- Arrest van 7 januari 2014

07/01/2014 - 2011AR1267

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De geïntimeerden hebben verklaard zich van de van valsheid betichte notariële akte van 27 januari 2006 te willen bedienen. Het stuk werd geparafeerd conform artikel 901 Ger. W.

Bij artikel 902 Ger. W. wordt voorgeschreven: "De rechter kan de zaak onmiddellijk behandelen, indien hem blijkt dat zij zonder meer kan worden berecht.

Anders besluit de rechter tot alle dienstige onderzoeksmaatregelen, die hij zelf verricht of onder zijn leiding doet verrichten overeenkomstig de bepalingen betreffende het schriftonderzoek".

De appellanten houden voor dat, anders dan in de notariële akte wordt

vermeld, de eerste geïntimeerde niet in het ziekenhuis voor de instrumenterende notaris is verschenen en zij niet gelijktijdig met en in aanwezigheid van haar echtgenoot en van de getuigen , de akte voor de notaris heeft ondertekend

Bij toepassing van artikel 870 Ger. W. dragen de appellanten de bewijslast van hun bewering. Aangezien het daarbij gaat om een rechtsfeit, mogen de appellanten aan die bewijslast voldoen door alle middelen van recht, getuigenverklaringen en feitelijke vermoedens inbegrepen (Cass. 19 november 1934, Pas. 1935, I , 57).

De authentieke vermeldingen in de notariële akte zijn vals.

De voormelde authentieke vermeldingen verliezen door hun valsheid hun bijzondere bewijskracht, zijnde het daaraan gehechte vermoeden van waarheid. Dat belet evenwel niet dat de akte haar authentieke karakter behoudt wat betreft de daarin opgenomen vermeldingen die niet door valsheid zijn aangetast.

Bij artikel 114 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt wordt voorgeschreven:"Elke akte opgemaakt in strijd met het bepaalde in de artikelen 6, 3° en 4°, 8, 9, § 2, eerste lid, 10, 12, 51, § 7, is nietig indien zij niet door alle partijen is ondertekend. Indien de akte door alle contracterende partijen is ondertekend, geldt zij slechts als onderhands geschrift ...".

In dezelfde zin luidt artikel 1318 B.W.:

"Een akte die, uit hoofde van onbevoegdheid of onbekwaamheid van de ambtenaar of uit hoofde van een gebrek in de vorm, geen authentieke akte is, geldt als onderhands geschrift, indien zij door de partijen ondertekend is".

Door de partijen werd vooralsnog niet of slechts gedeeltelijk standpunt ingenomen omtrent de eventuele toepasselijkheid van deze wetsbepalingen op het onderhavige geschil en de mogelijke gevolgen daarvan mede in acht genomen het bepaalde in artikel 1392 B.W.:

"Alle huwelijksovereenkomsten opgemaakt voor de voltrekking van het huwelijk en alle bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel worden vastgesteld bij notariële akte".

In de gegeven omstandigheden bestaat er aanleiding toe, alvorens nader ten gronde te oordelen, de debatten ambtshalve te heropenen teneinde de partijen toe te laten aanvullend te concluderen.


Arrest - Integrale tekst

2011/AR/1267

1. D. K., huisvrouw, geboren te ... en wonende te ...;

2. G. K., metaalarbeider, geboren te ... en wonende te ...;

3. M. K., gepensioneerde, geboren te ... en wonende te ...;

appellanten,

allen zijn verschenen in persoon en werden bijgestaan door mr. Luc Binnemans, advocaat te 3980 Tessenderlo, Schoterweg 40;

tegen het vonnis van de negende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van

16 februari 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/1495/A;

tegen:

1. M. M., gepensioneerde, geboren te ... en wonende te ...;

2. R K., fabrieksarbeidster, geboren te ... en wonende te ...;

3. R K., bediende, geboren te ... en wonende te ...;

4. RK., fabrieksarbeidster, geboren te ... en wonende te ...;

5. C. K., bediende, geboren te ... en wonende te ...;

geïntimeerden,

allen zijn verschenen in persoon en werden bijgestaan door mr. Marie-Josée Deuss, advocaat te 3740 Bilzen (Spouwen), Rode Kruislaan 142a;

* * * * *

1. Wat de feitelijke achtergrond en het procesverloop in het verleden betreft, verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 25 februari 2013.

2. In uitvoering van dat tussenarrest zijn de partijen persoonlijk verschenen ter terechtzitting van

4 november 2013 van dit hof. Aldaar hebben de geïntimeerden verklaard zich van de van valsheid betichte notariële akte van 27 januari 2006 te willen bedienen. Het stuk werd geparafeerd conform artikel 901 Ger. W.

3. Bij artikel 902 Ger. W. wordt voorgeschreven:

"De rechter kan de zaak onmiddellijk behandelen, indien hem blijkt dat zij zonder meer kan worden berecht.

Anders besluit de rechter tot alle dienstige onderzoeksmaatregelen, die hij zelf verricht of onder zijn leiding doet verrichten overeenkomstig de bepalingen betreffende het schriftonderzoek".

4. De appellanten houden voor dat, anders dan in de notariële akte van 27 januari 2006 wordt

vermeld, de eerste geïntimeerde op 27 januari 2006 niet in het ziekenhuis voor de instrumenterende notaris (H. H.) is verschenen en zij niet gelijktijdig met en in aanwezigheid van haar echtgenoot, wij-len J. K. en van de getuigen (P. M. en I. P.), de akte voor de notaris heeft ondertekend. De geïntimeerden betwisten dat.

5. Bij toepassing van artikel 870 Ger. W. dragen de appellanten de bewijslast van hun bewering.

Aangezien het daarbij gaat om een rechtsfeit, mogen de appellanten aan die bewijslast voldoen door alle middelen van recht, getuigenverklaringen en feitelijke vermoedens inbegrepen (Cass. 19 novem-ber 1934, Pas. 1935, I , 57).

6. Met de appellanten is het hof van oordeel dat hier bewezen is dat, anders dan in de notariële

akte van 27 januari 2006 wordt vermeld, de eerste geïntimeerde op 27 januari 2006 niet in het zie-kenhuis voor de instrumenterende notaris (H. H.) is verschenen en zij niet gelijktijdig met en in aanwezigheid van haar echtgenoot, wijlen J. K., en van de getuigen (P. M. en I. P.), de akte voor de notaris heeft ondertekend. Dat volgt uit de hiernavolgende gelijkluidende verklaringen door diverse personen afgelegd in het raam van het strafrechtelijk onderzoek dat dienaangaande gevoerd werd. Die verklaringen gelden als gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende feitelijke vermoedens (artikel 1353 B.W.). Verdere onderzoeksmaatregelen zijn niet dienstig.

I. P., die bij de notariële akte van 27 januari 2006 als getuige is opgetreden, verklaart op 24 februari 2010 aan de verbalisanten onder meer:

"...

U heeft mij reeds driemaal gevraagd wie er allemaal in de kamer was bij de ondertekening van de akte en ik herhaal nog eens uitdrukkelijk : de Notaris, de patiënt (bedoeld wordt: wijlen J. K.), mijn collega P. M. en ikzelf.

VRAAG : Was M. M., echtgenote J. K., in het Ziekenhuis Oost-Limburg aanwezig bij de ondertekening van de akte samen met haar echtgenoot J. K., uzelf, uw collega P. M. en de Notaris H.?

ANTWOORD : Neen.

...".

H. P., ex-vriendin van de derde geïntimeerde, verklaart op 24 februari 2010 aan de verbalisanten wat volgt:

"...

Als u mij vraagt of er iets scheelt met die akte (bedoeld wordt: het van valsheid beticht stuk) antwoord ik u dat de moeder M. M. nooit in het ziekenhuis geweest is om haar echtgenoot te bezoeken omdat ze daar zelf niet mee overweg kon en ook nooit in het ziekenhuis geweest is om dat papier dat u mij nu voorlegt te ondertekenen.

Ik kan u verzekeren dat M. M. niet in het ziekenhuis geweest is om te tekenen omdat ze het mij zelf gezegd heeft. Ik weet ook van haar dat ze bij de Notaris zelf aan huis is geweest om die papieren in orde te maken maar op welke dag dat was weet ik niet.

Van M. M. weet ik dat ze bij de Notaris is geweest nadat de Notaris in het ziekenhuis was.

...

VRAAG : Was M. M., echtgenote J. K., in het Ziekenhuis Oost-Limburg aanwezig bij de ondertekening van de akte samen met haar echtgenoot J. K., de twee verpleegsters als getuigen en de Notaris H.?

ANTWOORD : Neen, want ik ben op vrijdag 27 januari 2006 de ganse dag bij M. M. in haar woning geweest als "schoondochter" gewoonweg om haar niet alleen te laten. Het is ook die nacht dat patient in coma gevallen is. Ik herinner het mij dus nog allemaal goed zoals u ziet.

...".

Notaris H. H., voor wie de van valsheid betichte akte werd verleden, verklaart op 16 maart 2010 aan de verbalisanten wat volgt:

"...

U zegt mij dat uit het onderzoek blijkt - en in feite draait het hele onderzoek ook hier rond - dat

de echtgenote M. M. niet getekend heeft in het ziekenhuis op het ogenblik dat de anderen tekenden. Dat zal dan wel zo zijn.

...

Samengevat kan ik u verklaren dat uit hetgeen u mij vertelt ik kan afleiden dat J. K. en zijn echtgenote M. M. inderdaad niet samen op hetzelfde tijdstip de akte ondertekend hebben ...".

De authentieke vermeldingen dat de notariële akte door wijlen J. K. en de eerste geïntimeerde gelijktijdig, in elkaars aanwezigheid en in die van de voornoemde getuigen, op 27 januari 2006 voor de instrumenterende notaris werd ondertekend, zijn bijgevolg vals. De verklaring van de vijfde geïntimeerde doet daaraan geen afbreuk.

De voormelde authentieke vermeldingen verliezen door hun valsheid hun bijzondere bewijskracht, zijnde het daaraan gehechte vermoeden van waarheid. Dat belet evenwel niet dat de akte haar

authentieke karakter behoudt wat betreft de daarin opgenomen vermeldingen die niet door valsheid zijn aangetast.

7. De appellanten laten verder gelden dat de notariële akte van 27 januari 2006 om de voormelde reden nietig is. Ook dat wordt door de geïntimeerden betwist.

Bij artikel 114 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt wordt voorgeschreven:

"Elke akte opgemaakt in strijd met het bepaalde in de artikelen 6, 3° en 4°, 8, 9, § 2, eerste lid, 10, 12, 51, § 7, is nietig indien zij niet door alle partijen is ondertekend. Indien de akte door alle contracterende partijen is ondertekend, geldt zij slechts als onderhands geschrift ...".

In dezelfde zin luidt artikel 1318 B.W.:

"Een akte die, uit hoofde van onbevoegdheid of onbekwaamheid van de ambtenaar of uit hoofde van een gebrek in de vorm, geen authentieke akte is, geldt als onderhands geschrift, indien zij door de partijen ondertekend is".

Door de partijen werd vooralsnog niet of slechts gedeeltelijk standpunt ingenomen omtrent de eventuele toepasselijkheid van deze wetsbepalingen op het onderhavige geschil en de mogelijke gevolgen daarvan mede in acht genomen het bepaalde in artikel 1392 B.W.:

"Alle huwelijksovereenkomsten opgemaakt voor de voltrekking van het huwelijk en alle bedongen wijzigingen van het huwelijksvermogensstelsel worden vastgesteld bij notariële akte".

8. In de gegeven omstandigheden bestaat er aanleiding toe, alvorens nader ten gronde te oordelen, de debatten ambtshalve te heropenen teneinde de partijen toe te laten aanvullend te concluderen omtrent de eventuele toepasselijkheid op hun geschil van de hierboven geciteerde wetsbepalingen en de mogelijke gevolgen daarvan.

9. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, na behandeling in raadkamer.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- werkt het tussenarrest van 25 februari 2013 verder uit;

- heeft het openbaar ministerie in de persoon van advocaat-generaal H. Jansens gehoord in zijn advies, dat omwille van de omstandigheden van de zaak mondeling op de zitting van 4 november 2013 werd gegeven en waarop de partijen hebben kunnen repliceren;

- alvorens daarover ten gronde te oordelen, heropent ambtshalve de debatten in verband met wat hierboven onder de nummers 7 en 8 wordt gezegd;

- verzoekt de partijen om hun schriftelijke opmerkingen dienaangaande onderling te wisselen én ter griffie neer te leggen binnen de hiernavolgende termijnen:

- de appellanten uiterlijk op 30 mei 2014

- de geïntimeerden uiterlijk op 30 september 2014

- zegt voor recht dat de partijen over dat onderwerp zullen worden gehoord op de zitting van

15 DECEMBER 2014 om 11.30 uur (voorziene pleitduur: 60 minuten);

- en houdt de beslissing omtrent de gedingkosten aan.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ZEVEN JANUARI TWEEDUIZEND VEERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Vrije woorden

  • Notariële akte

  • van valsheid beticht

  • 870 Ger.W

  • 1318 BW

  • 1392 BW

  • heropening debat