- Arrest van 7 mei 2014

07/05/2014 - 2008AR435

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Inkomensverlies:

Het hof is van oordeel dat appellante ruimschoots de gelegenheid had deze schadepost uit het verleden aan de hand van bewijskrachtige overtuigingsstukken te staven. Ze levert ook niet het bewijs van ongeschiktheidvergoedingen die door het ziekenfonds zijn betaald, na het verstrijken van de periode van gewaarborgd maandloon.

Verhoogde inspanning TO :

De berekeningen voor verhoogde inspanningen (noch in hoofdorde, noch in ondergeschikte orde) kunnen niet aanvaard worden, nu de noodzaak zich harder in te spannen bij het volbrengen van normale beroepswerkzaamheden aan de computer niet aangetoond worden. Nu in concreto niet aangetoond wordt dat appellante, die loontrekkende is, een materiële schade lijdt door het leveren van verhoogde inspanningen is het horen van de deskundige of een aanvullend deskundigenonderzoek niet aangewezen.

Materiële schade gedurende de blijvende invaliditeit:

De vordering is ongegrond, nu appellante als loontrekkende geen aantoonbare materiële schade lijdt, en nu het verlies van kans - verlies aan concurrentievermogen - niet als reden kan aangevoerd worden voor een slachtoffer dat reeds de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft en nog steeds in loondienst werkt bij haar zelfde werkgever.

Morele schade BI (30%):

Het hof is van oordeel dat een begroting op basis van een forfaitair dagbedrag ervan uitgaat dat de schade voor en na de consolidatie van eenzelfde intensiteit blijft en voor altijd als een statisch gegeven moet beschouwd worden, wat niet bewezen is.

Het hof is van oordeel dat de blijvende morele schade niet kan begroot worden door de optelling van een periodiek verschuldigde vergoeding, waarbij telkens hetzelfde dagbedrag gehanteerd wordt.

De uiteenlopende bestanddelen van de morele schade zijn onderhevig aan dynamische factoren, zoals o.a. een afname van pijn ten opzichte van de acute fase na het ongeval tot datum consolidatie.

Een begroting ex aequo et bono is te verkiezen, bij gebrek aan evidente concrete begrotingsgrondslag en omdat niet vaststaat dat complicaties zich zullen realiseren en omdat dus niet uitgemaakt is dat het om een vaststaande schade zou gaan.

Appellante was 48 jaar, 1 m. op ogenblik consolidatie, zodat het hof een bedrag van euro 1512: 2 = euro 756 x 30, of euro 22 680 toekent als morele schade voor haar blijvende invaliditeit.

Huishoudelijke verhoogde inspanning gedurende de blijvende invaliditeit (20%):

Een verdeelsleutel in het huishouden, namelijk een percentage van 65% voor de vrouw en 35 % voor de man is het "id quod plerumque fit" of een taakverdeling in het huishouden die meestal gebeurt, maar het is een benadering in abstracto.

In concreto is het hof van oordeel dat de globale huishoudelijke taken gedeeld worden, zodat dit gegeven een impact heeft op de door appellante te leveren verhoogde inspanningen in het huishouden.

Bij afwezigheid van belastingaanslagen heeft het hof geen informatie of appellante zich voor het ongeval al liet bijstaan in het huishouden bij middel van PWA en/of dienstencheques, te meer daar appellante beroepsactief was en er sprake is van talrijke vrijetijdsbestedingen.

Het hof kan naar billijkheid ramen als de door appellante voorgestelde berekeningswijze niet kan aanvaard worden, wat ten deze het geval is.

Deze schade aan de hand van een kapitalisatiemethode met een vast bedrag van euro 20 per dag becijferen tot het einde van de vermoedelijke levensduur is niet aangewezen omdat de inspanningen - ook zonder ongeval - verhogen met ouder worden.

De schade kan onmogelijk anders dan in billijkheid worden bepaald waarvoor de indicatieve tabel 2008 een forfaitair bedrag bepaalt van euro 756 per punt ( euro 756 x 20 % = euro 15 120).

De door geïntimeerde voorgestelde forfaitaire vergoeding van euro 20 000 alles inbegrepen, dus ook de intrest voor de schade in het verleden, is een billijke vergoeding voor de verhoogde inspanning die appellante dient te leveren in het huishouden. In globaliteit wordt ex aequo et bono euro 20 000 toegekend, vergoedende intresten inbegrepen.

Genoegenschade:

Het hof is van oordeel dat morele schade niet alleen pijnschade vergoed, maar ook allerhande smarten. Het tijdelijk niet kunnen beoefenen van een sport of het niet kunnen deelnemen aan een dansles, wat eigenlijk niet in geld waardeerbaar is, wordt mede door dit dagbedrag vergoed.

Het hof oordeelt aldus dat genoegenschade niet voor aparte vergoeding in aanmerking komt.

Vergoedende intrest:

Vergoedende intresten toe tot de dag van de uitspraak aan de wettelijke intrestvoet vanaf een gemiddelde datum van 2 januari 2006, met een maximum van 5%, zoals niet betwist werd door geïntimeerde.


Arrest - Integrale tekst

Hof van beroep Antwerpen - 2 bis kamer

1. L. J., bediende, wonende te

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VERBOVEN Julien loco Mr. AVERMAETE Katleen, advocaat te 1000 BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat 92

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 07 november 2007

tegen

1. OURTHE & SOMME GESTION NV, met maatshappelijke zetel te 5377 SOMME-LEUZE, rue du Trou de Renard 9, KBO nr. 0421.325.735

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. BRANTS Luc, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Maria-Henriëttalei 6-8

2. Mr. SCHWAGTEN Werenfried, advocaat met kantoor te 2850 Boom, Beukenlaan 118, Mr. BRUNEEL J., advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Bredestraat 4 en Mr. LAGROUT S., advocaat met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 31 in hun hoedanigheid van vereffenaars van het faillissement van de NV PARC DES CHODES , met maatschappelijke zetel te 2600 Berchem, Uitbreidingsstraat 84, KBO nr. 0426.102.093, hierbij aangesteld bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Antwerpen van 15.12.2008

geïntimeerde,

1. De feitelijke gegevens en het voorwerp van de betwisting en de voorgaanden werden weergegeven in het tussenarrest van 24 februari 2010 van deze kamer. Het hof verwijst daarnaar.

In het tussenarrest van 24 februari 2010 werd het bestreden vonnis van 7 november 2007 enkel bevestigd in zoverre de hoofdeis van mevrouw J. L. toelaatbaar werd verklaard.

Het tussenarrest zegt voor recht dat mevrouw J. L. aanspraak kan maken op een provisionele schadevergoeding van één euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van het ongeval van 3 januari 2005 en meer de gerechtelijke intresten.

Het tussenarrest veroordeelt nv Ourthe & Somme Gestion tot betaling aan mevrouw J. L. van een provisioneel bedrag van één euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 3 januari 2005, en te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.

Het tussenarrest beveelt een onderzoeksmaatregel van deskundigenonderzoek en stelt dokter Wil Develter aan als gerechtsdeskundige.

Het tussenarrest verklaart de eis tot vrijwaring uitgaande van nv Ourthe & Somme Gestion tegen de curatoren q.q. van nv Parc de Chodes toelaatbaar en principieel gegrond.

Het tussenarrest zegt voor recht, gelet op het faillissement van nv Parc de Chodes, dat nv Ourthe & Somme Gestion aanspraak kan maken op de vrijwaring door de curatoren qualitate qua voor elke veroordeling die ten laste van nv Ourthe & Somme Gestion zou worden uitgesproken, zowel in hoofdsom, intresten als kosten.

2. De gerechtsdeskundige legt zijn verslag neer op 15 april 2011.

Inzake de schaderaming geeft hij een advies als volgt.

"a) volledige tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 100% van 3 januari 2005 tot 6 maart 2005

b) tijdelijke arbeidsongeschiktheid van 50% van 7 maart 2005 tot 1 mei 2005.

Op het vlak van invaliditeit of persoonlijke ongeschiktheid geeft hij advies als volgt:

a) volledige invaliditeit van 100% van 3 januari 2005 tot 28 februari 2005

b) gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit van 50% van 1 maart 2005 tot 31 maart 2005

c) gedeeltelijke tijdelijke invaliditeit van 30% van 1 april 2005 tot 2 januari 2007.

Aan de invaliditeit dient een equivalente huishoudelijke weerslag overeen te stemmen voor de periodes van 100% en 50%.

Consolidatiedatum: kan bepaald worden op de verjaardag, twee jaar na het ongeval, namelijk 3 januari 2007.

Resterende invaliditeit van circa 30%.

Economische weerslag toont een verlies aan concurrentievermogen van 15% door de neurologische problemen.

Er is een blijvende huishoudelijke hulp nodig te begroten op 20%.

Genoegenschade wegens initieel onderbreken van alle sportactiviteiten met een belangrijke weerslag op haar privé en sociaal leven.

Aanwezigheid van seksuele genoegenschade.

Geen esthetische schade.

Behandeling na consolidatie dient ten laste genomen te worden: pelvische kinesitherapie, neurologische controles, zorgen betreffende de incontinentie (stoelgang en urine), jaarlijkse opvolging van digestieve, neurologische en urologische problemen zijn primordiaal.

Bij manifeste verergering voor invasieve behandeling is genoodzaakt voorbehoud voor heropening van het dossier."

3. In haar laatste conclusie in hoger beroep vordert mevrouw J. L. de veroordeling van nv Ourthe & Somme Gestion en van de curatoren over het faillissement van nv Parc de Chodes solidair, in solidum dan wel de ene bij gebreke aan de andere, tot betaling aan mevrouw J. L. van :

a) de medische kosten :

- Het bedrag van euro 1 159,44 ten titel van medische kosten voor de consolidatiedatum, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006 tot op datum van algehele betaling.

- Het bedrag van euro 2 623,52 ten titel van medische kosten na de consolidatiedatum (van 3 januari 2007 tot en met 7 mei 2014), te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 3 oktober 2009 tot op de dag van der algehele betaling.

- In hoofdorde het bedrag van euro 9 114,04 ten titel van toekomstige medische kosten (tabel Schryvers).

- In ondergeschikte orde, het bedrag van euro 7 609,84 ten titel van toekomstige medische kosten (tabel Levie).

b) de farmaceutische kosten:

- het bedrag van euro 3 960,78 ten titel van farmaceutische kosten van 3 januari 2005 tot en met 7 mei 2014, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 3 januari 2009 tot op de datum van de algehele betaling.

- In hoofdorde, het bedrag van euro 10 565,54 ten titel van toekomstige farmaceutische kosten. (tabel Schryvers)

- In ondergeschikte orde, het bedrag van euro 8 821,78 ten titel van toekomstige farmaceutische kosten (tabel Levie)

c) administratieve kosten:

- het bedrag van euro 125,00 ten titel van administratieve kosten.

d) verplaatsingskosten:

- het bedrag van euro 1 945,14 ten titel van verplaatsingskosten voor de periode van 3 januari 2005 tot en met 7 mei 2014, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 3 november 2008 tot op datum van algehele betaling

- in hoofdorde, het bedrag van euro 3 223,66 ten titel van toekomstige verplaatsingskosten (tabel Schryvers).

- in ondergeschikte orde : het bedrag van euro 2 691,62 ten titel van toekomstige verplaatsingskosten (tabel Levie);

e) tijdelijk inkomstenverlies

mevrouw J. L. maakt voorbehoud voor schade geleden ten titel van inkomstenverlies gedurende de periode voor de consolidatiedatum.

f) tijdelijke huishoudelijke meersinspanningen:

het bedrag van euro 4 307,87 ten titel van huishoudelijke meerinspanningen tijdens de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en invaliditeit, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de intrestvoet van 5% vanaf de datum van 2 januari 2006 tot op de datum van de algehele betaling.

g) tijdelijke morele schade:

-Het bedrag van euro 6 627,50 ten titel van morele schade tijdens de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en invaliditeit, te vermeerderen met vergoedende intresten aan de intrestvoet van 5% vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006 tot op de dag van der algehele betaling.

h) tijdelijke meerinspanningen:

In hoofdorde:

het bedrag van euro 4226 ten titel van meerinspanningen tijdens de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en invaliditeit, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de intrestvoet van 5% vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006 tot op de datum van de algehele betaling.

In ondergeschikte orde :

Het bedrag van euro 2393 ten titel van meerinspanningen tijdens de tijdelijke arbeidsongeschiktheid en invaliditeit, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de intrestvoet van 5% vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006 tot op de datum van de algehele betaling.

In nog meer ondergeschikte orde is het gepast de deskundige te horen conform artikel 985 van het gerechtelijk wetboek.

In uiterst ondergeschikte orde acht zij het gepast een aanvullend onderzoek te bevelen dan wel een onderzoek te bevelen conform artikel 984 van het gerechtelijk wetboek.

i) blijvende geleden en toekomstige materiële schade.

Het bedrag van euro 26 065,02 ten titel van geleden schade ingevolge de materiële schade gedurende de periode van 3 januari 2007 tot 7 mei 2014, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de intrestvoet van 5 % vanaf de gemiddelde datum van 3 januari 2010 tot op de datum van de algehele betaling.

- In hoofdorde, het bedrag van euro 33 042,15 ten titel van toekomstige materiële schade gedurende de blijvende invaliditeit (tabel Schryvers).

- In ondergeschikte orde, het bedrag van euro 32 805,85 ten titel van toekomstige materiële schade gedurende de blijvende invaliditeit (tabel Levie).

In nog meer ondergeschikte orde, is het gepast de deskundige te horen conform artikel 985 van het gerechtelijk wetboek.

In uiterst ondergeschikte orde is het gepast een aanvullend onderzoek te bevelen dan wel een nieuw onderzoek te bevelen conform artikel 984 van het gerechtelijk wetboek.

j ) blijvende geleden en toekomstige morele schade.

Het bedrag van euro 20 092,50 ten titel van geleden morele schade gedurende de periode van 3 januari 2007 tot 7 mei 2014, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de intrestvoet van 5% vanaf de gemiddelde datum van 3 januari 2010 tot op de datum van de algehele betaling.

In hoofdorde, het bedrag van euro 68 155,54 ten titel van toekomstige morele schade voor de blijvende invaliditeit (tabel Schryvers).

In ondergeschikte orde, het bedrag van euro 56 907,07 ten titel van toekomstige morele schade gedurende de blijvende invaliditeit (tabel Levie)

k) blijvende geleden en toekomstige huishoudelijke meerinspanningen.

Het bedrag van euro 6965,40 ten titel van de geleden huishoudelijke meerinspanningen voor de periode van 3 januari 2007 tot 7 mei 2014, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de intrestvoet van 5% vanaf de gemiddelde datum van 3 januari 2010 tot op datum van de algehele betaling.

In hoofdorde, het bedrag van euro 23 627,25 ten titel van de toekomstige huishoudelijke meerinspanningen voor de blijvende invaliditeit (tabel Schryvers).

In ondergeschikte orde, het bedrag van euro 19 727,76, ten titel van toekomstige huishoudelijke meerinspanningen gedurende de blijvende invaliditeit (tabel Levie).

l) het bedrag van euro 5 000 ten titel van genoegenschade te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de consolidatiedatum op 3 januari 2007 tot op de datum van de algehele betaling.

m) het bedrag van euro 12 500 ten titel van seksuele schade, te vermeerderen met vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de consolidatiedatum op 3 januari 2007 tot op de datum van de algehele betaling.

Mevrouw J. L. vraagt de nv Ourthe & Somme Gestion te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de kosten van deskundigenonderzoek en de rechtsplegingvergoeding.

4. Nv Ourthe & Somme Gestion concludeert tot de herleiding van de vordering tot het bedrag van euro 69 793,79 en het meer gevorderde als ongegrond af te wijzen.

Zij vraagt in die mate mevrouw J. L. als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen en de haar toekomende rechtsplegingsvergoeding in die mate te herleiden.

5. Beoordeling.

5.1. Het hof verwijst de vordering van mevrouw J. L. in zover gesteld tegen meester Werenfried Schwagten en in zover gesteld tegen meester J.Bruneel en tegen meester S.Lagrou in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van nv Parc des Chodes op verzoek van de partijen naar de bijzondere rol, omdat de zaak niet in staat is.

5.2. Medische kosten

5.2.1. Medische kosten voor de consolidatiedatum tijdens de periode van 3 januari 2005 tot 2 januari 2007.

Gelet op de voorgelegde bewijsstukken en bij gebrek aan concreet verweer begroot het hof de medische kosten voor de consolidatiedatum op euro 1 159,44.

Het hof kent op dit bedrag vergoedende intresten toe aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006, met een maximum van 5%, zoals niet betwist wordt door geïntimeerde.

De feitenrechter oordeelt binnen de perken van de conclusies van partijen op onaantastbare wijze over de rentevoet. Geen enkele wettelijke bepaling legt op om de intrest aan de wettelijke rentevoet toe te kennen, vandaar dat het hof beslist tot een herleide rentevoet van 5% in zover en voor de periodes waarin de wettelijke rentevoet 5% overschreed. Het opgelegde maximum van 5%, leunt meer aan bij de rentevoet van de reële rente. In de cursus van een lagere wettelijke rentevoet dan 5% bepaalt het hof de intrestvoet op de wettelijke interestvoet, dus voor het jaar 2010 3,25 %, voor 2011 3,75%, voor 2012 4,25 %voor 2013 en 2014 2,75%.

5.2.2.Medische kosten na de consolidatiedatum van 3 januari 2007 tot en met 7 mei 2014.

Gelet op de voorgelegde bewijsstukken en bij gebrek aan concreet verweer begroot het hof de medische kosten na de consolidatiedatum tot op de datum van de uitspraak op euro 2 623,52, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet met een maximum van 5%, zoals niet betwist wordt door geïntimeerde vanaf de gemiddelde datum van 3 oktober 2009.

5.2.3. Toekomstige medische kosten

De gerechtsexpert weerhoudt pelvische kinesitherapie als blijvende behandeling, en spreekt ook van urologische controles, zorgen betreffende incontinentie, jaarlijkse opvolging van digestieve, neurologische en urologische problemen.

Het hoofdverweer van geïntimeerde is dat huidige post dient voorbehouden.

Het hof volgt het argument van geïntimeerde dat voorbehoud dient te worden verleend. Immers het bestaan van deze toekomstige schade is niet zeker en vaststaand.

Appellante toont het zeker bestaan van een jaarlijkse kost in oorzakelijk verband met het ongeval niet aan.

Het hof verleent voorbehoud voor toekomstige medische kosten in oorzakelijk verband met het schadegeval van 3 januari 2005.

5.3. Farmaceutische kosten

5.3.1. Farmaceutische kosten: verleden

Geïntimeerde aanvaardt een jaarbedrag van euro 274,37, zodat wat het verleden betreft hij de som aanbiedt van

euro 274,37 x 9 jaar = euro 2 469,33

4 m. x euro 274,37 /12 = 91,45

euro 2 469,33 + euro 91,45 = euro 2 560,78

Het hof kent euro 2 560,78 toe voor de farmaceutische kosten voor het verleden, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet met een maximum van 5%, zoals niet betwist wordt door geïntimeerde vanaf de gemiddelde datum van 3 januari 2009.

5.3.2. Voor de toekomstige farmaceutische uitgaven:

Geïntimeerde voert aan dat er geen bewijs noch advies aan te treffen is in het rapport van de gerechtsdeskundige. Er is verder betwisting over het jaarbedrag.

Uit het deskundigenverslag blijkt dat het zeker en vaststaand is dat er zich in de toekomst nog farmaceutische uitgaven zullen voordoen in oorzakelijk verband met het schadeval van januari 2005.

Het hof volgt het argument van geïntimeerde dat een jaarbedrag van euro 150 dient geweerd te worden uit de lijst met producten die appellante aankocht. Appellante toont immers niet aan dat alle aankopen van medicatie in oorzakelijk verband staan met de letsels .

Het ondergeschikt verweer van geïntimeerde betreft niet het te kapitaliseren bedrag maar de wijze van kapitalisatie in laatste conclusie in eerste aanleg.

In ondergeschikte orde stelt geïntimeerde dat het doel van een "actualisatie" er niet kan in bestaan de vroeger gebezigde parameters te wijzigen, een verhoogde eis te stellen door de coëfficiënten Schryvers te hanteren, waar voorheen de coëfficiënten Levie gebruikt werden.

Het hof beslecht dit geschil als volgt.

Conform artikel 808 Ger.W. kan in elke stand van het geding een partij intresten of schadevergoedingen vorderen. Het hof is van oordeel dat wanneer een vordering geactualiseerd wordt een parameter voor een kapitalisatieberekening kan gewijzigd worden. De essentie van de kapitalisatie - wat een berekeningsmethode is om toekomstige schade te (her)berekenen - is de keuze van de parameters. Het is aangewezen dat het kapitaal niet opgebruikt is voor het einde van de mediaanlevensduur, zodat een statistische tabel gebruikt wordt waarbij de statistische sterftekansen niet in aanmerking worden genomen.

Op datum van uitspraak is het slachtoffer 55 j en 5 maanden (Geboortedatum 1 dec. 1958 - Arrest 7.5.2014 - Slachtoffer = 55 jaar en 5 maanden)zodat de kapitalisatiecoëfficiënt 24,690 bedraagt (en niet 24,897 wat voor 55 j is)

euro 274,37 x 24,690 = euro 6774,19

(sterftetafel Schryvers, levensannuïteiten vrouwen, duur gelijk aan de prospectieve mediaanlevensduur 2014 jaarlijkse rente).

Het hof kent een bedrag toe van euro 6 774,19 voor de toekomstige farmaceutische uitgaven.

5.4. Administratieve kosten

Het forfaitaire bedrag van euro 125 wordt niet betwist, zodat het hof dit bedrag toekent. Intrest wordt niet gevorderd.

5.5. Verplaatsingen

5.5.1. Verplaatsingen voor verleden

Er is geen betwisting over het bedrag van euro 1 945,14 voor het verleden, zodat het hof dit bedrag toekent, vermeerderd met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet met een maximum van 5%, zoals niet betwist wordt door geïntimeerde vanaf de gemiddelde datum van 3 november 2009.

5.5.2. Verplaatsingen in de toekomst

Er is betwisting voor het bedrag in de toekomst waar appellante volgens de berekening Levie euro 2 691,62 vraagt en volgens berekening Schryvers euro 3 223,66.

Geïntimeerde stelt euro 2 691,62 voor.

Wanneer een vordering geactualiseerd wordt, kan een parameter voor een kapitalisatieberekening gewijzigd worden, zeker nu het recht op tegenspraak geëerbiedigd werd.

Het hof kent euro 129,48 x 24,690 = euro 3 196,86 toe.

5.6. Tijdelijke ongeschiktheid

5.6.1. huishoudelijke verhoogde inspanning

Nu de gerechtsdeskundige weergeeft dat uitsluitend voor de perioden van T.O. van 100 % en 50 % een weerslag aanvaard werd, is het hof - net zoals geïntimeerde - van oordeel dat alleen de bedragen van euro 926,25 ( 57 d. x euro 25 x 65 %) en euro 251,87 (31 d x euro 25 x 65%) kunnen worden toegekend.

De gerechtsdeskundige is duidelijk en het hof is daardoor voldoende geïnformeerd.

Hij adviseert immers : "Aan de invaliditeit dient een equivalente huishoudelijke weerslag overeen te stemmen voor de periodes van 100% en 50%".

Hieruit is manifest af te leiden dat uitsluitend voor de periodes van tijdelijke invaliditeit van 100% en 50% een weerslag op de uitvoering van huishoudelijke arbeid is aanvaard en bijgevolg niet voor de latere periode van 30%.

Het hof is voldoende geïnformeerd zodat een bijkomende onderzoeksmaatregel over het horen van de gerechtsdeskundige niet opportuun is.

Appellante vordert vergoedende intresten aan 5% vanaf gemiddelde datum van 2.1.2006.

Het hof kent op het bedrag van euro 1 178,12 vergoedende intresten toe tot de dag van de uitspraak aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006, met een maximum van 5%, zoals niet betwist wordt door appellante.

5.6.2. de morele schade T.O.

Geïntimeerde voert geen betwisting over het bedrag van euro 6 627,50, zodat het hof dit bedrag toekent.

Het hof kent op dit bedrag vergoedende intresten toe tot de dag van de uitspraak aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006, met een maximum van 5%, zoals niet betwist wordt door geïntimeerde.

5.6.3. inkomensverlies

Appellante vraagt voorbehoud voor het concrete loonverlies van 3.1.2005 t.e.m. 6.3.2005.

Het hof is van oordeel dat appellante ruimschoots de gelegenheid had deze schadepost uit het verleden aan de hand van bewijskrachtige overtuigingsstukken te staven. Ze levert ook niet het bewijs van ongeschiktheidvergoedingen die door het ziekenfonds zijn betaald, na het verstrijken van de periode van gewaarborgd maandloon.

Het bewijs van materiële schade wegens inkomensverlies werd niet geleverd, zodat het voorbehoud niet wordt toegekend.

5.6.4. verhoogde inspanning TO

Appellante voert aan dat ze aan de computer werkt en ze bij langdurig zitten een pijn ervaart, wat vergoed wordt door toekenning van morele schade.

De gemeenrechtelijke vergoeding wegens meerinspanning heeft geen betrekking op een morele schade, maar op een materiële schade.

Een slachtoffer levert een verhoogde inspanning als het tijdens een gedeeltelijke tijdelijke ongeschiktheid het werk volbrengt aan 100%.

Vaststaat dat appellante haar werk halftijds hernomen heeft vanaf 7 maart 2005 (stuk VII, 19 van appellante) in een periode waar de gerechtsdeskundige een tijdelijke arbeidsongeschiktheid voorzag van 50%.

Het hof is ook hier van oordeel dat een concreet letsel kan leiden tot een andere situationele persoonlijke ongeschiktheid of arbeidsongeschiktheid.

Elke aantasting in de onderscheiden domeinen kan zich vertalen in een andere graad van ongeschiktheid.

Uit het rapport van de deskundige leidt het hof dan ook niet af dat omwille van de gevolgen van het ongeval voltijds werken (i.p.v. 4/5) niet meer mogelijk was.

Uit deze vaststelling leidt het hof af dat appellante in concreto geen verhoogde inspanning geleverd heeft, zodat het hof aan appellante geen vergoeding toekent voor deze beweerde schade.

Het argument dat een percentage van 30% of ondergeschikt van 15% voor de periode van 2.5.2005 tot 2.1.2007 dient weerhouden te worden, wordt door het hof niet aanvaard, nu vaststaat dat appellante loontrekkende is en geen materiële schade lijdt.

De berekeningen voor verhoogde inspanningen (noch in hoofdorde, noch in ondergeschikte orde) kunnen niet aanvaard worden, nu de noodzaak zich harder in te spannen bij het volbrengen van normale beroepswerkzaamheden aan de computer niet aangetoond worden.

Nu in concreto niet aangetoond wordt dat appellante, die loontrekkende is, een materiële schade lijdt door het leveren van verhoogde inspanningen is het horen van de deskundige of een aanvullend deskundigenonderzoek niet aangewezen.

Een deskundigenrapport is slechts een advies voor het hof, dat oordeelt op basis van schade in concreto.

Er is geen reden om een aanvullend onderzoek door de deskundige te laten uitvoeren.

5.7. Blijvende arbeidsongeschiktheid en invaliditeit

5.7.1. de materiële schade gedurende de blijvende invaliditeit

De gerechtsdeskundige besluit tot een resterende invaliditeit van 30%. De economische weerslag toont een verlies aan concurrentievermogen van 15% aan door neurologische problemen en er is een blijvende huishoudelijke hulp nodig te begroten op 20%.

Het staat vast dat de blijvende schade niet tot inkomensverlies geleid heeft.

Appellante is nog steeds werkzaam bij haar werkgever.

Het hof stelt vast dat de deskundige geen 15% arbeidsongeschiktheid heeft weerhouden maar 30% invaliditeit.

De deskundige weerhoudt alleen een verlies aan concurrentievermogen. De geschiktheid van het slachtoffer wordt aldus ook beoordeeld in functie van leeftijd, beroepskwalificaties, aanpassingsvermogen, mogelijkheid tot professionele herscholing en geschiktheid tot meedingen op de algemene arbeidsmarkt.

Appellante heeft een sedentair beroep en werkt na negen jaar nog steeds bij dezelfde werkgever. De geschiktheid om het huidige beroep uit te oefenen is nog steeds intact en het hof stelt vast dat er nog steeds geen concrete weerslag is op haar beroepsloopbaan, zodat haar economische ongeschiktheid - een mogelijks verlies aan concurrentievermogen - nog steeds niet aan de orde is.

Het is niet omdat de fysieke integriteit is aangetast dat zulks automatisch ook een aantasting van het arbeidsvermogen met zich meebrengt. Om de economische weerslag in te schatten houdt het hof rekening met de kwalificaties van appellante en met haar economisch milieu. Haar invaliditeit, die verder zonder economisch gevolg is in haar huidige beroep, veroorzaakt alleen een morele schade.

In beginsel kan de 15% wegens verlies aan concurrentievermogen aanzien worden als een verlies van kans.

Volgens de normale gang van zaken doet dit verlies van een kans zich te dezen niet voor zodat geen vergoeding voor verlies van een kans wordt toegekend.

Geïntimeerde concludeerde tot ongegrondheid, hoogstens in ondergeschikte orde beklemtoonde ze dat "enkel werkdagen" konden vergoed worden.

Appellante rekende van 3.1.2007 (consolidatiedatum) tot 7 mei 2004 op basis van het nettoloon een bedrag uit van euro 26 065,002, en als toekomstige schade een bedrag van euro 33 042,15 tabellen Schryvers, minstens euro 32 805,85, tabel Levie.

Er is geen reden om de deskundige te verzoeken verduidelijking te geven.

Het is niet aangetoond dat het ongeval invloed had op de carrière van appellante, die verklaart dat ze voornamelijk aan de computer werkt. Er zijn verder geen gegevens van opleidingsniveau aangereikt.

De vordering is ongegrond, nu appellante als loontrekkende geen aantoonbare materiële schade lijdt, en nu het verlies van kans - verlies aan concurrentievermogen - niet als reden kan aangevoerd worden voor een slachtoffer dat reeds de leeftijd van 55 jaar bereikt heeft en nog steeds in loondienst werkt bij haar zelfde werkgever.

5.7.2. Morele schade BI

Appellante splitst de geleden schade vanaf de consolidatiedatum tot de datum arrest en vordert 2 679 d. x euro 25 x 30% = euro 20 092,50. Ze kapitaliseert de toekomstige schade op basis van euro 25 en vordert - conform de coëfficiënt in de tabellen Schryvers - een bedrag van euro 68 155,54, ondergeschikt conform tabel Levie een bedrag van euro 56 907,01.

Geïntimeerde stelt dat hoogstens een vergoeding van euro 756 per punt x 30 = euro 22 680 in acht kan genomen worden.

Uiterst ondergeschikt stelt appellante dat ze 49 jaar was op ogenblik van de consolidatie, zodat een bedrag van euro 1512 : 2 = euro 756 per punt x 30 % hiermee overeenstemt, of een bedrag van euro 22 680.

Het hof stelt vast dat de begroting door appellante gebeurt op basis van een forfaitair dagbedrag van euro 25, dat als basis wordt gehanteerd voor de periodes van tijdelijke ongeschiktheid en dat thans ook gebruikt wordt om op jaarbasis zowel de schade tussen de consolidatiedatum en de datum van het arrest te berekenen als de toekomstige schade te kapitaliseren.

Het hof is van oordeel dat een begroting op basis van een forfaitair dagbedrag ervan uitgaat dat de schade voor en na de consolidatie van eenzelfde intensiteit blijft en voor altijd als een statisch gegeven moet beschouwd worden, wat niet bewezen is.

Het hof is van oordeel dat de blijvende morele schade niet kan begroot worden door de optelling van een periodiek verschuldigde vergoeding, waarbij telkens hetzelfde dagbedrag gehanteerd wordt.

De uiteenlopende bestanddelen van de morele schade zijn onderhevig aan dynamische factoren, zoals o.a. een afname van pijn ten opzichte van de acute fase na het ongeval tot datum consolidatie.

De morele schade bestaat immers uit verschillende elementen: niet alleen uit pijnschade, maar ook gederfde levensvreugde, uit angst en onzekerheid voor toekomstige ontwikkeling, uit bewustzijn van vermindering van fysieke kracht.

Aanwezigheid van een objectiveerbaar anatomisch letsel zegt niets over pijn. De medisch gehanteerde schaal of beschrijving geven geen aanwijzingen over een pijnprobleem.

De gevolgen van de val van de trap stabiliseerden zich met de tijd. Uit het verslag van de deskundige blijkt dat appellante middelen heeft gevonden om om te gaan met een aantal klachten, zodat er sprake is van aanpassing.

De gerechtsdeskundige geeft wel weer dat er belangrijke complicaties naar de toekomst te verwachten zijn, op urologisch en gastro-enterologisch vlak (chronische obstipatie).

Een begroting ex aequo et bono is te verkiezen, bij gebrek aan evidente concrete begrotingsgrondslag en omdat niet vaststaat dat complicaties zich zullen realiseren en omdat dus niet uitgemaakt is dat het om een vaststaande schade zou gaan.

Appellante was 48 jaar, 1 m. op ogenblik consolidatie, zodat het hof een bedrag van euro 1512: 2 = euro 756 x 30, of euro 22 680 toekent als morele schade voor haar blijvende invaliditeit.

Het hof stelt vast dat zowel geïntimeerde als appellante dezelfde berekening per punt hanteren, waarbij het in tegenstelling tot wat appellante aanvoert, niet onduidelijk is hoe de berekening ten bedrage van euro 22 680 uitgevoerd werd.

5.7.3. Huishoudelijke verhoogde inspanning gedurende blijvende invaliditeit

De deskundige weerhoudt een blijvende huishoudelijke verhoogde inspanning van 20%.

De geleden schade van 3.1.2007 (consolidatiedatum- tot datum arrest) bedraagt volgens appellante euro 6 965,4 ( op basis van euro 20 per dag x 65%), en voor de toekomst gebeurt in hoofdorde een berekening volgens tabel Schryvers op basis van euro 20 = euro 23 627,25 of ondergeschikt volgens tabel Levie een bedrag van euro 19 727,76.

Geïntimeerde voert aan dat het niet aanvaardbaar is dat kapitalisatie wordt toegepast op de vermoedelijke levensduur van het slachtoffer omdat huishoudelijke werkcapaciteit vermindert met het ouder worden en zij stelt voor deze post een forfaitaire vergoeding voor van euro 20 000 alles inbegrepen.

Het hof stelt vast dat appellante aan de deskundige verklaart dat ze de huishoudelijke taken deelt met haar man, en verder verklaart dat de man een substantieel aandeel van het huishouden op zich genomen heeft.

Een verdeelsleutel in het huishouden, namelijk een percentage van 65% voor de vrouw en 35 % voor de man is het "id quod plerumque fit" of een taakverdeling in het huishouden die meestal gebeurt, maar het is een benadering in abstracto.

In concreto is het hof van oordeel dat de globale huishoudelijke taken gedeeld worden, zodat dit gegeven een impact heeft op de door appellante te leveren verhoogde inspanningen in het huishouden.

Bij afwezigheid van belastingaanslagen heeft het hof geen informatie of appellante zich voor het ongeval al liet bijstaan in het huishouden bij middel van PWA en/of dienstencheques, te meer daar appellante beroepsactief was en er sprake is van talrijke vrijetijdsbestedingen.

Het hof kan naar billijkheid ramen als de door appellante voorgestelde berekeningswijze niet kan aanvaard worden, wat ten deze het geval is.

Deze schade aan de hand van een kapitalisatiemethode met een vast bedrag van euro 20 per dag becijferen tot het einde van de vermoedelijke levensduur is niet aangewezen omdat de inspanningen - ook zonder ongeval - verhogen met ouder worden.

De schade kan onmogelijk anders dan in billijkheid worden bepaald waarvoor de indicatieve tabel een forfaitair bedrag bepaalt van euro 756 per punt ( euro 756 x 20 % = euro 15 120).

De door geïntimeerde voorgestelde forfaitaire vergoeding van euro 20 000 alles inbegrepen, dus ook de intrest voor de schade in het verleden, is volgens het hof een billijke vergoeding voor de verhoogde inspanning die appellante dient te leveren in het huishouden.

Het hof kent in globaliteit ex aequo et bono euro 20 000 toe, vergoedende intresten inbegrepen.

5.8. Genoegenschade

Appellante voert aan dat zij ten gevolge van het schadeverwekkende feit diverse sport- en hobbyactiviteiten heeft moeten stopzetten - badminton, salsalessen, hetgeen voor haar een belangrijk onderdeel van het genot van haar leven vormde.

Zij vraagt een ex aequo et bono bedrag van euro 5000, te vermeerderen met compensatoire intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de consolidatiedatum 3.1.2007.

Geïntimeerde houdt voor dat deze schade in essentie begrepen is in de morele schade en niet voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking kan komen.

Geïntimeerde stelt dat sportactiviteiten leeftijdsgebonden zijn en zelfs door topsporters niet gedurende decennia worden gehandhaafd.

De deskundige beschrijft dat appellante initieel alle sportactiviteiten heeft moeten onderbreken en naderhand consecutief afbouwen van sportactiviteiten.

Appellante kan niet aantonen dat ze - mede door haar professionele tewerkstelling, de opvang van twee zonen en de te verrichten huishoudelijke taken - zelf op een doorgedreven wijze aan sport kon doen.

Het niet kunnen beoefenen van sport als vrijetijdsbesteding, en dit omwille van opgelopen letsel, wordt afdoende vergoed door toekenning van een forfaitaire dagbedrag van euro 25, dat toegekend werd als vergoeding van haar morele schade of voor haar persoonlijke ongeschiktheid.

Dit impliceert dat het geheel van de gevolgen van de aantasting van de fysieke integriteit van appellante op haar handelingen in het dagelijkse (niet professionele leven) hiermede vergoed zijn. Het hof is van oordeel dat morele schade niet alleen pijnschade vergoed, maar ook allerhande smarten. Het tijdelijk niet kunnen beoefenen van een sport of het niet kunnen deelnemen aan een dansles, wat eigenlijk niet in geld waardeerbaar is, wordt mede door dit dagbedrag vergoed.

Het hof oordeelt aldus dat genoegenschade niet voor aparte vergoeding in aanmerking komt.

5.9. Seksuele schade

Appellante vordert een bedrag van euro 12 500 te vermeerderen met vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf consolidatie 3 januari 2007.

Geïntimeerde stelt dat appellante geen argumentatie naar voor brengt om tot het bedrag van euro 12 500 te komen en maakt een vergelijking met morele schade na overlijden partner, waarvoor hetzelfde bedrag in aanmerking komt.

De deskundige geeft aan dat externe gevoeligheid hersteld is, maar dat er intern volledig gevoelsverlies (genitale hypesthesie) zou zijn.

Het hof is van oordeel dat de aanwezigheid van seksuele genoegenschade, zoals opgenomen in het verslag een moeilijk te begroten schadevergoeding is, omwille van het intieme en persoonlijke karakter van seksualiteitsbeleving, waarbij ook de deskundige zich baseert op de bewoordingen van het slachtoffer.

Morele schade is het immateriële psychische aspect van elke letselschade en kan ook de vorm aannemen van seksuele schade, die evenwel niet altijd apart dient vergoed te worden.

Morele schade heeft per definitie een symboolwaarde, wat een concrete schade-evaluatie relativeert en bemoeilijkt. Het hof erkent zoals de deskundige de beschreven schade, maar houdt in concreto rekening met de reële omvang en draagwijdte van deze seksuele genoegenschade bij appellante, die op het ogenblik van de consolidatie 48 jaar, 1 maand oud was.

Ook geïntimeerde bestrijdt het bestaan van de schade niet, maar voerde aan dat appellante zelf aangaf dat een deel van het seksueel probleem zich hersteld heeft.

Nu dergelijke individueel aanvoelbare seksuele schade in een som geld vertalen in wezen tot een onmogelijke opgave leidt, kan geen gevolg gegeven worden aan het hoge bedrag dat appellante vordert voor seksuele schade, bovenop de vergoeding voor morele schade.

Het hof kan alleen maar in billijkheid begroten en kent voor de seksuele genoegenschade een bedrag van euro 2 500 toe, bedrag dat bovenop de morele schade voor blijvende invaliditeit vergoed wordt, te vermeerderen met vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf consolidatie 3 januari 2007, met een maximum van 5%.

5.10. Het hof herhaalt dat het deskundigenverslag voldoende duidelijk is, zodat het niet opportuun is de gerechtsdeskundige opnieuw aan te stellen of te horen ter terechtzitting. Het hof is voldoende geïnformeerd om een eindbeslissing te kunnen nemen.

Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak. De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken. Het hof werkt zijn tussenarrest van 24 februari 2010 verder uit. Het hof verwijst de vordering van mevrouw J. L. in zover gesteld tegen meester Werenfried Schwachten en in zover gesteld tegen meester J.Bruneel en tegen meester S.Lagrou in hun hoedanigheid van curators over het faillissement van nv Parc Des Chodes op verzoek van partijen naar de bijzondere rol.

Het hof beslist bij devolutieve werking van het hoger beroep als volgt.

Het hof veroordeelt NV Ourthe & Somme Gestion om aan mevrouw J. L. te betalen:

- een bedrag van euro 1 159,44 voor medische kosten , meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006 tot heden, met een maximum van 5%, meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der algehele betaling,

- een bedrag van euro 2 623,52 voor medische kosten, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet met een maximum van 5% vanaf de gemiddelde datum van 3 oktober 2009 meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der algehele betaling,

- een bedrag van euro 2 560,78 voor de farmaceutische kosten, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet met een maximum van 5%, vanaf de gemiddelde datum van 3 januari 2009, meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling,

- een bedrag van euro 6 774,19 voor toekomstige farmaceutische kosten meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling,

- een bedrag van euro 125 voor administratieve kosten, meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling,

-een bedrag van euro 1 945,14 voor verplaatsingskosten, vermeerderd met vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet met een maximum van 5% vanaf de gemiddelde datum van 3 november 2009, meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

- een bedrag van euro 3 196,86 voor toekomstige verplaatsingskosten meer de gerechtelijke moratoire intresten van af heden tot op de dag der integrale betaling,

- een bedrag van euro 1 178,12 voor verhoogde inspanningen in huishouden (TO) meer vergoedende intresten tot de dag van de uitspraak aan de wettelijke intrestvoet vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006, met een maximum van 5% meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling,

- een bedrag van euro 6 627,50 voor morele schade T.O., meer vergoedende interesten tot de dag van de uitspraak aan de wettelijke interestvoet vanaf de gemiddelde datum van 2 januari 2006 met een maximum van 5% meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling,

- een bedrag van euro 22 680 voor morele schade BO, meer de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 3.1.2010 tot op heden, meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

- een bedrag van euro 20 000, voor huishoudelijke verhoogde inspanning BO vergoedende intrest inbegrepen, meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

- een bedrag van euro 2 500 voor seksuele schade, te vermeerderen met vergoedende intrest aan wettelijke intrestvoet vanaf consolidatie 3 januari 2007, met een maximum van 5%, meer de gerechtelijke moratoire intresten vanaf heden tot op de dag der integrale betaling.

Het hof verleent voorbehoud voor toekomstige medische kosten in oorzakelijk verband met het schadegeval van 3 januari 2005.

Het hof veroordeelt nv Ourthe & Somme Gestion tot de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van mevrouw J. L. .

Het hof vereffent de proceskosten van beide aanleggen aan de zijde van mevrouw op J. L., zoals gevorderd:

- dagvaardingskosten: euro 472,52

- vertaling beschikking euro 36,30

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 364,61

- rolrecht hoger beroep: euro 82,00

- kosten deskundigenonderzoek euro 2492,74

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 2 500,00

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 07 mei 2014 door

K. VAN HAELST Raadsheer C. DE BLIECK Griffier

Vrije woorden

  • Lichamelijke schade- inkomensverlies- verhoogde inspanning TO

  • morele schade BI

  • ex aequo et bono- huishoudelijke verhoogde inspanning BI

  • genoegenschade (niet)

  • vergoedende intrest