- Arrest van 17 december 2013

17/12/2013 - 2010AR2186

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De in casu precaire afsluiting van de weide gehuurd door een dierenkweker was in de gegeven omstandigheden niet van die aard om een volwassen dekstier tegen te houden en te verhinderen van de taxus te eten waarvan de eigenaar van de dekstier - als dierenkweker - moest weten dat het om een giftige plant gaat die een plotse hartstilstand kan veroorzaken bij het eten ervan. De aansprakelijkheid voor de dood van de dekstier ligt in casu uitsluitend bij de dierenkweker-eigenaar van de dekstier, en dus niet bij de eigenaar van de weide waarop de dekstier stond.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2186

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap VEEHANDEL PUTZEYS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 3060 BERTEM, Egenhovenstraat 116, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0879.367.950,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 12 januari 2010,

vertegenwoordigd door Meester MITCHAUX loco Meester José DEVOS, advocaat te 3001 HEVERLEE, Sint-Lambertusstraat 16,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer J. D., wonende ...in zijn hoedanigheid van wettige erfgenaam, de nalatenschap aanvaardend onder voorrecht van boedelbeschrijving van wijlen zijn moeder Mevrouw J. B....

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Robert PEETERS, advocaat te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg 506,

2) De naamloze vennootschap MERCATOR VERZEKERINGEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 2018 ANTWERPEN, Desguinlei 100, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0400.048.883,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Sheeba VERACHTERT loco Meester Nicolas VANDEBROEK, advocaat te 3000 LEUVEN, C. Meunierstraat 111,

Artikel 1382 BW. Al of niet gedeelde aansprakelijkheid. Perceel weide. Taxushaag. Dood van een dekstier, die zich bevond in deze weide, ingevolge intoxicatie door taxusresten (giftige taxushaag). Niet snoeien van de taxushaag door de dierenkweker, huurder/pachter van de weide. In concreto, aansprakelijkheid uitsluitend van de dierenkweker

De in casu precaire afsluiting van de weide gehuurd door een dierenkweker was in de gegeven omstandigheden niet van die aard om een volwassen dekstier tegen te houden en te verhinderen van de taxus te eten waarvan de eigenaar van de dekstier - als dierenkweker - moest weten dat het om een giftige plant gaat die een plotse hartstilstand kan veroorzaken bij het eten ervan. De aansprakelijkheid voor de dood van de dekstier ligt in casu uitsluitend bij de dierenkweker-eigenaar van de dekstier, en dus niet bij de eigenaar van de weide waarop de dekstier stond.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 12 januari 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 30 juli 2010;

• de conclusie van Jacqueline BRUGGEMANS neergelegd ter griffie op 15 en 18 november 2010;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 15 maart 2011;

• de conclusie van de NV MERCATOR VERZEKERINGEN neergelegd ter griffie op 16 maart 2011;

• de akte van gedinghervatting neergelegd door Joseph D. ter griffie op 4 november 2013 en ter zitting van 5 november 2013.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 5 november 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en de incidentele beroepen werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe de rechtsvoorganger van geïntimeerde sub 1 te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 3.180 euro - bij conclusie uitgebreid tot het definitief bedrag van 3.305 euro - plus de vergoedende intresten vanaf 20 december 2007 en de gerechtelijke intresten.

Geïntimeerde sub 2 kwam vrijwillig tussen in het geding en appellante breidde haar vordering uit tegen deze partij.

De rechtsvoorganger van geïntimeerde sub 1 stelde een tussenvordering in en vroeg dat geïntimeerde sub 2 - ingeval van veroordeling - haar zou vrijwaren.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard, (2) geïntimeerde sub 1 (= destijds de moeder) en sub 2 in solidum veroordeeld tot betaling van het bedrag van 1.652,50 euro plus intresten vanaf 20 december 2007, (3) de vordering in vrijwaring ontvankelijk en gegrond verklaard en dienvolgens geïntimeerde sub 2 veroordeeld om geïntimeerde sub 1 te vrijwaren en (4) geïntimeerden veroordeeld tot 2/3 van de gerechtskosten.

1.3. In hoger beroep herneemt appellante haar oorspronkelijke vordering zoals uitgebreid bij conclusie.

Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde sub 1 (1) de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren, (2) minstens hem slechts aansprakelijk te stellen ten beloop van 10% en (3) te zeggen voor recht dat de waarde van de stier slechts 2.000 euro bedraagt.

Voor het overige vraagt hij de bevestiging van het bestreden vonnis wat zijn vordering tot vrijwaring betreft.

1.4. Geïntimeerde sub 2 vraagt bij wijze van incidenteel beroep eveneens (1) de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren, (2) minstens haar slechts aansprakelijk te stellen tot beloop van 10% en (3) te zeggen voor recht dat de waarde van de stier slechts 2.000 euro bedraagt.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante vee laat grazen in een weide in Bertem die gelegen is naast de tuin, eigendom van geïntimeerde sub 1.

Op de grens tussen die beide percelen - wat geïntimeerde sub 1 betwist in zijn conclusie - staat een taxushaag.

Op korte afstand van die haag heeft appellante nog een bijkomende draadafsluiting geplaatst rond de weide, die zij in gebruik heeft.

2.3. Op 20 december 2007 trof appellante haar dekstier dood aan in de weide. De stier lag neer aan de afsluiting, grenzend aan het perceel van geïntimeerde sub 1.

2.4. De bedrijfsdierenarts - opgeroepen door appellante - stelde vast dat de pensmaag van de stier gevuld was met taxusresten.

Ook de dierenarts aangesteld op verzoek van de verzekeringsmaatschappij van appellante kwam tot eenzelfde doodsoorzaak, met name intoxicatie door taxus.

Geïntimeerde sub 2 - die de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid "gezin" is van geïntimeerde sub 1 - stelde ook een expert aan die eveneens als oorzaak van het overlijden een giftige taxushaag aanwees.

III. Bespreking.

3.1. De vordering is gesteund op artikel 1382 e.v. B.W.

De eerste rechter oordeelde dat niet alleen geïntimeerde sub 1 een fout beging door kwestieuze giftige haag niet te planten op een voldoende afstand (= 50m) van de aanpalende weide zoals voorzien in het Veldwetboek maar dat appellante tevens een fout had begaan door haar stier op de weide te plaatsen zonder na te gaan of het dier niet aan die haag kon en door niet de nodige maatregelen te hebben genomen om de schade te voorkomen.

De eerste rechter was van oordeel dat deze samenlopende fouten in gelijke mate tot de schade hadden bijgedragen en bijgevolg de aansprakelijkheid bij helften diende verdeeld te worden. (= ½ van 3.305 euro).

3.2. In tegenstelling met wat geïntimeerden voorhouden, kan niet ernstig betwist worden dat de stier in kwestie gestorven is aan een taxusintoxicatie.

Alle dierenartsen (= de bedrijfsarts van appellante, de deskundigen aangesteld zowel door de verzekeraar van appellante als door geïntimeerde sub 2) kwamen tot de conclusie dat de stier gestorven is ingevolge het eten van taxusresten.

Het feit dat het telkens gaat om eenzijdige bevindingen neemt niet weg dat gezien het gezamenlijk ingenomen standpunt de doodsoorzaak afdoende vaststaat.

3.3. Het komt verder aan appellante toe het bewijs te leveren van wat ze voorhoudt.

Vooreerst is niet duidelijk waar de bewuste taxushaag zich bevindt, met name op de scheidingslijn of ernaast.

Zelfs indien die taxushaag zich op de scheidingslijn bevond, staat deze foutieve inplanting niet in oorzakelijk verband met de door appellante geleden schade.

Uit de neergelegde foto's blijkt dat de taxushaag aan de kant van de weide - gepacht/gebruikt door appellante - nogal uitloopt en niet bijgesnoeid was. Dit kwam toe aan appellante als gebruiker/ pachter. Minstens behoorde het aan appellante om geïntimeerde sub 1 hiertoe in gebreke te stellen wat nergens uit blijkt en ook nooit gebeurd is.

Bovendien werd de weide afgezet met eenvoudige palen met draad op ongeveer 50 cm afstand van de kwestieuze taxushaag. De deskundige aangesteld door de verzekeraar van appellante zelf zal overigens vaststellen dat die haag over die afsluiting groeide.

Een dergelijke precaire afsluiting was in de gegeven omstandigheden niet van die aard om een volwassen stier tegen te houden en te verhinderen van de taxus te eten waarvan appellante - als dierenkweker - moest weten dat het om een giftige plant gaat die een plotse hartstilstand kan veroorzaken bij het eten ervan.

De stier in kwestie bevond zich bovendien in de weide midden in de winter terwijl het gesneeuwd had zodat het evenmin onwaarschijnlijk overkomt dat het dier - dat niet kon grazen - zijn toevlucht heeft genomen tot het eten van taxusbladeren bij gebrek aan beter.

3.4. De oorzaak van de schade is derhalve enkel te wijten aan het onzorgvuldig omgaan met het dier door appellante zelf.

Aan geïntimeerde sub 1 kan geen enkele fout verweten worden die de schade heeft veroorzaakt. Hij was niet op de hoogte dat de taxushaag langs de zijde van de weide gebruikt door appellante over de afsluiting groeide en is niet verantwoordelijk voor de wijze waarop appellante haar weide heeft afgezet noch over de manier waarop zij met haar dieren omgaat.

Het bestreden vonnis wordt bijgevolg hervormd en de vordering van appellante wordt integraal afgewezen als ongegrond.

3.5. Appellante begroot de rechtsplegingsvergoeding op 715 euro, geïntimeerde sub 1 op 650 euro ten laste van zowel appellante als ten laste van geïntimeerde sub 2 en deze laatste partij begroot voornoemde vergoeding tevens op 650 euro.

Gelet om de omvang van het gevorderde (= schaal van 2.500,01 euro tot 5.000 euro) bedraagt het geïndexeerd basisbedrag 715 euro.

Dit bedrag komt toe aan zowel geïntimeerde sub 1 als aan geïntimeerde sub 2 afzonderlijk die de in het gelijk gestelde partijen zijn met een onderscheiden raadsman.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de incidentele beroepen ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre hierin de vordering ontvankelijk wordt verklaard en de kosten begroot worden en opnieuw recht sprekende voor het overige,

Verklaart de vordering ongegrond.

Veroordeelt appellante in de kosten van beide aanleggen, deze van het hoger beroep in hun geheel begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 901 (176 rolrecht + 175 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van eerste geïntimeerde op euro 715 rechtsplegingsvergoeding, en

- in hoofde van tweede geïntimeerde op euro 715 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

17/12/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Artikel 1382 BW. Al of niet gedeelde aansprakelijkheid. Perceel weide. Taxushaag. Dood van een dekstier, die zich bevond in deze weide, ingevolge intoxicatie door taxusresten (giftige taxushaag). Niet snoeien van de taxushaag door de dierenkweker, huurder/pachter van de weide. In concreto, aansprakelijkheid uitsluitend van de dierenkweker