF Luminus.

1.5. Geïntimeerden vragen het hoger beroep onontvankelijk te verklaren en bij wijze van incidenteel beroep ongegrond bij gebrek aan hoogdringendheid minstens zonder voorwerp te verklaren.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat op 1 oktober 2010 een samenwerkingsovereenkomst afgesloten werd tussen appellante, geïntimeerden en de NV CG HOLDINGS BELGIUM hierna CG genoemd - die geen partij is in het geding.

Deze overeenkomst had betrekking op het bekomen van een vergunning, de financiering en de ontwikkeling van verschillende windmolenparken in het Waalse Gewest waaronder een park (= Spy - park) in Jemeppe - sur Sambre bestemd voor 3 windturbines.

Geïntimeerden waren de projectontwikkelaars en de vergunningsaanvragen werden door hen gecoördineerd.

Appellante verleende samen met CG financiële steun aan voornoemde geïntimeerden voor deze projectontwikkeling.

2.3. In ruil voor die financiële steun werden aan appellante en CG bepaalde rechten toegekend waaronder aan appellante - samengevat - (1) het recht om bepaalde definitief vergunde windturbine - opstellingsplaatsen over te nemen tegen een vooraf overeengekomen prijsregeling, (2) een voorkooprecht op die opstellingsplaatsen en (3) bij beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst door geïntimeerden een voorkeurrecht op overname van diezelfde opstellingsplaatsen.

2.4. In de loop van 2011 verliep de relatie tussen partijen moeizamer en bij schrijven van 16 februari 2012 hebben geïntimeerden de samenwerkingsovereenkomst opgezegd.

Gezien een opzeggingstermijn overeengekomen was van 4 weken verliep die overeenkomst bijgevolg op 14 maart 2012.

Bij de opzegging werden alle financiële middelen die ter beschikking waren gesteld door de financiers, waaronder appellante, terugbetaald. Aan appellante werd een bedrag terugbetaald van 360.831,16 euro (inclusief rente).

2.5. Bij aangetekend schrijven van 8 maart 2012 heeft appellante de uitoefening van haar recht tot onmiddellijke overname bevestigd wat geweigerd werd door geïntimeerden bij brief van 15 maart 2012. In dit schrijven wierpen geïntimeerden op dat de prijs van de (over te nemen) windturbines niet kon worden bepaald omdat de ingewikkelde formule opgenomen in artikel 4.1. van de samenwerkingsovereenkomst te veel ongekende parameters bevatte en bijgevolg onmogelijk toe te passen was.

Bij aangetekend schrijven van 16 maart 2012 - opgesteld na het beëindigen van de samenwerkingsovereenkomst - heeft geïntimeerde sub 1 appellante uitgenodigd om haar voorkeurrecht uit te oefenen hierbij verwijzend naar artikel 5.2(d) van de samenwerkingsovereenkomst.

Bij aangetekend schrijven van 22 maart 2012 antwoordde appellante te moeten vaststellen dat haar schrijven van 8 maart 2012 volstrekt genegeerd werd en dat geïntimeerde sub 1 haar verhinderde haar contractueel recht op onmiddellijke overname van de desbetreffende windturbineopstellingsplaatsen met bijhorende vergunningen uit te oefenen.

Eén en ander werd betwist door geïntimeerde sub 1 bij aangetekend schrijven van 29 maart 2012 waarin o.m. gesteld werd dat (1) het schrijven van appellante van 8 maart 2012 geenszins genegeerd werd, (2) zij op 15 maart 2012 uitvoerig had aangetoond dat er geen overeenstemming was over de prijs, hetgeen een essentieel bestanddeel is van een koopovereenkomst, (3) de overeenstemming over de prijs enkel tot stand kon komen tijdens de duur van de overeenkomst wat niet was gebeurd omwille van de redenen uiteengezet in haar brief van 15 maart 2012 en (4) zij na het beëindigen van de overeenkomst aan appellante de gelegenheid had gegeven om haar voorkeurrecht uit te oefenen doch moest vaststellen dat zij dit niet wenste uit te voeren.

2.6. Op 27 april 2012 hebben geïntimeerden alle windturbineopstellingsplaatsen van het Spy - park overgedragen aan LUMINUS, die in deze zaak geen partij is.

III. Bespreking.

3.1. Geïntimeerden houden voor dat appellante ten onrechte in haar verzoekschrift in hoger beroep melding maakt van het feit dat zij woonstkeuze hebben gemaakt bij hun raadsman.

Zij werpen verder op dat ze beiden vennootschappen zijn, gelegen in Wallonië en dat appellante om de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken te omzeilen zelf beslist heeft dat geïntimeerden woonstkeuze deden bij hun raadsman terwijl een dergelijke beslissing alleen bij hen lag.

Zij leiden hieruit af dat aan het verzoekschrift in hoger beroep een Franse vertaling had moeten gevoegd worden - wat niet gebeurd is - en dat het hoger beroep om deze reden niet ontvankelijk dient verklaard te worden.

De door geïntimeerden ingeroepen rechtsvraag betreft de mogelijke nietigheid van het verzoekschrift in hoger beroep en de hieraan gerelateerde toelaatbaarheid van het hoger beroep.

3.2. In artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst van 1 oktober 2010 zijn partijen overeengekomen dat ingeval van geschillen de rechtbanken van Brussel bevoegd zijn en dat de taal het Nederlands zou zijn.

Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat voor alle gerechtscolleges, in hoger beroep, de taal gebruikt wordt waarin de bestreden beslissing is gesteld.

Artikel 38 van diezelfde wet bepaalt verder dat aan elke in het Nederlands gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of de kennisgeving moet gedaan worden in het Franse taalgebied, een Franse vertaling toegevoegd zal worden. Van dit voorschrift mag echter afgeweken worden, indien de partij aan wie de betekening moet gedaan worden, voor de rechtspleging de taal heeft gekozen of aanvaard, in dewelke de akte, het vonnis of het arrest is gesteld.

Voor de rechtspleging hebben geïntimeerden het Nederlands aanvaard als taal van de procedure gelet op voornoemd artikel 10 van de samenwerkingsovereenkomst.

3.3. Ten overvloede wordt hieraan nog toegevoegd dat wanneer de griffier bij de kennisgeving van een verzoekschrift tot hoger beroep een vertaling moet voegen en zulks niet gebeurd is, dit verzoekschrift zelfs dan niet nietig is omdat de eiser geen vertaling heeft bijgevoegd .

3.4. Alle partijen zijn het eens dat de vordering van appellante thans zonder voorwerp is geworden gelet op het feit dat geïntimeerden op 27 april 2012 de windturbineopstellingsplaatsen van het Spy - park overgedragen hebben aan LUMINUS, die in deze zaak geen partij is.

Appellante stelt zelf in haar conclusie dat het in onderhavig kortgeding gevraagde verbod tot overdracht door het in tussentijds overdragen van de windturbine - opstellingsplaatsen door geïntimeerden zonder voorwerp is geworden.

3.5. Appellante vraagt het minimumbedrag toe te kennen voor wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, hetzij 82,50 euro, terwijl geïntimeerden een bedrag vorderen ad 1.320 euro, zijnde het geïndexeerd basisbedrag voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

In de huidige omstandigheden worden de rechtsplegingsvergoedingen omgeslagen.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante thans zonder voorwerp.

Begroot de gerechtskosten in hoger beroep in totaal op euro 186 rolrecht en slaat de rechtsplegingsvergoedingen om.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

05/03/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Taalgebruik in gerechtszaken; artikel 24, wet van 15 juni 1935; overeenkomsten tussen partijen dat de rechtbanken van brussel bevoegd zijn en dat het Nederlands de an te wenden taal is. Geldigheid van uit de optiek van artikel 38 van de taalwet van 15 juni 1935