- Arrest van 5 november 2013

05/11/2013 - 2010AR2317

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT, op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is iets niet te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

Wanneer de betwiste handeling bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2317

INZAKE VAN :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 15 december 2009,

vertegenwoordigd door Meester Peter VERGUCHT, advocaat te 1700 DILBEEK, Ninoofsesteenweg 255,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw A. G., ,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester COPPENS loco Meester Joris LAGROU, advocaat te 8600 DIKSMUIDE, Ijzerlaan 40-42,

Overheidsaansprakelijkheid. Rechterlijke macht Onrechtmatige daad. Fout van een magistraat. Inbeslagname van een auto. Schade naar aanleiding van de bewaring ervan.

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT, op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is iets niet te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

Wanneer de betwiste handeling bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

____________________________________________________________

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 15 december 2009.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

Mevrouw G. was gehuwd met de heer Ivan G., inmiddels overleden, vader van de heer P. G., tegen wie in 2003 een gerechtelijk onderzoek werd geopend wegens feiten van valsheid in geschrifte, heling van wagens en deelname aan een criminele organisatie. Mevrouw G. noch haar echtgenoot werden ooit in deze zaak in verdenking gesteld.

In het kader van dit gerechtelijk onderzoek heeft de onderzoeksrechter de inbeslagname bevolen van de auto van mevrouw G. en haar man, een BMW 530 D, met chassisnummer WDBADL71010GM8830. Mevrouw G. stelt dat zij en haar man de auto in juli 2002 hadden gekocht voor 23.550,00 EUR.

De inbeslagname werd op 30 april 2003 uitgevoerd. Het voertuig werd gestald bij de BVBA D. RIK.

Bij arrest van 21 april 2006 heeft het hof van beroep te Gent definitief uitspraak gedaan in de zaak, waarbij het de teruggave van het in beslag genomen voertuig heeft bevolen.

Het parket generaal te Gent gaf instructie aan het parket te Ieper om hieraan gevolg te geven, instructie die op 7 december 2006 werd doorgegeven aan de federale politie te Ieper.

De heer P. G. begaf zich op 10 januari 2007 met de federale politie in aanwezigheid van een gerechtsdeurwaarder naar de plaats waar het voertuig werd gestald. Mevrouw G. werd er tevens van ingelicht dat zij het inschrijvingsbewijs en het keuringsbewijs kon ophalen bij de griffie van de correctionele rechtbank te Ieper.

Volgens mevrouw G. werd het voertuig "in verschrikkelijke omstandigheden" teruggegeven en werd dat bevestigd in een proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder Vancappel van 31 januari 2007. Volgens de gerechtsdeurwaarder verklaarde de bewaarder spontaan dat hij de wagen gewoon buiten had laten staan in weer en wind nu het parket toch niet betaalt voor het binnen stallen.

Mevrouw G. stelt dat zij het wrak heeft verkocht voor 5.000,00 EUR. Zij vraagt van de BELGISCHE STAAT 18.550,00 EUR, het verschil met de vermelde aankoopprijs van 23.550,00 EUR.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde mevrouw G. de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot de betaling aan haar van 18.550,00 EUR plus de vergoedende intresten vanaf datum van inbeslagname en de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten.

De BELGISCHE STAAT concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van mevrouw G. onontvankelijk voor zover zij betrekking had op de beslagmaatregel van 30 april 2003 en de handhaving ervan. Hij verklaarde de vordering voor het overige ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde de BELGISCHE STAAT tot betaling aan mevrouw G. van 5.000,00 EUR plus de vergoedende intresten daarop vanaf 21 april 2006. Hij veroordeelde de BELGISCHE STAAT tot betaling van de kosten.

3.3

In hoger beroep herneemt de BELGISCHE STAAT zijn oorspronkelijk verweer.

Mevrouw G. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt zij haar oorspronkelijke vordering.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Mevrouw G. concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep, maar ontwikkelt geen middel dat daartoe strekt. Het hof ziet er geen dat ambtshalve aan te voeren is.

4.2 De grond van het hoger beroep

De fout van een magistraat waarvoor de BELGISCHE STAAT, op basis van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, aansprakelijk kan zijn, bestaat in de regel in een gedraging die, ofwel neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van een normaal zorgvuldig en omzichtig magistraat, die in dezelfde omstandigheden verkeert, ofwel, behoudens onoverkomelijke dwaling of enige andere rechtvaardigingsgrond, een schending inhoudt van een nationaalrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking in de interne rechtsorde, waarbij de magistraat verplicht is iets niet te doen of op een bepaalde manier wel iets te doen.

Wanneer de betwiste handeling bovendien het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie, is de BELGISCHE STAAT in de regel alleen aansprakelijk als de litigieuze handeling door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is ingetrokken, gewijzigd, vernietigd of herroepen wegens schending van een gevestigde rechtsnorm.

Hiermee moet worden gelijkgesteld de toestand waarin, vóór de wijziging van het EVRM door het Elfde Protocol, het Comité van ministers van de Raad van Europa in een beslissing heeft vastgesteld dat de litigieuze handeling een schending inhoudt van het EVRM of van de toegevoegde protocollen. Vóór die beslissing waarbij de bedoelde schending is vastgesteld, bestaat er geen vergoedbare schade .

Hieruit mag besloten worden dat bij gebrek aan de bedoelde intrekking, wijziging, vernietiging of herroeping (of de beslissing van het Comité van ministers van de Raad van Europa) de vordering tegen de BELGISCHE STAAT in aansprakelijkheid voor de fouten van een magistraat voor een handeling die het rechtstreeks voorwerp is van de rechtsprekende functie wel ontvankelijk is (er is geen reden waarom de rechter van die vordering geen kennis kan nemen) maar niet gegrond.

Mevrouw G. betwist niet dat de beslissing tot inbeslagname en de handhaving ervan rechtstreeks voorwerp waren van de rechtsprekende functie, en dat er geen intrekking, wijziging, vernietiging of herroeping of daarmee gelijkgestelde beslissing is gebeurd. Haar vordering op grond van de inbeslagname en de handhaving ervan is dus ongegrond, en niet onontvankelijk.

Ten overvloede zij opgemerkt dat mevrouw G. niet aanduidt, laat staan bewijst, waarin de beslissing tot in beslagname of de handhaving ervan onwettig zouden zijn of anderszins onrechtmatig. Overigens schreef de advocaat van mevrouw G. in zijn ingebrekestelling aan de BELGISCHE STAAT van 18 maart 2008 reeds uitdrukkelijk dat de appreciatie van de magistraat bij het in beslag nemen geen punt van discussie was.

Het hoger beroep is dus gedeeltelijk gegrond op dit punt.

Met betrekking tot de vordering op grond van de wijze waarop de auto werd bewaard, staat het aan mevrouw G. om als eisende partij het bewijs te leveren van wat zij aanvoert (artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Haar vordering op grond van onrechtmatige daad vereist het bewijs van fout, schade en oorzakelijk verband.

Zoals vermeld werd in april 2003 een BMW 530 D in beslag genomen met chassisnummer WDBADL71010GM8830. Dat is het nummer vermeld in een "inventaris van in beslag genomen voorwerpen niet neergelegd ter griffie" en in een proces-verbaal van 16 januari 2007 van de federale politie te Ieper met betrekking tot de uitvoering van de opdracht tot vrijgave .

Mevrouw G. legt een factuur van aankoop voor van 23 juli 2002 met betrekking tot een BMW 530D met chassisnummer WbadL710106M9742 voor 23.550,00 EUR .

Met die factuur van aankoop levert mevrouw G. niet het bewijs van de waarde van de auto BMW 530 D met chassisnummer WDBADL71010GM8830 toen hij in beslag werd genomen.

Met betrekking tot de restwaarde van de in beslag genomen en vrijgegeven auto legt mevrouw G. een stuk voor dat getiteld is verkoopovereenkomst en dat een prijs vermeldt van 5.000,00 EUR voor een BMW 530D, met vermelding "te lang stilgestaan". Het stuk is niet gedateerd en draagt een onleesbare handtekening van een verkoper maar niet van een koper. Het vermeldt geen chassisnummer, geen bouwjaar en geen kilometerstand . Mevrouw G. noemt het in haar inventaris een verkoopborderel.

Uit dit stuk kan niets afgeleid worden met betrekking tot de restwaarde van de auto BMW 530 D met chassisnummer WDBADL71010GM8830 toen hij werd vrijgegeven. Het vormt geen bewijs van een verkoop, en zeker niet van een verkoop van de auto BMW 530 D met chassisnummer WDBADL71010GM8830.

Mevrouw G. legt een proces-verbaal voor van gerechtsdeurwaarder Vancappel van 31 januari 2007. Hij vermeldt met betrekking tot de staat van de auto:

- de vier banden zijn plat

- op de voorbumper en in de lichtkasten vooraan is duidelijke mosvorming zichtbaar, zowel de bumper als de lichtkasten slaan deels groen uit

- de voorspoiler is onderaan rechts gebarsten

- de wagen start niet meer

De BELGISCHE STAAT werpt terecht op dat uit niets blijkt dat de barst in de bumper is veroorzaakt bij de bewaring, en dat de overige vaststellingen met betrekking tot de staat van de auto ook het zuivere gevolg kunnen zijn van ongeveer 4 jaar stilstand. Dit vormt dus geen bewijs van schade uit onzorgvuldige bewaring.

Mevrouw G. levert dus niet het bewijs van de schade waarvan zij vergoeding vordert. De vordering is dus ongegrond en de overige middelen zijn zonder belang voor de beoordeling.

5 De kosten

De gerechtskosten van het hoger beroep worden ten laste gelegd van mevrouw G., de in het ongelijk gestelde partij.

Terecht merkt de BELGISCHE STAAT op dat de eerste rechter in de motivering de rechtsplegingsvergoeding bepaalt op 1.100,00 EUR, wat overeenstemt met de waarde van de vordering, maar in het dispositief een rechtsplegingsvergoeding toekent van 5.000,00 EUR. Dit is evident een materiële vergissing, die hieronder wordt rechtgezet.

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 1.210,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk ;

Verklaart het incidenteel hoger beroep van mevrouw G. gedeeltelijk gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de vordering voor zover zij betrekking heeft op de beslagmaatregel van 30 april 2003 en de handhaving ervan, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond;

Verklaart het hoger beroep van de BELGISCHE STAAT gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de vordering op grond van de wijze van bewaring tijdens beslag, en spreekt opnieuw recht als volgt :

Verklaart de vordering ongegrond ;

Veroordeelt mevrouw G. tot de betaling van de kosten van beide aanleggen,

- voor eerste aanleg begroot

- in hoofde van haarzelf op 1.315,79 (215,79 dagvaarding + 1.100 rechtsplegingsvergoeding ),

- in hoofde van de Belgische Staat op euro 1.100 rechtsplegingsvergoeding,

- en die in hoger beroep begroot

- in hoofde van appellant op euro 1.396 ( 186 rolrecht + 1.210 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.210 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

5/11/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Overheidsaansprakelijkheid. Rechterlijke macht Onrechtmatige daad. Fout van een magistraat. Inbeslagname van een auto. Schade naar aanleiding van de bewaring ervan.