- Arrest van 8 oktober 2013

08/10/2013 - 1998AR2852

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

"Schenden de artikelen 42 tot 46 van het Decreet van 18 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden zoals opgenomen in titel II, samen gelezen met artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de artikelen 42 tot 45 onmiddellijk van toepassing worden verklaard op hangende geschillen?"


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 1998/AR/2852

INZAKE VAN :

1) Mevrouw V. M.,

2) De heer S. A.,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 14 mei 1990,

verweerders in Cassatie tegen arresten van het Hof van Beroep van Antwerpen op 30 maart 1993 en 5 december 1995

vertegenwoordigd door Meester Patrick VANDER STRATEN loco Meester Peter BUYCKX, advocaat te 2640 MORTSEL, Hendrik Kuypersstraat 39,

1ste kamer

TEGEN :

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Martelaarsplein 19, voor wie optreedt de Vlaamse Minister Sport, wiens kabinet gevestigd is te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Johan CLAES, advocaat te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160,

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het arrest van deze kamer ter terechtzitting van 14 mei 2002 uitgesproken en de procedurestukken in dit arrest vermeld;

- het arrest van het Grondwettelijk Hof, toen Arbitragehof, van 2 juli 2003;

- de syntheseconclusie van appellanten, op 31 juli 2012 ter griffie neergelegd;

- de syntheseconclusie van geïntimeerde, op 31 oktober 2012 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 15 april 2013, waarna de zaak op de terechtzitting van 29 april 2013 in beraad werd genomen. Voor zoveel als nodig werden de debatten ab ovo hernomen.

Gelet op de stukken van partijen.

I. Procedure

1. Wat de feitelijke voorgaanden en het voorwerp van het geschil betreft, verwijst het hof naar de uiteenzetting in de arresten van deze kamer uitgesproken op 15 januari 2001 en 14 mei 2002.

2. In het tussenarrest van 14 mei 2002 heeft het hof de "procedure en de belangrijkste recente feiten" uiteengezet als volgt:

1. Overwegende dat M. V. en A. S. op 5 mei 1988 de Belgische Staat en het Vlaamse Gewest dagvaardden voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen tot betaling van 19.261.069 Fr. met aankleven, als vergoeding voor de schade die de eisers leden doordat hun verkavelinggronden, gelegen te Kapellen (Ekeren) aan de Ruyseveldlei, sectie M nrs. 523/w, 523/s, 523,r, 523/t, 513/f, met een oppervlakte van 1.222 m² (bedoeld wordt: 9.222 m².), door het Gewestplan Antwerpen werden ondergebracht in een parkgebied ;

dat deze vordering bij vonnis d.d. 14 mei 1990 :

• niet ontvankelijk werd verklaard tegen de Belgische Staat, nu het Vlaamse Gewest ingevolge art. 1 van de Wet van 5 maart 1984 gehouden was tot de lasten, voorwerp van de ingestelde vordering ;

• ongegrond werd verklaard tegen het Vlaamse Gewest :

○ nu bleek dat het eigendom van de eisers steeds beschouwd is geweest als woonparkzone of parkgebied (art. 37 van de Stedenbouwwet) ;

○ nu het eigendom, voorwerp van de vordering, noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks door onteigening werd getroffen en nu de eisers niet uit hun eigendom werden ontzet (art. 6 en 11 van de Grondwet, art. 544 en 552, 2° B.W. en art. 1 van het bijkomend protocol van het E.V.R.M.);

2. Overwegende dat het Hof van Beroep te Brussel - na het arrest d.d. 26 februari 1998 van het Hof van Cassatie dat de arresten vernietigde van het Hof van Beroep te Antwerpen, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen - in het tussenarrest d.d. 15 januari 2001 vaststelde dat M. V. en A. S. op 25 augustus 1998 het Vlaams Gewest dagvaardden teneinde hun hoger beroep tegen het vonnis d.d. 14 mei 1990 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en tot betaling van :

- geactualiseerde bouwgrondwaarde in 1998 zonder aktekosten en lasten : 9.222 m² x 3.500 Fr/m²:

- geactualiseerde parkgrond zonder aktekosten en lasten : 9.222 m² x 60 Fr./m²:

- aktekosten en lasten : 18 % :

32.277.000

- 533.320

31.753.680

5.715.662

Fr.37.469.642

Overwegende dat M. V. en A. S., volgens hun syntheseconclusie d.d. 5 april 2000, hun vordering steunden :

- op art. 1382 B.W., meer bepaald :

o vooreerst op de gebrekkige totstandkoming van het gewestplan Antwerpen ;

o en vervolgens op de niet realisatie van het parkgebied ;

fouten die beiden in oorzakelijk verband staan met de hierboven reeds vermelde schade, waaraan een vergoeding gekoppeld wordt ad 37.469.342 Fr., vergoeding die evenwel te actualiseren blijft ;

- op art. 37 van de Stedenbouwwet, nu hun bouwgrond parkgebied werd, zodat de aan hen toekomende planschadevergoeding in concreto, onder voorbehoud van indexering en zonder dat toepassing kan worden gemaakt van het K.B. van 24 oktober 1978, moet berekend worden op 37.469.342 Fr.;

- ondergeschikt eveneens op de quasi-onteigening (art. 10 en 15 G.W. evenals 544 en 552, 2° B.W.) en de schending van art. 1 van het eerste aanvullend protocol van het E.V.R.M., nu zij hun bouwgronden bezwaard zien met een bouw- en verkavelingverbod, zodat hun eigendomsrecht volledig wordt uitgehold en er van hun recht van beschikking, genot en gebruik niets overblijft, zonder dat een evenredigheidsverband bestaat tussen deze schade en het belang van de gemeenschap ;

dat zij, nog ondergeschikt, een provisionele vergoeding vorderen, een deskundigenonderzoek en het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof ;

Overwegende dat het tussenarrest van 15 januari 2001 uiteindelijk besliste:

"Verklaart het hoger beroep van M. V. en A. S. tegen het vonnis d.d. 14 mei 1990 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen ontvankelijk, evenals de door deze appellanten aan hun vordering gebrachte uitbreiding en wijziging ;

Verklaart de vordering van de appellanten ongegrond in de mate dat zij steunt op een onregelmatige of foutieve totstandkoming van het K.B. van 3 oktober 1979 tot vaststelling van het gewestplan "Antwerpen" ;

Alvorens te beslissen over het overige van de ingestelde vordering :

Stelt ambtshalve vast dat de partijen de in de motivering van huidig arrest beschreven toepassing van de art. 25, 35 en 37 van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, slechts zeer laat en niet altijd voldoende scherp hebben gesteld en dat op dit punt de vraag moet worden gesteld of een goede rechtsbedeling niet vereist dat de overheid, hiertoe gedwongen door de eigenaars - b.v. door een nog te verzenden aangetekende brief - een standpunt zou innemen omtrent het daadwerkelijk onteigenen, het afzien van de onteigening of het betalen van een planschadevergoeding;

Beveelt bijgevolg de heropening der debatten ..."

3. Overwegende dat de raadsman van de appellanten op 7 februari 2001 aangetekend aan de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden een kopie overmaakte van het arrest van 15 januari 2001 ;

dat deze brief moet aangezien worden als de aangetekende brief, bedoeld in art. 35 van de Wet van 29 maart 1962, houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, later art. 33 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (c.f. hierna) ;

dat hij, verwijzend naar het arrest van 15 januari 2001, het verzoek bevat aan de overheid, een standpunt in te nemen "omtrent het daadwerkelijk onteigenen, het afzien van een onteigening of het betalen van een planschadevergoeding" ;

4. Overwegende dat er volgens een brief van 22 november 2001 van de Vlaams Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, een gesprek plaats had tussen de heer S. en een heer Ludo Joosen omtrent de bestemming van de gronden, voorwerp van de huidige vordering ;

dat de Minister liet weten : "Graag laat ik nagaan welk gevolg aan uw vraag gegeven kan worden." ;

dat gebleken is uit de debatten ter zitting van 5 maart 2002, meer dan een jaar na het verzenden van de brief d.d. 7 februari 2001, dat de overheid geen standpunt heeft ingenomen omtrent een eventuele onteigening van deze onroerende goederen.

3. Bij het tussenarrest van 14 mei 2002 heeft het hof beslist:

Het tussenarrest van 15 januari 2001 verder uitwerkend :

Verklaart de ingestelde vordering ongegrond in de mate dat zij gesteund is op de onrechtmatige houding van de overheid na het gewestplan ;

Zegt voor recht :

∙ dat de echtgenoten S.-V. geldig een vordering hebben ingesteld met toepassing van art. 37 van de Wet van 29 maart 1962 ;

∙ dat bewezen is dat het gewestplan uit 1979, dat de gronden van de echtgenoten S.-V. in parkgebied rangschikte, een einde heeft gemaakt in de zin van art. 37 W. 29 maart 1962 en art. 35 Decreet 22 oktober 1996 aan het gebruik waarvoor deze gronden dienden of normaal bestemd waren de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat plan, meer bepaald voor het gebruik als verkaveling ;

Verklaart de vordering zonder voorwerp in de mate dat zij gesteund is op de quasi onteigening en op art. 1 van het aanvullende protocol bij het E.V.R.M. ;

Schort de beslissing op over de vergoeding, die aan de echtgenoten S.-V. toekomt op grond van de art. 37 W. 29 maart 1962 en 35 Decreet van 22 oktober 1996, totdat het Arbitragehof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag :

Schendt art. 46 van het Decreet van 19 december 1998 de art. 10 en 11 van de Grondwet, samengelezen met art. 2 van het Burgerlijk Wetboek en art. 1 van het Aanvullend Protocol bij het E.V.R.M., doordat het, bij middel van de terugwerkende kracht van de bepalingen van de art. 42 tot en met 45 van het Decreet van 19 december 1998 op de reeds aanhangig gemaakte vorderingen tot schadevergoeding waarover nog geen in kracht van gewijsde gegane uitspraak bestaat, een discriminatie in het leven roept tussen :

∙ enerzijds, de burger met een eigendom in het Vlaamse Gewest die vóór het in voege treden van het Decreet van 19 december 1998 - bijvoorbeeld in de periode 1980-1995 - kon genieten van de rechtsmacht van de gewone rechter om het K.B. van 24 oktober 1978 tot uitvoering van art. 37 W. 29 maart 1962 te toetsen aan de Wet van 29 maart 1962, en :

∙ anderzijds, een burger, eigenaar van een onroerend goed in het Vlaamse Gewest, die in dezelfde periode (in casu op 5 mei 1988) eveneens een geding tot planschadevergoeding instelt, maar, omdat de door hem ingestelde procedure zo lang duurt, ingevolge het Decreet van 19 december 1998 niet meer kan genieten van de toetsingsmacht van de gewone rechter en de veel strengere regeling moet ondergaan van het vermelde Decreet ?

Houdt de beslissing over de kosten aan.

4. Bij arrest nummer 95/2003 van 2 juli 2003 heeft het Grondwettelijk Hof het volgende geoordeeld:

Artikel 46 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre het de artikelen 42 tot 45 niet van toepassing verklaart op de vorderingen tot schadevergoeding die het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak.

5. Na het arrest van het Grondwettelijk Hof besluiten appellanten bij hun laatste syntheseconclusie:

Akte te verlenen aan (appellanten) dat deze volharden in de voorgenomen conclusies en vorderingen en hun uitbreidingen.

Dienvolgens:

In hoofdorde:

Het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 14 mei 1990 (A.R. 31948) ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens het eerste vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen te hervormen en opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering van appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren lastens geïntimeerde;

Dienvolgens akte te verlenen aan appellanten van de uitbreiding van hun oorspronkelijke vordering en dit zoals hierna bepaald;

De uitbreiding ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen om aan appellanten te betalen de som van 1.759.645,89 EUR, te vermeerderen of te verminderen in de loop van het geding, te vermeerderen met de intresten vanaf 3 oktober 1979 tot op de datum van het arrest van Uw Hof en vanaf dan te vermeerderen met de gerechtelijke intresten op alle bedragen waartoe geïntimeerde wordt veroordeeld, zowel in hoofdsom, intresten als kosten;

Dienvolgens geïntimeerde te veroordelen om aan appellanten te betalen als vergoeding voor kosten juridische bijstand voor de procedure Rechtbank Eerste Aanleg Antwerpen, de procedure voor het Hof van Beroep Antwerpen, de cassatieberoepen en de procedure voor het Arbitragehof, die niet gedekt worden door de al dan niet reeds toegekende (beperkte) rechtsplegingvergoedingen in de voorgaande procedures tot 70.500,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van het arrest van uw Hof tot op de dag der algehele betaling.

In ondergeschikte orde:

Alvorens verder recht te doen:

Geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 450.000,00 EUR.

Een deskundige aan te stellen met als opdracht :

"Advies te geven over de huidige objectieve bouwgrondwaarde van de grond als zouden de gronden verkavelbare bouwgrond zijn, abstractie makend van het gewestplan en rekening houdende met de eventuele verhogingen van de prijs van de gronden in de loop der jaren en ieder vergelijkingspunt werend dat beïnvloed werd door het gewestplan, hetzij het ontwerp gewestplan, hetzij het voorontwerp gewestplan of enig ander bestemmingsplan of ruimtelijk uitvoeringsplan ;

De huidige waarde van de grond te ramen, rekening houdende met de beperkingen, voorzien in het bestemmingsvoorschrift parkgebied, zoals voorzien door het gewestplan."

In hoofdorde m.b.t. de prejudiciële vraag:

Alvorens verder recht te doen en voor zover Uw Hof van oordeel zou zijn dat het decreet van 19 december 1998, in het bijzonder artikelen 41 tot en met 45 moeten worden toegepast, een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen die zou kunnen luiden als volgt :

"- Schenden artikel 177 van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978 en artikelen 42 en 43 van het decreet van 18 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden zoals o.m. in titel II, o.m. de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, samen gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol E.V.R.M., in zoverre hun toepassing tot gevolg heeft dat personen wiens onroerend goed aan een nieuwe planologische bestemming wordt onderworpen, een planschadevergoeding verkrijgen die dermate beperkt is dat hun eigendomsrecht in de kern wordt geschonden en er geen billijk evenwicht tot stand wordt gebracht tussen de vereiste van het algemeen belang en van de bescherming van het recht van eenieder op het ongestoorde genot van het eigendom.

- Schenden de artikelen 42 en 46 van het Decreet van 18 december 1998 houdende bepaling tot begeleiding van de begroting 1999 de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden zoals opgenomen in titel II, samen gelezen met artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM in zoverre de artikelen 42 tot 45 onmiddellijk van toepassing worden verklaard op hangende geschillen.".

Geïntimeerde te veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding ten belope van 33.000, 00 euro in toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, naast de kosten juridische bijstand, begroot op (...) totaal 37.638,80 euro.

6. Het Vlaamse Gewest concludeert tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering van appellanten en tot hun veroordeling tot betaling van alle gerechtskosten.

II. Bespreking

1°. Ontvankelijkheid van de vordering van appellanten

7. Zoals hierboven uiteengezet (randnummer 6) besluit geïntimeerde tot de afwijzing van de vordering van appellanten als onontvankelijk.

Bij deze conclusie (p. 6, nummer 14) stelt het Vlaamse Gewest tevens dat, na het arrest van het Grondwettelijk Hof, appellanten aldus "nog principieel slechts planschadevergoeding (kunnen) vragen rekening houdend met artikelen 42 t.e.m. 45 van het decreet van 16 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999".

Verder in zijn conclusie ontwikkelt het Vlaamse Gewest geen bijzonder middel i.v.m. de niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van appellanten. Appellanten hadden in hun syntheseconclusie "uitdrukkelijk gevraagd dat het Vlaamse Gewest zou toelichten welke de gronden van niet-ontvankelijkheid zijn waarop het zich thans nog beroept" maar geïntimeerde is kennelijk niet op deze vordering ingegaan.

Alleszins heeft het hof al bij het arrest van 14 mei 2002 beslist "dat de echtgenoten S.-V. geldig een vordering hebben ingesteld met toepassing van art. 37 van de Wet van 29 maart 1962".

De stelling van geïntimeerde partij in het beschikkend gedeelte van haar syntheseconclusie m.b.t. de niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van appellanten, die wellicht zuiver formeel is, kan dus niet worden bijgetreden.

2°. De vordering in zover gesteund op de leer van de quasi-onteigening en artikel 1, eerste aanvullend Protocol EVRM

8. Het Vlaamse Gewest blijft concluderen over de vordering in zover gesteund op de leer van de quasi-onteigening en artikel 1, eerste aanvullend Protocol EVRM (zie syntheseconclusie, p. 10-13).

Ook appellanten dringen in hun conclusie aan op de toepassing van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het E.V.R.M.

Hierbij zien partijen over het hoofd dat het arrest van 14 mei 2002 al hierover beslist heeft en, meer bepaald, de vordering zonder voorwerp heeft verklaard in de mate dat zij gesteund is op de quasi onteigening en op artikel 1 van het aanvullende protocol bij het E.V.R.M. Het hof heeft op dit punt zijn rechtsmacht uitgeput.

3°. Ten gronde. De vordering tot planschadevergoeding

9. Het hof heeft inderdaad al geoordeeld dat appellanten principieel recht hebben op planschadevergoeding m.b.t. hun eigendom.

10. Artikel 7.4.11 van de VCRO, zoals gewijzigd, bepaalt:

Artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.3 zijn van overeenkomstige toepassing op de bijzondere plannen van aanleg die vanaf 1 september 2009 voorlopig worden aangenomen, opnieuw worden vastgesteld in toepassing van artikel 7.4.1, § 2, of artikel 7.4.1/1, § 2, of opnieuw worden goedgekeurd in toepassing van artikel 7.4.2/1, § 2.

Vorderingen tot betaling van planschadevergoedingen die zijn ontstaan uit eerdere plannen van aanleg, worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals dat gold op 31 augustus 2009, met dien verstande dat deze bepalingen geïnterpreteerd worden in die zin dat enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking komt voor planschade.

Huidige vordering tot betaling van planschadevergoeding is ontstaan uit het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij K.B. van 3 oktober 1979 zodat zij afgehandeld moet worden overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals geldend op 31 augustus 2009.

11. Het hof merkt vooreerst op dat er geen rekening kan worden gehouden met de woorden « , met dien verstande dat deze bepalingen geïnterpreteerd worden in die zin dat enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking komt voor planschade » nadat artikel 55, 3° van het decreet van 16 juli 2010, dat deze toevoeging invoerde, vernietigd werd bij het arrest nummer 188/2011 d.d. 15 december 2011 van het Grondwettelijk Hof.

12. De vergoeding moet bijgevolg worden berekend op grond van artikel 35 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening, zoals reeds geciteerd in het tussenarrest van 14 mei 2002.

13. Appellanten stellen dat het Grondwettelijk Hof zich in zijn arrest van 2 juli 2003 niet heeft uitgesproken over de grondwettigheid van de onmiddellijke toepassing van de artikelen 42 tot 45 van het decreet van 22 oktober 1996, wat het Hof zelf vaststelde onder de overweging B7:

B.7. Om de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient enkel te worden onderzocht of de wetgever, door het bestaan van een in kracht van gewijsde gegane beslissing als differentiatiecriterium te nemen, een redelijk verantwoord verschil in behandeling heeft ingevoerd.

Buiten die hypothese en anders dan wat de tussenkomende partijen lijken aan te geven, is het Hof niet ondervraagd over de grondwettigheid van de onmiddellijke toepassing van de voormelde artikelen 42 tot 45 op de hangende zaken.

14. De grondwettigheid van de onmiddellijke toepassing van de voormelde artikelen 42 tot 45 op de hangende zaken was echter kennelijk de bekommernis van het hof van beroep wanneer het de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof stelde bij tussenarrest van 14 mei 2002.

De problematiek van de al dan niet retroactieve werking van wetgevende validatie, wanneer die van toepassing is op hangende rechtsgedingen, is overigens een aandachtspunt van het Grondwettelijk Hof . In het vernietigingsarrest nummer 188/2011 van 15 december 2011 heeft het Grondwettelijk Hof zich bijvoorbeeld als volgt uitgesproken m.b.t. de retroactieve werking van de "vijftigmeterregel" uit artikel 7.4.11 van het VCRO:

B.9. De Vlaamse Regering voert aan dat de bestreden bepaling mede kan worden verantwoord door de bekommernis de rechtszekerheid te herstellen die in het gedrang zou zijn gebracht door de twee voormelde arresten van het Hof van Cassatie van 17 december 2009.

Uit wat is uiteengezet in B.6.3, blijkt dat de vijftigmeterregel niet kan worden beschouwd als een voldoende vaststaand gegeven in de rechtspraak over planschadevergoedingen en dat het Hof van Cassatie met de arresten van 17 december 2009 veeleer heeft bijgedragen tot de rechtszekerheid dan deze te verstoren. Door de verduidelijking die met die recente rechtspraak is aangebracht, op de helling te zetten, heeft de decreetgever in gedingen waarbij het Gewest partij is afbreuk gedaan aan de rechtmatige verwachtingen van de categorie van personen waartoe de verzoekende partijen behoren, op een planschadevergoeding die niet per definitie was beperkt tot de strook binnen de eerste vijftig meter vanaf de rooilijn.

Te dezen blijkt derhalve niet dat er uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang zijn die een retroactief optreden van de decreetgever zouden verantwoorden.

Men mag zich te dezen afvragen of het Vlaamse Gewest zich wel degelijk kan beroepen op uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang om een retroactief optreden van de decreetgever te verantwoorden.

Het hof gaat bijgevolg in op de suggestie van appellanten en stelt aan het Grondwettelijk Hof de door appellanten vooropgestelde prejudiciële vraag:

"Schenden de artikelen 42 tot 46 van het Decreet van 18 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden zoals opgenomen in titel II, samen gelezen met artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de artikelen 42 tot 45 onmiddellijk van toepassing worden verklaard op hangende geschillen."

15. De gerechtskosten:

De beslissing over de gerechtskosten wordt aangehouden.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

De tussenarresten van 15 januari 2001 en 14 mei 2002 verder uitwerkend :

Schort de beslissing op over de vergoeding, die aan de echtgenoten S.-V. toekomt op grond van de art. 37 W. 29 maart 1962 en 35 Decreet van 22 oktober 1996, totdat het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag :

"Schenden de artikelen 42 tot 46 van het Decreet van 18 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 de door de Grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden zoals opgenomen in titel II, samen gelezen met artikel 6.1 EVRM en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de artikelen 42 tot 45 onmiddellijk van toepassing worden verklaard op hangende geschillen?"

Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

8/10/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Planschadevergoeding. Quasi-onteingening (art. 10 en 15 Gw. en art. 544 en 552, 2° BW en artikel 1 van het eerste aanvullend protocol op het EVREM). Art. 42 tot 46 van het decreet van 18 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999. Overgangsrecht. Toepassing op hangende geschillen. Prejudiciële vraag gesteld door het Hof aan het Grondwettelijk Hof.