- Arrest van 1 oktober 2013

01/10/2013 - 2010AR2688

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

I. In principe oordeelt de feitenrechter soeverein of er in een concreet geval al of niet een morele onmogelijkheid was om een schriftelijk bewijs van de lastgeving op te maken.

II. De lasthebber heeft deze wettelijke verplichting rekenschap te geven niet alleen t.a.v. de lastgever doch ook t.a.v. diens rechtverkrijgenden.

III. De plicht voor de lasthebber tot het afleggen van rekenschap wordt verzacht door de regel dat wanneer de lastgeving van die aard is dat haar uitvoering onmiddellijk gecontroleerd wordt door de lastgever, aanvaard wordt dat de plicht tot het geven van rekenschap weliswaar blijft bestaan, maar geacht wordt onmiddellijk plaats te vinden.

IV. Een "onmiddellijke" controle wordt aanvaard in geval van het bestaan van een bijzondere vertrouwensrelatie tussen lasthebber en lastgever zoals tussen familieleden en in het bijzonder tussen ouders en kinderen.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2688

INZAKE VAN :

De heer M. B., wonende te

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 15 juni 2010,

in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Eliane VAN DEN BOER, advocaat te 3300 TIENEN, Grote Bergstraat 10,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw L. B.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester SUFFELEERS loco Meester Peter SEGERS, advocaat te 33580 BERINGEN, Hasseltsesteenweg 136,

Art. 1993 BW. LASTGEVING. Plichten van de lasthebber. Rekenschap

geven. Hypothese van een onmiddellijke controle door de lastgever.

I. In principe oordeelt de feitenrechter soeverein of er in een concreet geval al of niet een morele onmogelijkheid was om een schriftelijk bewijs van de lastgeving op te maken.

II. De lasthebber heeft deze wettelijke verplichting rekenschap te geven niet alleen t.a.v. de lastgever doch ook t.a.v. diens rechtverkrijgenden.

III. De plicht voor de lasthebber tot het afleggen van rekenschap wordt verzacht door de regel dat wanneer de lastgeving van die aard is dat haar uitvoering onmiddellijk gecontroleerd wordt door de lastgever, aanvaard wordt dat de plicht tot het geven van rekenschap weliswaar blijft bestaan, maar geacht wordt onmiddellijk plaats te vinden.

IV. Een "onmiddellijke" controle wordt aanvaard in geval van het bestaan van een bijzondere vertrouwensrelatie tussen lasthebber en lastgever zoals tussen familieleden en in het bijzonder tussen ouders en kinderen.

_______________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 15 juni 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 1 oktober 2010;

• de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 22 juni 2011;

• de syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 8 augustus 2011;

• de aanvullende conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 22 september 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 9 september 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe (1) geïntimeerde te horen veroordelen tot het geven van verantwoording van het beheer dat zij gedaan heeft van het vermogen van hun moeder, Irena M., vanaf 3 mei 1974 - datum van het ondertekenen van een familieovereenkomst - tot 5 december 2007 - datum van het overlijden van moeder - binnen de maand na betekening van een tussen te komen tussenvonnis en (2) hem akte te horen verlenen van het feit dat hij de helft van de bedragen zal terugvorderen die geïntimeerde zou verduisterd hebben uit de nalatenschap van moeder en in haar persoonlijk voordeel zou aangewend hebben, bedrag dat voorlopig geraamd wordt op 19.500 euro - onder voorbehoud - plus intresten.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering afgewezen en de rechtsplegingsvergoedingen omgeslagen.

1.3. In hoger beroep herneemt appellant zijn oorspronkelijke vordering met dien verstande dat hij thans in hoofdorde de veroordeling vraagt van geïntimeerde tot betaling van een bedrag van "minstens 21.930 euro" plus intresten en in ondergeschikte orde zijn verzoek tot het geven van verantwoording beperkt tot het beheer van geïntimeerde aangaande de rekening ING met nummer 330 - 0157193 - 10 voor de periode vanaf 1996 (= het jaar vanaf hetwelk geïntimeerde een volmacht kreeg) tot 5 december 2007 (= datum van overlijden van moeder).

In zeer ondergeschikte orde vraagt hij een notaris aan te stellen met als opdracht het actief van de nalatenschap van moeder samen te stellen.

1.4. Geïntimeerde verzoekt om het hoger beroep niet ontvankelijk minstens ongegrond te willen verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat partijen de enige wettige erfgenamen zijn van mevrouw I. M., overleden op 5 december 2007, die hun moeder is.

2.3. Na het overlijden van moeder hebben partijen ongeveer 3.000.000 BEF onder hen beiden verdeeld bij helften. Geïntimeerde was alsdan de mening toegedaan dat het actief van de nalatenschap daarmee verdeeld was.

M.b.t. tot de ouderlijke woning te Tienen werd op 3 mei 1974 een notariële akte verleden betreffende de "afstand van onverdeelde rechten".Hierbij lieten de ouders al hun onverdeelde rechten in gezegde woning (namelijk samen zes achtsten in volle eigendom) over aan geïntimeerde. Deze akte bevat tevens een recht van inwoon ten voordele van I. M.. De overneemster betaalt verder als opleg, aan Mevrouw M.: 325.000 frank en aan M. B., een opleg van 187.500 frank. Het aldus verdeelde goed wordt geraamd pro fisco op 750.000 BEF.

Diezelfde dag werd tevens een familieovereenkomst afgesloten tussen moeder enerzijds en huidige partijen anderzijds waarin (samengevat) overeengekomen werd - in aanvulling van de akte van afstand van onverdeelde rechten - dat (1) geïntimeerde volledig zou instaan voor haar moeder wat zorgen en kosten betreft, (2) geïntimeerde hiermede instemde en (3) appellant hiermede van deze last volledig bevrijd zou zijn.

2.4. Appellant houdt thans voor na het overlijden van moeder vastgesteld te hebben dat grote bedragen van haar rekening verdwenen zijn die onmogelijk tot voordeel van zijn moeder strekten en waarvan hij aanneemt dat deze geïntimeerde persoonlijk tot voordeel hebben gestrekt.

Om deze reden vraagt hij geïntimeerde te veroordelen om (1) verantwoording af te leggen voor haar beheer - met een ander voorwerp naargelang het in hoofdorde of in ondergeschikte orde wordt gevorderd - en (2) een bedrag te betalen van minstens 21.930 euro (= 18.700 euro ten titel van de helft van de gelden die geïntimeerden heeft afgenomen strekkende tot haar persoonlijk voordeel over de laatste twee jaren + 2.930 euro tot titel van begrafeniskosten en saldo spaarrekening DEXIA + 300 euro ten titel van de helft van het gecrediteerd bedrag na overlijden) plus intresten.

III. Bespreking.

3.1. Geïntimeerde roept in dat het hoger beroep niet ontvankelijk zou zijn omdat het geding in eerste aanleg via een onregelmatige dagvaarding werd ingeleid. Zij stelt dat het hoger beroep onontvankelijk is omdat de dagvaarding nietig zou zijn bij gebrek aan motivering.

3.1.2. De eerste rechter heeft deze grond van onontvankelijkheid terecht verworpen.

Aan de voorwaarden gesteld in artikel 702, 3° Ger. W. werd voldaan vermits het exploot van dagvaarding het onderwerp en een korte samenvatting van de vordering van de eisende partij bevat.

3.1.3. Even terecht oordeelde de eerste rechter dat het aan de eisende partij niet toekomt de bewijsdocumenten - in deze bankdocumenten - waarop hij zijn vordering steunt reeds te vermelden in de dagvaarding.

De bewijsstukken tussen partijen werden tussen partijen uitgewisseld volgens de modaliteiten voorzien in het Gerechtelijk Wetboek.

3.1.4. De eerste rechter heeft tenslotte terecht de exceptio obscurri libelli - zoals opgeworpen door huidige geïntimeerde - eveneens afgewezen.

Uit de neergelegde conclusies blijkt dat geïntimeerde zich heeft kunnen verdedigen m.b.t. de feiten en de motieven aangehaald in het inleidend exploot.

3.1.5. In hoger beroep is er evenmin een inbreuk op artikel 1057, 7° Ger. W. De akte van hoger beroep bevat immers een voldoende uiteenzetting van de grieven.

Het hoger beroep is bijgevolg ontvankelijk

3.2. Volgens M. B. had L. B. volmacht op de rekeningen van hun moeder, en heeft zij (= L. B.) de zaken van hun moeder beheerd, zodat zij nu hierover verantwoording moet afleggen. Hij verwijst naar de regels betreffende de lastgeving.

L. B. betwist dat zij belast werd met het beheer van de activa van haar moeder Irena M.. Zij wijst erop dat haar moeder voldoende gezond van geest was om haar vermogen zelf te beheren tot de datum van haar overlijden. L. B. stelt ook dat zij enkel betalingen heeft uitgevoerd in opdracht van haar moeder.

3.3. Volgens artikel 1984, eerste lid B.W. is lastgeving of volmacht een handeling waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen.

L. B. heeft in haar conclusies uitdrukkelijk erkend dat zij ‘als executeur' voor haar moeder is opgetreden om betalingen te verrichten van schulden van haar moeder.

Het hof sluit zich derhalve aan bij het besluit die de eerste rechter hieruit trekt met name dat het duidelijk is dat Mevrouw L. B. een volmacht had op bankrekeningen van haar moeder en belast was met het doen van rechtshandelingen voor haar moeder, met name het uitvoeren van betalingen.

De eerste rechter achtte derhalve de lastgeving bewezen in tegenstelling met wat L. B. voorhoudt.

3.4. Ten overvloede wordt desbetreffend nog verder opgemerkt dat het tussen ouder en kind moreel onmogelijk kan zijn een schriftelijk bewijs van de lastgeving te verschaffen in de zin van artikel 1348 B.W.

In dit geval mag het bewijs geleverd worden d.m.v. getuigen of vermoedens die voldoen aan artikel 1353 B.W. (artikel 1985, eerste lid B.W.).

In principe oordeelt de feitenrechter soeverein of er in een concreet geval al of niet een morele onmogelijkheid was om een schriftelijk bewijs op te maken.

De wijze van optreden van beide partijen (= L. B. en Mevrouw M.) leveren voldoende gewichtige, bepaalde en overeenstemmende vermoeden op die het bewijs van de bovenbedoelde lastgevingovereenkomst tussen hen beiden bevat.

3.5. Artikel 1993 B.W. bepaalt: "Ieder lasthebber is gehouden rekenschap te geven van de uitvoering van zijn opdracht, en aan de lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht ontvangen heeft, al was ook het door hem ontvangene aan de lastgever niet verschuldigd."

De lasthebber heeft deze wettelijke verplichting rekenschap te geven niet alleen t.a.v. de lastgever doch ook t.a.v. diens rechtverkrijgenden.

Mevrouw L. B. is derhalve rekenschap verschuldigd aan M. B. in zijn hoedanigheid van mede - erfgenaam van wijlen zijn moeder - Mevrouw M. - die de lastgeefster is.

Ook op dat punt wordt het bestreden vonnis bevestigd.

3.6. M. B. heeft zijn zus L. B. herhaalde malen verzocht om rekenschap te geven van haar beheer van het vermogen van hun moeder, maar zij gaf - volgens hem - nog steeds geen verantwoording van dit beheer. Hij eist deze verantwoording vanwege zijn zus met betrekking tot de periode vanaf 3 mei 1974 (= datum van de familieovereenkomst) tot 5 december 2007 (= de overlijdensdatum van moeder).

In principe is de lasthebber dus wettelijke rekenschap verschuldigd aan de lastgever (= artikel 1993 B.W.) doch er bestaat een nuancering op deze hoofdregel in de volgende zin:

"De plicht tot het afleggen van rekenschap wordt verzacht door de regel dat wanneer de lastgeving van die aard is dat haar uitvoering onmiddellijk gecontroleerd wordt door de lastgever, aanvaard wordt dat de plicht tot het geven van rekenschap weliswaar blijft bestaan, maar geacht wordt onmiddellijk plaats te vinden."

Er is in dergelijk geval geen sprake van een "echte" vrijstelling van het verlenen van rekenschap, maar de rekenschap wordt geacht "onmiddellijk" verleend te zijn omwille van een "onmiddellijke" controle door de lastgever.

Het verlenen van rekenschap is immers nutteloos indien de lastgever een gedurig toezicht op de lasthebber heeft kunnen uitoefenen, zodat hij zich steeds rekenschap heeft kunnen geven van diens handelingen.

Een "onmiddellijke" controle wordt aanvaard in geval van het bestaan van een bijzondere vertrouwensrelatie tussen lasthebber en lastgever zoals tussen familieleden en in het bijzonder tussen ouders en kinderen.

3.7. Appellant stelt evenwel in zijn conclusie van 8 augustus 2011 (pagina 11) dat - in tegenstelling tot wat de eerste rechter oordeelde - er geen dergelijke onmiddellijke controle van Mevrouw M. is geweest daar zij sinds 2005 gezondheidsproblemen had.

Het gemeenrecht inzake de bekwaamheid van contracterende partijen is van toepassing op de bekwaamheid van de lastgever bij gebreke aan een hiervan afwijkende bepaling.

Artikel 1123 B.W. schrijft voor: "Eenieder kan contracten aangaan, indien hij daartoe door de wet niet onbekwaam is verklaard."

Bovendien bepaalt artikel 901 B.W.: "Eenieder wordt geacht gezond van geest te zijn, tot bewijs van het tegendeel."

Deze laatste bepaling - die betrekking heeft op de bekwaamheid om te beschikken of te verkrijgen bij schenking onder de levenden of bij testamenten - kan hier bij analogie aangehaald worden ter verduidelijking van de bewijslast inzake de helderheid van geest van de lastgeefster, Mevrouw M..

De eerste rechter oordeelde terecht dat in de gegeven omstandigheden het duidelijk was dat moeder M. tot op het einde van haar leven helder van geest blijkt te zijn geweest. Uit een attest van de huisarts van mevrouw M. blijkt overigens afdoend dat zij "tot haar levenseinde in perfect mentale toestand is gebleven".

Een vergoeding voor zelfredzaamheid en mantelzorg houdt overigens op zichzelf niet in dat Mevrouw M. niet voldoende helder van geest is gebleven.

Moeder M. kon derhalve van dag tot dag de bankverrichtingen die haar dochter L. B. - bij wie moeder M. inwoonde - controleren zodat door L. B. onmiddellijk rekenschap en verantwoording kon worden afgelegd. Mevrouw M. had als lastgever bijgevolg onmiddellijk controle op de verrichtingen die L. B. als lasthebber deed, zodat zij (= L. B.) thans niet opnieuw rekenschap moet afleggen aan M. B. in zijn hoedanigheid van erfgenaam van wijlen Mevrouw M..

Ook op dat punt wordt het bestreden vonnis bevestigd.

3.8. Appellant is van oordeel dat de eerste rechter onterecht heeft gesteld dat het aannemelijk is dat L. B. geen verantwoording dient te geven voor elk bedrag dat van de zichtrekening van moeder M. werd afgehaald. Hij stelt dat de eerste rechter hierbij ten onrechte verwijst naar de omstandigheid dat L. B. voor haar inwonende moeder instond en gelast was met het dagelijks beheer van de bankrekeningen van de moeder

In acht genomen artikel 1353 B.W. oordeelde de eerste rechter terecht dat L. B. geen verantwoording moet geven voor elk bedrag dat van de zichtrekening van moeder M. werd afgehaald, gelet op het feit dat:

• mevrouw M. haar inkomsten naar eigen believen kon uitgeven;

• mevrouw M. regelmatig op vakantie ging;

• op het ogenblik van haar overlijden nog een bedrag van ongeveer drie miljoen BEF aanwezig was dat tussen haar twee kinderen werd verdeeld.

3.9. M. B. verwijst verder naar de verrichtingen op de ING - zichtrekening van moeder M. waaruit blijkt dat in 2006 en 2007 regelmatig sommen van 500 tot 1500 euro via een loketcheque werden afgehaald.

Dat regelmatig bedragen werden afgehaald voor moeder M. wordt door L. B. niet ontkend.

Mevrouw M. - die inwoonde bij L. B. - kon evenwel deze bankverrichtingen onmiddellijk controleren zodat wel degelijk rekening en verantwoording werden afgelegd. L. B. moet dus niet meer bewijzen wat met deze bedragen - opgenomen tijdens het leven van moeder M. - is gebeurd.

Overigens ontkent M. B. niet dat moeder M. zeer vrijgevig was en onder andere met Nieuwjaar, verjaardagen en huwelijken belangrijke giften deed (voor ongeveer vijfduizend euro per jaar) aan haar kinderen en kleinkinderen. Mevrouw L. B. wijst in dit verband ook op het verjaardagsfeest dat moeder M. gaf voor haar negentigste verjaardag dat ongeveer 2.400 euro kostte.

3.10. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat volgens appellant de eerste rechter onvoldoende aandacht zou hebben geschonken aan de - volgens hem - "erg grote bedragen" die door geïntimeerde zijn afgenomen.

In zijn conclusie maakt appellant bijvoorbeeld melding van een bepaald totaalbedrag van 37.400 euro.

Hij argumenteert dat het niet anders kan dan dat deze "uitzonderlijke grote bedragen" tot het persoonlijk voordeel van geïntimeerde hebben gestrekt. Het is - nog steeds volgens appellant - niet logisch dat Mevrouw M., die 93 jaar is geworden, nog dergelijke grote bedragen nodig had om in haar onderhoud te voorzien en/of voor een grote aankoop.

Er dient opgemerkt te worden dat appellant bepaalde sommen - vermeld in zijn verzoekschrift in hoger beroep - herleid heeft bij zijn beroepsconclusie van 8 augustus 2011.

Mevrouw M. - als lastgever - had een onmiddellijk controlerecht zodat geïntimeerde - als lasthebber - niet moet bewijzen wat met deze bedragen, opgenomen tijdens het leven van Mevrouw M., is gebeurd.

Appellant blijft ook in gebreke om het afdoend bewijs te leveren van een misbruik vanwege de lasthebster L. B.. De beweringen die hij in dit verband naar voren schuift, vormen geen gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin vereist door artikel 1353 B.W., die de rechter zouden kunnen overtuigen van het bestaan van een misbruik in hoofde van de lasthebster.

Overigens oordeelt de rechter soeverein of de lasthebber binnen de perken van zijn lastgeving is gebleven, wat in deze het geval blijkt te zijn.

3.11. Bijgevolg dient besloten te worden dat:

(1) L. B. als lasthebber van haar moeder - die bij haar inwoonde - onmiddellijk rekening en verantwoording aflegde met betrekking tot de bankzaken die L. B. voor haar moeder deed en dit ingevolge een onmiddellijk controle(-recht) van haar inwonende moeder die gezond van geest is gebleven tot haar overlijden;

(2) M. B. er niet in slaagt aan te tonen dat zijn zus - L. B. - bedragen van hun moeder voor eigen rekening zou hebben aangewend,

(3) de vordering van M. B. afgewezen dient te worden.

Het bestreden vonnis wordt bijgevolg bevestigd.

3.12. Beide partijen vragen een rechtsplegingsvergoeding ad 2.200 euro wat het geïndexeerd basisbedrag is gelet om de omvang van het gevorderde.

De eerste rechter heeft terecht - toepassing makend van artikel 1017, 4° Ger.W. - de rechtsplegingsvergoedingen omgeslagen gelet op de aard van het geschil en de overige kosten ten laste gelegd van appellant.

Dezelfde redenering wordt gevolgd wat betreft de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. De overige kosten in hoger beroep worden tevens ten laste gelegd van appellant.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Slaat de rechtsplegingsvergoedingen om en veroordeelt appellant in de overige kosten in hoger beroep, in totaal begroot op 186 euro rolrecht.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

1/10/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Lastgeving. Vorm en bewijs. Morele onmogelijkheid omeen schrriftelijke bewijs op te maken. Verplichtingen van de lasthebber: rekenschap geven, desgevallend aan de rechtsverkrijgenden van de lastgeefster (art. 1993 BW).. Onmiddellijke contraole door de lastgeefster: weerslag op de verplichting van de lasthebber om rekenschap te geven.