- Arrest van 19 november 2013

19/11/2013 - 2011AR747

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De vrederechter in het kader van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek is, evenmin als de kortgedingrechter op grond van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, bevoegd om te anticiperen op de vereffening (in casu van het stelsel van scheiding van goederen. Er is geen reden om te dezen af te wijken van de regel uit artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek. De echtgenoot die uitsluitend het genot heeft gehad van het onverdeeld onroerend goed is vergoeding verschuldigd aan de mede-eigenaar.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2011/AR/747

INZAKE VAN :

De heer F., alias F. B.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 maart 2011,

vertegenwoordigd door Meester Roger VANHOYLAND, advocaat te 3500 HASSELT, Kuringersteenweg 209,

1ste kamer

TEGEN :

Mevrouw I. D.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester F. BOSMANS loco Meester Catharine BOSMANS-BROECKX, advocaat te 1600 Z., Volsemstraat 17,

Artikel 223 BW. Voorlopige dringende maatregelen van de vrederecht. Geen mogelijkheid om te anticiperen op de vereffening van het huwelijksgoederenstelsel. Woonstvergoeding

De vrederechter in het kader van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek is, evenmin als de kortgedingrechter op grond van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, bevoegd om te anticiperen op de vereffening (in casu van het stelsel van scheiding van goederen. Er is geen reden om te dezen af te wijken van de regel uit artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek. De echtgenoot die uitsluitend het genot heeft gehad van het onverdeeld onroerend goed is vergoeding verschuldigd aan de mede-eigenaar.

_____________________________________________________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het arrest van de derde kamer van het hof, na tegenspraak uitgesproken op 27 januari 2005, waarbij notarissen X. en Y. werden aangesteld om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen van / of onverdeeldheden bestaan hebbende tussen partijen als echtgenoten en tot de vereffening en verdeling;

- de akten en stukken door notaris X. te Z. op 23 maart 2011 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellant B., op 30 juni 2011 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van geïntimeerde D., op 13 mei 2011 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 10 september 2013, waarna de zaak op de zitting van 7 oktober in beraad werd genomen.

Gelet op de stukken van partijen.

I. Situering van het geschil

1. Partijen zijn gehuwd op 21 september 1979 onder het stelsel van zuivere scheiding der goederen blijkens huwelijkscontract verleden voor notaris Snijers te Alken op 12 september 1979.

Op 3 november 1998 heeft geïntimeerde een vordering tot echtscheiding ingesteld op grond van toenmalig artikel 229 van het Burgerlijk wetboek.

De dringende en voorlopige maatregelen tijdens de echtscheidingsprocedure werden op 6 januari 1999 bij bevelschrift van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel zetelend in kort geding bevolen (artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek). De rechtbank stelde o.m. notaris Vanachter te Halle aan met de opdracht een tegensprekelijke inventaris op te stellen.

2. Bij vonnis van 26 januari 1999 heeft de rechtbank van eerste aanleg de echtscheiding tussen partijen ten nadele van de heer B. uitgesproken. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. De tegeneis tot echtscheiding van de heer B. werd bij vonnis van 25 februari 2003 ongegrond verklaard en het hoger beroep tegen dit vonnis werd bij arrest van 1 februari 2005 als ongegrond afgewezen.

3. Bij vonnis van 14 september 1999 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid bevolen. Na beroep heeft de derde kamer van het hof bij arrest van 27 januari 2005 akte gegeven aan partijen van hun akkoord en notarissen X. en Y. met standplaats te Halle aangesteld.

4. Bij vonnis van 14 maart 2011 heeft de rechtbank van eerste aanleg zich zonder rechtsmacht verklaard om kennis te nemen van de betwisting tussen partijen m.b.t. zwarigheden in het kader van de vereffening en verdeling.

5. Op 23 maart 2011 heeft de boedelnotaris volgende akten ter griffie van het hof neergelegd:

• inventaris opgemaakt door notaris Van Achter te Halle op 26 februari 1999;

• bijkomende inventaris door notaris Van Achter te Halle op 8 mei 2000;

• p.v. van opening der werkzaamheden d.d. 30 juni 2005;

• p.v. van opening der werkzaamheden d.d. 2 november 2005;

• p.v. van verderzetting der werkzaamheden d.d. 29 november 2005;

• staat van vereffening en verdeling van 27 september 2007;

• p.v. van beweringen en zwarigheden d.d. 18 februari 2008;

• antwoord van de notaris op de ingebrachte beweringen en zwarigheden d.d. 22 oktober 2008.

6. Hierna worden de beweringen en zwarigheden van partijen behandeld.

II. Bespreking

7. Geïntimeerde maakt aanspraak op interest voor de periode van 20 december 2001 tot 20 december 2007, berekend aan 5 %, ten belope van 2.977,44 euro op de effecten General Electric Capital Corp. en 926,72 euro voor de periode van 1 juli 2000 tot 20 december 2007 op de effecten Sollembeemd TC (punt I.1.3/c en d).

In hun p.v. van antwoord op de ingebrachte beweringen en zwarigheden d.d. 22 oktober 2008 hebben de notarissen terecht (1) erkend dat interesten verschuldigd zijn en (2) aanvaard dat de interestvoet aan 5 % zou worden aangerekend (3) te berekenen vanaf de aanmaning d.d. 18 februari 2008.

Er is geen reden om de interest te berekenen vanaf de vervaldatum van de belegging nu deze interest op schuldvorderingen tussen echtgenoten niet van rechtswege is verschuldigd.

8. Geïntimeerde betwist een woonstvergoeding verschuldigd te zijn voor de periode waarin zij het onverdeeld onroerend goed te Halle met de kinderen heeft betrokken (punt II.1.a).

Mevrouw D. haalt immers het vonnis van de vrederechter d.d. 1 december 1997 aan waarbij de vrederechter de alimentatiegelden heeft bepaald en hierbij rekening heeft gehouden met "het feit dat mevrouw gratis woont en mijnheer ook wat de gezinswoning betreft tussenkomt in de kosten". Tevens steunt geïntimeerde zich op de redenering van het hof in zijn arrest van 9 december 1999 dat haar een persoonlijk onderhoudsgeld van 40.000 BEF toekende en, vanaf het ogenblik dat zij de gezinswoning zou verlaten, dit onderhoudsgeld op 55.000 BEF bracht. Mevrouw D. besluit dat de bewoning integraal deel uitmaakt van de onderhoudsuitkering.

De notarissen besloten in hun p.v. van antwoord op de ingebrachte beweringen en zwarigheden d.d. 22 oktober 2008: "de woonstvergoeding is verschuldigd maar de vergoeding is reeds verrekend via het onderhoudsgeld. Mevrouw zal geen werkelijke vergoeding aan de heer B. betalen aangezien deze al verrekend is met de onderhoudsbijdrage."

Het moet worden benadrukt dat de vrederechter in het geciteerde vonnis van 1 december 1997 nog motiveerde: "Het aspect van de eventuele vergoeding voor het gratis gebruik van de gezinswoning door (mevrouw) dient evenwel later bij een vereffening - verdeling aan bod te komen en is nu niet aan de orde." In hun p.v. van 22 oktober 2008 zijn de notarissen van oordeel dat de beslissing van de vrederechter eigenlijk verwarrend is.

Bij zijn beschikking van 1 december 1997 heeft de vrederechter te Halle de dringende voorlopige maatregelen op grond van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek bepaald betreffende de persoon en de goederen van de echtgenoten en van de kinderen. Hij had geen bevoegdheid, evenmin als de kortgedingrechter op grond van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, om zich uit te spreken over het verschuldigd zijn van enige woonstvergoeding voor het uitsluitend genot van het onverdeeld onroerend goed. In zover de vrederechter bij wijze van voorlopige dringende maatregel het persoonlijk onderhoudsgeld voor mevrouw bepaalde en hiermee rekening hield met haar financiële situatie, en meer bepaald met de omstandigheid dat "mevrouw gratis woont en mijnheer ook wat de gezinswoning betreft tussenkomt in de kosten", kan zijn beslissing niet impliceren dat woonstvergoeding niet zal verschuldigd zijn noch dat deze vergoeding al verrekend is met de alimentatiebijdrage. De vrederechter heeft dit overigens zelf onderstreept.

De vrederechter in het kader van artikel 223 van het Burgerlijk Wetboek is, evenmin als de kortgedingrechter op grond van artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, bevoegd om te anticiperen op de vereffening .

Er is geen reden om te dezen af te wijken van de regel uit artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek. De echtgenoot die uitsluitend het genot heeft gehad van het onverdeeld onroerend goed is vergoeding verschuldigd aan de mede-eigenaar.

De notarissen berekenden de vergoeding verschuldigd door mevrouw aan mijnheer op 1.760 euro per maand gedurende 3 maanden (zijnde tussen 3 november 1998 en 1 februari 1999) of 5.280 euro waarvan de helft (2.640 euro) door mevrouw aan mijnheer verschuldigd.

De door de notarissen berekende vergoeding verschuldigd door mijnheer aan mevrouw maakt niet principieel het voorwerp van enige zwarigheid uit.

De cijfermatige begroting van de notarissen steunt op de schattingen van deskundigen en dient te worden bekrachtigd.

...

14. De gerechtskosten

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van de massa.

De rechtsplegingsvergoedingen worden begroot op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 .

Er is geen reden om af te wijken van dit basisbedrag.

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de zwarigheden van partijen deels gegrond, zoals in het motiverend gedeelte uiteengezet en zegt voor recht dat de notarissen hiermee rekening zullen houden bij het voortzetten van hun werkzaamheden.

(...)

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

19/11/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Vrije woorden

  • Stelsel van scheiding van goederen. Voorlopige dringende maatregelen van de vrederechter. Beperkingen aan dens bevoegdheid. Niet vooruitlopen op de vereffening