- Arrest van 7 januari 2014

07/01/2014 - 2012AR3315

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De betwisting tussen de partijen betreft het al dan niet bestaan van een overeenkomst tussen de appellant (advocaat) en de geïntimeerde (beweerde cliënte).

Bij artikel 1315, eerste lid B.W. wordt voorgeschreven: "Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen".

Volgens een vaststaand, zeker en algemeen nagevolgd gebruik wordt in de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt geen geschreven bewijs opgesteld.

Bij toepassing van artikel 1348, eerste lid B.W. mag de appellant het bestaan van de beweerde overeenkomst met de geïntimeerde bijgevolg bewijzen door alle middelen van recht, getuigen en feitelijke vermoedens inbegrepen.

Ten tijde van de feiten waarvan sprake was de geïntimeerde ten andere handelaar, zodat te haren aanzien hoe dan ook de vrije bewijsregeling in handelszaken (artikel 25, eerste lid W. Kh.) geldt.

Anders dan de eerste rechter en met de appellant is het hof van oordeel dat de appellant hier voldoet aan de op hem rustende bewijslast.


Arrest - Integrale tekst

2012/AR/3315

J. D., advocaat, met kantoor te ...;

appellant,

vertegenwoordigd door mr. Linda Santini, advocaat te 3530 Houthalen, Veldstraat 7;

tegen het vonnis van de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 15 juni 2012, aldaar gekend onder nr. A.R. 11/2227/A;

tegen:

N. G., directrice, geboren te ... en wonende te ...;

geïntimeerde,

verschenen noch in persoon, noch vertegenwoordigd door een advocaat;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- de appellant beweert indertijd te zijn opgetreden als raadsman van de geïntimeerde en maakt uit dien hoofde aanspraak op betaling van het saldo van zijn staat van kosten en ereloon van 16 mei 2011 ten bedrage van 3.121,00 EUR;

- de geïntimeerde betwist de appellant te hebben gemandateerd en hem iets verschuldigd te zijn: niet zij, maar wel haar huurder, G.C.V. Immopaarden, zou cliënte van de appellant zijn geweest;

- een ingebrekestelling van de geïntimeerde van 7 september 2011 en een oproeping in verzoe-ning voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op de zitting van 2 december 2011, zijn tevergeefs gebleven.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 15 juni 2012 op tegenspraak verleend door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren:

- wordt de vordering van de appellant ontvankelijk, maar ongegrond verklaard;

- en wordt de appellant veroordeeld tot de gedingkosten.

2.2. Bij zijn op 7 december 2012 ter griffie neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep tekent de

appellant hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 15 juni 2012.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 4 november 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van zijn op 7 december 2012 ter griffie neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep vraagt de appellant:

- zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen;

- de geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan hem van het bedrag van 3.121,00 EUR, ver-meerderd met de gerechtelijke intrest vanaf 16 mei 2011 en met de kosten van de beide aanleg-gen.

3.2. Door de geïntimeerde werd verschenen noch geconcludeerd.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm over-gelegd, waaronder het bestreden vonnis van 15 juni 2012, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellant tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De betwisting tussen de partijen betreft het al dan niet bestaan van een overeenkomst tussen de appellant (advocaat) en de geïntimeerde (beweerde cliënte). De appellant laat gelden dat inder-tijd tussen de partijen een dergelijke overeenkomst is tot stand gekomen met de bedoeling de open-bare verkoping van de gezinswoning van de geïntimeerde te verhinderen, terwijl de geïntimeerde dat betwist.

4.2.2. Bij artikel 1315, eerste lid B.W. wordt voorgeschreven:

"Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen".

Aan de appellant behoort het bijgevolg het bestaan te bewijzen van de overeenkomst waarvan hij tegenover de geïntimeerde de uitvoering vordert.

4.2.3. Volgens een vaststaand, zeker en algemeen nagevolgd gebruik wordt in de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt geen geschreven bewijs opgesteld. Bij toepassing van artikel 1348, eerste lid B.W. mag de appellant het bestaan van de beweerde overeenkomst met de geïntimeerde bijgevolg bewijzen door alle middelen van recht, getuigen en feitelijke vermoedens inbegrepen. Ten tijde van de feiten waarvan sprake was de geïntimeerde ten andere handelaar, zodat te haren aanzien hoe dan ook de vrije bewijsregeling in handelszaken (artikel 25, eerste lid W. Kh.) geldt.

4.2.4. Anders dan de eerste rechter en met de appellant is het hof van oordeel dat de appellant hier voldoet aan de op hem rustende bewijslast. Uit de voorgelegde stukken blijkt:

- dat de tussenkomst van de appellant te situeren in het raam van de echtscheidingsprocedure van de geïntimeerde (in Nederland), haar persoonlijk faillissement op 26 januari 2010 (in Nederland) en de daarop volgende procedure van uitvoerend beslag (wegens borgstelling voor door een derde aangegane kredieten) op initiatief van BNP Paribas Fortis betreffende de door haar be-woonde gezinswoning, gelegen te ...: meer bepaald werd de appellant ermede gelast de open-bare verkoping van die woning te verhinderen;

- dat de appellant aanvankelijk, daarbij in briefwisseling uitdrukkelijk verklarend op te treden als raadsman van de geïntimeerde, via de raadsman van BNP Fortis Paribas heeft gepoogd een min-nelijk afbetalingsvoorstel te onderhandelen;

- dat, na afwijzing van dat voorstel en op zijn aanraden, door de appellant op 26 mei 2010 ter

griffie van de beslagrechter te Tongeren een verzoekschrift werd neergelegd tot machtiging

om de gezinswoning onderhands te verkopen aan de G.C.V. Immopaarden (vennootschap met adres aan het domicilie van de geïntimeerde en bestuurd door haar zuster) tegen de prijs van 285.000,00 EUR;

- dat dienaangaande met diverse derden (de Nederlandse raadsman van de geïntimeerde, de

curator, notaris B. en gerechtsdeurwaarder T.), maar ook tussen partijen ruim (te gepasten tijde door de geïntimeerde niet-geprotesteerde) briefwisseling en e-mailverkeer werd gevoerd, waar-onder de e-mail van 30 augustus 2010 van de geïntimeerde aan de medewerkster van de appel-lant in de hiernavolgende bewoordingen:

"...

Op welke datum is de zitting van Immopaarden te Tongeren?

Mijn Nederlandse advocaat wil meer informatie en de stukken zijen van die zitting, wilt u hem de nodige informatie per e-mail opsturen, wel VANDAAG.

Zijn e-mail adres : ...

Sorry voor de druk, ik heb echter uw hulp nu nodig, omdat de Curator probeer alles te verhinde-ren.

° ze hebben de paarden en trailer van mijn terrein (naar Immopaarden verhuurde terrein) op 17aug 2010 opgenomen,

° nu op 24aug2010 word een oude beschikking mij overhandigd.

U zeg dat u hierover niets meer kunnen doen dat wachten tot de zitting (datum???) te Tongeren. Ik ben bang dat de Curator zal en wil niets wachten en mijn pand word zo openbaar verkocht en natuurlijk niet naar uw cliënte Immopaarden!

IK VERZOEK U DE NODIGE DOEN EN DE PAND REDDEN.

Dank u en met vriendelijke groeten,

N. G.

...".

4.2.5. In de gegeven omstandigheden is bewezen, dit minstens door feitelijke vermoedens en in-zonderheid door de handelwijze van de partijen, dat indertijd tussen de appellant en de geïntimeer-de de overeenkomst heeft bestaan waarvan de appellant thans de uitvoering vordert.

4.2.6. Het feit dat de procedure voor de beslagrechter te Tongeren door de appellant werd ingeleid op verzoek van de G.C.V. Immopaarden en dat een provisie ten bedrage van 500,00 EUR, alhoewel gevraagd aan de geïntimeerde, op 24 augustus 2010 door de voornoemde vennootschap werd be-taald, kunnen daaraan geen afbreuk doen.

4.2.7. Uit wat voorafgaat volgt dat de geïntimeerde gehouden is tot uitvoering van haar contractuele verbintenis tot betaling van (het saldo van) de staat van kosten en ereloon van 16 mei 2011 van de appellant.

4.2.8. Er wordt geen betwisting gevoerd omtrent de omvang van de aangerekende prestaties, zijnde 3.621,00 EUR min de betaalde provisie (500,00 EUR) = 3.121,00 EUR in hoofdsom.

4.2.9. De appellant maakt aanspraak op toekenning van gerechtelijke intrest op het saldobedrag

van 3.121,00 EUR. Gerechtelijke intrest loopt vanaf de datum waarop de vordering in rechte wordt gesteld. De inleidende dagvaarding dateert van 14 december 2011. Bijgevolg is de appellant hier

gerechtigd op toekenning van gerechtelijke moratoire intrest aan de wettelijke rentevoet op het be-drag van 3.121,00 EUR te rekenen vanaf 14 december 2011 tot en met de datum van de effectieve betaling.

4.2.10. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de geïntimeerde veroordeeld tot de kosten van de beide aanleggen (artikel 1017, eerste lid Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding in beide aanleggen wordt vereffend op het basistarief van 715,00 EUR (in geld waardeerbare vordering in de schijf gaan-de van 2.500,01 EUR tot 5.000,00 EUR).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, ten aanzien van de geïntimeerde bij toepassing van artikel 747, § 2 Ger. W.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellant ontvankelijk en gegrond als volgt:

- hervormt het bestreden vonnis;

- oordeelt opnieuw;

- verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellant ontvankelijk en gegrond als volgt:

- veroordeelt de geïntimeerde tot betaling aan de appellant van het bedrag van 3.121,00 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke moratoire intrest aan de wettelijke rentevoet te rekenen van-af 14 december 2011 tot en met de datum van de effectieve betaling;

- veroordeelt de geïntimeerde tevens tot de kosten van de beide aanleggen en vereffent die aan de zijde van de appellant gevallen kosten als volgt:

o de dagvaarding en het rolrecht: 239,93 EUR

o de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg: 715,00 EUR

o het rolrecht hoger beroep: 210,00 EUR

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 715,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZEVEN JANUARI TWEEDUIZEND VEERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Vrije woorden

  • overeenkomst advocaat cliënt

  • bewijs

  • art. 1348, eerste lid BW