- Arrest van 21 januari 2014

21/01/2014 - 2011AR310

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer de rechter aan een procespartij vraagt een stuk neer te leggen uiterlijk op een bepaalde dag waarna de zaak van rechtswege in beraad zou worden genomen, en wanneer blijkt dat hieraan niet is voldaan, behoort het dan ook om de debatten te heropenen teneinde deze partij toe te laten tot overlegging van het gevraagde over te gaan.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2011/AR/310

INZAKE VAN :

Mevrouw J. V., wonende te

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 14 mei 2010,

vertegenwoordigd door Meester G. UYTTENHOVE loco Meestr Jean-François TAILLEUR, advocaat te 1050 BRUSSEL, F.D. Rooseveltlaan 51,

1ste kamer

TEGEN :

De naamloze vennootschap ALLIANZ BELGIUM, verzekeringsmaatschappij, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Lakensestraat 35, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0403.258.197,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Charlotte VERHAEGHE loco Meester Paul DEPUYDT, advocaat te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F,

Gerechtelijk privaatrecht. Behandeling van de zaak. Vraag tot overlegging van een bepaald ontbrekend stuk. Niet-voorleggen van dit stuk tegen de datum waarop deze voorlegging rechterlijk werd bevolen. Heropening van de debatten.

Wanneer de rechter aan een procespartij vraagt een stuk neer te leggen uiterlijk op een bepaalde dag waarna de zaak van rechtswege in beraad zou worden genomen, en wanneer blijkt dat hieraan niet is voldaan, behoort het dan ook om de debatten te heropenen teneinde deze partij toe te laten tot overlegging van het gevraagde over te gaan.

_____________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 14 mei 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 9 februari 2011;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 4 januari 2012;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 6 februari 2012.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 9 december 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante - ingeleid bij P.V. van vrijwillige verschijning - strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 63.011,52 euro plus intresten.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep herneemt appellante haar oorspronkelijke vordering met dien verstande dat zij thans haar vordering herleidt tot 21.003,84 euro.

1.4. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante eigenaar is van een aantal panden gelegen te A. op het F.-plein nummers 1, 3 en 7.

Op 1 januari 1969 sloot zij een handelshuurovereenkomst met ALKEN MAES met als voorwerp de verhuur van lokalen gelegen op de gelijkvloerse verdieping van één van die panden (= F.-plein 7). De initiële huurovereenkomst werd afgesloten voor een periode van 9 opeenvolgende jaren om te eindigen op 31 december 1977. De huur werd tweemaal vernieuwd.

Ook voor de andere panden - waarin café's werden uitgebaat - werden gelijkaardige overeenkomsten afgesloten. Huidige betwisting beperkt zich echter tot het pand nr. 7.

2.3. Op 27 februari 1997 sloot appellante met ALKAN MAES een handelshuurovereenkomst m.b.t. het pand nr. 7 voor een periode retroactief bepaald op 1 januari 1996 om te eindigen op 31 december 2004.

2.4. In de loop van 2001 werd meester D. (= verzekerde van geïntimeerde) de raadsman van appellante.

Op 10 november 2003 deelde deze raadsman - met akkoord van appellante - aan de huurder mede dat de gevraagde huurhernieuwing werd geweigerd om reden dat de handelshuurovereenkomst, na drie hernieuwingen, definitief een einde nam op 31 december 2004.

Volgens appellante ontging het aan haar raadsman dat ingevolge de nieuwe huurovereenkomst deze een aanvang nam op 1 januari 1996 en bijgevolg wel degelijk kon hernieuwd worden.

Deze huurhernieuwing met de door haar gewenste huurprijsverhoging had - nog steeds volgens appellante - overeenkomstig de Wet op de handelshuurovereenkomst echter uiterlijk tegen 19 november 2003 bij aangetekend schrijven aan de huurder moeten medegedeeld zijn.

Hierop volgde een procedure voor de vrederechter te A. die beëindigd zou geweest zijn door een (akkoord)vonnis van 28 september 2005 waarin de huurverlenging zou toegestaan zijn onder dezelfde voorwaarden als in de oorspronkelijke huurovereenkomst, zoals gevraagd door de huurder.

2.5. Appellante is de mening toegedaan dat door de fout van haar toenmalige raadsman de huurprijsvermeerdering waarop zij recht had en ongetwijfeld zou hebben bekomen, mislopen heeft.

Zij stelde bijgevolg bij schrijven van 23 februari 2006 haar raadsman in gebreke.

Gezien het uitblijven van enige positieve reactie ging zij over tot huidige procedure.

III. Bespreking.

3.1. Appellante verwijt aan haar toenmalige raadsman een verkeerd juridisch gevolg te hebben gegeven aan de overeenkomst van 27 februari 1997 en haar bijgevolg foutief te hebben geadviseerd door voor te houden dat de huur op 31 december 2004 - na 36 jaar - definitief beëindigd was terwijl voornoemde overeenkomst in werkelijkheid een nieuwe overeenkomst tussen partijen betrof.

Zij voert verder aan dat zij opdracht had gegeven aan haar raadsman te zorgen voor een huurprijsverhoging die niet werd bekomen door zijn nalatig optreden.

Appellante beweert tenslotte dat door deze fout zij schade heeft geleden, bestaande uit de derving van een verhoogde huurprijs vanaf 1 januari 2005 gedurende een periode van 3 jaar die zij thans begroot op 21.003,84 euro.

3.2. Ter zitting van 9 december 2013 werd aan appellante gevraagd het vonnis van de vrederechter van A. van 28 september 2005 neer te leggen uiterlijk op 6 januari 2014 om 14u waarna de zaak van rechtswege in beraad zou worden genomen.

Op 6 januari 2014 bleek het gevraagde vonnis nog niet in het bezit te zijn van appellante.

Het behoort dan ook om de debatten te heropenen teneinde appellante toe te laten tot overlegging van het gevraagde over te gaan.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, beveelt de heropening van de debatten om de hier voren uiteengezette reden.

Stelt de zaak ten dien einde vast ter zitting van 10 maart 2014 om 14.00 uur (10') teneinde de vooruitgang van het dossier na te gaan en eventueel bijkomende conclusietermijnen vast te stellen.

Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

21/01/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • Gerechtelijk privaatrecht. Behandeling van de zaak. Vraag tot overlegging van een bepaald ontbrekend stuk. Niet-voorleggen van dit stuk tegen de datum waarop deze voorlegging rechterlijk werd bevolen. Heropening van de debatten.