- Arrest van 24 september 2013

24/09/2013 - 2009AR3233

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze over de vraag of - in een concreet geval - met inachtneming van de intentie van de schenker en van alle feitelijke omstandigheden, een schenking nu wel een zuivere schenking is dan wel een vergeldende schenking dan wel een gemengd karakter heeft.

Inzake de vergeldende schenking bestaat geen uitdrukkelijke bepaling in het Burgerlijk Wetboek of in een bijzondere wet.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2009/AR/3323

INZAKE VAN :

Mevrouw M. L.,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 september 2009,

vertegenwoordigd door Meester ALAERTS loco Meester HUBRECHTS, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Tiensesteenweg 305,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw M. D.,

2) Mevrouw V. D., ,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Ludo KOOLS, advocaat te 2800 MECHELEN, Van Benedenlaan 15,

______________________________________________

SCHENKINGEN. ZUIVERE SCHENKING DAN WEL VERGELDENDE SCHENKING? BEOORDELINGSBEVOEGDHEID VAN DE FEITENRECHTER

De feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze over de vraag of - in een concreet geval - met inachtneming van de intentie van de schenker en van alle feitelijke omstandigheden, een schenking nu wel een zuivere schenking is dan wel een vergeldende schenking dan wel een gemengd karakter heeft.

Inzake de vergeldende schenking bestaat geen uitdrukkelijke bepaling in het Burgerlijk Wetboek of in een bijzondere wet.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 8 september 2009, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 17 december 2009;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 3 juni 2011;

• de syntheseconclusie van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 19 september 2011.

• Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 24 juni 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerden strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 22.674,165 euro aan eerste geïntimeerde en van 44.073,695 euro aan tweede geïntimeerde, telkens plus intresten.

In hun latere conclusie vroegen geïntimeerden samen de betaling van een bedrag van 66.088,41 euro - 6.526,29 euro = 59,562,12 euro (= 2.402.730 BEF) plus de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding, zijnde 6 maart 2002.

1.2. De eerste rechter heeft deze laatste vordering integraal toegekend weze het dat hij op het bedrag van 66.088,41 euro intresten heeft toegekend vanaf 6 maart 2002 tot 21 februari 2006 en vanaf 21 februari 2006 tot de dag van de algehele betaling op het bedrag van 59.562,12 euro.

1.3. In hoger beroep vraagt appellante (1) in hoofdorde, de vordering van huidige geïntimeerden af te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond en (2) in ondergeschikte orde - voor het onmogelijke geval dat het niet om een vergeldende schenking zou gaan - , alvorens recht te doen over de vordering tot inkorting, een notaris aan te stellen teneinde de berekening van de eventuele inkortingen op de schenkingen aan appellante na te kijken en de activa en passiva in de nalatenschap van de heer D. correct te waarderen.

1.4. Geïntimeerden verzoeken het bestreden vonnis integraal te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat de heer R. D. - geboren te Oostende op 17 september 1925 - overleden is te Mechelen op 9 juli 2000.

Hij huwde in 1951 met Mevrouw Y. B.. Zijn huwelijk met Mevrouw Y. B. werd ontbonden door haar overlijden in 1972.

De echtgenoten D. - B. hadden twee kinderen, zijnde V. D. en M. D. (= huidige geïntimeerden).

2.3. R. D. schonk op 12 augustus 1994 aan zijn twee dochters, een perceel bouwgrond gelegen te Z., "bij vooruitgift en buiten paart"

R. D. heeft bovendien op 26 juni 2000 - enkele dagen voor zijn overlijden - zijn authentiek testament gedicteerd aan notaris R.M. B. met standplaats te Mechelen, luidend als volgt:

"Ik herroep en vernietig onherroepelijk alle testamenten en uiterste wilsbeschikkingen die ik voorafgaandelijk aan dit testament heb opgemaakt.

Ik stel aan als mijn algemene legatarissen van mijn gehele nalatenschap mijn twee dochters, met name: 1/ Mevrouw D. M...., geboren te ... op ..., wonende te ......en 2/ Mevrouw D. V...., geboren te..., wonende te...

Ik stel aan als bijzondere legataris, mijn kleinzoon T. J. Y.

D....voor een derde in volle eigendom in mijn woning te X, ...straat, ... ."

2.4. Mevrouw M. L. (= appellante) is geboren te Mechelen op 17 juni 1957. Zij is uit de echt gescheiden van de heer E. T. in 1995 met wie zij twee kinderen had. Zij is opnieuw gehuwd met de heer Ro. Do. op 23 augustus 1996.

Zij trad in dienst bij R. D. in de loop van 1984. Zij werkte voor hem tot hij stierf op 9 juli 2000. Haar taak evolueerde - volgens haar - van werkvrouw tot huishoudster, eerst tijdelijk en daarna - volgens haar - praktisch voltijds. Volgens appellante evolueerde zij aldus tot huishoudster in de volste betekenis van het woord op wie R. D. altijd kon rekenen en die zij steeds goed heeft verzorgd.

Zij zou een maandelijkse forfaitaire vergoeding van zesduidend frank (= 148,74 euro) hebben gekregen ter vergoeding van haar prestaties.

R. D. gaf aan Mevrouw L. in de loop der jaren ook geldsommen en waardepapieren, in de vorm van handgiften.

Geïntimeerden betwisten de voorstelling van de feiten zoals weergegeven door appellante. Volgens hen was Mevrouw L. niet meer dan een werkvrouw die enkele uren per week bij hun vader kwam kuisen en daarvoor werd betaald. Nog steeds volgens hen haalde zij met de bankkaart van wijlen de heer D. grote bedragen af bestemd voor haar en haar gezin en werden door vader allerlei autokosten betaald voor appellante, zoals benzine, onderhoudsfacturen, taksen, verzekeringen enz.

2.5. Na het overlijden van hun vader waren geïntimeerden de mening toegedaan dat een belangrijk deel van diens vermogen verdwenen was en legden zij om deze reden klacht neer.

Hierop volgde een uitgebreid gerechtelijk onderzoek.

Bij beschikking van 17 december 2002 werd appellante buiten vervolging gesteld. De raadkamer te Y. was van oordeel dat appellante inderdaad tal van handgiften bij leven ontving van wijlen de heer D. maar er onvoldoende aanwijzingen waren dat de voorliggende giften op onrechtmatige wijze verkregen zouden zijn geweest en bijgevolg van het bestaan van een misdrijf.

III. Bespreking.

3.1. Geïntimeerden (= oorspronkelijke eisers) vorderden voor de eerste rechter:

- Mevrouw L. te horen veroordelen tot inkorting van de schenkingen - die zij ontving van R. D. - en die het beschikbaar gedeelte - bedragende thans 114.690,57 euro onder alle voorbehoud - overschrijden;

- Mevrouw L. te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 66.747,86 euro - 6.526,29 euro = 59.262,12 euro, onder alle voorbehoud, plus de gerechtelijke intresten.

Geïntimeerden houden verder voor dat na de schenking "buiten paart" door hun vader aan zijn twee dochters in augustus 1994, alle door hem nadien gedane schenkingen in te korten zijn en dat het legaat ten voordele van diens kleinzoon is komen te vervallen.

3.2. Appellante stelt dat er in deze geen grond voor inkorting voorhanden is met betrekking tot de sommen en waarden die zij ontving van R. D. omdat het volgens haar vergeldende schenkingen betrof in uitvoering van een natuurlijke verbintenis lastens R. D., die ontsnappen aan de regels inzake vorm en grond van echte schenkingen.

Appellante houdt derhalve voor dat de schenkingen waarvan zij de begiftigde is geen echte schenkingen waren die vatbaar zijn voor inkorting bij overschrijding van het beschikbaar deel maar dat het vergeldende schenkingen betrof die niet onderworpen zijn aan de voor inkorting geldende wettelijke regeling.

Nog steeds volgens appellante heeft R. D. niet meer gedaan dan uitvoering geven aan een natuurlijke verbintenis - in ruil voor bewezen diensten - en zijn dergelijke schenkingen vergeldende schenkingen die niet vatbaar zijn voor inkorting.

3.3. De eerste rechter heeft de vordering van geïntimeerden, ontvankelijk en gegrond verklaard en heeft dienvolgens huidige appellante veroordeeld tot betaling van "de som van 59.262,12 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 6 maart 2002 tot 21 februari 2006 op het bedrag van 66.088,41 euro en vanaf 21 februari 2006 op 59.262,12 euro."

De eerste rechter overwoog hierbij het volgende:

- Mevrouw L. slaagt er niet in ten genoege van recht aan te tonen dat de bedragen die zij van R. D. ontving, werden bekomen in uitvoering van een natuurlijke verbintenis. Zij slaagt er bijgevolg niet in ten genoege van recht aan te tonen dat de schenkingen in deze als vergeldende giften, die niet aan inkorting worden onderworpen, zouden moeten beschouwd worden;

- Het gaat derhalve in deze om gewone giften die op het beschikbaar deel moeten aangerekend worden en derhalve - desgevallend - inkortbaar zijn.

3.4.1. In principe zijn alle schenkingen onder de levenden wettelijk aan te rekenen - naargelang van de hypothese - hetzij op de reserve van de reservataire erfgenamen hetzij op het beschikbaar deel.

Hij die een uitzondering op deze principes van aanrekening inroept, dient het bewijs te leveren dat alle voorwaarden voor de toepassing van de uitzonderlijke bepaling vervuld zijn, en dit bij toepassing van artikel 1315 B.W. en artikel 870 Ger. W. inzake de bewijslast.

Het komt dus aan appellante zelf toe het bewijs te leveren dat de aan haar gedane schenkingen geen gewone of echte schenkingen zijn maar wel vergeldende schenkingen die niet onder het gemene recht zouden vallen, maar wel onder een uitzonderingsregime.

Het is dan ook ten onrechte dat appellante stelt dat het aan geïntimeerden - als oorspronkelijke eisers - toekomt het bewijs bij de brengen dat de door hun vader gedane schenkingen aan appellante geen vergeldende schenkingen zouden zijn die dus wel aan te rekenen zouden zijn op het beschikbaar deel.

Een dergelijke stelling berust op een miskenning van de principes inzake de bewijslast.

3.4.2. De feitenrechter oordeelt op onaantastbare wijze over de vraag of - in een concreet geval - met inachtneming van de intentie van de schenker en van alle feitelijke omstandigheden, een schenking nu wel een zuivere schenking is dan wel een vergeldende schenking dan wel een gemengd karakter heeft.

3.4.3. Inzake de vergeldende schenking bestaat geen uitdrukkelijke bepaling in het Burgerlijk Wetboek of in een bijzondere wet.

Het principe is dat er geen sprake is van welke schenking ook wanneer de beschikker een civielrechtelijke afdwingbare betaling deed aan de dienstverstrekker. De beschikker betaalt immers dan aan de dienstenverstrekker eenvoudigweg zijn schuld.

Bestaat er civielrechtelijk geen afdwingbare schuld tussen de beschikker en diens dienstverlener, dan is de juiste kwalificatie van de door de beschikker gestelde rechtshandeling - als gift dan wel als rechtshandeling onder bezwarende titel - mede afhankelijk én van de omvang en de aard van de in het verleden verrichte diensten én van de omvang van de ‘schenking'.

De overdracht maakt dan geen ‘echte' schenking uit maar een ‘vergeldende' schenking wanneer de gepretendeerde vergoeding in verhouding staat tot de geleverde diensten waarvoor het een vergoeding wil zijn.

Bij de kwalificatie (= al of niet vergeldende schenking) moet bovendien rekening gehouden worden met de concrete intentie van de beschikker en met zijn beweegreden.

3.4.4. Het hof treedt de eerste rechter bij waar hij beslist dat appellante niet voldoende naar recht het bewijs levert dat in deze aan haar vergeldende schenkingen zouden zijn gedaan door wijlen R. D.

Appellante bewijst immers niet afdoend dat de bedragen die zij van R. D. ontving, werden bekomen in uitvoering van een natuurlijke verbintenis en derhalve te beschouwen waren als giften die niet aan inkorting kunnen onderworpen worden.

Appellante geeft toe dat zij voor haar prestaties een maandelijkse vaste kostenvergoeding ontving. Zij laat echter na aan te tonen dat deze vergoeding onvoldoende was gelet op de omvang van de door haar geleverde prestaties.

Appellante toont niet eens afdoend aan welke precies de omvang was van de door haar geleverde prestaties, nog minder dat zij gedurende een bepaalde periode zelfs voltijds ten dienste van wijlen R. D. heeft gestaan.

Geïntimeerden merken in dit verband terecht op dat appellante van 1995 tot eind 1999 voltijds was tewerkgesteld in verschillende bedrijven, na haar voltijdse dagtaak nog bij andere families ging poetsen en ook instond voor haar eigen huishouden met twee kinderen. Van het feit dat zij arbeidsongeschikt zou zijn verklaard in 1998 wordt geen bewijs voorgebracht. Ook in 2000 kan appellante niet het hele jaar hebben gewerkt hebben voor wijlen de heer D. - zoals zij voorhoudt - gezien hij in april opgenomen werd in het Ziekenhuis Sint - Maarten te Mechelen waar hij verbleef tot zijn overlijden op 9 juli 2000.

Geïntimeerden kunnen bijgevolg gevolgd worden wanneer zij stellen dat van een voltijdse of zelfs van een halftijdse tewerkstelling bij hun vader louter mathematisch geen sprake kan geweest zijn.

Appellante laat tevens na aan te tonen dat het de onomstotelijke wil was van wijlen de heer R. D. om haar via de betreffende giften bijkomend te vergoeden voor de door haar geleverde prestaties.

Wat wel vaststaat is dat wijlen R. D. overgegaan is tot het verrichten van verschillende vrijgevigheden ten voordele van Mevrouw L., doch appellante bewijst niet dat hij zulks heeft gedaan omdat hij van oordeel was dat de gewone onkostenvergoedingen onvoldoende waren en dat het evenwicht tussen de gepresteerde arbeid van appellante en hetgeen zij daarvoor normaal als vergoeding mocht verwachten, moest hersteld worden.

Ten overvloede wordt nog gewezen op het feit dat tijdens het strafonderzoek appellante in eerste instantie ontkende wat dan ook ontvangen te hebben van wijlen R. D. wat in schril contrast staat met haar huidige stelling dat zij vergoedingen heeft ontvangen voor bewezen diensten die thans als vergeldende schenkingen dienen aangezien te worden.

3.4.5. De verschillende getuigenverklaringen die door appellante worden ingeroepen, leveren ook niet onomstotelijk het bewijs van de ingeroepen stellingen en argumenten van appellante.

In dit verband wordt verwezen naar de schriftelijke verklaring van notaris X - opgesteld op verzoek van de raadsman van appellante en die deel uitmaakt van het strafdossier - waarin hij stelt:"Ik ben terzake gebonden door mijn beroepsgeheim. Het enige dat ik terzake kwijt kan, is wat aan ieder oppervlakkig waarnemer duidelijk moest zijn. De aspiraties van (de) dame in kwestie schenen heel wat verder te gaan dan de fysische of psychische attractie van de overledene leek te wettigen."

3.4.6. Appellante beroept zich tenslotte op een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 mei 2007 dat betrekking had op een lening (= 35.382,41 euro) toegestaan door wijlen de heer D. aan haarzelf en haar echtgenoot en meent dat uit dit arrest onweerlegbaar voortvloeit dat de schenkingen - voorwerp van huidige betwisting - als vergeldende schenkingen dienen aangezien te worden.

Bij toepassing van artikel 23 Ger.W. strekt het gezag van het rechtelijk gewijsde zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist is bijgevolg dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan.

Het gezag van rechterlijk gewijsde is immers beperkt tot wat de rechter heeft beslist over een punt dat in betwisting was en tot wat, om reden van het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren, de noodzakelijke grondslag, al weze het impliciet, van de beslissing uitmaakt .

Het is duidelijk dat de zaak die behandeld werd door het hof van beroep te Antwerpen en huidige zaak minstens een verschillende oorzaak en voorwerp hebben.

Het hof van beroep te Antwerpen heeft beslist over een vordering ingesteld door geïntimeerden tegen appellante en haar echtgenoot met als voorwerp de terugbetaling van een lening toegestaan door vader D. Het behoorde niet tot de saisine van het hof uitspraak te doen over het karakter van de schenkingen die appellante bij leven ontving van diezelfde D..

Bijgevolg kan voornoemd arrest niet aangewend worden als bewijs van het bestaan van vergeldende schenkingen t.v.v. appellante.

3.5. Waar vaststaat dat R. D. zelf appellante zeer genegen was en dat in zijn hoofde een animus donandi voorhanden was, zijn er onvoldoende concrete gegevens voorhanden om te kunnen besluiten dat de vrijgevigheden niet het voorwerp zouden dienen uit te maken van de toepassing van het gemeenrecht inzake de erfrechtelijke aanrekening en inkorting zoals gevorderd.

Het bestreden vonnis wordt dan ook op dat punt bevestigd.

3.6. In ondergeschikte orde vraagt appellante de aanstelling van een notaris m.b.t. de berekening van de inkorting.

Volgens haar zouden geïntimeerden uit het oog verliezen dat in het testament van wijlen de heer D. een legaat werd voorzien en dat inkortingen in de eerste plaats moeten aangerekend worden op legaten en pas daarna op schenkingen.

Geïntimeerden houden echter zelf - en terecht - voor dat bij toepassing van artikel 925 B.W. de betreffende testamentaire beschikking volledig is komen te vervallen gezien de waarde van de schenkingen onder levenden het beschikbaar deel reeds overschrijdt.

Verder betwist appellante de wijze waarop geïntimeerden de fictieve massa en het beschikbaar deel berekenen en is zij van oordeel dat de berekeningen van geïntimeerden gebaseerd zijn op eigen waardebepalingen.

In tegenstelling met wat de eerste rechter voorhoudt, betwist appellante wel degelijk de eenzijdig opgestelde berekeningen van geïntimeerden zodat het behoort een deskundige aan te stellen met als opdracht deze omschreven in het beschikkend gedeelte van huidig arrest.

Geïntimeerden werpen terecht op dat in de gegeven omstandigheden de kosten van dit deskundigenonderzoek dienen voorgeschoten te worden door appellante.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde,

Stelt aan als deskundige notaris J.V.... met als opdracht, na kennis te hebben genomen van alle nuttige stukken, van de principes gesteld in huidig arrest en na partijen gehoord te hebben:

- advies te geven over de afrekening op te stellen tussen partijen met het oog op inkorting t.a.v. mevrouw L. m.b.t. de door wijlen de heer D. aan haar gedane gewone schenkingen bij leven.

Zegt dat de deskundige zich voor technische vragen buiten zijn eigen vakgebied kan laten bijstaan door medewerkers of gespecialiseerde technici, maar zelf zal blijven instaan voor de verwerking van de door hen geleverde elementen.

Zegt dat de deskundige tijdens de door hem vast te stellen installatievergadering zich zal uitspreken over volgende punten:

• de eventuele aanpassing van de opdracht;

• de plaats, de dag en het uur van zijn verdere werkzaamheden;

• de noodzaak voor de deskundige om al dan niet een beroep te doen op specialisten;

• de raming van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of minstens de manier waarop de kosten en het ereloon van de deskundige en de eventuele specialisten zullen berekend worden;

• de termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande het voorlopig advies van de deskundige.

Zegt dat de deskundige, indien hij er niet in slaagt partijen te verzoenen, na te hebben geantwoord op alle nuttige vragen van partijen, zijn gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag zal dienen neer te leggen op de burgerlijke griffie van het hof ten laatste op 31 maart 2014, door toezending aan de heer hoofdgriffier van het hof van beroep te Brussel en met vermelding van het rolnummer 2009/AR/3323.

Bepaalt het bedrag van het voorschot op 3.000 euro en zegt dat dit bedrag door appellante zal gestort worden op nummer 679-2008774-01 op naam van de burgerlijke griffie van het hof van beroep te Brussel, met vermelding van het rolnummer van de zaak, en zegt dat de som van 1.500 euro onmiddellijk kan worden vrijgegeven aan de deskundige.

Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

24/09/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Sabine GADEYNE, Raadsheer,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door V. DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. JANSSENS DE BISTHOVEN

S. GADEYNE A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Vergeldende schenking. Definitie. Rechtsgevolgen. Soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter. Bewijslast.