- Arrest van 19 februari 2013

19/02/2013 - 2012-AR-0007

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 171, 1, c) WIB92 is een duidelijke wettekst die geen interpretatie vergt. Er bestaat dan ook geen reden om de inkomstengrens die door die wetsbepaling wordt voorzien voor de vaststelling van het inkomen uit stopzetting van een werkzaamheid (namelijk de vergoeding voor de verkoop op de vrije markt van een deel van een melkquotum) dat aan het afzonderlijk tarief mag onderworpen wordt, te beperken in verhouding tot het aandeel van het melkquotum dat aan het Melkquotumfonds werd verkocht waarvoor de vergoeding van de belasting is vrijgesteld.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

19-02-2013

BELASTINGEN

Nr.2012/AR/7

in de zaak van:

D.......... W......... R.............

wonende te .....................................,

doch woonst kiezend ten kantore van zijn raadsman te 3000 LEUVEN, Diestsevest 113,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN WYNSBERGE Koen, advocaat te 3000 LEUVEN, Diestsevest 113

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, in deze vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur der Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector Directe Belastingen, met kantoren te 9050 LEDEBERG (GENT), G. Crommenlaan 6 bus 201, en voor zoveel als nodig de Gewestelijk Directeur der Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controle Eeklo 1, met kantoren te 9900 EEKLO, Garenstraat 48,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VERGAUWE Geert loco mr. VANCAENEGHEM Philip, advocaat te 9000 GENT, Twaalfkameren 17

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure

Bij verzoekschrift van 2 januari 2012 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, op 27 september 2011 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant ontvankelijk maar ongegrond verklaard met verwijzing van de appellant in de kosten van het geding.

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Appellant akte te verlenen van het hoger beroep dat hij bij verzoekschrift heeft ingesteld tegen het vonnis gewezen op 21 september 2010 [wat, zoals tijdens de openbare terechtzitting van 22 januari 2013 bevestigd door de appellant, moet gelezen worden als '27 september 2011'] door de rechtbank van eerste aanleg te Gent,

Er op recht doende, het eerste vonnis teniet te doen,

Dienvolgens, opnieuw rechtdoende, doende wat de eerste rechter behoorde te doen,

De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens de bestreden beslissing te vernietigen, minstens te hervormen, en de aanslag in de personenbelasting voor aanslagjaar 2007, kohierartikel 788914302 gevestigd op naam van De heer D..... W.......... R........., nietig te verklaren, minstens gedeeltelijk te ontheffen en terugbetaling te bevelen van de op grond van deze aanslagen reeds geïnde bedragen, te verhogen met de moratoriuminteresten te rekenen vanaf datum van het indienen van het inleidend verzoekschrift.

Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.320 euro (geïndexeerd tarief RPV eerste aanleg) en 1.320 euro (geïndexeerd tarief RPV hoger beroep).

De geïntimeerde vraagt om het hoger beroep van de appellant ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. De geïntimeerde vraagt tevens dat het hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep.

2. De feitelijke gegevens

De appellant is landbouwer. Hij heeft in het jaar 2006 zijn melkquotum (130.000 liter) verkocht. 63.848 liter daarvan verkocht hij op de vrije markt. Het resterend deel verkocht hij aan het melkquotumfonds.

De appellant ontving voor de verkoop op de vrije markt een vergoeding van 39.549,55 euro.

In de aangifte voor het aanslagjaar 2007 had de appellant nagelaten om die vergoeding aan te geven in zijn belastingaangifte.

Er werd een aanvankelijke aanslag gevestigd op basis van die aangifte.

Met bericht van wijziging van de aangifte van 2 september 2008 liet de taxatiedienst weten dat hij de nettowinst met 39.549,55 euro zou verhogen.

Namens de appellant werd meegedeeld dat hij niet akkoord kon gaan omdat een deel van die vergoeding aan het verlaagd tarief van 16,5% zou moeten onderworpen worden met toepassing van artikel 171, 1° c) WIB92, iuncto artikel 171, 4°, b) WIB92. Volgens de stelling van de appellant was de vergoeding als volgt belastbaar:

- afzonderlijk belastbaar aan 16,5%: 24.979,95 euro (het referentie-inkomen bedoeld in artikel 171, 1°, c) WIB92).

- gezamenlijk belastbaar aan het progressief tarief: (39.549,55 - 24.979,95 =) 14.569,60 euro.

Met een kennisgeving van beslissing tot taxatie van 30 september 2008 liet de taxatiedienst weten akkoord te gaan met de berekening van het referentie-inkomen uit melkproductie op 24.979,95 euro, maar de taxatiedienst stelde dat de appellant ten onrechte vertrok van het volledige referentie-inkomen. Meer bepaald werd voorgehouden dat het referentie-inkomen uit melkproductie dat artikel 171, 1°, c) WIB92 als grens voor de toepassing van het verlaagd tarief voorziet — gelet op het feit dat de vergoeding voor de verkoop van een melkquotum aan het melkquotumfonds van de belasting vrijgesteld is —pondspondsgewijze moet worden beperkt tot (24.979,95 euro x 63.848 / 130.000 =) 12.268,61 euro).

Op 9 december 2008 werd dan ook overeenkomstig de kennisgeving van beslissing tot taxatie op naam van de appellant voor het aanslagjaar 2007 een aanslag gevestigd in de personenbelasting onder kohierartikel 788.914.302 voor een te betalen bedrag van 15.984,07 euro.

De appellant heeft op 12 maart 2009 tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend.

In zijn directeurbeslissing van 3 november 2009 wees de geïntimeerde het bezwaar af.

Met een verzoekschrift van 21 januari 2010 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

De zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 27 september 2011, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellant als ongegrond afgewezen.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. De betwisting

Het geschil gaat over de vraag of het referentie-inkomen dat artikel 171, 1°, c) WIB92 voorziet al dan niet moet beperkt worden om reden dat slechts 60% van het verkochte melkquotum voorwerp uitmaakt van de betwiste belasting. Overeenkomstig artikel 25, 6°, a) WIB92 is het deel van het melkquotum dat aan het melkquotumfonds wordt verkocht (aan een lagere prijs) immers van belasting vrijgesteld.

Er bestaat geen betwisting over dat het gemiddelde inkomen van de vier referentiejaren waarvan sprake in artikel 171, 1° c) WIB92 dat door de appellant uit de melkproductie werd gehaald, in het totaal 24.979,95 euro bedraagt.

Waar de appellant dat volledige bedrag van 24.979,95 euro aan het verminderde tarief onderworpen acht, is de geïntimeerde — daarin gevolgd door de eerste rechter — van oordeel dat het gunsttarief slechts voor 63.848 / 130.000sten van dat bedrag kan toegepast worden.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat het verminderd tarief waarop de appellant voor het betreffende deel van zijn melkquotumvergoeding aanspraak kan maken, nu hij op het moment van de verkoop 60 jaar was, met toepassing van artikel 171, 4°, b) WIB92, 16,5% bedraagt.

4. De beoordeling

Artikel 25, 6°, a) WIB92 luidt als volgt:

Winst omvat eveneens:

[...]

6° de vergoedingen van alle aard die de ondernemer gedurende de exploitatie verkrijgt:

a) ter compensatie of naar aanleiding van enige handeling die een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van de winst van de onderneming tot gevolg kan hebben, met uitzondering van de vergoedingen ontvangen naar aanleiding van het vrijmaken van referentiehoeveelheden overeenkomstig artikel 15 van zowel het koninklijk besluit van 2 oktober 1996, als het besluit van 19 december 2002 van de Waalse regering en het besluit van 13 juni 2003 van de Vlaamse regering, betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten;

[...].

Artikel 171, 1°, c) WIB92 luidt als volgt:

In afwijking van de artikelen 130 tot 168, zijn afzonderlijk belastbaar, behalve wanneer de aldus berekende belasting, vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten, meer bedraagt dan die welke zou voortvloeien uit de toepassing van de evenvermelde artikelen op het geheel van de belastbare inkomsten:

1° tegen een aanslagvoet van 33 pct. :

[...]

c) onverminderd de toepassing van 4°, b, stopzettingsmeerwaarden op immateriële vaste activa als vermeld in artikel 28, eerste lid, 1°, en de in de artikelen 25, 6°, a en 27, tweede lid, 4°, a, vermelde vergoedingen verkregen als compensatie van een vermindering van de werkzaamheid, in zover zij niet meer bedragen dan de belastbare netto-winst of -baten die in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de stopzetting of de vermindering van de werkzaamheid uit de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen;

Onder belastbare netto-winst of -baten van elk in het vorige lid vermelde jaar wordt verstaan het overeenkomstig artikel 23, § 2, 1°, vastgestelde inkomen, maar met uitzondering van de ingevolge deze onderafdeling afzonderlijk belaste inkomsten;

Artikel 171, 1° c), 1ste lid WIB92 voorziet in een grens voor het bedrag van de belastbare vergoeding verkregen uit de verkoop van het melkquotum dat aan het afzonderlijk tarief is onderworpen. De tekst van die wetsbepaling is duidelijk en hoeft dan ook geen verdere interpretatie: de grens is gelijk aan de belastbare netto-winst of -baten die in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de stopzetting of de vermindering van de werkzaamheid uit de niet meer uitgeoefende werkzaamheid zijn verkregen.

De ‘niet meer uitgeoefende werkzaamheid' is hier deze van melkveehouder/melkproductie. Het tweemaal vermelden van het woord ‘werkzaamheid' is nodig om eerst de relevante belastbare tijdperken te benoemen en daarnaast het verband uit te drukken naar de activiteit die niet meer wordt uitgeoefend. Er valt niet in te zien hoe — zoals de geïntimeerde nochtans doet — daaruit kan worden afgeleid dat moet rekening gehouden worden met het feit dat de vergoeding voor het deel van het melkquotum dat aan het melkquotumfonds is verkocht, van belasting is vrijgesteld. Ook het aandeel in het melkquotum dat aan het melkquotumfonds werd verkocht, werd gebruikt voor de uitoefening van de stopgezette werkzaamheid.

De wettekst laat geen andere lezing toe dan het (volledige) inkomen in aanmerking te nemen uit deze ‘niet meer uitgeoefende werkzaamheid' van de appellant. Dat dit naar het inzicht van de geïntimeerde ‘niet logisch' zou zijn omdat slechts 63.848 / 130.000sten van de opbrengst uit verkoop van het melkquotum belastbaar is, kan daar niets aan afdoen: de wettekst is duidelijk.

Het hoger beroep is dus gegrond.

Dat houdt in dat de bestreden aanslag moet herberekend worden (door het volledige referentie-inkomen van 24.979,95 euro aan het verlaagd tarief van 16,5% te onderwerpen) en dat overeenkomstige ontheffing en terugbetaling moet worden bevolen.

5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

De vordering is in geld waardeerbaar.

Het betwiste deel van het belastbaar inkomen bedraagt (24.979,85 - 12.268,61 =) 12.711, 34 euro. In plaats van er het tarief van (16,5% + 7% gemeentebelasting =) 17,655% op toe te passen, heeft de bestreden aanslag dat inkomen aan het progressief tarief onderworpen waarbij het vrijwel geheel in de marginale inkomstenschijf van (45% + 7% gemeentebelasting =) 48,15% viel. Dat geeft een gemiddeld tariefverschil van rond de 30%.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 2.500,01 tot 5.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 715,00 euro toepasselijk.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;

doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de vordering van de appellant gegrond;

beveelt de herberekening van de bestreden aanslag die onder kohierartikel 788.914.302 op naam van de appellant in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2007 werd gevestigd, dit rekening houdend met wat hoger werd bepaald, en beveelt de overeenkomstige ontheffing en de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten.

veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 715,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 715,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op NEGENTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN DERTIEN.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Vrije woorden

  • belastingen