- Arrest van 18 maart 2014

18/03/2014 - 2010AR2831

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

I. Bij een echte schenking vormt de animus donandi een essentiële bestaansvoorwaarde of grondvoorwaarde ervan. Een loutere inbreng om niet (dus zonder tegenprestatie) en tevens zonder animus donand,i tussen twee VZW's, is geen schenking. Een dergelijke loutere inbreng om niet vereist bijgevolg geen machtiging bij KB voor de overnemende VZW

II. Bij toepassing van artikel 619 B.W. duurt het vruchtgebruik dat aan rechtspersonen wordt verleend, maximaal slechts dertig jaren. Voorbehoud van vruchtgebruik ten voordele van een vzw: duur.


Arrest - Integrale tekst

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/2831

INZAKE VAN :

De V.Z.W. FEDERATIE VAN CINEMA'S VAN BELGIË, afgekort FCB, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1210 SINT-JOOST-TEN-NOODE, Koningsstraat 241, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0406.592.524, woonstkiezende op het kantoor van haar raadsman Meester Xavier D'HULST, advocaat te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 30 juli 2010,

vertegenwoordigd door Meester Xavier D'HULST, advocaat te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66,

1ste kamer

TEGEN :

De V.Z.W. KINEMAHAARD, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1090 BRUSSEL, Charles Woestelaan 251, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0409.623.179,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Emmanuel JACUBOWITZ loco Meester Nathalie UYTTENDAELE, advocaat te 1060 BRUSSEL, Bronstraat 68,

Overdracht van onroerende goederen zonder tegenprestatie tussen twee VZW's. Kwalificatie van de rechtshandeling. Schenking dan wel loutere inbreng om niet zonder intentie van vrijgevigheid. Diverse recbtsgevolgen van de aanwezigheid dan wel afwezigheid van de intentie van vrijgevigheid bij de overdracht tussen twee VZW's.

Bij een echte schenking vormt de animus donandi een essentiële bestaansvoorwaarde of grondvoorwaarde ervan. Een loutere inbreng om niet (dus zonder tegenprestatie) en tevens zonder animus donand,i tussen twee VZW's, is geen schenking. Een dergelijke loutere inbreng om niet vereist bijgevolg geen machtiging bij KB voor de overnemende VZW

II. Bij toepassing van artikel 619 B.W. duurt het vruchtgebruik dat aan rechtspersonen wordt verleend, maximaal slechts dertig jaren.

____________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 30 juli 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 20 oktober 2010;

• de syntheseconclusie van appellante neergelegd ter griffie op 14 september 2011;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 14 november 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe:

- verbod te horen opleggen tot aan de definitieve uitspraak ten gronde tot het vervreemden van de naakte eigendom m.b.t. een pand gelegen aan de Koningsstraat 241 te Brussel (Sint Joost ten Noode) en dit onder verbeurte van een dwangsom van 400.000 euro;

- verder in hoofdorde te horen zeggen voor recht dat de schenking van de naakte eigendom aan huidige geïntimeerde, zoals vastgesteld bij notariële akte van 15 juni 1982, nietig is wegens gebrek aan machtiging in hoofde van de beheerders die de akte ondertekenden en/of gebrek aan machtiging door de Koning, en voor recht te horen zeggen dat de naakte eigendom nog steeds toebehoort aan huidige appellante;

- ondergeschikt, de naakte eigendom terug te horen toewijzen aan huidige appellante wegens het gebrek aan machtiging en/of het niet vervullen van een uitdrukkelijk gestipuleerde voorwaarde, minstens wegens verval van de doorslaggevende reden die aan de overdracht van de naakte eigendom aan geïntimeerde ten gronde ligt, minstens wegens de nietigheid van het bezit van de naakte eigendom omwille van de strijdigheid met het verenigingsdoel van geïntimeerde met de wet, de openbare orde of de statuten;

- uiterst ondergeschikt, op basis van de voorwaarden vermeld in de notariële akte van 15 juni 1982:

 geïntimeerde te horen bevelen de voorwaarden van de notariële akte van 15 juni 1982 te eerbiedigen en in het bijzonder geïntimeerde te verbieden het desbetreffende pand aan derden te vervreemden onder verbeurte van een dwangsom van 400.000 euro;

 voor recht te horen zeggen dat in geval van ontbinding en vereffening van geïntimeerde het litigieuze pand integraal aan appellante moet worden overgedragen ten kosteloze titel en onder verbeurte van een dwangsom van 400.000 euro.

1.2. Geïntimeerde stelde een tegenvordering in en vroeg:

- appellante vervallen te verklaren van haar recht van vruchtgebruik op het desbetreffende goed;

- een architect - deskundige aan te stellen met o.a. als opdracht de staat van het gebouw te beschrijven, advies te geven over de opgelopen beschadigingen en de waardevermindering en de kosten hiervan te bepalen;

- op grond van artikel 18 van de wet van 2 mei 2002 de ontbinding van appellante uit te spreken wegens schendingen van haar wettelijke en statutaire verplichtingen;

- appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

M.b.t. de hoofdvordering verzocht geïntimeerde in hoofdorde deze niet ontvankelijk te verklaren, ondergeschikt de procedure te schorsen in afwachting dat appellante voldeed aan haar verplichtingen zoals voorzien in artikel 26 van de wet van 2 mei 2002 en nog meer ondergeschikt deze vordering ongegrond te verklaren.

1.3. De eerste rechter heeft zowel de hoofdvordering als de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.4. In hoger beroep verzoekt appellante:

- te zeggen voor recht dat de overdracht van het kwestieuze pand gekwalificeerd dient te worden als een schenking;

- te zeggen voor recht dat deze schenking absoluut nietig is;

- minstens te zeggen voor recht dat de schenking herroepen werd wegens enerzijds een gebrek aan recht - en handelingsbekwaamheid van de Raad van Bestuur van geïntimeerde voor het aanvaarden van schenkingen en anderzijds de afwezigheid van een machtiging voor de aanvaarding van de schenking;

- nog minstens te zeggen voor recht dat de schenking vervallen is omdat de doorslaggevende beweegreden van de schenking verdwenen of vervallen is;

- dienvolgens vast te stellen dat appellante nog steeds eigenaar is of zou moeten zijn van het geciteerde pand;

- subsidiair geïntimeerde te bevelen de voorwaarde van de akte van 15 juni 1982 te eerbiedigen en in het bijzonder geïntimeerde te verbieden het pand aan derden te vervreemden onder verbeurte van een dwangsom van 400.000 euro;

- verder te zeggen voor recht dat in geval van ontbinding en vereffening van geïntimeerde het litigieuze pand integraal aan appellante moet worden overgedragen ten kosteloze titel en onder verbeurte van een dwangsom van 400.000 euro.

1.5. Geïntimeerde verzoekt bij wijze van incidenteel beroep de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk te verklaren en haar tegenvordering zoals gesteld voor de eerste rechter ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Zij stelt tevens een incidentele vordering in en vraagt appellante te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ad 2.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante bij notariële akte van 15 juni 1982 de naakte eigendom van hoger geciteerd onroerend goed volgens haar zou geschonken hebben aan geïntimeerde terwijl volgens deze laatste de naakte eigendom zou zijn overgedragen/ingebracht om niet.

Bij schrijven van 18 augustus 1995 vroeg geïntimeerde - bij monde van haar raadsman - of appellante deze naakte eigendom wou aankopen.

Hierop antwoordde appellante op 23 augustus 1995 dat het in deze voor de hand lag dat geïntimeerde deze naakte eigendom aan haar zou terugschenken.

Op 7 oktober 1995 liet geïntimeerde weten dat zij enkel bereid was van de naakte eigendom afstand te doen tegen betaling van een vergoeding.

2.3. Gezien partijen geen overeenkomst konden bereiken, ging appellante over tot dagvaarding betekend bij exploot van 4 april 1996.

III. Bespreking.

3.1. Geïntimeerde werpt op dat de oorspronkelijke vordering onontvankelijk zou zijn omdat appellante niet het bewijs zou leveren dat zij ten tijde van de dagvaarding ter griffie haar statuten, de volledige identiteit van haar leden alsmede haar ledenlijst zou hebben neergelegd zoals vereist bij toepassing van de toenmalige artikelen 10 en 26 van de Wet van 27 juni 1921 betreffende de VZW's.

Zij verwijt tevens aan appellante een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 9 van voornoemde wet door elke wijziging van de statuten en elke benoeming van een beheerder niet binnen één maand in het B.S. te hebben gepubliceerd.

Zij leidt hieruit af dat de vordering niet ontvankelijk is bij gebreke aan rechtspersoonlijkheid in hoofde van appellante.

3.2. De ontvankelijkheidvoorwaarden dienen beoordeeld te worden vanuit het oogpunt van het tijdstip waarop de vordering werd ingesteld.

De dagvaarding werd betekend op 4 april 1996 en uit de stukken neergelegd door appellante blijkt afdoende dat de voorwaarden voor het bezit van rechtspersoonlijkheid op dat ogenblik vervuld waren.

Artikel 9 van voornoemde wet bepaalt verder dat elke wijziging in de statuten moet bekendgemaakt worden in het B.S. binnen de maand. Een herbenoeming is geen wijziging en dient derhalve niet bekendgemaakt te worden. Het feit dat de achtereenvolgende wijzigingen in de statuten niet gepubliceerd werden binnen de maand heeft geen verdere implicaties op het bezit van rechtspersoonlijkheid. Op het ogenblik van de dagvaarding - zijnde het enige cruciale ogenblik voor de beoordeling van het bezit aan rechtspersoonlijkheid - waren alle publicaties uitgevoerd.

3.3. De eerste rechter heeft derhalve terecht geoordeeld dat de vordering ontvankelijk was.

Het bestreden vonnis wordt op dat punt bevestigd.

Het incidenteel beroep desbetreffend is ongegrond.

3.4. Geïntimeerde herneemt haar betoog als zou de procedure moeten opgeschort worden omdat de jaarrekeningen niet werden voorgelegd en verwijst hierbij naar o.a. artikel 26 van de Wet van 27 juni 1921.

Geïntimeerde stelt zelf in haar conclusie dat hangende de procedure appellante wel degelijk haar jaarrekeningen heeft neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Brussel, reden waarom de eerste rechter terecht oordeelde dat er geen reden was om de procedure op te schorten.

Een dergelijke regularisatie is overigens voorzien in artikel 26 van voornoemde wet dat stelt dat de rechter de termijn bepaalt waarbinnen de vereniging moet voldaan aan voornoemde verplichting. De eerste rechter diende geen termijn te bepalen gezien appellante inmiddels haar verplichtingen was nagekomen.

Geïntimeerde houdt thans voor dat appellante het bewijs niet levert dat de (neergelegde) jaarrekeningen wel degelijk goedgekeurd werden door de algemene vergadering reden waarom zij opnieuw vraagt de procedure op te schorten.

Nergens blijkt uit dat de algemene vergadering of een lid ervan zich verzet zou hebben tegen het neerleggen van de jaarrekeningen in kwestie of na het neerleggen ervan de inhoud ervan zou betwist hebben. Het behoort aan geïntimeerde het bewijs te leveren van wat zij voorhoudt.

Geïntimeerde werpt tenslotte op dat appellante niet bewijst de jaarrekening van het jaar 2009 te hebben neergelegd terwijl de termijn van 6 maanden na afsluitingstijd verstreken was op het ogenblik van het neerleggen van het verzoekschrift in hoger beroep ( = 20 oktober 2010) reden waarom andermaal de procedure zou dienen opgeschort te worden. De formaliteiten vereist in artikel 26 van de VZW Wet gelden bij het instellen van de vordering dus op het ogenblik van het betekenen van de dagvaarding.

3.4. Er is bijgevolg geen reden voorhanden om huidige procedure op te schorten.

3.5. Het geschil - ten gronde - heeft betrekking op een onenigheid tussen de VZW Federatie der Cinema's van België (afgekort FCB) en de VZW Kinemahaard m.b.t. het pand gelegen aan de Koningstraat 241 te 1210 Brussel.

De VZW FCB droeg aan de VZW Kinemahaard dit pand over, met voorbehoud van vruchtgebruik ten voordele van de overdrager (FCB), en zonder tegenprestatie vanwege de overnemer zoals blijkt uit de notariële akte verleden op 15 juni 1982, opgesteld in de Franse taal, door notaris André Wallemacq met standplaats te Vorst.

Voornoemde notariële akte wordt betiteld en gekwalificeerd als een «cession» (vrij vertaald: overdracht) tussen twee VZW's, en bevat volgende hoofdvermelding: "L'association cédante a déclaré par les présentes faire apport à titre gratuit à l'association cessionaire, qui accepte..." (vrij vertaald : de overdragende vereniging verklaarde bij deze inbreng te doen om niet aan de overnemende vereniging, die aanvaardt...). De partijen verklaren tevens in deze notariële akte «que la cession a lieu...sous le régime prévu par l'article 140, 3° du code des droits de l'enregistrement », (vrij vertaald: de overdracht geschiedt met toepassing van (het toen geldende) artikel 140, 3° Wetboek Registratierechten).

Deze akte werd geregistreerd zonder dat de gemeenrechtelijke progressieve registratierechten voor schenkingen, vervat in artikel 131 Wetb. Registratierechten, geheven werden.

3.6. Het geschil tussen de betrokken partijen vereist derhalve een voorafgaand onderzoek inzake de kwalificatie van de overdracht zoals vervat in de bovenvermelde notariële akte van 15 juni 1982, met name betreft het een schenkingsakte (dus met een intentie van vrijgevigheid in de zin van artikel 1105 B.W.) dan wel een loutere inbreng om niet zonder een intentie van vrijgevigheid.

3.7. Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen twee verschillende overdrachten zonder tegenprestatie (of om niet) , met name tussen (1) enerzijds een overdracht om niet uit vrijgevigheid, met animus donandi (= een schenking) en (2) anderzijds een overdracht om niet zonder vrijgevigheidgedachte, dus zonder animus donandi (= geen schenking).

Dit houdt in dat niet elke overdracht om niet of zonder tegenprestatie een schenking is, dus gedaan met een intentie van vrijgevigheid.

Bij een echte schenking vormt de animus donandi een essentiële bestaansvoorwaarde of grondvoorwaarde ervan . Bij een loutere inbreng om niet - dus zonder tegenprestatie - is de animus donandi geen bestaansvoorwaarde van dergelijke inbreng om niet.

3.8. Bij dit onderzoek dient tevens de aandacht gevestigd te worden op hierna volgende wetsbepalingen:

- oud artikel 140 van het (nationaal) wetboek van registratierechten dat bepaalt dat de bij artikel 131 vastgestelde schenkingsrechten worden verlaagd tot...3°) 1,10 % voor de schenkingen met inbegrip van de inbrengsten om niet, mits gedaan, onder andere, aan een VZW en zo de schenker of de inbrenger ook een VZW is;

- artikel 17, 11bis van het K.B. van 16 december 1950 op de erelonen van de notarissen dat bepaalt dat een bijzonder verlaagde tarifering van het notarieel ereloon (namelijk één vierde van het ereloon volgens de aard van de notariële akte) geldt, wanneer het gaat om een inbreng door een vereniging zonder winstoogmerk ten gunste van een andere gelijkaardige vereniging.

3.9. De overdracht van een onroerend goed tussen twee VZW's - zonder tegenprestatie - is dus niet noodzakelijk een schenking.

Het is geen schenking - maar wel een loutere inbreng om niet - indien de intentie om te bevoordelen ontbreekt - en er dus geen animus donandi (= vrijgevigheidsgedachte) is - wat het geval is wanneer de rechtshandeling geschiedt in het kader van of met de intentie van een reorganisatie in de non - profitsector.

In dit laatste geval is er dus wel een "inbreng om niet", zijnde een specifieke rechtshandeling (een rechtshandeling sui generis) in de zin van artikel 140 van het wetboek der registratierechten en in de zin van artikel 17, 11bis van het K.B. van 16 december 1950 inzake de tarifering van de notariële erelonen.

De wetgever voorziet dus een aantal bepalingen die uitdrukkelijk louter de inbreng om niet (= zonder intentie van vrijgevigheid) betreffen als gevolg waarvan een dergelijke rechtshandeling niet gekwalificeerd kan worden als een schenking.

Dergelijke inbrengen om niet tussen VZW's - die geen schenkingen zijn in geval van ontbreken van een intentie van vrijgevigheid - worden beschouwd als een normale daad om het belangloos doel te verwezenlijken van gelijkaardige instellingen.

Uit de inbreng om niet tussen twee VZW's met gelijkaardig doel, en zonder intentie van vrijgevigheid, volgt:

- dat de (al of niet vroegere) vormelijke en notariële geldigheidsvereisten van de rechtstreekse schenking erop niet van toepassing zijn;

- dat de bepalingen van de VZW - wet op de aanvaarding van een schenking niet van toepassing zijn;

- dat de progressieve registratierechten voor schenkingen (artikel 131 en volgende Wet. Reg. R.) niet van toepassing zijn;

- dat de notariële erelonen voor schenkingen niet van toepassing zijn;

- dat geen machtiging door de Koning vereist is voor de aanvaarding van de overdracht om niet door de VZW - overdrager aan de VZW - overnemer die beiden een gelijkaardig doel hebben.

3.10. In deze staat vast dat de beide in deze zaak betrokken VZW's een gelijkaardig doel hebben. Ze zijn beiden werkzaam in de sector van de cinematografie en bioscoopuitbating.

Uit de tekst en uit de strekking van de akte van 15 juni 1982 blijkt duidelijk dat het in deze niet om een schenking gaat doch wel degelijk om een inbreng om niet. De sporadische aanwending in deze akte van de term "schenking" vormt geenszins een doorslaggevend tegenbewijs, zijnde een bewijs van het feit dat de partijen een echte schenking zouden gewenst hebben.

De afwezigheid van een animus donandi (= vrijgevigheidgedachte) staat ook vast omdat uit de stukken (= briefwisseling tussen de partijen) blijkt dat het doel van voormelde akte en rechtshandeling kaderde in een reorganisatie van het patrimonium en van de diensten van de beide betrokken VZW's met gelijkaardig of gelijklopend doel.

De wettelijke bepalingen inzake de uitlegging van de overeenkomsten (art. 1156-1164 B.W.) tonen eveneens aan dat de partijen niet de bedoeling hadden akte te (laten) nemen van een schenking, omdat de partijen duidelijk de toenmalige vereiste vormelijke geldigheidsvoorschriften voor notariële schenkingen, zoals vervat in het B.W. en in artikel 9 van de notariswet - zoals geldend vóór 1 januari 2000 - niet in acht namen, en overigens, niet in acht dienden te nemen. Bij toepassing van voornoemde bepalingen dienden "echte schenkingen" toen verleden te worden samen met een tweede notaris of in aanwezigheid van twee vormgetuigen, wat in deze het geval ook niet is.

3.11. De eerste rechter heeft dan ook terecht de overdracht gekwalificeerd als een "inbreng om niet" en niet als een "schenking".

Het bestreden vonnis wordt op dat punt dan ook bevestigd.

3.12. De kwalificatie van de overdracht als een "inbreng om niet" brengt het volgende met zich mee:

a) de vormelijke geldigheidsvoorwaarden voor de schenking en de aanvaarding van een schenking zijn niet van toepassing op de bovenvermelde loutere overdracht of inbreng om niet;

b) de alsdan geldende vormvereiste van aanwezigheid van twee instrumenterende getuigen of van een tweede instrumenterende notaris bij een notariële schenking, zoals wettelijk voorzien was in het toenmalige artikel 9 van de notariswet van vóór 1 januari 2000, was evenmin van toepassing;

c) voor de aanvaarding van de overdracht om niet tussen twee VZW's is geen machtiging tot aanvaarding van een schenking van een onroerend goed bij koninklijk besluit vereist.

Dit blijkt overigens ook uit een antwoordschrijven gericht door de Minister van Justitie aan de VZW Kinemahaard van 24 mei 2002 waarin letterlijk (in de Franse taal) werd gesteld:

"Quant à la question de l'obligation ou non d'obtenir une autorisation d'accepter cette donation, nous vous transmettons la jurisprudence applicable en la matière: l'apport d'un bien immeuble fait par une association sans but lucratif à une autre association sans but lucratif est considéré comme un transfert à titre gratuit pour lequel, en principe, l'autorisation prévue par la loi du 27 juin 1921 n'est pas requise. (Toutefois, cette autorisation est donnée lorsque l'association en fait la demande). A ce sujet, il y a lieu de tenir compte de la considération suivante : les transferts à titre gratuit entre les associations sans but lucratif ayant des objets similaires ne doivent pas être autorisés par Arrêté royal, car il n'y a pas «d'animus donandi », mais une simple continuation de l'objet social de l'association donatrice au travers de l'association donataire ».

Vrij vertaald : ‘Wat de al dan niet bestaande verplichting betreft inzake het verkrijgen van een machtiging tot aanvaarding van deze schenking, maken wij u de rechtspraak over die toepasselijk is in deze materie: de inbreng van een onroerend goed door een vereniging zonder winstoogmerk in een andere vereniging zonder winstoogmerk wordt beschouwd als een overdracht om niet, voor dewelke, in beginsel, de machtiging voorzien in artikel 16 van de wet van 27 juli 1921 niet is vereist. (Deze machtiging zal evenwel verleend worden wanneer de bevoordeelde vereniging erom verzoekt). In deze aangelegenheid moet er rekening gehouden worden met volgende beschouwing: de overdrachten om niet tussen verenigingen zonder winstoogmerk met een gelijkaardig doel dienen niet de machtiging bij Koninklijk Besluit te verkrijgen, om reden dat er geen ‘animus donandi' is, maar louter een verder zetten van het doel van de schenkende vereniging door middel van de begiftigde vereniging.'

3.13. Bij wijze van tegenvordering vroeg geïntimeerde (1) het verval van het vruchtgebruik uit te spreken dat appellante bezit bij toepassing van artikel 618 B.W. en dit wegens genotmisbruik ingevolge het gebrek aan onderhoud, (2) de ontbinding van de VZW FCB uit te spreken op grond van artikel 18 van de wet van 2 mei 2002 op de verenigingen zonder winstoogmerk en (3) aan appellante een geldboete op te leggen overeenkomstig artikel 780bis Ger.W. wegens procesmisbruik.

Deze tegenvordering werd in al haar onderdelen verworpen door de eerste rechter.

3.14. Het vruchtgebruik werd aan appellante om niet overgedragen bij authentieke akte verleden op 15 juni 1982.

Bij toepassing van artikel 619 B.W. duurt het vruchtgebruik dat aan andere dan aan bijzondere personen wordt verleend, slechts dertig jaren.

Met "andere dan bijzondere personen" worden rechtspersonen bedoeld.

Voornoemde authentieke akte verwijst overigens impliciet naar artikel 619 B.W. in zoverre hierin gesteld wordt:

"L'association cédante a déclaré par les présentes faire apport à titre gratuit à l'association cessionnaire, qui accepte, de la nue propriété des biens suivants dont l'association cédante se réserve l'usufruit jusqu'au jour de sa dissolution ( cet usufruit étant toutefois limité dans le temps à la durée maximum autorisée par la loi)." (onderstreping toegevoegd).

Vrij vertaald : « De overdragende vereniging heeft bij deze verklaard een inbreng te doen om niet aan de overnemende vereniging, die aanvaardt, van de naakte eigendom van hierna volgende goederen waarvan de overdragende vereniging zich het vruchtgebruik voorbehoudt tot de dag van haar ontbinding (dit vruchtgebruik beperkt zijnde in de tijd tot de maximale duur door de wet toegelaten).

Deze dertig jaren zijn verlopen op het ogenblik van de uitspraak in hoger beroep. Dit was niet het geval op het ogenblik van de uitspraak van de bestreden beslissing.

Partijen hebben over de mogelijke toepassing van artikel 619 B.W. en de rechtsgevolgen ervan niet geconcludeerd.

Eén en ander kan een repercussie hebben op de vorderingen zoals ingesteld en omschreven door partijen.

Het behoort om deze reden de debatten te heropenen zoals hierna bepaald.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk.

Vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde beveelt de heropening van de debatten om hier voren uiteengezette redenen.

Stelt de zaak ten dien einde uit ter zitting van maandag 5 mei 2014 om 12.00 u (10') teneinde de vooruitgang van de procedure na te kijken en eventueel een procedurekalender vast te stellen.

Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

18/03/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Vrije woorden

  • I. VZW. Overdracht van onroerende goederen zonder tegenprestatie tussen twee VZW's. Kwalificatie van de rechtshandeling. Schenking dan wel loutere inbreng om niet zonder intentie van vrijgevigheid. Diverse recbtsgevolgen van de aanwezigheid dan wel afwezigheid van de intentie van vrijgevigheid bij de overdracht tussen twee VZW's. Registratierechten. Machtiging voor aanvaarding? II. Artikel 619 BW. Duur van het vruchtgebruik verleend aan of voorbehouden door een rechtspersoon (VZW)