- Arrest van 8 oktober 2013

08/10/2013 - 2012kr259

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

I. De rechter die kennis neemt van een vordering tot opheffing van het stakingsbevel kan toetsen of de beslissing van de overheid stoelt op behoorlijke motieven dan wel op kennelijk onredelijke motieven. Die toets maakt deel uit van de wettigheidstoets die hij moet maken. Indien het stakingsbevel gedragen wordt door kennelijk onredelijke motieven moet het opgeheven worden.

II. De notie van instandhoudings- en onderhoudswerken impliceert op zich dat de werken gebeuren volgens de initiële vergunning van het gebouw; het is immers net de bedoeling om het te behouden. In casu lijkt het echter niet zinvol om de visie over een goede ruimtelijke ordening van 1927 en de keuzes van de initiële bouwheer slaafs na te volgen zonder rekening te houden met hedendaagse vereisten van comfort, duurzaamheid en veiligheid, en met de bestaande technologische ontwikkelingen. De eis dat bij instandhoudings- en onderhoudswerken alle zichtbare elementen van een gebouw te allen prijze identiek moeten blijven, vormt in dat opzicht een kennelijk onredelijke interpretatie van het begrip instandhoudings- en onderhoudswerken.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2012/KR/259

INZAKE VAN :

De GEMEENTE SCHAARBEEK, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1030 SCHAARBEEK, Collignonplein, in het Gemeentehuis,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 mei 2012,

vertegenwoordigd door Meester KHAVARAN loco Meester Maurice DE BORMAN, advocaat te 1050 BRUSSEL, Koninklijke Prinsstraat 85,

1ste kamer

TEGEN :

De heer J. D., wonende te 1030 SCHAARBEEK, ...

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester FLO loco Meester Matthias STORME, advocaat te 1000 BRUSSEL, Verenigingstraat 28,

____________________________________________

I. Ruimtelijke ordering en stedenbouw. Vergunningplichtige werken. Rechterlijk bevel tot staking: motivering. Opheffing van een stakingsbevel: procedure in kortgeding?

II. Draagwijdte van de wettelijke uitdrukking "instandhoudings- en onderhoudswerken"

I. De rechter die kennis neemt van een vordering tot opheffing van het stakingsbevel kan toetsen of de beslissing van de overheid stoelt op behoorlijke motieven dan wel op kennelijk onredelijke motieven. Die toets maakt deel uit van de wettigheidstoets die hij moet maken. Indien het stakingsbevel gedragen wordt door kennelijk onredelijke motieven moet het opgeheven worden.

II. De notie van instandhoudings- en onderhoudswerken impliceert op zich dat de werken gebeuren volgens de initiële vergunning van het gebouw; het is immers net de bedoeling om het te behouden. In casu lijkt het echter niet zinvol om de visie over een goede ruimtelijke ordening van 1927 en de keuzes van de initiële bouwheer slaafs na te volgen zonder rekening te houden met hedendaagse vereisten van comfort, duurzaamheid en veiligheid, en met de bestaande technologische ontwikkelingen. De eis dat bij instandhoudings- en onderhoudswerken alle zichtbare elementen van een gebouw te allen prijze identiek moeten blijven, vormt in dat opzicht een kennelijk onredelijke interpretatie van het begrip instandhoudings- en onderhoudswerken.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 7 mei 2012.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De heer D. is eigenaar van een onroerend goed gelegen te 1030 Schaarbeek... Op het onroerend goed is in 1927 een bel-étage rijwoning gebouwd.

Op 22 november 2011 stelt de gemeentelijk stedenbouwkundige ambtenaar van de gemeente Schaarbeek vast dat aan de woning van de heer D. de toegangsdeur wordt vervangen, en dat een nieuwe garagepoort is voorzien. De ambtenaar geeft het mondelinge bevel de werken te staken omdat hij ervan uitgaat dat er voor het uitvoeren van dergelijke werken een stedenbouwkundige vergunning vereist is terwijl de heer D. niet over een dergelijke vergunning beschikt.

Op 25 november 2011 wordt een proces-verbaal over de vaststelling opgesteld. Het proces-verbaal vermeldt dat de heer D. een inbreuk beging tegen artikel 300 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO). Bij beslissing van 25 november 2011 bekrachtigt de burgemeester van de gemeente Schaarbeek het mondelinge stakingsbevel en de inhoud van het proces-verbaal.

Op 27 december 2011 laat de heer D. aan de gemeente Schaarbeek een dagvaarding betekenen om in deze procedure in kort geding te verschijnen.

Op 2 februari 2012 dient de heer D. een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het uitvoeren van bouwwerken zonder volumewijziging. Daarin vermeldt hij dat de toegangsdeur en garagepoort oud en versleten zijn en voor één derde uit hout bestaan en voor twee derden uit glas beschermd door ijzerwerk. De nieuw geplaatste toegangsdeur en de nieuw te plaatsen garagepoort bestaan voor de helft uit aluminium en voor de helft uit glas.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde de heer D.:

- "- het bevel uitgevaardigd op 22 november 2011 op basis van artikel 302 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO) en tot staking van de werken: "AAN DE VOORGEVEL: VERVANGING VAN DE KUNSTIG BEWERKTE DEUREN DOOR DEUREN IN PVC ZONDER NALEVING VAN DE OORSPRONKELIJKE MATERIAAL, VERDELINGEN EN TEKENING ZONDER DAT EEN VOORAFGAANDE STEDENBOUWKUNDIGE VERGUNNING AFGELEVERD WERD", op te heffen;

- hem te machtigen de dringende en noodzakelijke instandhoudingswerken, bestaande in het vervangen van zijn garagepoort, verder te zetten;

- de gemeente Schaarbeek te veroordelen tot de kosten..."

De gemeente SCHAARBEEK concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter heeft gezegd dat het stakingsbevel onwettig is en moet opgeheven worden. Hij heeft de vordering voor het overige afgewezen. Hij heeft de heer D. veroordeeld tot een vierde van de kosten en SCHAARBEEK tot drie vierden.

3.3

In hoger beroep vraagt SCHAARBEEK te zeggen dat de Voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, zetelend in kort geding, onbevoegd was en derhalve de beschikking van 7 mei 2012 nietig te verklaren. Ondergeschikt vraagt zij de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren.

Bij incidenteel beroep herneemt de heer D. zijn oorspronkelijke vordering tot opheffing van het stakingsbevel en tot machtiging om de dringende en noodzakelijke instandhoudingswerken, bestaande in het vervangen van zijn garagepoort verder te zetten, dan wel te zeggen voor recht dat hij deze werken mocht uitvoeren.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De bevoegdheid en de rechtsmacht van de voorzitter

SCHAARBEEK stelt dat de eerste rechter ten onrechte de vordering heeft beoordeeld in kort geding.

Het klopt dat de heer D. heeft gedagvaard "in kort geding", en dat de zaak ingeschreven is op de rol van de kort gedingen. Noch die kwalificatie door de eisende partij, noch de inschrijving op die rol door de griffie binden echter de rechter in zijn beoordeling van zijn bevoegdheid en zijn rechtsmacht.

Uit het vonnis blijkt dat de eerste rechter de vordering heeft beschouwd als een toepassing van artikel 302 BWRO. Dit bepaalt dat de opheffing van de maatregel kan gevorderd worden "in kort geding", en dat de vordering wordt gebracht voor "de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg" en dat Boek II, Titel VI, van [deel IV van] het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is op de inleiding en de behandeling van de vordering. Die titel betreft de "inleiding en behandeling van de vordering in kort geding". De overweging van de eerste rechter met betrekking tot de hoogdringendheid is zonder belang maar sluit dus in wezen aan bij de logica van de wetgever. Dat alles neemt niet weg dat uit artikel 302 BWRO moet afgeleid worden dat de voorzitter ten gronde beslist over de opheffing van het stakingsbevel . Dat is ook wat de eerste rechter heeft gedaan.

De eerste rechter heeft dus geoordeeld binnen zijn bevoegdheid en zijn rechtsmacht.

4.2 De grond van de vordering

Artikel 98 § 1, 2° BWRO bepaalt dat niemand zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen mag: "verbouwen van een bestaand bouwwerk met uitzondering van instandhoudings- en onderhoudswerken; onder verbouwen wordt verstaan de wijziging - binnen of buiten - van een gebouw, kunstwerk of een inrichting, door onder meer toevoeging of afschaffing van een plaats, een dak, wijziging van het uitzicht van het bouwwerk of het gebruik van andere materialen, zelfs als deze werken de omvang van het bestaande gebouw niet wijzigen". De heer D. laat gelden dat de door hem uitgevoerde of geplande werken moeten beschouwd worden als instandhoudings- en onderhoudswerken.

Het begrip "instandhoudings- en onderhoudswerken" is niet gedefinieerd in het BWRO. Voor de eerste rechter verwees SCHAARBEEK naar het zelfde begrip in artikel 4.1.1. VCRO. De eerste rechter oordeelde terecht dat de vervanging van de deuren in casu neerkwam op het vervangen van geërodeerde en versleten materialen, wat het gebruik van de constructie voor de toekomst ongewijzigd veilig stelt, en dus een onderhoudswerk uitmaakt in de zin van artikel 4.1.1. VCRO.

Uit de offerte voor vervanging die de heer D. neerlegt mag aangenomen worden dat de deuren niet meer herstelbaar waren en niet meer voldeden aan de veiligheidsnormen, en dat de vervanging dus noodzakelijk was. SCHAARBEEK voert overigens geen concrete elementen aan die dat weerleggen.

SCHAARBEEK laat gelden dat de vervanging een wijziging tot gevolg had van "het uitzicht van het bouwwerk" en "het gebruik van andere materialen" impliceerde, zodat dit overeenkomstig artikel 98 § 1, 2° BWRO toch vergunningplichtig was. Dit is echter zonder belang, gelet op de opbouw van artikel 98, §1, 2° BWRO: de uitzondering voor instandhoudings- en onderhoudswerken geldt voor alle verbouwingen in de zin van die bepaling.

Ook het beroep van SCHAARBEEK op een a contrario redenering op grond van artikel 21, 8° van het besluit van 13 november 2008 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering faalt. Dit artikel bepaalt dat worden vrijgesteld van een stedenbouwkundige vergunning: "de vervanging van ramen, glaswerk, winkelramen, inkomdeuren, inrij- en garagepoorten, voor zover:

de oorspronkelijke vormen, met inbegrip van de welvingen, zichtbare indelingen en de raamstijlen en -vleugels behouden blijven;

het architecturaal aanzicht van het gebouw niet gewijzigd wordt". Die vrijstelling van vergunning (en de niet- vrijstelling wanneer de voorwaarden van artikel 21, 8° van het besluit niet vervuld zijn) is zonder belang, (alweer) gelet op de logica van artikel 98 § 1, 2° BWRO: ook als er vergunningsplicht is, geldt dat niet voor instandhoudings- en onderhoudswerken. Overigens kan het besluit bezwaarlijk iets afdoen aan de bepalingen van het decreet.

Bij de toetsing van de werken van de heer D. aan het begrip "instandhoudings- en onderhoudswerken" moet rekening gehouden worden met de concrete elementen van de situatie en met de ligging van het gebouw in een typisch woongebied en in een gebied van culturele, historisch, esthetische waarde of voor stadsverfraaiing. De bepalingen van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van 27 juni 2012 met betrekking tot de Bloemenwijk, waarin het gebouw is gelegen, blijven evenwel buiten toepassing in deze, nu die verordening pas definitief is aangenomen en goedgekeurd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering na het stakingsbevel.

De rechter die kennis neemt van een vordering tot opheffing van het stakingsbevel kan toetsen of de beslissing van de overheid stoelt op behoorlijke motieven dan wel op kennelijk onredelijke motieven. Die toets maakt deel uit van de wettigheidstoets die hij moet maken. Indien het stakingsbevel gedragen wordt door kennelijk onredelijke motieven moet het opgeheven worden.

De notie van instandhoudings- en onderhoudswerken impliceert op zich dat de werken gebeuren volgens de initiële vergunning van het gebouw; het is immers net de bedoeling om het te behouden. In casu lijkt het echter niet zinvol om de visie over een goede ruimtelijke ordening van 1927 en de keuzes van de initiële bouwheer slaafs na te volgen zonder rekening te houden met hedendaagse vereisten van comfort, duurzaamheid en veiligheid, en met de bestaande technologische ontwikkelingen. De eis dat bij instandhoudings- en onderhoudswerken alle zichtbare elementen van een gebouw te allen prijze identiek moeten blijven, zoals die eis blijkt uit het bestreden stakingsbevel, vormt in dat opzicht een kennelijk onredelijke interpretatie van het begrip instandhoudings- en onderhoudswerken. Dit klemt te meer gelet op de vaststelling, op grond van het voorgelegde fotomateraal , dat in dezelfde buurt verscheidene gelijkaardige wijzigingen aan deuren (of ramen), al dan niet noodzakelijk of al dan niet na toekenning van een vergunning, wel werden aanvaard door SCHAARBEEK.

De uitgevoerde werken waren dus niet vergunningplichtig en het stakingsbevel was onwettig; de eerste rechter heeft het terecht opgeheven.

Het hof kan de heer D. voor het overige niet machtigen tot het uitvoeren van werken zonder zich in de plaats te stellen van de overheid.

5 De kosten

Het Grondwettelijk Hof heeft op 25 april 2013 geoordeeld dat het stakingsbevel van artikel 6.1.47 VCRO uitsluitend wordt opgelegd ter vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, wat een doelstelling van algemeen belang is. Door zich te verweren tegen de vordering tot opheffing verdedigt de stakingsbevelende overheid steeds het algemeen belang en de vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening, zodat het niet verantwoord is dat zij in de rechtsplegingsvergoeding kan worden verwezen. Er kan haar ook geen rechtsplegingsvergoeding worden toegekend, zodat het verschil in behandeling onbestaande is.

Dit arrest was de partijen normaliter niet bekend bij de inberaadname op 29 april 2013. Daarom en gelet op artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek is het aangewezen dat de partijen standpunt innemen over de mogelijke implicaties.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond.

Het beveelt de heropening van de debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen over het enkele punt van de rechtsplegingsvergoeding, en bepaalt de zaak daartoe op de zitting van twee december 2013 om 14.00 uur (10 minuten).

Houdt de beslissing over de kosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

8/10/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Vrije woorden

  • I. Ruimtelijke ordering en stedenbouw. Vergunningplichtige werken. Rechterlijk bevel tot staking: motivering. Opheffing van een stakingsbevel: procedure in kortgeding? II. Draagwijdte van de wettelijke uitdrukking "instandhoudings- en onderhoudswerken"